← Terug naar "Uittreksel uit arrest nr. 88/2022 van 30 juni 2022 Rolnummer 7551 In zake : de prejudiciële
vraag betreffende artikel 458bis van het Strafwetboek, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Luik, afdeling
Luik. Het Grondwettelijk Hof, samenges wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de
prejudiciële vraag en rechtspleging"
Uittreksel uit arrest nr. 88/2022 van 30 juni 2022 Rolnummer 7551 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 458bis van het Strafwetboek, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Luik, afdeling Luik. Het Grondwettelijk Hof, samenges wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging | Uittreksel uit arrest nr. 88/2022 van 30 juni 2022 Rolnummer 7551 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 458bis van het Strafwetboek, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Luik, afdeling Luik. Het Grondwettelijk Hof, samenges wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging |
---|---|
GRONDWETTELIJK HOF | GRONDWETTELIJK HOF |
Uittreksel uit arrest nr. 88/2022 van 30 juni 2022 | Uittreksel uit arrest nr. 88/2022 van 30 juni 2022 |
Rolnummer 7551 | Rolnummer 7551 |
In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 458bis van het | In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 458bis van het |
Strafwetboek, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Luik, afdeling Luik. | Strafwetboek, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Luik, afdeling Luik. |
Het Grondwettelijk Hof, | Het Grondwettelijk Hof, |
samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, en de | samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, en de |
rechters J.-P. Moerman, T. Giet, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, | rechters J.-P. Moerman, T. Giet, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, |
T. Detienne, D. Pieters, S. de Bethune, E. Bribosia en W. Verrijdt, | T. Detienne, D. Pieters, S. de Bethune, E. Bribosia en W. Verrijdt, |
bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van | bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van |
voorzitter P. Nihoul, | voorzitter P. Nihoul, |
wijst na beraad het volgende arrest : | wijst na beraad het volgende arrest : |
I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging | I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging |
Bij vonnis van 25 maart 2021, waarvan de expeditie ter griffie van het | Bij vonnis van 25 maart 2021, waarvan de expeditie ter griffie van het |
Hof is ingekomen op 6 april 2021, heeft de Arbeidsrechtbank te Luik, | Hof is ingekomen op 6 april 2021, heeft de Arbeidsrechtbank te Luik, |
afdeling Luik, de volgende prejudiciële vraag gesteld : | afdeling Luik, de volgende prejudiciële vraag gesteld : |
« Schendt artikel 458bis van het Strafwetboek de artikelen 10 en 11 | « Schendt artikel 458bis van het Strafwetboek de artikelen 10 en 11 |
van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het | van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het |
Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in die zin | Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in die zin |
geïnterpreteerd dat het de advocaat die in het kader van de juridische | geïnterpreteerd dat het de advocaat die in het kader van de juridische |
tweedelijnsbijstand is aangesteld en die verzoekt om van zijn | tweedelijnsbijstand is aangesteld en die verzoekt om van zijn |
aanstelling te worden ontheven met toepassing van artikel 508/18 van | aanstelling te worden ontheven met toepassing van artikel 508/18 van |
het Gerechtelijk Wetboek wanneer hij vaststelt dat niet wordt voldaan | het Gerechtelijk Wetboek wanneer hij vaststelt dat niet wordt voldaan |
aan de in artikel 508/13 van hetzelfde Wetboek bedoelde voorwaarden | aan de in artikel 508/13 van hetzelfde Wetboek bedoelde voorwaarden |
inzake bestaansmiddelen, verbiedt om de elementen aan het licht te | inzake bestaansmiddelen, verbiedt om de elementen aan het licht te |
brengen die hem tot die vaststelling hebben gebracht, zelfs indien hij | brengen die hem tot die vaststelling hebben gebracht, zelfs indien hij |
daartoe wordt verzocht door de arbeidsrechtbank wanneer de begunstigde | daartoe wordt verzocht door de arbeidsrechtbank wanneer de begunstigde |
het in artikel 508/16 van hetzelfde Wetboek bedoelde beroep instelt ? | het in artikel 508/16 van hetzelfde Wetboek bedoelde beroep instelt ? |
». | ». |
(...) | (...) |
III. In rechte | III. In rechte |
(...) | (...) |
Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de prejudiciële vraag | Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de prejudiciële vraag |
B.1. Het verwijzende rechtscollege wenst te vernemen of artikel 458bis | B.1. Het verwijzende rechtscollege wenst te vernemen of artikel 458bis |
van het Strafwetboek bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de | van het Strafwetboek bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de |
Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het | Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het |
Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre het | Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre het |
beroepsgeheim de advocaat die verzoekt een einde te stellen aan de | beroepsgeheim de advocaat die verzoekt een einde te stellen aan de |
juridische tweedelijnsbijstand na vaststelling dat de begunstigde niet | juridische tweedelijnsbijstand na vaststelling dat de begunstigde niet |
voldoet aan de voorwaarde van ontoereikende bestaansmiddelen, verbiedt | voldoet aan de voorwaarde van ontoereikende bestaansmiddelen, verbiedt |
