Etaamb.openjustice.be
Wet van 11 april 2003
gepubliceerd op 15 juli 2003

Wet houdende instemming met het Samenwerkingsakkoord tussen de Federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende het opstellen, het uitvoeren en het opvolgen van een Nationaal Klimaatplan, alsook het rapporteren, in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake Klimaatverandering en het Protocol van Kyoto, afgesloten te Brussel op 14 november 2002

bron
federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie
numac
2003011319
pub.
15/07/2003
prom.
11/04/2003
ELI
eli/wet/2003/04/11/2003011319/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

11 APRIL 2003. - Wet houdende instemming met het Samenwerkingsakkoord tussen de Federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende het opstellen, het uitvoeren en het opvolgen van een Nationaal Klimaatplan, alsook het rapporteren, in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake Klimaatverandering en het Protocol van Kyoto, afgesloten te Brussel op 14 november 2002 (1)


ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt :

Artikel 1.Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.

Art. 2.Instemming wordt betuigd met het Samenwerkingsakkoord tussen de federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijke Gewest betreffende het opstellen, het uitvoeren en het opvolgen van een Nationaal Klimaatplan, alsook het rapporteren, in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake Klimaatverandering en het Protocol van Kyoto, afgesloten te Brussel op 14 november 2002, gevoegd bij deze wet.

Art. 3.Deze wet treedt in werking de dag waarop ze in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.

Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Gegeven te Brussel, 11 april 2003.

ALBERT Van Koningswege : De Vice-Eerste Minister en Minister van Mobiliteit en Vervoer, Mevr. I. DURANT De Staatssecretaris voor Energie en Duurzame Ontwikkeling, O. DELEUZE Met 's Lands zegel gezegeld : De Minister van Justitie, M. VERWILGHEN

SAMENWERKINGSAKKOORD tussen de Federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijke Gewest betreffende het opstellen, het uitvoeren en het opvolgen van een Nationaal Klimaatplan, alsook het rapporteren, in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake Klimaatverandering en het Protocol van Kyoto Gelet op artikel 39 van de Grondwet;

Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, gewijzigd bij de bijzondere wet van 8 augustus 1988, inzonderheid op de artikelen 6, § 1, II 1° en 92bis, § 1;

Gelet op de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen, zoals gewijzigd door de bijzondere wet van 16 juli 1993, inzonderheid op artikelen 4 en 42;

Gelet op de wet van 11 mei 1995 houdende goedkeuring van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake Klimaatverandering, en Bijlagen I en II, gedaan te New York op 9 mei 1992;

Gelet op de wet van 12 juli 2001 houdende goedkeuring van het Protocol van Kyoto bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake Klimaatverandering, en de Bijlagen A en B , gedaan te Kyoto op 11 december 1997;

Gelet op de beschikking 1999/296/EG van de Raad van de Europese Unie tot wijziging van beschikking 93/389/EEG inzake een bewakingssysteem voor de uitstoot van CO2 en andere broeikasgassen in de Gemeenschap;

Gelet op de beschikking 2002/358/EG van de Raad van de Europese Unie betreffende de goedkeuring, namens de Europese Gemeenschap, van het Protocol van Kyoto bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake Klimaatverandering en de gezamenlijke nakoming van de in dat kader aangegane verplichtingen;

Gelet op de beslissing van de Raad van de Europese Unie van 16 juni 1998, inzake de vaststelling van de bijdrage van elke lidstaat aan de vermindering van 8 % die de Gemeenschap in haar geheel volgens artikel 3 van het Protocol van Kyoto moet bereiken;

Gelet op het Samenwerkingsakkoord van 18 mei 1994 tussen het Brusselse, Vlaamse en Waalse Gewest inzake het toezicht op emissies in de lucht en op de strukturering van de gegevens;

Gelet op het Samenwerkingsakkoord van 5 april 1995 tussen de Federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijke Gewest met betrekking tot het internationaal milieubeleid, inzake de oprichting van een permanente werkgroep met de titel Coördinatiecomité Internationaal Milieubeleid (afgekort : CCIM);

Gelet op het Samenwerkingsakkoord van 24 oktober 1997 betreffende de samenwerking tussen de Staat en de Gewesten betreffende het Plan voor Wetenschappelijke Ondersteuning van een beleid gericht op duurzame ontwikkeling;

