Etaamb.openjustice.be
Meertalige weergave van Koninklijk Besluit van 03/06/2007
← Terug naar "Koninklijk besluit tot wijziging van artikel 168bis van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering "
Koninklijk besluit tot wijziging van artikel 168bis van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering Koninklijk besluit tot wijziging van artikel 168bis van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering
FEDERALE OVERHEIDSDIENST WERKGELEGENHEID, ARBEID EN SOCIAAL OVERLEG FEDERALE OVERHEIDSDIENST WERKGELEGENHEID, ARBEID EN SOCIAAL OVERLEG
3 JUNI 2007. - Koninklijk besluit tot wijziging van artikel 168bis van 3 JUNI 2007. - Koninklijk besluit tot wijziging van artikel 168bis van
het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de
werkloosheidsreglementering (1) werkloosheidsreglementering (1)
ALBERT II, Koning der Belgen, ALBERT II, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
Gelet op de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de Gelet op de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de
maatschappelijke zekerheid der arbeiders, inzonderheid op artikel 7, § maatschappelijke zekerheid der arbeiders, inzonderheid op artikel 7, §
1, derde lid, i, vervangen bij de wet van 14 februari 1961; 1, derde lid, i, vervangen bij de wet van 14 februari 1961;
Gelet op het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de Gelet op het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de
werkloosheidsreglementering, inzonderheid op artikel 168bis, ingevoegd werkloosheidsreglementering, inzonderheid op artikel 168bis, ingevoegd
bij het koninklijk besluit van 22 maart 1995 en vervangen bij het bij het koninklijk besluit van 22 maart 1995 en vervangen bij het
koninklijk besluit van 13 december 2004; koninklijk besluit van 13 december 2004;
Gelet op het advies van het beheerscomité van de Rijksdienst voor Gelet op het advies van het beheerscomité van de Rijksdienst voor
Arbeidsvoorziening, gegeven op 11 januari 2007; Arbeidsvoorziening, gegeven op 11 januari 2007;
Gelet op het advies van de Inspecteur van Financïen, gegeven op 29 Gelet op het advies van de Inspecteur van Financïen, gegeven op 29
januari 2007; januari 2007;
Gelet op de akkoordbevinding van Onze Minister van Begroting van 13 Gelet op de akkoordbevinding van Onze Minister van Begroting van 13
april 2007; april 2007;
Gelet op advies 42.884/1 van de Raad van State, gegeven op 10 mei Gelet op advies 42.884/1 van de Raad van State, gegeven op 10 mei
2007, met toepassing van artikel 84, § 3, eerste lid, van de 2007, met toepassing van artikel 84, § 3, eerste lid, van de
gecoördineerde wetten op de Raad van State; gecoördineerde wetten op de Raad van State;
Op de voordracht van Onze Minister van Werk; Op de voordracht van Onze Minister van Werk;
Hebben Wij besloten en besluiten Wij : Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.Artikel 168bis van het koninklijk besluit van 25 november

Artikel 1.Artikel 168bis van het koninklijk besluit van 25 november

1991 houdende de werkloosheidsreglementering, ingevoegd bij het 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, ingevoegd bij het
koninklijk besluit van 22 maart 1995 en vervangen bij het koninklijk koninklijk besluit van 22 maart 1995 en vervangen bij het koninklijk
besluit van 13 december 2004, wordt vervangen door de volgende besluit van 13 december 2004, wordt vervangen door de volgende
bepaling : bepaling :
« Art. 168bis, § 1. Wanneer de erkende uitbetalingsinstelling « Art. 168bis, § 1. Wanneer de erkende uitbetalingsinstelling
krachtens artikel 167, § 1, eerste lid, 1°, 2° of 3° aansprakelijk is, krachtens artikel 167, § 1, eerste lid, 1°, 2° of 3° aansprakelijk is,
kan zij, onder de voorwaarden van § 2 en mits toestemming van de kan zij, onder de voorwaarden van § 2 en mits toestemming van de
Rijksdienst, de oninvorderbare ten onrechte betaalde sommen ten laste Rijksdienst, de oninvorderbare ten onrechte betaalde sommen ten laste
leggen van een voorziening, daartoe speciaal aangelegd in de leggen van een voorziening, daartoe speciaal aangelegd in de
beheersboekhouding van iedere gewestelijke afdeling van de erkende beheersboekhouding van iedere gewestelijke afdeling van de erkende
uitbetalingsinstelling overeenkomstig de bepalingen van § 4. uitbetalingsinstelling overeenkomstig de bepalingen van § 4.
