Etaamb.openjustice.be
Meertalige weergave van Arrest van --
← Terug naar "Uittreksel uit arrest nr. 88/2022 van 30 juni 2022 Rolnummer 7551 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 458bis van het Strafwetboek, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Luik, afdeling Luik. Het Grondwettelijk Hof, samenges wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging"
Uittreksel uit arrest nr. 88/2022 van 30 juni 2022 Rolnummer 7551 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 458bis van het Strafwetboek, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Luik, afdeling Luik. Het Grondwettelijk Hof, samenges wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Uittreksel uit arrest nr. 88/2022 van 30 juni 2022 Rolnummer 7551 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 458bis van het Strafwetboek, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Luik, afdeling Luik. Het Grondwettelijk Hof, samenges wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging
GRONDWETTELIJK HOF GRONDWETTELIJK HOF
Uittreksel uit arrest nr. 88/2022 van 30 juni 2022 Uittreksel uit arrest nr. 88/2022 van 30 juni 2022
Rolnummer 7551 Rolnummer 7551
In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 458bis van het In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 458bis van het
Strafwetboek, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Luik, afdeling Luik. Strafwetboek, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Luik, afdeling Luik.
Het Grondwettelijk Hof, Het Grondwettelijk Hof,
samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, en de samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, en de
rechters J.-P. Moerman, T. Giet, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, rechters J.-P. Moerman, T. Giet, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache,
T. Detienne, D. Pieters, S. de Bethune, E. Bribosia en W. Verrijdt, T. Detienne, D. Pieters, S. de Bethune, E. Bribosia en W. Verrijdt,
bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van
voorzitter P. Nihoul, voorzitter P. Nihoul,
wijst na beraad het volgende arrest : wijst na beraad het volgende arrest :
I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging
Bij vonnis van 25 maart 2021, waarvan de expeditie ter griffie van het Bij vonnis van 25 maart 2021, waarvan de expeditie ter griffie van het
Hof is ingekomen op 6 april 2021, heeft de Arbeidsrechtbank te Luik, Hof is ingekomen op 6 april 2021, heeft de Arbeidsrechtbank te Luik,
afdeling Luik, de volgende prejudiciële vraag gesteld : afdeling Luik, de volgende prejudiciële vraag gesteld :
« Schendt artikel 458bis van het Strafwetboek de artikelen 10 en 11 « Schendt artikel 458bis van het Strafwetboek de artikelen 10 en 11
van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het
Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in die zin Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in die zin
geïnterpreteerd dat het de advocaat die in het kader van de juridische geïnterpreteerd dat het de advocaat die in het kader van de juridische
tweedelijnsbijstand is aangesteld en die verzoekt om van zijn tweedelijnsbijstand is aangesteld en die verzoekt om van zijn
aanstelling te worden ontheven met toepassing van artikel 508/18 van aanstelling te worden ontheven met toepassing van artikel 508/18 van
het Gerechtelijk Wetboek wanneer hij vaststelt dat niet wordt voldaan het Gerechtelijk Wetboek wanneer hij vaststelt dat niet wordt voldaan
aan de in artikel 508/13 van hetzelfde Wetboek bedoelde voorwaarden aan de in artikel 508/13 van hetzelfde Wetboek bedoelde voorwaarden
inzake bestaansmiddelen, verbiedt om de elementen aan het licht te inzake bestaansmiddelen, verbiedt om de elementen aan het licht te
brengen die hem tot die vaststelling hebben gebracht, zelfs indien hij brengen die hem tot die vaststelling hebben gebracht, zelfs indien hij
daartoe wordt verzocht door de arbeidsrechtbank wanneer de begunstigde daartoe wordt verzocht door de arbeidsrechtbank wanneer de begunstigde
het in artikel 508/16 van hetzelfde Wetboek bedoelde beroep instelt ? het in artikel 508/16 van hetzelfde Wetboek bedoelde beroep instelt ?
». ».
(...) (...)
III. In rechte III. In rechte
(...) (...)
Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de prejudiciële vraag Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de prejudiciële vraag
B.1. Het verwijzende rechtscollege wenst te vernemen of artikel 458bis B.1. Het verwijzende rechtscollege wenst te vernemen of artikel 458bis
van het Strafwetboek bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de van het Strafwetboek bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de
Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het
Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre het
beroepsgeheim de advocaat die verzoekt een einde te stellen aan de beroepsgeheim de advocaat die verzoekt een einde te stellen aan de
juridische tweedelijnsbijstand na vaststelling dat de begunstigde niet juridische tweedelijnsbijstand na vaststelling dat de begunstigde niet
voldoet aan de voorwaarde van ontoereikende bestaansmiddelen, verbiedt voldoet aan de voorwaarde van ontoereikende bestaansmiddelen, verbiedt
om de elementen bekend te maken op grond waarvan hij tot die om de elementen bekend te maken op grond waarvan hij tot die
vaststelling is gekomen, zelfs indien de arbeidsrechtbank daartoe vaststelling is gekomen, zelfs indien de arbeidsrechtbank daartoe
verzoekt in het kader van een beroep tegen een beslissing tot verzoekt in het kader van een beroep tegen een beslissing tot
intrekking van de juridische tweedelijnsbijstand op grond van artikel intrekking van de juridische tweedelijnsbijstand op grond van artikel
508/18 van het Gerechtelijk Wetboek. 508/18 van het Gerechtelijk Wetboek.
B.2.1. De Ministerraad doet gelden dat de prejudiciële vraag B.2.1. De Ministerraad doet gelden dat de prejudiciële vraag
onontvankelijk is, aangezien de categorieën van personen die onontvankelijk is, aangezien de categorieën van personen die
verschillend worden behandeld, daarin niet worden geïdentificeerd. verschillend worden behandeld, daarin niet worden geïdentificeerd.
B.2.2. Wanneer het Hof wordt verzocht, in antwoord op een prejudiciële B.2.2. Wanneer het Hof wordt verzocht, in antwoord op een prejudiciële
vraag, uitspraak te doen over de bestaanbaarheid van een wetsbepaling vraag, uitspraak te doen over de bestaanbaarheid van een wetsbepaling
met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met
grondrechten gewaarborgd in internationaalrechtelijke bepalingen, grondrechten gewaarborgd in internationaalrechtelijke bepalingen,
heeft de vraag betrekking op de grondwettigheid van een verschil in heeft de vraag betrekking op de grondwettigheid van een verschil in
behandeling tussen, enerzijds, de personen die het slachtoffer zijn behandeling tussen, enerzijds, de personen die het slachtoffer zijn
van de schending van die grondrechten en, anderzijds, de personen van de schending van die grondrechten en, anderzijds, de personen
welke die rechten genieten. Bijgevolg moeten die twee categorieën van welke die rechten genieten. Bijgevolg moeten die twee categorieën van
personen worden vergeleken. personen worden vergeleken.
B.3.1. De Ministerraad, de « Ordre des barreaux francophones et B.3.1. De Ministerraad, de « Ordre des barreaux francophones et
germanophone » en de eiser voor het verwijzende rechtscollege zijn van germanophone » en de eiser voor het verwijzende rechtscollege zijn van
mening dat de vraag geen antwoord behoeft, aangezien artikel 458bis mening dat de vraag geen antwoord behoeft, aangezien artikel 458bis
van het Strafwetboek de advocaat die in het kader van de juridische van het Strafwetboek de advocaat die in het kader van de juridische
tweedelijnsbijstand is aangesteld, niet verbiedt om aan de rechter de tweedelijnsbijstand is aangesteld, niet verbiedt om aan de rechter de
redenen bekend te maken die hem ertoe hebben gebracht vast te stellen redenen bekend te maken die hem ertoe hebben gebracht vast te stellen
dat de aanvrager niet voldoet aan de in artikel 508/13, eerste lid, dat de aanvrager niet voldoet aan de in artikel 508/13, eerste lid,
van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde voorwaarde inzake van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde voorwaarde inzake
ontoereikendheid van de bestaansmiddelen, maar daarentegen een ontoereikendheid van de bestaansmiddelen, maar daarentegen een
uitzondering vormt op het in artikel 458 van het Strafwetboek vervatte uitzondering vormt op het in artikel 458 van het Strafwetboek vervatte
verbod om een beroepsgeheim bekend te maken. verbod om een beroepsgeheim bekend te maken.