Gelet op de ordonnantie van 25 maart 1999 betreffende de beoordeling en de verbetering van de luchtkwaliteit;

Gelet op het Waalse decreet van 21 april 1994 betreffende de planning inzake milieu in het kader van duurzame ontwikkeling;

Overwegende het besluit van de Ministerraad van 12 mei 2000, inzake de goedkeuring van de uitvoering van het tweede Plan voor Wetenschappelijke Ondersteuning van een beleid gericht op duurzame ontwikkeling (PODO II), waarvoor de Federale Staat en de gefedereerde entiteiten een Samenwerkingsakkoord gesloten hebben;

Overwegende het Federaal Plan inzake Duurzame Ontwikkeling 2000-2004, goedgekeurd door de Ministerraad van 20 juli 2000;

Overwegende de beslissing van de Ministerraad van 14 juni 2001 op federaal niveau, houdende dat België haar bereidwilligheid herbevestigt tot uitvoering van haar beslissing van 20 juli 2000 inzake de goedkeuring van het Federaal Plan inzake Duurzame Ontwikkeling 2000-2004 en specifiek de paragraaf 391 aangaande de verbintenis om de uitstoot aan broeikasgassen in 2008-2012 te verminderen tegenover 1990, zoals de andere Europese lidstaten deze uitvoeren, conform de vaststelling door de Burden Sharing, te weten 7,5 % voor België en dat het op te stellen Nationaal Klimaatplan dient de nodige maatregelen te bevatten om dit objectief van 7,5 % te kunnen realiseren en dit conform het Federaal Plan inzake Duurzame Ontwikkeling 2000-2004, paragraaf 496;

Overwegende dat de paragraaf 391 van het Federaal Plan inzake Duurzame Ontwikkeling 2000-2004 stelt dat de te bereiken doelstellingen niet op lineaire wijze zullen worden verdeeld tussen alle economische groepen en sectoren in dit land;

Overwegende het Vlaamse Milieubeleidsplan (MINA-plan), waarin bepaald wordt dat de netto-emissies van broeikasgassen moeten gereduceerd worden en dat op lange termijn een stabilisatie van de atmosferische concentratie van broeikasgassen beoogd wordt, op een niveau waarbij een gevaarlijke antropogene verstoring van het klimaat wordt vermeden;

Overwegende het Waalse actieprogramma inzake Klimaatverandering, goedgekeurd door de Waalse Regering van 19 juli 2001, dat een reductie van 7,5 % van de emissies van het Waalse Gewest tegen 2008-2012 beoogt ten opzichte van zijn emissies van 1990;

Overwegende dat het wegens de bestaande bevoegdheidsverdelingen noodzakelijk is dat zowel de Federale Staat als de Gewesten zich ertoe verbinden om de nodige maatregelen te nemen ten einde aan de vereisten van het Protocol van Kyoto te voldoen. Hiertoe werd tijdens de uitgebreide Interministeriële Conferentie voor het Leefmilieu van 22 februari 2001, ter goedkeuring van de notulen van 14 december 2000, beslist een Nationaal Klimaatplan op te stellen;

Overwegende de beslissingen van de uitgebreide Interministeriële Conferentie voor het Leefmilieu van 24 juli 2001, ter goedkeuring van de notulen van 22 februari 2001 en specifiek de overeenkomst tussen het Vlaamse en het Waalse Gewest betreffende de stabilisatie van de uitstoot tegen 2005 ten opzichte van 1990 voor elk Gewest;

Overwegende de beslissing van de Waalse Regering van 18 januari 2001, bevestigd op 22 februari 2001 en nog verduidelijkt op 19 juli 2001, om het principe te verdedigen van een lineaire verdeling tussen de Gewesten van de Belgische emissiereductiedoelstelling van 7,5 % en om de goedkeuring van het voorontwerp van decreet houdende goedkeuring van het Protocol van Kyoto in te schrijven in het kader van de naleving van dit principe;

Overwegende de beslissing van de Regering van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 15 maart 2001 waarin gevraagd wordt om een methode van berekening voor een billijke verdeling tussen de Gewesten te laten vastleggen door een onafhankelijke instantie, in overleg met de betrokken actoren en om de methode van berekening aan een volgende uitgebreide Interministeriële Conferentie voor het Leefmilieu voor te leggen;