om de elementen bekend te maken op grond waarvan hij tot die | om de elementen bekend te maken op grond waarvan hij tot die |
vaststelling is gekomen, zelfs indien de arbeidsrechtbank daartoe | vaststelling is gekomen, zelfs indien de arbeidsrechtbank daartoe |
verzoekt in het kader van een beroep tegen een beslissing tot | verzoekt in het kader van een beroep tegen een beslissing tot |
intrekking van de juridische tweedelijnsbijstand op grond van artikel | intrekking van de juridische tweedelijnsbijstand op grond van artikel |
508/18 van het Gerechtelijk Wetboek. | 508/18 van het Gerechtelijk Wetboek. |
B.2.1. De Ministerraad doet gelden dat de prejudiciële vraag | B.2.1. De Ministerraad doet gelden dat de prejudiciële vraag |
onontvankelijk is, aangezien de categorieën van personen die | onontvankelijk is, aangezien de categorieën van personen die |
verschillend worden behandeld, daarin niet worden geïdentificeerd. | verschillend worden behandeld, daarin niet worden geïdentificeerd. |
B.2.2. Wanneer het Hof wordt verzocht, in antwoord op een prejudiciële | B.2.2. Wanneer het Hof wordt verzocht, in antwoord op een prejudiciële |
vraag, uitspraak te doen over de bestaanbaarheid van een wetsbepaling | vraag, uitspraak te doen over de bestaanbaarheid van een wetsbepaling |
met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met | met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met |
grondrechten gewaarborgd in internationaalrechtelijke bepalingen, | grondrechten gewaarborgd in internationaalrechtelijke bepalingen, |
heeft de vraag betrekking op de grondwettigheid van een verschil in | heeft de vraag betrekking op de grondwettigheid van een verschil in |
behandeling tussen, enerzijds, de personen die het slachtoffer zijn | behandeling tussen, enerzijds, de personen die het slachtoffer zijn |
van de schending van die grondrechten en, anderzijds, de personen | van de schending van die grondrechten en, anderzijds, de personen |
welke die rechten genieten. Bijgevolg moeten die twee categorieën van | welke die rechten genieten. Bijgevolg moeten die twee categorieën van |
personen worden vergeleken. | personen worden vergeleken. |
B.3.1. De Ministerraad, de « Ordre des barreaux francophones et | B.3.1. De Ministerraad, de « Ordre des barreaux francophones et |
germanophone » en de eiser voor het verwijzende rechtscollege zijn van | germanophone » en de eiser voor het verwijzende rechtscollege zijn van |
mening dat de vraag geen antwoord behoeft, aangezien artikel 458bis | mening dat de vraag geen antwoord behoeft, aangezien artikel 458bis |
van het Strafwetboek de advocaat die in het kader van de juridische | van het Strafwetboek de advocaat die in het kader van de juridische |
tweedelijnsbijstand is aangesteld, niet verbiedt om aan de rechter de | tweedelijnsbijstand is aangesteld, niet verbiedt om aan de rechter de |
redenen bekend te maken die hem ertoe hebben gebracht vast te stellen | redenen bekend te maken die hem ertoe hebben gebracht vast te stellen |
dat de aanvrager niet voldoet aan de in artikel 508/13, eerste lid, | dat de aanvrager niet voldoet aan de in artikel 508/13, eerste lid, |
van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde voorwaarde inzake | van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde voorwaarde inzake |
ontoereikendheid van de bestaansmiddelen, maar daarentegen een | ontoereikendheid van de bestaansmiddelen, maar daarentegen een |
uitzondering vormt op het in artikel 458 van het Strafwetboek vervatte | uitzondering vormt op het in artikel 458 van het Strafwetboek vervatte |
verbod om een beroepsgeheim bekend te maken. | verbod om een beroepsgeheim bekend te maken. |
B.3.2. Artikel 458bis van het Strafwetboek bepaalt : | B.3.2. Artikel 458bis van het Strafwetboek bepaalt : |
« Eenieder, die uit hoofde van zijn staat of beroep houder is van | « Eenieder, die uit hoofde van zijn staat of beroep houder is van |
geheimen en hierdoor kennis heeft van een misdrijf zoals omschreven in | geheimen en hierdoor kennis heeft van een misdrijf zoals omschreven in |
de artikelen 371/1 tot 377, 377quater, 379, 380, 383bis, § § 1 en 2, | de artikelen 371/1 tot 377, 377quater, 379, 380, 383bis, § § 1 en 2, |
392 tot 394, 396 tot 405ter, 409, 423, 425, 426 en 433quinquies, | 392 tot 394, 396 tot 405ter, 409, 423, 425, 426 en 433quinquies, |
gepleegd op een minderjarige of op een persoon die kwetsbaar is ten | gepleegd op een minderjarige of op een persoon die kwetsbaar is ten |
gevolge van zijn leeftijd, zwangerschap, partnergeweld, gebruiken van | gevolge van zijn leeftijd, zwangerschap, partnergeweld, gebruiken van |
geweld, gepleegd omwille van culturele drijfveren, gewoontes, | geweld, gepleegd omwille van culturele drijfveren, gewoontes, |
tradities, religie of de zogenaamde ' eer ', een ziekte dan wel een | tradities, religie of de zogenaamde ' eer ', een ziekte dan wel een |
lichamelijk of geestelijk gebrek of onvolwaardigheid kan, onverminderd | lichamelijk of geestelijk gebrek of onvolwaardigheid kan, onverminderd |
de verplichtingen hem opgelegd door artikel 422bis, het misdrijf ter | de verplichtingen hem opgelegd door artikel 422bis, het misdrijf ter |
kennis brengen van de procureur des Konings, hetzij wanneer er een | kennis brengen van de procureur des Konings, hetzij wanneer er een |
ernstig en dreigend gevaar bestaat voor de fysieke of psychische | ernstig en dreigend gevaar bestaat voor de fysieke of psychische |
integriteit van de minderjarige of de bedoelde kwetsbare persoon en | integriteit van de minderjarige of de bedoelde kwetsbare persoon en |
hij deze integriteit niet zelf of met hulp van anderen kan beschermen, | hij deze integriteit niet zelf of met hulp van anderen kan beschermen, |