B.3.2. Artikel 458bis van het Strafwetboek bepaalt : B.3.2. Artikel 458bis van het Strafwetboek bepaalt :
« Eenieder, die uit hoofde van zijn staat of beroep houder is van « Eenieder, die uit hoofde van zijn staat of beroep houder is van
geheimen en hierdoor kennis heeft van een misdrijf zoals omschreven in geheimen en hierdoor kennis heeft van een misdrijf zoals omschreven in
de artikelen 371/1 tot 377, 377quater, 379, 380, 383bis, § § 1 en 2, de artikelen 371/1 tot 377, 377quater, 379, 380, 383bis, § § 1 en 2,
392 tot 394, 396 tot 405ter, 409, 423, 425, 426 en 433quinquies, 392 tot 394, 396 tot 405ter, 409, 423, 425, 426 en 433quinquies,
gepleegd op een minderjarige of op een persoon die kwetsbaar is ten gepleegd op een minderjarige of op een persoon die kwetsbaar is ten
gevolge van zijn leeftijd, zwangerschap, partnergeweld, gebruiken van gevolge van zijn leeftijd, zwangerschap, partnergeweld, gebruiken van
geweld, gepleegd omwille van culturele drijfveren, gewoontes, geweld, gepleegd omwille van culturele drijfveren, gewoontes,
tradities, religie of de zogenaamde ' eer ', een ziekte dan wel een tradities, religie of de zogenaamde ' eer ', een ziekte dan wel een
lichamelijk of geestelijk gebrek of onvolwaardigheid kan, onverminderd lichamelijk of geestelijk gebrek of onvolwaardigheid kan, onverminderd
de verplichtingen hem opgelegd door artikel 422bis, het misdrijf ter de verplichtingen hem opgelegd door artikel 422bis, het misdrijf ter
kennis brengen van de procureur des Konings, hetzij wanneer er een kennis brengen van de procureur des Konings, hetzij wanneer er een
ernstig en dreigend gevaar bestaat voor de fysieke of psychische ernstig en dreigend gevaar bestaat voor de fysieke of psychische
integriteit van de minderjarige of de bedoelde kwetsbare persoon en integriteit van de minderjarige of de bedoelde kwetsbare persoon en
hij deze integriteit niet zelf of met hulp van anderen kan beschermen, hij deze integriteit niet zelf of met hulp van anderen kan beschermen,
hetzij wanneer er aanwijzingen zijn van een gewichtig en reëel gevaar hetzij wanneer er aanwijzingen zijn van een gewichtig en reëel gevaar
dat andere minderjarigen of bedoelde kwetsbare personen het dat andere minderjarigen of bedoelde kwetsbare personen het
slachtoffer worden van de in voormelde artikelen bedoelde misdrijven slachtoffer worden van de in voormelde artikelen bedoelde misdrijven
en hij deze integriteit niet zelf of met hulp van anderen kan en hij deze integriteit niet zelf of met hulp van anderen kan
beschermen ». beschermen ».
B.3.3. Uit de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt dat de B.3.3. Uit de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt dat de
verwijzing naar artikel 458bis van het Strafwetboek kennelijk verwijzing naar artikel 458bis van het Strafwetboek kennelijk
voortvloeit uit een materiële vergissing van het verwijzende voortvloeit uit een materiële vergissing van het verwijzende
rechtscollege. De prejudiciële vraag moet in die zin worden begrepen rechtscollege. De prejudiciële vraag moet in die zin worden begrepen
dat zij betrekking heeft op artikel 458 van het Strafwetboek. De dat zij betrekking heeft op artikel 458 van het Strafwetboek. De
partijen hebben zich overigens niet daarin vergist, aangezien zij, in partijen hebben zich overigens niet daarin vergist, aangezien zij, in
hun memories, in ondergeschikte orde aanvoeren dat de regel van het hun memories, in ondergeschikte orde aanvoeren dat de regel van het
beroepsgeheim bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de beroepsgeheim bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de
Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag
voor de rechten van de mens, en zij argumenten ter ondersteuning van voor de rechten van de mens, en zij argumenten ter ondersteuning van
dat standpunt voorleggen. dat standpunt voorleggen.
B.4. De excepties worden verworpen. B.4. De excepties worden verworpen.
Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling en de context ervan Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling en de context ervan
B.5.1. Het voor het verwijzende rechtscollege hangende geschil heeft B.5.1. Het voor het verwijzende rechtscollege hangende geschil heeft
betrekking op een beslissing tot beëindiging van de juridische betrekking op een beslissing tot beëindiging van de juridische
tweedelijnsbijstand die werd genomen nadat het bureau voor juridische tweedelijnsbijstand die werd genomen nadat het bureau voor juridische
bijstand had vastgesteld dat de begunstigde niet voldeed aan de bijstand had vastgesteld dat de begunstigde niet voldeed aan de
voorwaarde van ontoereikende bestaansmiddelen. voorwaarde van ontoereikende bestaansmiddelen.