Overwegende dat de Vlaamse regering op 20 april 2001 heeft beslist dat een gelijkwaardige lastenverdeling tussen de Gewesten noodzakelijk is voor een kostenefficiënt emissiereductiebeleid voor broeikasgassen in België;

Overwegende de noodzakelijkheid van een gecoördineerde en doeltreffende tenuitvoerlegging van de bepalingen van het Nationaal Klimaatplan enerzijds, en de noodzaak de rechtsonderhorigen niet te confronteren met onvoldoende op elkaar afgestemde of overlappende regelgeving anderzijds, is een duidelijke planning vereist, bekrachtigd door een Samenwerkingsakkoord;

Overwegende dat het noodzakelijk is om in de drie Gewesten gezamenlijk maatregelen te nemen betreffende de beperking van de uitstoot van broeikasgassen, zodat een hoog niveau van milieubescherming wordt bereikt;

Overwegende het politiek akkoord, beslissing 5/CP.6 aangenomen door de Conferentie van de Partijen van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake Klimaatverandering (COP6bis) gehouden in Bonn van 16 tot 27 juli 2001 in uitvoering van het Actieplan van Buenos Aires die inzake het supplementariteitsvraagstuk voor Bijlage I-Partijen betekent dat binnenlandse maatregelen een significant onderdeel moeten uitmaken van de inspanning tot het naleven van hun verbintenissen tot beperking en terugdringing van emissies zoals bepaald in artikel 3, eerste lid van het Protocol van Kyoto en hen verplicht om daarover relevante informatie te rapporteren en voor toetsing voor te leggen, conform artikels 7 resp. 8 van het Protocol van Kyoto;

Overwegende dat beslissing 5/CP.6 van de Conferentie van de Partijen van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering bepaalt dat enkel Partijen die de aanvullende overeenkomst inzake naleving bij het Protocol van Kyoto hebben aanvaard het recht hebben om kredieten gegenereerd door het gebruik van de flexibiliteitsmechanismen over te dragen of te verwerven en aan de Conferentie van de Partijen waarin de Partijen bij het Protocol van Kyoto bijeenkomen (COP/MOP) aanbeveelt de deelname aan de flexibiliteitsmechanismen door Bijlage I-Partijen afhankelijk te maken van de naleving van de vereisten inzake rapportering onder artikel 5, eerste en tweede lid en van artikel 7, eerste en vierde lid van het Protocol van Kyoto;

Overwegende dat het halen van de reductiedoelstelling een toepassing van flexibiliteitsmechanismen vereist;

Overwegende de noodzaak om een permanente samenwerking en overleg te verzekeren inzake het beheer van de gegevens, de opvolging van de implementatie, de evaluatie en ook de eventuele bijsturing van het Nationaal Klimaatplan;

Overwegende de noodzaak voor de Federale Staat en de Gewesten om over afgestemde evaluatiemethodologiëen te beschikken om een objectieve en harmonieuze behandeling van gegevens te verzekeren tegenover het publiek, de Europese Commissie en de verdragspartijen bij het Klimaatverdrag en het Protocol van Kyoto;

Overwegende dat, om een samenwerking, een overleg en een afgestemde evaluatiemethodologie te verwezenlijken, de tussenkomst moet worden geregeld op institutioneel vlak van de Federale Staat en de Gewesten in het beheer, de werking en de financiering van een gepaste structuur;

Overwegende dat de bepalingen in dit Samenwerkingsakkoord geenszins afbreuk doen aan de werking van het CCIM;

Overwegende dat het noodzakelijk is om het Nationaal Klimaatplan in te schrijven in een algemene strategie voor duurzame ontwikkeling;

Overwegende dat het wenselijk is om van het Nationaal Klimaatplan een efficiënt instrument te maken dat België toelaat een "low carbon economy" te realiseren en tegelijkertijd de competitiviteit van de bedrijven te beschermen;

Overwegende dat de Federale Staat de economische en monetaire eenheid dient te waarborgen en dient toe te zien over het vrije verkeer van personen, goederen en kapitalen;