hetzij wanneer er aanwijzingen zijn van een gewichtig en reëel gevaar | hetzij wanneer er aanwijzingen zijn van een gewichtig en reëel gevaar |
dat andere minderjarigen of bedoelde kwetsbare personen het | dat andere minderjarigen of bedoelde kwetsbare personen het |
slachtoffer worden van de in voormelde artikelen bedoelde misdrijven | slachtoffer worden van de in voormelde artikelen bedoelde misdrijven |
en hij deze integriteit niet zelf of met hulp van anderen kan | en hij deze integriteit niet zelf of met hulp van anderen kan |
beschermen ». | beschermen ». |
B.3.3. Uit de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt dat de | B.3.3. Uit de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt dat de |
verwijzing naar artikel 458bis van het Strafwetboek kennelijk | verwijzing naar artikel 458bis van het Strafwetboek kennelijk |
voortvloeit uit een materiële vergissing van het verwijzende | voortvloeit uit een materiële vergissing van het verwijzende |
rechtscollege. De prejudiciële vraag moet in die zin worden begrepen | rechtscollege. De prejudiciële vraag moet in die zin worden begrepen |
dat zij betrekking heeft op artikel 458 van het Strafwetboek. De | dat zij betrekking heeft op artikel 458 van het Strafwetboek. De |
partijen hebben zich overigens niet daarin vergist, aangezien zij, in | partijen hebben zich overigens niet daarin vergist, aangezien zij, in |
hun memories, in ondergeschikte orde aanvoeren dat de regel van het | hun memories, in ondergeschikte orde aanvoeren dat de regel van het |
beroepsgeheim bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de | beroepsgeheim bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de |
Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag | Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag |
voor de rechten van de mens, en zij argumenten ter ondersteuning van | voor de rechten van de mens, en zij argumenten ter ondersteuning van |
dat standpunt voorleggen. | dat standpunt voorleggen. |
B.4. De excepties worden verworpen. | B.4. De excepties worden verworpen. |
Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling en de context ervan | Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling en de context ervan |
B.5.1. Het voor het verwijzende rechtscollege hangende geschil heeft | B.5.1. Het voor het verwijzende rechtscollege hangende geschil heeft |
betrekking op een beslissing tot beëindiging van de juridische | betrekking op een beslissing tot beëindiging van de juridische |
tweedelijnsbijstand die werd genomen nadat het bureau voor juridische | tweedelijnsbijstand die werd genomen nadat het bureau voor juridische |
bijstand had vastgesteld dat de begunstigde niet voldeed aan de | bijstand had vastgesteld dat de begunstigde niet voldeed aan de |
voorwaarde van ontoereikende bestaansmiddelen. | voorwaarde van ontoereikende bestaansmiddelen. |
B.5.2. Een persoon kan gedeeltelijk of volledig kosteloze juridische | B.5.2. Een persoon kan gedeeltelijk of volledig kosteloze juridische |
tweedelijnsbijstand genieten wanneer zijn bestaansmiddelen | tweedelijnsbijstand genieten wanneer zijn bestaansmiddelen |
ontoereikend zijn. De juridische tweedelijnsbijstand wordt | ontoereikend zijn. De juridische tweedelijnsbijstand wordt |
georganiseerd door het bureau voor juridische bijstand dat bij elke | georganiseerd door het bureau voor juridische bijstand dat bij elke |
balie is ingesteld door de raad van de Orde van advocaten (artikel | balie is ingesteld door de raad van de Orde van advocaten (artikel |
508/7 van het Gerechtelijk Wetboek). De voorwaarde inzake | 508/7 van het Gerechtelijk Wetboek). De voorwaarde inzake |
ontoereikendheid van de bestaansmiddelen wordt nagegaan door het | ontoereikendheid van de bestaansmiddelen wordt nagegaan door het |
bureau voor juridische bijstand (artikel 508/13 van het Gerechtelijk | bureau voor juridische bijstand (artikel 508/13 van het Gerechtelijk |
Wetboek). | Wetboek). |
B.5.3. De regels met betrekking tot de omvang van de bestaansmiddelen | B.5.3. De regels met betrekking tot de omvang van de bestaansmiddelen |
en de voor te leggen bewijsstukken, zoals ze van toepassing zijn in | en de voor te leggen bewijsstukken, zoals ze van toepassing zijn in |
het bodemgeschil, worden bepaald bij het koninklijk besluit van 18 | het bodemgeschil, worden bepaald bij het koninklijk besluit van 18 |
december 2003 « tot vaststelling van de voorwaarden van de volledige | december 2003 « tot vaststelling van de voorwaarden van de volledige |
of gedeeltelijke kosteloosheid van de juridische tweedelijnsbijstand | of gedeeltelijke kosteloosheid van de juridische tweedelijnsbijstand |
en de rechtsbijstand » (hierna : het koninklijk besluit van 18 | en de rechtsbijstand » (hierna : het koninklijk besluit van 18 |
december 2003), dat inmiddels werd opgeheven bij de wet van 31 juli | december 2003), dat inmiddels werd opgeheven bij de wet van 31 juli |
2020 « tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek teneinde de toegang | 2020 « tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek teneinde de toegang |
tot de juridische tweedelijnsbijstand en de rechtsbijstand te | tot de juridische tweedelijnsbijstand en de rechtsbijstand te |
verbeteren, door de ter zake geldende inkomensmaxima te verhogen ». | verbeteren, door de ter zake geldende inkomensmaxima te verhogen ». |
De aanvrager kan zijn situatie aantonen door middel van om het even | De aanvrager kan zijn situatie aantonen door middel van om het even |
welk document dat door het bureau voor juridische bijstand moet worden | welk document dat door het bureau voor juridische bijstand moet worden |