§ 2. Om de in § 1 bedoelde oninvorderbare ten onrechte betaalde sommen § 2. Om de in § 1 bedoelde oninvorderbare ten onrechte betaalde sommen
van de betreffende gewestelijke afdeling van de erkende van de betreffende gewestelijke afdeling van de erkende
uitbetalingsinstelling ten laste te kunnen leggen van de voorziening uitbetalingsinstelling ten laste te kunnen leggen van de voorziening
moet cumulatief voldaan zijn aan volgende voorwaarden : moet cumulatief voldaan zijn aan volgende voorwaarden :
1° de ten onrechte betaalde sommen hebben betrekking op prestaties 1° de ten onrechte betaalde sommen hebben betrekking op prestaties
betaald voor rekening van de Rijksdienst, met uitsluiting van de betaald voor rekening van de Rijksdienst, met uitsluiting van de
prestaties gefinancierd door derden; prestaties gefinancierd door derden;
2° de uitbetalingsinstelling stelt éénmaal per boekjaar een 2° de uitbetalingsinstelling stelt éénmaal per boekjaar een
gegevensbestand op van de oninvorderbare dubieuze vorderingen van de gegevensbestand op van de oninvorderbare dubieuze vorderingen van de
betreffende gewestelijke afdeling waarvoor ze bewijst alle mogelijke betreffende gewestelijke afdeling waarvoor ze bewijst alle mogelijke
inspanningen te hebben gedaan om van de werknemer de terugbetaling van inspanningen te hebben gedaan om van de werknemer de terugbetaling van
de ten onrechte betaalde sommen te bekomen en die, volgens de de ten onrechte betaalde sommen te bekomen en die, volgens de
onderrichtingen van de Rijksdienst, tot het betreffende boekjaar onderrichtingen van de Rijksdienst, tot het betreffende boekjaar
behoren. De referentiedatum voor het bepalen van de oninvorderbaarheid behoren. De referentiedatum voor het bepalen van de oninvorderbaarheid
is 30 juni van het jaar dat op het boekjaar volgt; is 30 juni van het jaar dat op het boekjaar volgt;
3° tegen 31 december van het jaar dat op het boekjaar volgt, dient de 3° tegen 31 december van het jaar dat op het boekjaar volgt, dient de
uitbetalingsinstelling een globaal gegevensbestand, bevattend de uitbetalingsinstelling een globaal gegevensbestand, bevattend de
gegevensbestanden van de betreffende gewestelijke afdelingen in bij gegevensbestanden van de betreffende gewestelijke afdelingen in bij
het hoofdbestuur van de Rijksdienst. Dit gegevensbestand moet alle het hoofdbestuur van de Rijksdienst. Dit gegevensbestand moet alle
door de Rijksdienst bepaalde identificatiegegevens van de werknemer door de Rijksdienst bepaalde identificatiegegevens van de werknemer
bevatten, alsook het bedrag van de oninvorderbare ten onrechte bevatten, alsook het bedrag van de oninvorderbare ten onrechte
betaalde sommen bedoeld in § 1, die, volgens de onderrichtingen van de betaalde sommen bedoeld in § 1, die, volgens de onderrichtingen van de
Rijksdienst, tot het betreffende boekjaar behoren. Rijksdienst, tot het betreffende boekjaar behoren.