Overwegende de noodzaak om, op economisch en sociaal vlak, rekening te houden met het Europese Stabiliteitspact, het Belgisch Nationaal Verslag aan de EU over de hervormingen van de producten-, diensten- en kapitaalmarkten (Verslag van Cardiff), alsook het Nationaal Actieplan voor de Werkgelegenheid (Proces van Luxemburg);

De Federale Staat, vertegenwoordigd door de minister bevoegd voor Mobiliteit en Vervoer, de minister bevoegd voor Leefmilieu en de Staatssecretaris bevoegd voor Energie;

Het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, in de persoon van haar Minister-President, de Vlaamse minister bevoegd voor Leefmilieu en de Vlaamse minister bevoegd voor Energie;

Het Waalse Gewest, vertegenwoordigd door de Waalse Regering, in de persoon van haar Minister-President, de Waalse minister bevoegd voor Leefmilieu en de Waalse minister bevoegd voor Energie;

Het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, vertegenwoordigd door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering in de persoon van haar Minister-Voorzitter, de Brusselse minister bevoegd voor Leefmilieu, de Brusselse minister bevoegd voor Energie en de Brusselse Staatssecretaris belast met Energie;

Kwamen overeen wat volgt : HOOFDSTUK I. - Definities, doelstellingen en beginselen

Artikel 1.Voor dit Samenwerkingsakkoord gelden de definities : § 1. « Klimaatverandering » : een verandering in het klimaat die direct of indirect wordt toegeschreven aan menselijke activiteit, die de samenstelling van de atmosfeer wijzigt en die naast natuurlijke klimaatwisselingen wordt waargenomen gedurende vergelijkbare perioden. § 2. « Broeikasgassen » : gasvormige bestanddelen van de atmosfeer, zowel natuurlijk als antropogeen, die infrarode straling absorberen en weer uitstralen. Voor de toepassing van dit Akkoord worden de volgende broeikasgassen bedoeld : - Koolstofdioxide (CO2) - Methaan (CH4) - Distikstofoxide (N2O) - Onvolledig gehalogeneerde fluorkoolwaterstoffen (HFK's) - Perfluorkoolwaterstoffen (PFK's) - Zwavelhexafluoride (SF6) § 3. « Emissies » : het vrijkomen van broeikasgassen en/of voorlopers daarvan in de atmosfeer in een bepaald gebied en gedurende een bepaalde tijd. § 4. « Conferentie van de Partijen » : de Conferentie van de Partijen bij het Verdrag. § 5. « Verdrag » : het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake Klimaatverandering, op 9 mei 1992 te New York aangenomen. § 6. Flexibiliteitsmechanismen : 1. de mechanismen zoals bedoeld in artikels 6, 12 en 17 van het Protocol van Kyoto : de gezamenlijke uitvoering (artikel 6), « Mechanisme voor Schone Ontwikkeling » (artikel 12) en internationale emissiehandel (artikel 17).2. elk systeem voor handel in broeikasgasemissies ingesteld door de Europese Unie. § 7. Uitgebreide Interministeriële Conferentie voor het Leefmilieu (ICL) : de permanente leden van de ICL, conform het Samenwerkingsakkoord van 5 april 1995 inzake het internationaal milieubeleid, uitgebreid met de Eerste Minister, de gewestelijke ministers-presidenten, de federale minister voor Begroting, de ministers belast met energie, transport, fiscaliteit, ontwikkelingssamenwerking en de gewestelijke ministers van economie.

Art. 2.Dit Samenwerkingsakkoord betreft het opstellen, het uitvoeren, het opvolgen van een Nationaal Klimaatplan, alsook het rapporteren, in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake Klimaatverandering en het Protocol van Kyoto en Beschikking 1999/296/EG, met de bedoeling om de netto uitstoot van CO2 en andere broeikasgassen te beheersen, zoals bepaald in het Protocol van Kyoto en in de Beslissing van de Raad van de Europese Unie van 16 juni 1998. HOOFDSTUK II. - De Nationale Klimaatcommissie

Art. 3.Voor de toepassing en de opvolging van dit Samenwerkingsakkoord en voor de opvolging van het Nationaal Klimaatplan in het algemeen wordt door de Gewesten en de Federale Staat een Nationale Klimaatcommissie opgericht. De Nationale Klimaatcommissie wordt ondersteund door een permanent secretariaat.