B.5.2. Een persoon kan gedeeltelijk of volledig kosteloze juridische B.5.2. Een persoon kan gedeeltelijk of volledig kosteloze juridische
tweedelijnsbijstand genieten wanneer zijn bestaansmiddelen tweedelijnsbijstand genieten wanneer zijn bestaansmiddelen
ontoereikend zijn. De juridische tweedelijnsbijstand wordt ontoereikend zijn. De juridische tweedelijnsbijstand wordt
georganiseerd door het bureau voor juridische bijstand dat bij elke georganiseerd door het bureau voor juridische bijstand dat bij elke
balie is ingesteld door de raad van de Orde van advocaten (artikel balie is ingesteld door de raad van de Orde van advocaten (artikel
508/7 van het Gerechtelijk Wetboek). De voorwaarde inzake 508/7 van het Gerechtelijk Wetboek). De voorwaarde inzake
ontoereikendheid van de bestaansmiddelen wordt nagegaan door het ontoereikendheid van de bestaansmiddelen wordt nagegaan door het
bureau voor juridische bijstand (artikel 508/13 van het Gerechtelijk bureau voor juridische bijstand (artikel 508/13 van het Gerechtelijk
Wetboek). Wetboek).
B.5.3. De regels met betrekking tot de omvang van de bestaansmiddelen B.5.3. De regels met betrekking tot de omvang van de bestaansmiddelen
en de voor te leggen bewijsstukken, zoals ze van toepassing zijn in en de voor te leggen bewijsstukken, zoals ze van toepassing zijn in
het bodemgeschil, worden bepaald bij het koninklijk besluit van 18 het bodemgeschil, worden bepaald bij het koninklijk besluit van 18
december 2003 « tot vaststelling van de voorwaarden van de volledige december 2003 « tot vaststelling van de voorwaarden van de volledige
of gedeeltelijke kosteloosheid van de juridische tweedelijnsbijstand of gedeeltelijke kosteloosheid van de juridische tweedelijnsbijstand
en de rechtsbijstand » (hierna : het koninklijk besluit van 18 en de rechtsbijstand » (hierna : het koninklijk besluit van 18
december 2003), dat inmiddels werd opgeheven bij de wet van 31 juli december 2003), dat inmiddels werd opgeheven bij de wet van 31 juli
2020 « tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek teneinde de toegang 2020 « tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek teneinde de toegang
tot de juridische tweedelijnsbijstand en de rechtsbijstand te tot de juridische tweedelijnsbijstand en de rechtsbijstand te
verbeteren, door de ter zake geldende inkomensmaxima te verhogen ». verbeteren, door de ter zake geldende inkomensmaxima te verhogen ».
De aanvrager kan zijn situatie aantonen door middel van om het even De aanvrager kan zijn situatie aantonen door middel van om het even
welk document dat door het bureau voor juridische bijstand moet worden welk document dat door het bureau voor juridische bijstand moet worden
beoordeeld (artikel 1, § 1, eerste lid, 1° en 2°, van het koninklijk beoordeeld (artikel 1, § 1, eerste lid, 1° en 2°, van het koninklijk
besluit van 18 december 2003). Het bureau voor juridische bijstand kan besluit van 18 december 2003). Het bureau voor juridische bijstand kan
bij de rechtzoekende of bij derden, met inbegrip van bij de rechtzoekende of bij derden, met inbegrip van
overheidsinstanties, alle informatie opvragen die nuttig wordt geacht, overheidsinstanties, alle informatie opvragen die nuttig wordt geacht,
waaronder het laatste aanslagbiljet, om zich ervan te vergewissen dat waaronder het laatste aanslagbiljet, om zich ervan te vergewissen dat
de voorwaarden van toegang tot de juridische tweedelijnsbijstand zijn de voorwaarden van toegang tot de juridische tweedelijnsbijstand zijn
vervuld (artikelen 1, § 3, en 2, zevende lid, van hetzelfde koninklijk vervuld (artikelen 1, § 3, en 2, zevende lid, van hetzelfde koninklijk
besluit). besluit).
Bovendien wordt de kosteloze juridische tweedelijnsbijstand geweigerd Bovendien wordt de kosteloze juridische tweedelijnsbijstand geweigerd
indien blijkt dat de rechtzoekende beschikt over kapitalen of over indien blijkt dat de rechtzoekende beschikt over kapitalen of over
voordelen en indien uit andere tekenen en aanwijzingen een hogere voordelen en indien uit andere tekenen en aanwijzingen een hogere
graad van gegoedheid blijkt dan uit de aangegeven bestaansmiddelen, graad van gegoedheid blijkt dan uit de aangegeven bestaansmiddelen,
waaruit kan worden besloten dat hij in de mogelijkheid verkeert zelf waaruit kan worden besloten dat hij in de mogelijkheid verkeert zelf
zijn advocaat te betalen (artikel 2ter van hetzelfde koninklijk zijn advocaat te betalen (artikel 2ter van hetzelfde koninklijk
besluit). De aanvrager van de juridische tweedelijnsbijstand kan bij besluit). De aanvrager van de juridische tweedelijnsbijstand kan bij
de arbeidsrechtbank een beroep instellen dat is gericht tegen die de arbeidsrechtbank een beroep instellen dat is gericht tegen die
beslissing (artikel 508/16 van het Gerechtelijk Wetboek). beslissing (artikel 508/16 van het Gerechtelijk Wetboek).