Indien het globaal gegevensbestand niet of niet volgens de Indien het globaal gegevensbestand niet of niet volgens de
onderrichtingen van de Rijksdienst wordt ingediend, komt het bedrag onderrichtingen van de Rijksdienst wordt ingediend, komt het bedrag
van de voorziening per gewestelijke afdeling voor dat boekjaar van de voorziening per gewestelijke afdeling voor dat boekjaar
integraal in aanmerking voor de toepassing van § 6 en volgende. integraal in aanmerking voor de toepassing van § 6 en volgende.
De gewestelijke afdeling van de uitbetalingsinstelling houdt alle De gewestelijke afdeling van de uitbetalingsinstelling houdt alle
stukken, waaruit blijkt dat voldaan is aan de voorwaarden van § 1 en § stukken, waaruit blijkt dat voldaan is aan de voorwaarden van § 1 en §
2, eerste lid, 1° en 2°, ter beschikking van de Rijksdienst op de 2, eerste lid, 1° en 2°, ter beschikking van de Rijksdienst op de
wijze zoals bepaald in de onderrichtingen van laatstgenoemde. wijze zoals bepaald in de onderrichtingen van laatstgenoemde.
§ 3. De Rijksdienst gaat na of voldaan is aan alle voorwaarden van de § 3. De Rijksdienst gaat na of voldaan is aan alle voorwaarden van de
§§ 1 en 2. De sommen die voldoen aan deze voorwaarden worden hierna §§ 1 en 2. De sommen die voldoen aan deze voorwaarden worden hierna
omschreven als de weerhouden sommen. De Rijksdienst brengt de omschreven als de weerhouden sommen. De Rijksdienst brengt de
uitbetalingsinstelling op de hoogte van zijn beslissing, met uitbetalingsinstelling op de hoogte van zijn beslissing, met
vermelding van de reden van afwijzing van de niet weerhouden sommen, vermelding van de reden van afwijzing van de niet weerhouden sommen,
binnen een termijn van één jaar te rekenen vanaf de uiterste datum van binnen een termijn van één jaar te rekenen vanaf de uiterste datum van
indiening van het gegevensbestand. Wordt de beslissing niet meegedeeld indiening van het gegevensbestand. Wordt de beslissing niet meegedeeld
binnen deze termijn, dan wordt het gegevensbestand van de binnen deze termijn, dan wordt het gegevensbestand van de
uitbetalingsinstelling als aanvaard beschouwd, wat beduidt dat alle uitbetalingsinstelling als aanvaard beschouwd, wat beduidt dat alle
daarop vermelde sommen worden weerhouden. daarop vermelde sommen worden weerhouden.
De weerhouden oninvorderbare ten onrechte betaalde sommen worden uit De weerhouden oninvorderbare ten onrechte betaalde sommen worden uit
de rekening van de uitbetalingsinstelling geschrapt en ten laste de rekening van de uitbetalingsinstelling geschrapt en ten laste
gelegd van de voorziening, bedoeld in § 1. gelegd van de voorziening, bedoeld in § 1.
De niet-weerhouden ten onrechte betaalde sommen worden ten laste De niet-weerhouden ten onrechte betaalde sommen worden ten laste
gelegd van de uitbetalingsinstelling volgens de onderrichtingen van de gelegd van de uitbetalingsinstelling volgens de onderrichtingen van de
Rijksdienst. Het corresponderende bedrag wordt bovendien in mindering Rijksdienst. Het corresponderende bedrag wordt bovendien in mindering
gebracht van de voorziening, bedoeld in § 1, en het moet door de gebracht van de voorziening, bedoeld in § 1, en het moet door de
betreffende gewestelijke afdeling gestort worden aan de Rijksdienst betreffende gewestelijke afdeling gestort worden aan de Rijksdienst
binnen een termijn van één maand die volgt op de datum van de binnen een termijn van één maand die volgt op de datum van de
mededeling van de beslissing van laatstgenoemde. mededeling van de beslissing van laatstgenoemde.