Art. 4.De Nationale Klimaatcommissie is samengesteld uit de contracterende Partijen, die elk over vier gemandateerde vertegenwoordigers beschikken, aangeduid door hun respectieve regeringen. Deze personen kunnen bijgestaan worden door deskundigen.

Door elke Partij worden vier effectieve leden en vier plaatsvervangende leden aangeduid, die het respectievelijke effectieve lid vervangen in geval van afwezigheid. Die aanwijzingen worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad . Iedere wijziging wordt op dezelfde wijze bekendgemaakt.

Art. 5.Het permanent secretariaat wordt verzorgd door de Intergewestelijke Cel voor Leefmilieu (IRCEL) bedoeld in artikel 6 van het Samenwerkingsakkoord van 18 mei 1994 tussen het Brusselse, Vlaamse en Waalse Gewest inzake het toezicht op emissies in de lucht en op de strukturering van de gegevens. Het is samengesteld uit ambtenaren afkomstig van de administraties van de contracterende Partijen. De ambtenaren blijven onderworpen aan de statutaire bepalingen die op hen van toepassing zijn.

Art. 6.§ 1. De administratieve en organisatorische taken van de Nationale Klimaatcommissie bestaan uit : 1. Het opstellen van het reglement van inwendige orde voor de Nationale Klimaatcommissie;2. Het bepalen van de regels van de werking van het permanent secretariaat;3. Het formuleren van voorstellen aan de contracterende Partijen betreffende de samenstelling van het permanent secretariaat;4. Het aanduiden van een voorzitter, elk jaar op datum van inwerkingtreding van het Samenwerkingsakkoord, waarbij een beurtrol gerespecteerd wordt tussen alle contracterende Partijen, evenals een beurtwisseling van de talen Nederlands en Frans;5. De opmaak van een jaarverslag waarin gerapporteerd wordt over de activiteiten van de Nationale Klimaatcommissie;6. De uitwisseling en doorgave van informatie en verslagen tussen de betrokken partijen, betreffende de vordering en de implementatie van het beleid en de maatregelen opgenomen in het op dat moment geldende Nationaal Klimaatplan;7. Het rechtstreeks verschaffen van informatie aan de federale en gewestelijke adviesraden;8. Het uitvoeren van de verplichtingen omtrent uitwisseling en doorgave van gegevens en informatie, opgelegd door de beschikking 1999/296/EG van de Raad van de Europese Unie en door het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake Klimaatverandering (UNFCCC), en dit in samenwerking met de betrokken departementen en het CCIM;9. Toezien op de afstemming, en indien mogelijk, het harmoniseren, tussen de contracterende Partijen, van de werkmethoden en werkprocedures, van de interpretatie van de gegevens, van de rapportering en prognoses en van de uitwisseling van de informatie; Taken 1° tot en met 4° dienen binnen de 6 maand na de samenstelling van de Nationale Klimaatcommissie uitgevoerd te worden. § 2. De inhoudelijke taken van de Nationale Klimaatcommissie bestaan uit : 1. Het evalueren, gedurende het laatste trimester van ieder jaar, van de federale en interregionale samenwerking en coördinatie evenals de stand van uitvoering en de impact (ecologisch, sociaal, economisch) van het beleid en de maatregelen genomen op basis van het Nationaal Klimaatplan.De bekomen resultaten, de reducties alsook de prognoses worden vergeleken met de opgelegde doelstellingen. Op basis hiervan formuleert de Nationale Klimaatcommissie voorstellen aan de uitgebreide Interministeriële Conferentie voor het Leefmilieu tot het verbeteren van de samenwerking en het bijsturen van het Nationaal Klimaatplan; 2. Het tegen ten laatste 2005 voorleggen van een voorstel tot verdeling van de nationale reductiedoelstelling van 7,5 %, tezamen met een voorstel ter definiëring van de respectievelijke verantwoordelijkheden, aan de uitgebreide Interministeriële Conferentie voor het Leefmilieu;3. Het adviseren van het CCIM voor het bepalen van het Belgisch standpunt in het internationale beleid op het gebied van Klimaatverandering en de uitstoot van broeikasgassen.De Nationale Klimaatcommissie kan aan het CCIM vragen om bepaalde punten te agenderen; 4. Het ontvangen van en beraadslagen over de rapporten van de vertegenwoordigers van België in de organen van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake Klimaatverandering;5. Het adviseren van de Interdepartementale Commissie voor Duurzame Ontwikkeling (ICDO) betreffende aspecten van het beleid over duurzame ontwikkeling die betrekking hebben op de uitstoot van broeikasgassen. De Nationale Klimaatcommissie kan aan de ICDO vragen om bepaalde punten te agenderen; 6. Het uitvoeren van een beleidsvoorbereidend onderzoek naar de noodzaak en desgevallend de inhoud van een afzonderlijk Samenwerkingsakkoord inzake flexibiliteitsmechanismen;