B.5.4. Het bureau voor juridische bijstand kan tevens, ambtshalve of B.5.4. Het bureau voor juridische bijstand kan tevens, ambtshalve of
op een met redenen omkleed verzoek van de advocaat, een einde maken op een met redenen omkleed verzoek van de advocaat, een einde maken
aan de juridische tweedelijnsbijstand, met name indien het vaststelt aan de juridische tweedelijnsbijstand, met name indien het vaststelt
dat de begunstigde niet voldeed of niet langer voldoet aan de dat de begunstigde niet voldeed of niet langer voldoet aan de
voorwaarden bepaald bij artikel 508/13. voorwaarden bepaald bij artikel 508/13.
Het is ertoe gehouden de begunstigde daarvan bij aangetekende zending Het is ertoe gehouden de begunstigde daarvan bij aangetekende zending
in kennis te stellen en hem te verzoeken zijn opmerkingen te in kennis te stellen en hem te verzoeken zijn opmerkingen te
formuleren binnen een termijn van twintig dagen. De beslissing tot formuleren binnen een termijn van twintig dagen. De beslissing tot
beëindiging van de toegekende bijstand wordt met redenen omkleed. beëindiging van de toegekende bijstand wordt met redenen omkleed.
Tegen die beslissing kan een beroep worden ingesteld bij de Tegen die beslissing kan een beroep worden ingesteld bij de
arbeidsrechtbank binnen een maand na de kennisgeving ervan. Die arbeidsrechtbank binnen een maand na de kennisgeving ervan. Die
kennisgeving moet nuttige informatie bevatten om het beroep in te kennisgeving moet nuttige informatie bevatten om het beroep in te
stellen (artikelen 508/15, 508/16 en 508/18 van het Gerechtelijk stellen (artikelen 508/15, 508/16 en 508/18 van het Gerechtelijk
Wetboek). Wetboek).
B.6.1. Zoals het Hof heeft geoordeeld bij zijn arrest nr. 77/2018 van B.6.1. Zoals het Hof heeft geoordeeld bij zijn arrest nr. 77/2018 van
21 juni 2018, zijn alle gegevens met betrekking tot de 21 juni 2018, zijn alle gegevens met betrekking tot de
bestaansmiddelen van de aanvrager of van de begunstigde van de bestaansmiddelen van de aanvrager of van de begunstigde van de
juridische tweedelijnsbijstand die worden toevertrouwd aan de advocaat juridische tweedelijnsbijstand die worden toevertrouwd aan de advocaat
die door het bureau voor juridische bijstand is aangesteld, gedekt die door het bureau voor juridische bijstand is aangesteld, gedekt
door het beroepsgeheim dat de advocaat, alsook de leden van het bureau door het beroepsgeheim dat de advocaat, alsook de leden van het bureau
voor juridische bijstand die de dossiers moeten behandelen, met voor juridische bijstand die de dossiers moeten behandelen, met
toepassing van artikel 458 van het Strafwetboek, bindt. toepassing van artikel 458 van het Strafwetboek, bindt.
B.6.2. Een houder van het beroepsgeheim moet immers, in principe, elke B.6.2. Een houder van het beroepsgeheim moet immers, in principe, elke
vertrouwelijke mededeling die is verkregen in de omstandigheden vertrouwelijke mededeling die is verkregen in de omstandigheden
vermeld in artikel 458 van het Strafwetboek, geheimhouden. Dat artikel vermeld in artikel 458 van het Strafwetboek, geheimhouden. Dat artikel
bepaalt : bepaalt :
« Geneesheren, heelkundigen, officieren van gezondheid, apothekers, « Geneesheren, heelkundigen, officieren van gezondheid, apothekers,
vroedvrouwen en alle andere personen die uit hoofde van hun staat of vroedvrouwen en alle andere personen die uit hoofde van hun staat of
beroep kennis dragen van geheimen die hun zijn toevertrouwd, en deze beroep kennis dragen van geheimen die hun zijn toevertrouwd, en deze
bekendmaken buiten het geval dat zij geroepen worden om in rechte of bekendmaken buiten het geval dat zij geroepen worden om in rechte of
voor een parlementaire onderzoekscommissie getuigenis af te leggen en voor een parlementaire onderzoekscommissie getuigenis af te leggen en
buiten het geval dat de wet, het decreet of de ordonnantie hen buiten het geval dat de wet, het decreet of de ordonnantie hen
verplicht of toelaat die geheimen bekend te maken, worden gestraft met verplicht of toelaat die geheimen bekend te maken, worden gestraft met
gevangenisstraf van een jaar tot drie jaar en een geldboete van gevangenisstraf van een jaar tot drie jaar en een geldboete van
honderd euro tot duizend euro of met een van die straffen alleen ». honderd euro tot duizend euro of met een van die straffen alleen ».