beoordeeld (artikel 1, § 1, eerste lid, 1° en 2°, van het koninklijk | beoordeeld (artikel 1, § 1, eerste lid, 1° en 2°, van het koninklijk |
besluit van 18 december 2003). Het bureau voor juridische bijstand kan | besluit van 18 december 2003). Het bureau voor juridische bijstand kan |
bij de rechtzoekende of bij derden, met inbegrip van | bij de rechtzoekende of bij derden, met inbegrip van |
overheidsinstanties, alle informatie opvragen die nuttig wordt geacht, | overheidsinstanties, alle informatie opvragen die nuttig wordt geacht, |
waaronder het laatste aanslagbiljet, om zich ervan te vergewissen dat | waaronder het laatste aanslagbiljet, om zich ervan te vergewissen dat |
de voorwaarden van toegang tot de juridische tweedelijnsbijstand zijn | de voorwaarden van toegang tot de juridische tweedelijnsbijstand zijn |
vervuld (artikelen 1, § 3, en 2, zevende lid, van hetzelfde koninklijk | vervuld (artikelen 1, § 3, en 2, zevende lid, van hetzelfde koninklijk |
besluit). | besluit). |
Bovendien wordt de kosteloze juridische tweedelijnsbijstand geweigerd | Bovendien wordt de kosteloze juridische tweedelijnsbijstand geweigerd |
indien blijkt dat de rechtzoekende beschikt over kapitalen of over | indien blijkt dat de rechtzoekende beschikt over kapitalen of over |
voordelen en indien uit andere tekenen en aanwijzingen een hogere | voordelen en indien uit andere tekenen en aanwijzingen een hogere |
graad van gegoedheid blijkt dan uit de aangegeven bestaansmiddelen, | graad van gegoedheid blijkt dan uit de aangegeven bestaansmiddelen, |
waaruit kan worden besloten dat hij in de mogelijkheid verkeert zelf | waaruit kan worden besloten dat hij in de mogelijkheid verkeert zelf |
zijn advocaat te betalen (artikel 2ter van hetzelfde koninklijk | zijn advocaat te betalen (artikel 2ter van hetzelfde koninklijk |
besluit). De aanvrager van de juridische tweedelijnsbijstand kan bij | besluit). De aanvrager van de juridische tweedelijnsbijstand kan bij |
de arbeidsrechtbank een beroep instellen dat is gericht tegen die | de arbeidsrechtbank een beroep instellen dat is gericht tegen die |
beslissing (artikel 508/16 van het Gerechtelijk Wetboek). | beslissing (artikel 508/16 van het Gerechtelijk Wetboek). |
B.5.4. Het bureau voor juridische bijstand kan tevens, ambtshalve of | B.5.4. Het bureau voor juridische bijstand kan tevens, ambtshalve of |
op een met redenen omkleed verzoek van de advocaat, een einde maken | op een met redenen omkleed verzoek van de advocaat, een einde maken |
aan de juridische tweedelijnsbijstand, met name indien het vaststelt | aan de juridische tweedelijnsbijstand, met name indien het vaststelt |
dat de begunstigde niet voldeed of niet langer voldoet aan de | dat de begunstigde niet voldeed of niet langer voldoet aan de |
voorwaarden bepaald bij artikel 508/13. | voorwaarden bepaald bij artikel 508/13. |
Het is ertoe gehouden de begunstigde daarvan bij aangetekende zending | Het is ertoe gehouden de begunstigde daarvan bij aangetekende zending |
in kennis te stellen en hem te verzoeken zijn opmerkingen te | in kennis te stellen en hem te verzoeken zijn opmerkingen te |
formuleren binnen een termijn van twintig dagen. De beslissing tot | formuleren binnen een termijn van twintig dagen. De beslissing tot |
beëindiging van de toegekende bijstand wordt met redenen omkleed. | beëindiging van de toegekende bijstand wordt met redenen omkleed. |
Tegen die beslissing kan een beroep worden ingesteld bij de | Tegen die beslissing kan een beroep worden ingesteld bij de |
arbeidsrechtbank binnen een maand na de kennisgeving ervan. Die | arbeidsrechtbank binnen een maand na de kennisgeving ervan. Die |
kennisgeving moet nuttige informatie bevatten om het beroep in te | kennisgeving moet nuttige informatie bevatten om het beroep in te |
stellen (artikelen 508/15, 508/16 en 508/18 van het Gerechtelijk | stellen (artikelen 508/15, 508/16 en 508/18 van het Gerechtelijk |
Wetboek). | Wetboek). |
B.6.1. Zoals het Hof heeft geoordeeld bij zijn arrest nr. 77/2018 van | B.6.1. Zoals het Hof heeft geoordeeld bij zijn arrest nr. 77/2018 van |
21 juni 2018, zijn alle gegevens met betrekking tot de | 21 juni 2018, zijn alle gegevens met betrekking tot de |
bestaansmiddelen van de aanvrager of van de begunstigde van de | bestaansmiddelen van de aanvrager of van de begunstigde van de |
juridische tweedelijnsbijstand die worden toevertrouwd aan de advocaat | juridische tweedelijnsbijstand die worden toevertrouwd aan de advocaat |
die door het bureau voor juridische bijstand is aangesteld, gedekt | die door het bureau voor juridische bijstand is aangesteld, gedekt |
door het beroepsgeheim dat de advocaat, alsook de leden van het bureau | door het beroepsgeheim dat de advocaat, alsook de leden van het bureau |
voor juridische bijstand die de dossiers moeten behandelen, met | voor juridische bijstand die de dossiers moeten behandelen, met |
toepassing van artikel 458 van het Strafwetboek, bindt. | toepassing van artikel 458 van het Strafwetboek, bindt. |
B.6.2. Een houder van het beroepsgeheim moet immers, in principe, elke | B.6.2. Een houder van het beroepsgeheim moet immers, in principe, elke |
vertrouwelijke mededeling die is verkregen in de omstandigheden | vertrouwelijke mededeling die is verkregen in de omstandigheden |
vermeld in artikel 458 van het Strafwetboek, geheimhouden. Dat artikel | vermeld in artikel 458 van het Strafwetboek, geheimhouden. Dat artikel |
bepaalt : | bepaalt : |
« Geneesheren, heelkundigen, officieren van gezondheid, apothekers, | « Geneesheren, heelkundigen, officieren van gezondheid, apothekers, |
vroedvrouwen en alle andere personen die uit hoofde van hun staat of | vroedvrouwen en alle andere personen die uit hoofde van hun staat of |