Art. 7.De taken van het permanent secretariaat zijn deze bepaald in artikel 7, d), van het Samenwerkingsakkoord van 18 mei 1994 tussen het Brusselse, Vlaamse en Waalse Gewest inzake het toezicht op emissies in de lucht en op de strukturering van de gegevens, zoals gewijzigd door artikel 21 van dit Samenwerkingsakkoord.

Art. 8.De Nationale Klimaatcommissie komt ten-minste tweemaal per jaar samen, alsook op vraag van een lid. Zij zetelt slechts geldig als alle contracterende Partijen vertegenwoordigd zijn. Indien noodzakelijk, worden werkgroepen van deskundigen aangeduid of samengesteld in functie van de categorieën van de materies die verder onderzoek of beoordeling vereisen.

Art. 9.De Nationale Klimaatcommissie beslist bij unanimiteit tussen de Partijen, voor zover elk gewest en de Federale Staat vertegenwoordigd zijn. Elke Partij heeft één stem. Kan er geen unanimiteit worden bereikt, dan wordt de behandelde materie voorgelegd aan de uitgebreide Interministeriële Conferentie voor het Leefmilieu.

Wordt daar geen akkoord bereikt, wordt het voorgelegd aan het Overlegcomité bedoeld in artikel 31 van de gewone wet van 9 augustus 1980.

Art. 10.De Nationale Klimaatcommissie stelt de op grond van de gewestelijke en federale initiatieven verkregen inlichtingen, ter beschikking van : 1. de Gewesten;2. de federale regering of andere organen;3. natuurlijke of rechtspersonen die daarom verzoeken. Met instemming van alle betrokken Partijen kunnen deze gegevens in digitale vorm worden overgemaakt of kunnen zij opgeslagen worden in een databank die toegankelijk is voor alle geïnteresseerden. De door de Partijen ontvangen inlichtingen kunnen evenwel vertrouwelijk worden gehouden in de gevallen bepaald door de op de bevoegde dienst in kwestie toepasselijke wetgeving inzake de openbaarheid van bestuur. HOOFDSTUK III. - Gegevensinzameling, -uitwisseling en rapportering

Art. 11.De Gewesten verbinden zich ertoe om jaarlijks een rapport houdende de voorgeschreven informatie over te maken aan de Nationale Klimaatcommissie, teneinde de federale overheid in staat te stellen te rapporteren over de gegevens, volgens de richtlijnen opgelegd door de Conferentie der Partijen van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake Klimaatverandering en het Protocol van Kyoto en conform de beschikking 1999/296/EG van de Raad van de Europese Unie.

Art. 12.De Federale Staat verbindt zich ertoe om jaarlijks verslag uit te brengen aan de Nationale Klimaatcommissie over belangrijke economische en sociale indicatoren, inclusief de basisstatistieken.

Art. 13.De Federale Staat en elk van de Gewesten verbinden zich er tevens toe om jaarlijks en op een geharmoniseerde manier verslag uit te brengen aan de Klimaatcommissie omtrent de vorderingen en de implementatie van het beleid en de maatregelen, opgenomen in het Nationaal Klimaatplan, die tot hun bevoegdheid behoren. HOOFDSTUK IV. - Verbintenis tot uitvoering van het Nationaal Klimaatplan

Art. 14.De Federale Staat en de Gewesten verbinden zich ertoe een gezamenlijk Nationaal Klimaatplan op te stellen, ter uitvoering van de doelstelling in artikel 2 van dit Samenwerkingsakkoord. Dit plan wordt voorbereid in de Klimaatcommissie en in de uitgebreide Interministeriële Conferentie voor het Leefmilieu en goedgekeurd door de respectieve regeringen voor wat hun bevoegdheden betreft.