Dubieuze vorderingen die betrekking hebben op de in artikel 167, § 1, Dubieuze vorderingen die betrekking hebben op de in artikel 167, § 1,
eerste lid, 1°, 2° of 3°, bedoelde betalingen en die niet in het eerste lid, 1°, 2° of 3°, bedoelde betalingen en die niet in het
gegevensbestand van een bepaald boekjaar voorkomen, worden ten laste gegevensbestand van een bepaald boekjaar voorkomen, worden ten laste
gelegd van de uitbetalingsinstelling volgens de onderrichtingen van de gelegd van de uitbetalingsinstelling volgens de onderrichtingen van de
Rijksdienst. Rijksdienst.
De bedragen die na de referentiedatum bedoeld in § 2, eerste lid, 2°, De bedragen die na de referentiedatum bedoeld in § 2, eerste lid, 2°,
ten laste van de werknemer werden geïnd door de uitbetalingsinstelling ten laste van de werknemer werden geïnd door de uitbetalingsinstelling
voor de weerhouden en niet-weerhouden oninvorderbare dubieuze voor de weerhouden en niet-weerhouden oninvorderbare dubieuze
vorderingen, worden door haar geboekt onder de opbrengsten in de vorderingen, worden door haar geboekt onder de opbrengsten in de
beheersboekhouding van de uitbetalingsinstelling. beheersboekhouding van de uitbetalingsinstelling.
§ 4. De voorziening bedoeld in § 1 wordt elk trimester gevoed met het § 4. De voorziening bedoeld in § 1 wordt elk trimester gevoed met het
netto bedrag van de intresten die de uitbetalingsinstelling geniet op netto bedrag van de intresten die de uitbetalingsinstelling geniet op
de financiële rekening bedoeld in artikel 26. de financiële rekening bedoeld in artikel 26.
Het hoofdbestuur van de uitbetalingsinstelling dient, binnen de maand Het hoofdbestuur van de uitbetalingsinstelling dient, binnen de maand
na de toewijzing van de intresten van een trimester aan de na de toewijzing van de intresten van een trimester aan de
voorziening, een verdeling over alle gewestelijke afdelingen in bij de voorziening, een verdeling over alle gewestelijke afdelingen in bij de
Rijksdienst. Zij vermeldt tevens de objectieve criteria die als basis Rijksdienst. Zij vermeldt tevens de objectieve criteria die als basis
voor de verdeling hebben gediend. Deze verdeling en deze criteria voor de verdeling hebben gediend. Deze verdeling en deze criteria
worden als aanvaard beschouwd, behoudens indien de Rijksdienst binnen worden als aanvaard beschouwd, behoudens indien de Rijksdienst binnen
de termijn van één maand volgend op de ontvangst, de betreffende de termijn van één maand volgend op de ontvangst, de betreffende
gegevens corrigeert. gegevens corrigeert.
De aan de voorziening toegewezen intresten worden in de De aan de voorziening toegewezen intresten worden in de
beheersboekhouding van de gewestelijke afdelingen vermeld op beheersboekhouding van de gewestelijke afdelingen vermeld op
afzonderlijke rekeningen, bijgehouden per boekjaar, dit volgens de afzonderlijke rekeningen, bijgehouden per boekjaar, dit volgens de
onderrichtingen van de Rijksdienst. onderrichtingen van de Rijksdienst.
In afwijking van het eerste lid wordt het netto bedrag van de In afwijking van het eerste lid wordt het netto bedrag van de
intresten, verkregen gedurende een trimester waarin de intresten, verkregen gedurende een trimester waarin de
liquiditeitsmarge vastgesteld door het beheerscomité wordt liquiditeitsmarge vastgesteld door het beheerscomité wordt
overschreden, gestort aan de Rijksdienst. Dit moet gebeuren binnen een overschreden, gestort aan de Rijksdienst. Dit moet gebeuren binnen een
termijn van één maand die volgt op de datum van de mededeling van termijn van één maand die volgt op de datum van de mededeling van
laatstgenoemde. laatstgenoemde.