beroep kennis dragen van geheimen die hun zijn toevertrouwd, en deze | beroep kennis dragen van geheimen die hun zijn toevertrouwd, en deze |
bekendmaken buiten het geval dat zij geroepen worden om in rechte of | bekendmaken buiten het geval dat zij geroepen worden om in rechte of |
voor een parlementaire onderzoekscommissie getuigenis af te leggen en | voor een parlementaire onderzoekscommissie getuigenis af te leggen en |
buiten het geval dat de wet, het decreet of de ordonnantie hen | buiten het geval dat de wet, het decreet of de ordonnantie hen |
verplicht of toelaat die geheimen bekend te maken, worden gestraft met | verplicht of toelaat die geheimen bekend te maken, worden gestraft met |
gevangenisstraf van een jaar tot drie jaar en een geldboete van | gevangenisstraf van een jaar tot drie jaar en een geldboete van |
honderd euro tot duizend euro of met een van die straffen alleen ». | honderd euro tot duizend euro of met een van die straffen alleen ». |
B.7.1. De Ministerraad is van mening dat het beroepsgeheim van de | B.7.1. De Ministerraad is van mening dat het beroepsgeheim van de |
advocaat niet absoluut is. Hij doet gelden dat de advocaat die door | advocaat niet absoluut is. Hij doet gelden dat de advocaat die door |
het bureau voor juridische bijstand is aangesteld, krachtens de | het bureau voor juridische bijstand is aangesteld, krachtens de |
voormelde bepaling het recht heeft om die gegevens bekend te maken, | voormelde bepaling het recht heeft om die gegevens bekend te maken, |
met name wanneer hij getuigenis aflegt in rechte of wanneer hij zich | met name wanneer hij getuigenis aflegt in rechte of wanneer hij zich |
op de noodtoestand kan beroepen. | op de noodtoestand kan beroepen. |
B.7.2. Het staat in de regel aan het verwijzende rechtscollege om de | B.7.2. Het staat in de regel aan het verwijzende rechtscollege om de |
bepaling die het van toepassing acht te interpreteren, onder | bepaling die het van toepassing acht te interpreteren, onder |
voorbehoud van een kennelijk verkeerde lezing. Uit het | voorbehoud van een kennelijk verkeerde lezing. Uit het |
verwijzingsvonnis blijkt dat het verwijzende rechtscollege van oordeel | verwijzingsvonnis blijkt dat het verwijzende rechtscollege van oordeel |
is dat het beroepsgeheim de advocaat verbiedt om, in het kader van een | is dat het beroepsgeheim de advocaat verbiedt om, in het kader van een |
getuigenis, voor dat rechtscollege de vertrouwelijke informatie met | getuigenis, voor dat rechtscollege de vertrouwelijke informatie met |
betrekking tot de bestaansmiddelen van de begunstigde van de | betrekking tot de bestaansmiddelen van de begunstigde van de |
juridische tweedelijnsbijstand te onthullen. Het Hof beantwoordt de | juridische tweedelijnsbijstand te onthullen. Het Hof beantwoordt de |
prejudiciële vraag in die interpretatie, die niet kennelijk verkeerd | prejudiciële vraag in die interpretatie, die niet kennelijk verkeerd |
is. | is. |
Ten gronde | Ten gronde |
B.8. Uit de motivering van het verwijzingsvonnis blijkt dat het | B.8. Uit de motivering van het verwijzingsvonnis blijkt dat het |
verwijzende rechtscollege van oordeel is dat de regel van het | verwijzende rechtscollege van oordeel is dat de regel van het |
beroepsgeheim de verdediging van de Orde van advocaten bemoeilijkt, in | beroepsgeheim de verdediging van de Orde van advocaten bemoeilijkt, in |
zoverre die de feitelijke elementen die haar beslissing verantwoorden, | zoverre die de feitelijke elementen die haar beslissing verantwoorden, |
niet kan uitleggen. Ook zou de in het geding zijnde bepaling tot | niet kan uitleggen. Ook zou de in het geding zijnde bepaling tot |
gevolg hebben aan de eiser voor het verwijzende rechtscollege een | gevolg hebben aan de eiser voor het verwijzende rechtscollege een |
bewijs voor te leggen dat moeilijk, zo niet onmogelijk te leveren is, | bewijs voor te leggen dat moeilijk, zo niet onmogelijk te leveren is, |
namelijk het bewijs dat er geen verborgen bestaansmiddelen zijn. Het | namelijk het bewijs dat er geen verborgen bestaansmiddelen zijn. Het |
verwijzende rechtscollege vraagt meer bepaald of de inachtneming van | verwijzende rechtscollege vraagt meer bepaald of de inachtneming van |
het beginsel van het beroepsgeheim op discriminerende wijze afbreuk | het beginsel van het beroepsgeheim op discriminerende wijze afbreuk |
doet aan het recht op een eerlijk proces voor zowel de Orde van | doet aan het recht op een eerlijk proces voor zowel de Orde van |
advocaten als de eiser voor het verwijzende rechtscollege. | advocaten als de eiser voor het verwijzende rechtscollege. |
B.9.1. Artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens | B.9.1. Artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens |
beschermt het recht op een eerlijk proces. Artikel 13 van dat Verdrag | beschermt het recht op een eerlijk proces. Artikel 13 van dat Verdrag |
waarborgt eenieder wiens rechten en vrijheden die in dat Verdrag | waarborgt eenieder wiens rechten en vrijheden die in dat Verdrag |
worden erkend, zijn geschonden, het recht op een daadwerkelijk | worden erkend, zijn geschonden, het recht op een daadwerkelijk |
rechtsmiddel voor een nationale instantie. In die context voegt die | rechtsmiddel voor een nationale instantie. In die context voegt die |
bepaling niets toe aan artikel 6. | bepaling niets toe aan artikel 6. |
B.9.2. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft geoordeeld | B.9.2. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft geoordeeld |
dat « het beginsel van de tegenspraak en dat van de wapengelijkheid, | dat « het beginsel van de tegenspraak en dat van de wapengelijkheid, |