Art. 15.De Federale Staat en de Gewesten verbinden zich, voor wat hun respectievelijke bevoegdheden betreft, tot de uitvoering van het beleid en de maatregelen en naleving van de bepalingen zoals deze worden vastgelegd in het goedgekeurde Nationaal Klimaatplan.

Art. 16.De Federale Staat en de Gewesten verbinden zich tot een jaarlijkse toetsing van de nood tot herziening van alle of bepaalde onderdelen van het Nationaal Klimaatplan, op basis van een voorstel van de Klimaatcommissie.

Art. 17.De Federale Staat en de Gewesten verbinden zich ertoe het Nationaal Klimaatplan en alle herzieningen aan dit plan ter advies voor te leggen aan de federale en de gewestelijke adviesraden.

Art. 18.De Federale Staat en de Gewesten verbinden zich tot het opstellen en het uitvoeren van een gemeenschappelijke evaluatiemethodologie aangaande de nationale prognoses van de emissies van broeikasgassen, alsook tot het aanduiden van de uitvoerings-verantwoordelijke(n) daarvoor.

Art. 19.De Federale Staat en de Gewesten verbinden zich ertoe zo snel mogelijk, in overleg met de betrokken actoren, de nodige instrumenten op het vlak van flexibiliteitsmechanismen in werking te stellen. HOOFDSTUK V. - Budgettaire bepalingen

Art. 20.De bijdragen betreffende de personeelskosten, de afschrijving van het materiaal, ter beschikking gesteld van de Nationale Klimaatcommissie, waaronder het permanent secretariaat, de bijkomende of jaarlijkse investeringen, de onderhoudskosten van het materiaal en de werkingskosten worden ten laste genomen door elke contracterende Partij door toepassing van de volgende verdeelsleutel : 30 % voor de Federale Staat; 70 % voor de Gewesten, verdeeld als volgt : Vlaamse Gewest : 57,11 %, Waalse Gewest : 33,84 % en Brussels Hoofdstedelijk Gewest : 9,05 %.

HOOFSTUK VI. - Bepalingen tot wijziging van het Samenwerkingsakkoord van 18 mei 1994 tussen het Brusselse, Vlaamse en Waalse Gewest inzake het toezicht op emissies in de lucht en op de strukturering van de gegevens

Art. 21.In artikel 7 van het Samenwerkingsakkoord van 18 mei 1994 tussen het Brusselse, Vlaamse en Waalse Gewest inzake het toezicht op emissies in de lucht en op de strukturering van de gegevens wordt een punt d) toegevoegd dat luidt als volgt : « d) opdrachten in verband met de functie van het permanent secretariaat van de Nationale Klimaatcommissie : 1. Bijstaan van de Nationale Klimaatcommissie, opgericht door het Samenwerkingsakkoord van 14 november 2002 tussen de Federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende het opstellen, het uitvoeren en het opvolgen van een Nationaal Klimaatplan, alsook het rapporteren, in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake Klimaatverandering en het Protocol van Kyoto;2. Vervullen van administratieve, logistieke en technische opdrachten die haar door de Nationale Klimaatcommissie worden toevertrouwd.»

Art. 22.In de vierde alinea van artikel 9 van hetzelfde Samenwerkingsakkoord wordt de zinsnede" in artikel 7, c) « vervangen door de zinsnede » in artikel 7, c) en d) ».