B.7.1. De Ministerraad is van mening dat het beroepsgeheim van de B.7.1. De Ministerraad is van mening dat het beroepsgeheim van de
advocaat niet absoluut is. Hij doet gelden dat de advocaat die door advocaat niet absoluut is. Hij doet gelden dat de advocaat die door
het bureau voor juridische bijstand is aangesteld, krachtens de het bureau voor juridische bijstand is aangesteld, krachtens de
voormelde bepaling het recht heeft om die gegevens bekend te maken, voormelde bepaling het recht heeft om die gegevens bekend te maken,
met name wanneer hij getuigenis aflegt in rechte of wanneer hij zich met name wanneer hij getuigenis aflegt in rechte of wanneer hij zich
op de noodtoestand kan beroepen. op de noodtoestand kan beroepen.
B.7.2. Het staat in de regel aan het verwijzende rechtscollege om de B.7.2. Het staat in de regel aan het verwijzende rechtscollege om de
bepaling die het van toepassing acht te interpreteren, onder bepaling die het van toepassing acht te interpreteren, onder
voorbehoud van een kennelijk verkeerde lezing. Uit het voorbehoud van een kennelijk verkeerde lezing. Uit het
verwijzingsvonnis blijkt dat het verwijzende rechtscollege van oordeel verwijzingsvonnis blijkt dat het verwijzende rechtscollege van oordeel
is dat het beroepsgeheim de advocaat verbiedt om, in het kader van een is dat het beroepsgeheim de advocaat verbiedt om, in het kader van een
getuigenis, voor dat rechtscollege de vertrouwelijke informatie met getuigenis, voor dat rechtscollege de vertrouwelijke informatie met
betrekking tot de bestaansmiddelen van de begunstigde van de betrekking tot de bestaansmiddelen van de begunstigde van de
juridische tweedelijnsbijstand te onthullen. Het Hof beantwoordt de juridische tweedelijnsbijstand te onthullen. Het Hof beantwoordt de
prejudiciële vraag in die interpretatie, die niet kennelijk verkeerd prejudiciële vraag in die interpretatie, die niet kennelijk verkeerd
is. is.
Ten gronde Ten gronde
B.8. Uit de motivering van het verwijzingsvonnis blijkt dat het B.8. Uit de motivering van het verwijzingsvonnis blijkt dat het
verwijzende rechtscollege van oordeel is dat de regel van het verwijzende rechtscollege van oordeel is dat de regel van het
beroepsgeheim de verdediging van de Orde van advocaten bemoeilijkt, in beroepsgeheim de verdediging van de Orde van advocaten bemoeilijkt, in
zoverre die de feitelijke elementen die haar beslissing verantwoorden, zoverre die de feitelijke elementen die haar beslissing verantwoorden,
niet kan uitleggen. Ook zou de in het geding zijnde bepaling tot niet kan uitleggen. Ook zou de in het geding zijnde bepaling tot
gevolg hebben aan de eiser voor het verwijzende rechtscollege een gevolg hebben aan de eiser voor het verwijzende rechtscollege een
bewijs voor te leggen dat moeilijk, zo niet onmogelijk te leveren is, bewijs voor te leggen dat moeilijk, zo niet onmogelijk te leveren is,
namelijk het bewijs dat er geen verborgen bestaansmiddelen zijn. Het namelijk het bewijs dat er geen verborgen bestaansmiddelen zijn. Het
verwijzende rechtscollege vraagt meer bepaald of de inachtneming van verwijzende rechtscollege vraagt meer bepaald of de inachtneming van
het beginsel van het beroepsgeheim op discriminerende wijze afbreuk het beginsel van het beroepsgeheim op discriminerende wijze afbreuk
doet aan het recht op een eerlijk proces voor zowel de Orde van doet aan het recht op een eerlijk proces voor zowel de Orde van
advocaten als de eiser voor het verwijzende rechtscollege. advocaten als de eiser voor het verwijzende rechtscollege.