die onderling nauw met elkaar zijn verbonden, fundamentele elementen | die onderling nauw met elkaar zijn verbonden, fundamentele elementen |
van het begrip ' eerlijk proces ' in de zin van artikel 6, lid 1, van | van het begrip ' eerlijk proces ' in de zin van artikel 6, lid 1, van |
het Verdrag zijn. Zij vereisen een ' billijk evenwicht ' tussen de | het Verdrag zijn. Zij vereisen een ' billijk evenwicht ' tussen de |
partijen : zij moeten elk een redelijke mogelijkheid krijgen om hun | partijen : zij moeten elk een redelijke mogelijkheid krijgen om hun |
zaak voor te leggen onder voorwaarden die hen niet in een duidelijk | zaak voor te leggen onder voorwaarden die hen niet in een duidelijk |
nadelige positie ten opzichte van de tegenpartij of tegenpartijen | nadelige positie ten opzichte van de tegenpartij of tegenpartijen |
brengen » (EHRM, grote kamer, 19 september 2017, Regner t. Tsjechische | brengen » (EHRM, grote kamer, 19 september 2017, Regner t. Tsjechische |
Republiek, § 146). Hoewel het beginsel van de tegenspraak, in de | Republiek, § 146). Hoewel het beginsel van de tegenspraak, in de |
regel, niet vereist dat elke partij aan haar tegenstander stukken | regel, niet vereist dat elke partij aan haar tegenstander stukken |
verstrekt die evenmin aan de rechter zijn voorgelegd (EHRM, 24 april | verstrekt die evenmin aan de rechter zijn voorgelegd (EHRM, 24 april |
2003, Yvon t. Frankrijk, § 38), houdt het evenwel « het recht [in] | 2003, Yvon t. Frankrijk, § 38), houdt het evenwel « het recht [in] |
voor de partijen om de elementen te doen kennen die noodzakelijk zijn | voor de partijen om de elementen te doen kennen die noodzakelijk zijn |
voor het welslagen van hun aanspraken » (EHRM, 13 oktober 2005, | voor het welslagen van hun aanspraken » (EHRM, 13 oktober 2005, |
Clinique des Acacias en anderen t. Frankrijk, § 37). | Clinique des Acacias en anderen t. Frankrijk, § 37). |
B.10. Ofschoon het juist is dat het aan de begunstigde van de | B.10. Ofschoon het juist is dat het aan de begunstigde van de |
juridische tweedelijnsbijstand staat te bewijzen dat hij voldoet aan | juridische tweedelijnsbijstand staat te bewijzen dat hij voldoet aan |
de voorwaarde inzake ontoereikendheid van de bestaansmiddelen, rust de | de voorwaarde inzake ontoereikendheid van de bestaansmiddelen, rust de |
bewijslast op de Orde van advocaten wanneer die laatste aanvoert dat | bewijslast op de Orde van advocaten wanneer die laatste aanvoert dat |
de begunstigde van de juridische tweedelijnsbijstand andere inkomsten | de begunstigde van de juridische tweedelijnsbijstand andere inkomsten |
zou ontvangen dan die welke hij heeft aangegeven bij het bureau voor | zou ontvangen dan die welke hij heeft aangegeven bij het bureau voor |
juridische bijstand en die met name blijken uit zijn | juridische bijstand en die met name blijken uit zijn |
rekeningafschriften, uit het saldo van zijn bankrekeningen en uit | rekeningafschriften, uit het saldo van zijn bankrekeningen en uit |
andere documenten die hij heeft neergelegd. De begunstigde van de | andere documenten die hij heeft neergelegd. De begunstigde van de |
juridische tweedelijnsbijstand is dus niet ertoe gehouden daarenboven | juridische tweedelijnsbijstand is dus niet ertoe gehouden daarenboven |
het bewijs te leveren dat er geen verborgen inkomsten zijn. De in het | het bewijs te leveren dat er geen verborgen inkomsten zijn. De in het |
geding zijnde bepaling belemmert het vermogen van de begunstigde van | geding zijnde bepaling belemmert het vermogen van de begunstigde van |
de juridische tweedelijnsbijstand om zijn standpunt voor de | de juridische tweedelijnsbijstand om zijn standpunt voor de |
arbeidsrechtbank te verdedigen bijgevolg niet op onevenredige wijze. | arbeidsrechtbank te verdedigen bijgevolg niet op onevenredige wijze. |
Daaruit volgt dat zij geen afbreuk doet aan het recht op een eerlijk | Daaruit volgt dat zij geen afbreuk doet aan het recht op een eerlijk |
proces van die laatste. | proces van die laatste. |
B.11.1. De inachtneming van het beginsel van het beroepsgeheim heeft | B.11.1. De inachtneming van het beginsel van het beroepsgeheim heeft |
daarentegen tot gevolg dat de Orde van advocaten niet in staat is om | daarentegen tot gevolg dat de Orde van advocaten niet in staat is om |
de feitelijke elementen uiteen te zetten die de advocaat die een | de feitelijke elementen uiteen te zetten die de advocaat die een |
verzoek op grond van artikel 508/18 van het Gerechtelijk Wetboek heeft | verzoek op grond van artikel 508/18 van het Gerechtelijk Wetboek heeft |
ingediend, ertoe hebben gebracht te oordelen dat de rechtzoekende niet | ingediend, ertoe hebben gebracht te oordelen dat de rechtzoekende niet |
voldeed aan de voorwaarde inzake ontoereikendheid van de | voldeed aan de voorwaarde inzake ontoereikendheid van de |
bestaansmiddelen. De Orde van advocaten kon dus de elementen die | bestaansmiddelen. De Orde van advocaten kon dus de elementen die |
noodzakelijk zijn voor het welslagen van haar aanspraken, niet doen | noodzakelijk zijn voor het welslagen van haar aanspraken, niet doen |
kennen, hetgeen een inmenging vormt in het recht op een eerlijk | kennen, hetgeen een inmenging vormt in het recht op een eerlijk |
proces. | proces. |
B.11.2. Het beginsel van de tegenspraak en dat van de wapengelijkheid | B.11.2. Het beginsel van de tegenspraak en dat van de wapengelijkheid |
zijn niet absoluut. Evenmin geldt er een absoluut recht op de | zijn niet absoluut. Evenmin geldt er een absoluut recht op de |
bekendmaking van de bewijsmiddelen (EHRM, grote kamer, 19 september | bekendmaking van de bewijsmiddelen (EHRM, grote kamer, 19 september |