Art. 23.In artikel 17 van hetzelfde Samenwerkingsakkoord wordt een vierde alinea toegevoegd dat luidt als volgt : « In afwijking van de eerste alinea van dit artikel worden de bijdragen betreffende de personeelskosten, de afschrijving van het materiaal ter beschikking gesteld van de Nationale Klimaatcommissie, waaronder het permanent secretariaat, de bijkomende of jaarlijkse investeringen, de onderhoudskosten van het materiaal en de werkingskosten, ten laste genomen door elke contracterende Partij bij het Samenwerkingsakkoord van 14 november 2002 tussen de Federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest betreffende het opstellen, het uitvoeren en het opvolgen van een Nationaal Klimaatplan, alsook het rapporteren, in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake Klimaatverandering en het Protocol van Kyoto, door toepassing van de volgende verdeelsleutel : 30 % voor de Federale Staat; 70 % voor de Gewesten, verdeeld als volgt : Vlaamse Gewest : 57,11 %, Waalse Gewest : 33,84 % en Brussels Hoofdstedelijk Gewest : 9,05 %. » HOOFDSTUK VII. - Slotbepalingen

Art. 24.De leden, bedoeld in artikel 92bis, § 5, tweede lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, van het rechtscollege dat belast is om de geschillen met betrekking tot de uitlegging of de uitvoering van dit Samenwerkingsakkoord te beslechten, worden respectievelijk aangewezen door de ministerraad, de Vlaamse Regering, de Waalse Regering en de Brusselse Hoofdstedelijke Regering. De werkingskosten van het rechtscollege worden, volgens de verdeelsleutel bepaald in artikel 20 van dit Akkoord, verdeeld over de Federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Art. 25.Dit Samenwerkingsakkoord is afgesloten voor onbepaalde duur.

Elke contracterende Partij kan deze opzeggen met een vooropzeg van zes maanden.

Art. 26.Binnen de uitgebreide Interministeriële Conferentie voor het Leefmilieu komen de contracterende Partijen overeen de federale en interregionale samenwerking, in het kader van dit Samenwerkingsakkoord, om de drie jaar te evalueren, onder meer op basis van de jaarverslagen van de Nationale Klimaatcommissie. De uitgebreide Interministeriële Conferentie voor het Leefmilieu brengt verslag uit over deze evaluatie bij de respectieve regeringen.

Art. 27.De geschillen die tussen de contracterende Partijen rijzen met betrekking tot de interpretatie of de uitvoering van dit Samenwerkingsakkoord worden beslecht in het kader van de uitgebreide Interministeriële Conferentie voor het Leefmilieu. Bij gebrek aan een oplossing wordt het geschil voorgelegd aan een rechtscollege zoals bedoeld in artikel 92bis, §§ 5 en 6 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.

Art. 28.Dit Samenwerkingsakkoord treedt in werking van zodra de federale en de gewestelijke wetgevers hun instemming hebben gegeven.

Het Akkoord wordt gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad door de diensten van de Eerste Minister, op aanvraag van de Partij waarvan de wetgever als laatste zijn instemming met het akkoord heeft gegeven.

Opgemaakt te Brussel, op 14 november 2002 in zoveel exemplaren als er contracterende Partijen zijn.

De Vice-Eerste Minister en Minister van Mobiliteit en Vervoer, Mevr. I. DURANT De Minister voor Leefmilieu, J. TAVERNIER De Staatssecretaris voor Energie, O. DELEUZE De Minister-President van de Vlaamse Regering, P. DEWAEL De Vlaamse Minister voor Leefmilieu, Mevr. V. DUA De Vlaamse Minister voor Energie, S. STEVAERT De Minister-President van de Waalse Regering, J.-Cl. VAN CAUWENBERGHE De Waalse Minister voor Leefmilieu, M. FORET De Waalse Minister voor Energie, J. DARAS De Minister-Voorzitter van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, F.-X. de DONNEA De Brusselse Minister voor Leefmilieu, D. GOSUIN De Brusselse Minister voor Energie, E. TOMAS De Brusselse Staatssecretaris belast met Energie, A. HUTCHINSON _______ Nota (1) Senaat. Parlementaire stukken. - Doc. 2-1432 - Gewone zitting 2002/2003 - Nr.1 : Wetsontwerp - Nr. 2 : Verslag.

Handelingen van de Senaat : 13 maart 2003.

Kamer van volksvertegenwoordigers.

Parlementaire stukken. - Nr. 50-2376 - Gewone zitting 2002/2003 - Nr. 1 : Ontwerp overgezonden door de Senaat - Nr. 2 : Verslag - Nr. 3 : Tekst aangenomen in plenaire vergadering en aan de Koning ter bekrachtiging voorgelegd.

Handelingen van de Kamer van volksvertegenwoordigers : 3 april 2003.

^