§ 5. De Rijksdienst bepaalt, na toepassing van § 3, en dit vanaf het § 5. De Rijksdienst bepaalt, na toepassing van § 3, en dit vanaf het
boekjaar 2006, welk gedeelte van het saldo van de intrestenvoorziening boekjaar 2006, welk gedeelte van het saldo van de intrestenvoorziening
op het einde van het boekjaar, in aanmerking komt voor de toepassing op het einde van het boekjaar, in aanmerking komt voor de toepassing
van § 6. van § 6.
Nadat alle verrichtingen betreffende het boekjaar 2005 zijn geboekt, Nadat alle verrichtingen betreffende het boekjaar 2005 zijn geboekt,
stelt de Rijksdienst, overeenkomstig de bepalingen van onderhavig stelt de Rijksdienst, overeenkomstig de bepalingen van onderhavig
artikel zoals van kracht voor de boekjaren voorafgaand aan het artikel zoals van kracht voor de boekjaren voorafgaand aan het
boekjaar 2006, voor iedere erkende uitbetalingsinstelling en per boekjaar 2006, voor iedere erkende uitbetalingsinstelling en per
gewestelijke afdeling het saldo van de intrestenvoorziening vast. Dit gewestelijke afdeling het saldo van de intrestenvoorziening vast. Dit
saldo wordt volgens de modaliteiten die in de onderrichtingen van de saldo wordt volgens de modaliteiten die in de onderrichtingen van de
Rijksdienst zijn bepaald op een wachtrekening geboekt. Het Rijksdienst zijn bepaald op een wachtrekening geboekt. Het
Beheerscomité kan een bestemming geven aan de gelden op deze Beheerscomité kan een bestemming geven aan de gelden op deze
wachtrekening. Deze beslissing en te volgen procedure worden door de wachtrekening. Deze beslissing en te volgen procedure worden door de
Rijksdienst aan de erkende uitbetalingsinstellingen meegedeeld. Rijksdienst aan de erkende uitbetalingsinstellingen meegedeeld.
§ 6. Naargelang het resultaat van de toepassing van de krachtens § 9 § 6. Naargelang het resultaat van de toepassing van de krachtens § 9
vastgestelde formule, wordt het saldo van de intrestenvoorziening van vastgestelde formule, wordt het saldo van de intrestenvoorziening van
het boekjaar, volgens de onderrichtingen van de Rijksdienst, in de het boekjaar, volgens de onderrichtingen van de Rijksdienst, in de
beheersboekhouding van de gewestelijke afdeling : beheersboekhouding van de gewestelijke afdeling :
1° ofwel geboekt als opbrengst voor deze gewestelijke afdeling; 1° ofwel geboekt als opbrengst voor deze gewestelijke afdeling;
2° ofwel behouden op de rekening beoogd in § 4, derde lid; 2° ofwel behouden op de rekening beoogd in § 4, derde lid;
3° ofwel ten dele geboekt als opbrengst voor deze gewestelijke 3° ofwel ten dele geboekt als opbrengst voor deze gewestelijke
afdeling, en ten dele behouden op de rekening beoogd in § 4, derde afdeling, en ten dele behouden op de rekening beoogd in § 4, derde
lid. lid.
Tot zolang het beheerscomité de in § 9 bedoelde formule en het Tot zolang het beheerscomité de in § 9 bedoelde formule en het
percentage niet heeft vastgesteld, wordt het saldo van de percentage niet heeft vastgesteld, wordt het saldo van de
intrestenvoorziening dat op het einde van het boekjaar overblijft per intrestenvoorziening dat op het einde van het boekjaar overblijft per
gewestelijke afdeling, overgeboekt naar het volgende boekjaar om voor gewestelijke afdeling, overgeboekt naar het volgende boekjaar om voor
dezelfde doeleinden te worden gebruikt. dezelfde doeleinden te worden gebruikt.