2017, Regner t. Tsjechische Republiek, § 147). Zoals het Europees Hof | 2017, Regner t. Tsjechische Republiek, § 147). Zoals het Europees Hof |
voor de Rechten van de Mens in verschillende arresten heeft | voor de Rechten van de Mens in verschillende arresten heeft |
vastgesteld, kunnen andere legitieme doelstellingen worden aangevoerd | vastgesteld, kunnen andere legitieme doelstellingen worden aangevoerd |
om beperkingen aan deze beginselen te verantwoorden (EHRM, 26 juli | om beperkingen aan deze beginselen te verantwoorden (EHRM, 26 juli |
2016, Miryana Patrova t. Bulgarije, § § 39-40; 29 april 2014, | 2016, Miryana Patrova t. Bulgarije, § § 39-40; 29 april 2014, |
Ternovskis t. Letland, § § 65-68). Om te beoordelen of in het licht | Ternovskis t. Letland, § § 65-68). Om te beoordelen of in het licht |
van deze doelstellingen, beperkingen aan deze beginselen aanvaardbaar | van deze doelstellingen, beperkingen aan deze beginselen aanvaardbaar |
zijn, moet rekening worden gehouden met de procedure in haar geheel. | zijn, moet rekening worden gehouden met de procedure in haar geheel. |
In het bijzonder moet worden nagegaan of de beperkingen voldoende | In het bijzonder moet worden nagegaan of de beperkingen voldoende |
worden gecompenseerd door andere procedurele waarborgen (EHRM, grote | worden gecompenseerd door andere procedurele waarborgen (EHRM, grote |
kamer, 19 september 2017, Regner t. Tsjechische Republiek, § § | kamer, 19 september 2017, Regner t. Tsjechische Republiek, § § |
151-161). Daarbij moet rekening worden gehouden met de mogelijkheid, | 151-161). Daarbij moet rekening worden gehouden met de mogelijkheid, |
voor de rechter, om de feitelijke grondslag van de bestreden | voor de rechter, om de feitelijke grondslag van de bestreden |
beslissing en de motieven die deze ondersteunen, te beoordelen (EHRM, | beslissing en de motieven die deze ondersteunen, te beoordelen (EHRM, |
26 juli 2016, Miryana Patrova t. Bulgarije, § § 41-44). | 26 juli 2016, Miryana Patrova t. Bulgarije, § § 41-44). |
B.11.3. Te dezen dienen de beginselen van de tegenspraak en van de | B.11.3. Te dezen dienen de beginselen van de tegenspraak en van de |
wapengelijkheid te worden afgewogen tegen de rechten van de | wapengelijkheid te worden afgewogen tegen de rechten van de |
verdediging van de begunstigde van de juridische tweedelijnsbijstand. | verdediging van de begunstigde van de juridische tweedelijnsbijstand. |
Er dient eveneens rekening te worden gehouden met de legitieme zorg | Er dient eveneens rekening te worden gehouden met de legitieme zorg |
van de wetgever om misbruiken inzake de juridische tweedelijnsbijstand | van de wetgever om misbruiken inzake de juridische tweedelijnsbijstand |
te voorkomen, teneinde de per definitie beperkte middelen welke eraan | te voorkomen, teneinde de per definitie beperkte middelen welke eraan |
worden besteed, voor te behouden voor personen welke die bijstand echt | worden besteed, voor te behouden voor personen welke die bijstand echt |
nodig hebben. | nodig hebben. |
B.12. Het rechtscollege in de procedure zoals deze in het | B.12. Het rechtscollege in de procedure zoals deze in het |
bodemgeschil, wijst zijn beslissing aan de hand van informatie uit de | bodemgeschil, wijst zijn beslissing aan de hand van informatie uit de |
naspeuringen van de arbeidsauditeur (artikelen 138bis, § 1, en 138ter | naspeuringen van de arbeidsauditeur (artikelen 138bis, § 1, en 138ter |
van het Gerechtelijk Wetboek), hetgeen bijdraagt tot het goede verloop | van het Gerechtelijk Wetboek), hetgeen bijdraagt tot het goede verloop |
van het proces. In het kader van de uitoefening van die bevoegdheden | van het proces. In het kader van de uitoefening van die bevoegdheden |
kan het arbeidsauditoraat de Orde van advocaten of de door het bureau | kan het arbeidsauditoraat de Orde van advocaten of de door het bureau |
voor juridische bijstand aangestelde advocaat, echter, evenmin als de | voor juridische bijstand aangestelde advocaat, echter, evenmin als de |
rechter, niet gelasten om de door het beroepsgeheim gedekte informatie | rechter, niet gelasten om de door het beroepsgeheim gedekte informatie |
openbaar te maken. De mogelijkheid om de documenten die de begunstigde | openbaar te maken. De mogelijkheid om de documenten die de begunstigde |
heeft ingediend ter ondersteuning van zijn oorspronkelijke aanvraag | heeft ingediend ter ondersteuning van zijn oorspronkelijke aanvraag |
voor juridische tweedelijnsbijstand in te kijken, kan evenmin | voor juridische tweedelijnsbijstand in te kijken, kan evenmin |
garanderen dat het rechtscollege kan beoordelen of de betrokkene nog | garanderen dat het rechtscollege kan beoordelen of de betrokkene nog |
andere bronnen van inkomsten heeft. De betwiste intrekking van de | andere bronnen van inkomsten heeft. De betwiste intrekking van de |
juridische tweedelijnsbijstand komt immers per definitie na de | juridische tweedelijnsbijstand komt immers per definitie na de |
oorspronkelijke toekenning van die bijstand, waardoor de kans zeer | oorspronkelijke toekenning van die bijstand, waardoor de kans zeer |
groot is dat die intrekking gebaseerd is op elementen die niet gekend | groot is dat die intrekking gebaseerd is op elementen die niet gekend |
waren op het moment van de oorspronkelijke aanvraag. | waren op het moment van de oorspronkelijke aanvraag. |
B.13. Daaruit volgt dat de rechter geen kennis kan nemen van de | B.13. Daaruit volgt dat de rechter geen kennis kan nemen van de |
elementen die aan de basis liggen van de beslissing tot intrekking van | elementen die aan de basis liggen van de beslissing tot intrekking van |