B.9.1. Artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens B.9.1. Artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens
beschermt het recht op een eerlijk proces. Artikel 13 van dat Verdrag beschermt het recht op een eerlijk proces. Artikel 13 van dat Verdrag
waarborgt eenieder wiens rechten en vrijheden die in dat Verdrag waarborgt eenieder wiens rechten en vrijheden die in dat Verdrag
worden erkend, zijn geschonden, het recht op een daadwerkelijk worden erkend, zijn geschonden, het recht op een daadwerkelijk
rechtsmiddel voor een nationale instantie. In die context voegt die rechtsmiddel voor een nationale instantie. In die context voegt die
bepaling niets toe aan artikel 6. bepaling niets toe aan artikel 6.
B.9.2. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft geoordeeld B.9.2. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft geoordeeld
dat « het beginsel van de tegenspraak en dat van de wapengelijkheid, dat « het beginsel van de tegenspraak en dat van de wapengelijkheid,
die onderling nauw met elkaar zijn verbonden, fundamentele elementen die onderling nauw met elkaar zijn verbonden, fundamentele elementen
van het begrip ' eerlijk proces ' in de zin van artikel 6, lid 1, van van het begrip ' eerlijk proces ' in de zin van artikel 6, lid 1, van
het Verdrag zijn. Zij vereisen een ' billijk evenwicht ' tussen de het Verdrag zijn. Zij vereisen een ' billijk evenwicht ' tussen de
partijen : zij moeten elk een redelijke mogelijkheid krijgen om hun partijen : zij moeten elk een redelijke mogelijkheid krijgen om hun
zaak voor te leggen onder voorwaarden die hen niet in een duidelijk zaak voor te leggen onder voorwaarden die hen niet in een duidelijk
nadelige positie ten opzichte van de tegenpartij of tegenpartijen nadelige positie ten opzichte van de tegenpartij of tegenpartijen
brengen » (EHRM, grote kamer, 19 september 2017, Regner t. Tsjechische brengen » (EHRM, grote kamer, 19 september 2017, Regner t. Tsjechische
Republiek, § 146). Hoewel het beginsel van de tegenspraak, in de Republiek, § 146). Hoewel het beginsel van de tegenspraak, in de
regel, niet vereist dat elke partij aan haar tegenstander stukken regel, niet vereist dat elke partij aan haar tegenstander stukken
verstrekt die evenmin aan de rechter zijn voorgelegd (EHRM, 24 april verstrekt die evenmin aan de rechter zijn voorgelegd (EHRM, 24 april
2003, Yvon t. Frankrijk, § 38), houdt het evenwel « het recht [in] 2003, Yvon t. Frankrijk, § 38), houdt het evenwel « het recht [in]
voor de partijen om de elementen te doen kennen die noodzakelijk zijn voor de partijen om de elementen te doen kennen die noodzakelijk zijn
voor het welslagen van hun aanspraken » (EHRM, 13 oktober 2005, voor het welslagen van hun aanspraken » (EHRM, 13 oktober 2005,
Clinique des Acacias en anderen t. Frankrijk, § 37). Clinique des Acacias en anderen t. Frankrijk, § 37).
B.10. Ofschoon het juist is dat het aan de begunstigde van de B.10. Ofschoon het juist is dat het aan de begunstigde van de
juridische tweedelijnsbijstand staat te bewijzen dat hij voldoet aan juridische tweedelijnsbijstand staat te bewijzen dat hij voldoet aan
de voorwaarde inzake ontoereikendheid van de bestaansmiddelen, rust de de voorwaarde inzake ontoereikendheid van de bestaansmiddelen, rust de
bewijslast op de Orde van advocaten wanneer die laatste aanvoert dat bewijslast op de Orde van advocaten wanneer die laatste aanvoert dat
de begunstigde van de juridische tweedelijnsbijstand andere inkomsten de begunstigde van de juridische tweedelijnsbijstand andere inkomsten
zou ontvangen dan die welke hij heeft aangegeven bij het bureau voor zou ontvangen dan die welke hij heeft aangegeven bij het bureau voor
juridische bijstand en die met name blijken uit zijn juridische bijstand en die met name blijken uit zijn
rekeningafschriften, uit het saldo van zijn bankrekeningen en uit rekeningafschriften, uit het saldo van zijn bankrekeningen en uit
andere documenten die hij heeft neergelegd. De begunstigde van de andere documenten die hij heeft neergelegd. De begunstigde van de
juridische tweedelijnsbijstand is dus niet ertoe gehouden daarenboven juridische tweedelijnsbijstand is dus niet ertoe gehouden daarenboven
het bewijs te leveren dat er geen verborgen inkomsten zijn. De in het het bewijs te leveren dat er geen verborgen inkomsten zijn. De in het
geding zijnde bepaling belemmert het vermogen van de begunstigde van geding zijnde bepaling belemmert het vermogen van de begunstigde van
de juridische tweedelijnsbijstand om zijn standpunt voor de de juridische tweedelijnsbijstand om zijn standpunt voor de
arbeidsrechtbank te verdedigen bijgevolg niet op onevenredige wijze. arbeidsrechtbank te verdedigen bijgevolg niet op onevenredige wijze.