§ 7. Het bedrag van de intrestenvoorziening dat in toepassing van § 6, § 7. Het bedrag van de intrestenvoorziening dat in toepassing van § 6,
eerste lid, 2° of 3°, behouden werd op de rekening bedoeld in § 4, eerste lid, 2° of 3°, behouden werd op de rekening bedoeld in § 4,
derde lid, wordt eenmalig opnieuw toegewezen. Naargelang het resultaat derde lid, wordt eenmalig opnieuw toegewezen. Naargelang het resultaat
van de toepassing van de krachtens § 9 vastgestelde formule op het van de toepassing van de krachtens § 9 vastgestelde formule op het
volgende boekjaar, wordt dit bedrag volgens de onderrichtingen van de volgende boekjaar, wordt dit bedrag volgens de onderrichtingen van de
Rijksdienst in de beheersboekhouding van de gewestelijke afdeling : Rijksdienst in de beheersboekhouding van de gewestelijke afdeling :
1° ofwel geboekt als opbrengst voor deze gewestelijke afdeling; 1° ofwel geboekt als opbrengst voor deze gewestelijke afdeling;
2° ofwel overgemaakt aan de Rijksdienst binnen een termijn van één 2° ofwel overgemaakt aan de Rijksdienst binnen een termijn van één
maand die volgt op de datum van de betekening door laatstgenoemde. maand die volgt op de datum van de betekening door laatstgenoemde.
§ 8. Samen met de betekening bedoeld in § 3, eerste lid, deelt de § 8. Samen met de betekening bedoeld in § 3, eerste lid, deelt de
Rijksdienst zijn gemotiveerde beslissing met betrekking tot de Rijksdienst zijn gemotiveerde beslissing met betrekking tot de
toepassing van de §§ 6 en 7 per gewestelijke afdeling mede aan de toepassing van de §§ 6 en 7 per gewestelijke afdeling mede aan de
erkende uitbetalingsinstelling. erkende uitbetalingsinstelling.
§ 9. Teneinde de bestemming te kennen van het in § 5 bepaalde saldo § 9. Teneinde de bestemming te kennen van het in § 5 bepaalde saldo
van de intrestenvoorziening, stelt het beheerscomité een van de intrestenvoorziening, stelt het beheerscomité een
berekeningsformule vast. Deze formule houdt inzonderheid rekening met berekeningsformule vast. Deze formule houdt inzonderheid rekening met
het feit of het aantal dossiers van het boekjaar en het daaropvolgende het feit of het aantal dossiers van het boekjaar en het daaropvolgende
boekjaar dat door de gewestelijke afdeling werd ingediend, en dat niet boekjaar dat door de gewestelijke afdeling werd ingediend, en dat niet
volledig is in de zin bepaald krachtens artikel 138, eerste lid, 2° en volledig is in de zin bepaald krachtens artikel 138, eerste lid, 2° en
4°, een door het beheerscomité vastgesteld referentiepercentage 4°, een door het beheerscomité vastgesteld referentiepercentage
overschrijdt. Bij de vaststelling van dit referentiepercentage en van overschrijdt. Bij de vaststelling van dit referentiepercentage en van
het percentage van de gewestelijke afdeling, wordt enkel rekening het percentage van de gewestelijke afdeling, wordt enkel rekening
gehouden met de onvolledige dossiers, waarvan de onvolledigheid te gehouden met de onvolledige dossiers, waarvan de onvolledigheid te
wijten is aan het onzorgvuldig beheer van de dossiers door de wijten is aan het onzorgvuldig beheer van de dossiers door de
gewestelijke afdelingen. Deze formule bepaalt in welke gevallen het gewestelijke afdelingen. Deze formule bepaalt in welke gevallen het
resultaat leidt tot de toepassing van § 6, eerste lid, 1°, 2° of 3° of resultaat leidt tot de toepassing van § 6, eerste lid, 1°, 2° of 3° of
van § 7, 1° of 2°. van § 7, 1° of 2°.