de juridische tweedelijnsbijstand, wat nochtans net het voorwerp is | de juridische tweedelijnsbijstand, wat nochtans net het voorwerp is |
van de beroepsprocedure tegen die beslissing. | van de beroepsprocedure tegen die beslissing. |
Dat gevolg vindt evenwel niet zijn oorsprong in de in het geding | Dat gevolg vindt evenwel niet zijn oorsprong in de in het geding |
zijnde bepaling. | zijnde bepaling. |
Zonder dat het Hof, gelet op de draagwijdte van de thans onderzochte | Zonder dat het Hof, gelet op de draagwijdte van de thans onderzochte |
prejudiciële vraag, zich kan uitspreken over de grondwettigheid ervan, | prejudiciële vraag, zich kan uitspreken over de grondwettigheid ervan, |
moet worden vastgesteld dat dat gevolg zijn oorsprong vindt in de | moet worden vastgesteld dat dat gevolg zijn oorsprong vindt in de |
bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek waarbij aan het bureau voor | bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek waarbij aan het bureau voor |
juridische bijstand de bevoegdheid wordt toevertrouwd om te beslissen | juridische bijstand de bevoegdheid wordt toevertrouwd om te beslissen |
over de toekenning en de intrekking van de juridische | over de toekenning en de intrekking van de juridische |
tweedelijnsbijstand, in voorkomend geval op verzoek van de advocaat | tweedelijnsbijstand, in voorkomend geval op verzoek van de advocaat |
die werd aangesteld, en waarbij aan de arbeidsrechtbank de bevoegdheid | die werd aangesteld, en waarbij aan de arbeidsrechtbank de bevoegdheid |
wordt toevertrouwd om kennis te nemen van de beroepen die zijn gericht | wordt toevertrouwd om kennis te nemen van de beroepen die zijn gericht |
tegen de door het bureau voor juridische bijstand genomen beslissingen | tegen de door het bureau voor juridische bijstand genomen beslissingen |
tot weigering of tot intrekking. Die bepalingen hebben tot gevolg dat, | tot weigering of tot intrekking. Die bepalingen hebben tot gevolg dat, |
indien de door het bureau voor juridische bijstand aangestelde | indien de door het bureau voor juridische bijstand aangestelde |
advocaat, in het kader van zijn opdrachten van verdediging of | advocaat, in het kader van zijn opdrachten van verdediging of |
vertegenwoordiging in rechte van zijn cliënt of van verlening van | vertegenwoordiging in rechte van zijn cliënt of van verlening van |
juridisch advies aan die cliënt, kennisneemt van informatie volgens | juridisch advies aan die cliënt, kennisneemt van informatie volgens |
welke zijn cliënt niet voldoet aan de voorwaarde inzake | welke zijn cliënt niet voldoet aan de voorwaarde inzake |
ontoereikendheid van de bestaansmiddelen, de advocaat, door het | ontoereikendheid van de bestaansmiddelen, de advocaat, door het |
verzoek dat hij indient bij het bureau voor juridische bijstand met | verzoek dat hij indient bij het bureau voor juridische bijstand met |
toepassing van artikel 508/18 van het Gerechtelijk Wetboek, het | toepassing van artikel 508/18 van het Gerechtelijk Wetboek, het |
initiatief neemt voor een procedure tot intrekking van de juridische | initiatief neemt voor een procedure tot intrekking van de juridische |
tweedelijnsbijstand die kan uitmonden in een beroep dat wordt | tweedelijnsbijstand die kan uitmonden in een beroep dat wordt |
onderzocht door de arbeidsrechtbank en in aanwezigheid van het | onderzocht door de arbeidsrechtbank en in aanwezigheid van het |
arbeidsauditoraat. De betrokken bepalingen van het Gerechtelijk | arbeidsauditoraat. De betrokken bepalingen van het Gerechtelijk |
Wetboek belasten de advocaat van de begunstigde van de juridische | Wetboek belasten de advocaat van de begunstigde van de juridische |
tweedelijnsbijstand aldus ermee erop toe te zien dat zijn cliënt | tweedelijnsbijstand aldus ermee erop toe te zien dat zijn cliënt |
voldoet aan de voorwaarden om die bijstand te genieten, en zulks onder | voldoet aan de voorwaarden om die bijstand te genieten, en zulks onder |
het uiteindelijke toezicht van de gewone rechtscolleges. | het uiteindelijke toezicht van de gewone rechtscolleges. |
B.14. Aangezien de in B.13 vermelde gevolgen niet hun oorsprong vinden | B.14. Aangezien de in B.13 vermelde gevolgen niet hun oorsprong vinden |
in de in het geding zijnde bepaling, dient te worden geantwoord dat | in de in het geding zijnde bepaling, dient te worden geantwoord dat |
artikel 458 van het Strafwetboek bestaanbaar is met de artikelen 10 en | artikel 458 van het Strafwetboek bestaanbaar is met de artikelen 10 en |
11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het | 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het |
Europees Verdrag voor de rechten van de mens. | Europees Verdrag voor de rechten van de mens. |
Om die redenen, | Om die redenen, |
het Hof | het Hof |
zegt voor recht : | zegt voor recht : |
Rekening houdend met hetgeen in B.13 en in B.14 is vermeld, schendt | Rekening houdend met hetgeen in B.13 en in B.14 is vermeld, schendt |
artikel 458 van het Strafwetboek niet de artikelen 10 en 11 van de | artikel 458 van het Strafwetboek niet de artikelen 10 en 11 van de |
Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag | Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag |
voor de rechten van de mens. | voor de rechten van de mens. |
Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel | Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel |
65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, | 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, |
op 30 juni 2022. | op 30 juni 2022. |
De griffier, De voorzitter, | De griffier, De voorzitter, |
F. Meersschaut P. Nihoul | F. Meersschaut P. Nihoul |