Het percentage van de gewestelijke afdeling van de erkende Het percentage van de gewestelijke afdeling van de erkende
uitbetalingsinstelling wordt berekend volgens de verhouding tussen het uitbetalingsinstelling wordt berekend volgens de verhouding tussen het
aantal dossiers dat niet volledig is in de zin van het eerste lid en aantal dossiers dat niet volledig is in de zin van het eerste lid en
het totale aantal dossiers dat door de gewestelijke afdeling het totale aantal dossiers dat door de gewestelijke afdeling
overeenkomstig de bepalingen genomen krachtens artikel 138, eerste overeenkomstig de bepalingen genomen krachtens artikel 138, eerste
lid, 4°, werd ingediend voor het desbetreffende jaar. lid, 4°, werd ingediend voor het desbetreffende jaar.
De door het beheerscomité vastgestelde formule en het vastgestelde De door het beheerscomité vastgestelde formule en het vastgestelde
percentage, blijven toepasselijk zolang het beheerscomité zijn percentage, blijven toepasselijk zolang het beheerscomité zijn
beslissing niet wijzigt. beslissing niet wijzigt.
§ 10. De verderzetting van de toepassing van de §§ 6 tot 9 voor het § 10. De verderzetting van de toepassing van de §§ 6 tot 9 voor het
boekjaar 2007 en volgende jaren is afhankelijk van de evaluatie van de boekjaar 2007 en volgende jaren is afhankelijk van de evaluatie van de
toepassing voor het boekjaar 2006 door het beheerscomité. toepassing voor het boekjaar 2006 door het beheerscomité.
Het beheerscomité kan na evaluatie, de toepassing van de §§ 6 tot 9 Het beheerscomité kan na evaluatie, de toepassing van de §§ 6 tot 9
opschorten, indien uit de evaluatie blijkt dat de beoogde opschorten, indien uit de evaluatie blijkt dat de beoogde
optimalisering van het beheer door de gewestelijke afdelingen, door de optimalisering van het beheer door de gewestelijke afdelingen, door de
betreffende regeling niet wordt bereikt. In afwachting van een door betreffende regeling niet wordt bereikt. In afwachting van een door
Ons uitgevaardigde nieuwe regeling wordt het saldo van de Ons uitgevaardigde nieuwe regeling wordt het saldo van de
intrestenvoorziening van het betreffende boekjaar behouden op de intrestenvoorziening van het betreffende boekjaar behouden op de
rekening beoogd in § 4, derde lid. ». rekening beoogd in § 4, derde lid. ».

Art. 2.Dit besluit heeft uitwerking vanaf het boekjaar 2006.

Art. 2.Dit besluit heeft uitwerking vanaf het boekjaar 2006.

Art. 3.Onze Minister van Werk is belast met de uitvoering van dit

Art. 3.Onze Minister van Werk is belast met de uitvoering van dit

besluit. besluit.
Gegeven te Brussel, 3 juni 2007. Gegeven te Brussel, 3 juni 2007.
ALBERT ALBERT
Van Koningswege : Van Koningswege :
De Minister van Werk, De Minister van Werk,
P. VANVELTHOVEN P. VANVELTHOVEN
_______ _______
Nota Nota
(1) Verwijzingen naar het Belgisch Staatsblad : (1) Verwijzingen naar het Belgisch Staatsblad :
Besluitwet van 28 december 1944, Belgisch Staatsblad van 30 december Besluitwet van 28 december 1944, Belgisch Staatsblad van 30 december
1944; 1944;
Wet van 14 februari 1961, Belgisch Staatsblad van 15 februari 1961; Wet van 14 februari 1961, Belgisch Staatsblad van 15 februari 1961;
Koninklijk besluit van 25 november 1991, Belgisch Staatsblad van 31 Koninklijk besluit van 25 november 1991, Belgisch Staatsblad van 31
december 1991; december 1991;
Koninklijk besluit van 22 maart 1995, Belgisch Staatsblad van 8 april Koninklijk besluit van 22 maart 1995, Belgisch Staatsblad van 8 april
1995; 1995;
Koninklijk besluit van 13 december 2004, Belgisch Staatsblad van 22 Koninklijk besluit van 13 december 2004, Belgisch Staatsblad van 22
december 2004 december 2004
^