Daaruit volgt dat zij geen afbreuk doet aan het recht op een eerlijk Daaruit volgt dat zij geen afbreuk doet aan het recht op een eerlijk
proces van die laatste. proces van die laatste.
B.11.1. De inachtneming van het beginsel van het beroepsgeheim heeft B.11.1. De inachtneming van het beginsel van het beroepsgeheim heeft
daarentegen tot gevolg dat de Orde van advocaten niet in staat is om daarentegen tot gevolg dat de Orde van advocaten niet in staat is om
de feitelijke elementen uiteen te zetten die de advocaat die een de feitelijke elementen uiteen te zetten die de advocaat die een
verzoek op grond van artikel 508/18 van het Gerechtelijk Wetboek heeft verzoek op grond van artikel 508/18 van het Gerechtelijk Wetboek heeft
ingediend, ertoe hebben gebracht te oordelen dat de rechtzoekende niet ingediend, ertoe hebben gebracht te oordelen dat de rechtzoekende niet
voldeed aan de voorwaarde inzake ontoereikendheid van de voldeed aan de voorwaarde inzake ontoereikendheid van de
bestaansmiddelen. De Orde van advocaten kon dus de elementen die bestaansmiddelen. De Orde van advocaten kon dus de elementen die
noodzakelijk zijn voor het welslagen van haar aanspraken, niet doen noodzakelijk zijn voor het welslagen van haar aanspraken, niet doen
kennen, hetgeen een inmenging vormt in het recht op een eerlijk kennen, hetgeen een inmenging vormt in het recht op een eerlijk
proces. proces.
B.11.2. Het beginsel van de tegenspraak en dat van de wapengelijkheid B.11.2. Het beginsel van de tegenspraak en dat van de wapengelijkheid
zijn niet absoluut. Evenmin geldt er een absoluut recht op de zijn niet absoluut. Evenmin geldt er een absoluut recht op de
bekendmaking van de bewijsmiddelen (EHRM, grote kamer, 19 september bekendmaking van de bewijsmiddelen (EHRM, grote kamer, 19 september
2017, Regner t. Tsjechische Republiek, § 147). Zoals het Europees Hof 2017, Regner t. Tsjechische Republiek, § 147). Zoals het Europees Hof
voor de Rechten van de Mens in verschillende arresten heeft voor de Rechten van de Mens in verschillende arresten heeft
vastgesteld, kunnen andere legitieme doelstellingen worden aangevoerd vastgesteld, kunnen andere legitieme doelstellingen worden aangevoerd
om beperkingen aan deze beginselen te verantwoorden (EHRM, 26 juli om beperkingen aan deze beginselen te verantwoorden (EHRM, 26 juli
2016, Miryana Patrova t. Bulgarije, § § 39-40; 29 april 2014, 2016, Miryana Patrova t. Bulgarije, § § 39-40; 29 april 2014,
Ternovskis t. Letland, § § 65-68). Om te beoordelen of in het licht Ternovskis t. Letland, § § 65-68). Om te beoordelen of in het licht
van deze doelstellingen, beperkingen aan deze beginselen aanvaardbaar van deze doelstellingen, beperkingen aan deze beginselen aanvaardbaar
zijn, moet rekening worden gehouden met de procedure in haar geheel. zijn, moet rekening worden gehouden met de procedure in haar geheel.
In het bijzonder moet worden nagegaan of de beperkingen voldoende In het bijzonder moet worden nagegaan of de beperkingen voldoende
worden gecompenseerd door andere procedurele waarborgen (EHRM, grote worden gecompenseerd door andere procedurele waarborgen (EHRM, grote
kamer, 19 september 2017, Regner t. Tsjechische Republiek, § § kamer, 19 september 2017, Regner t. Tsjechische Republiek, § §
151-161). Daarbij moet rekening worden gehouden met de mogelijkheid, 151-161). Daarbij moet rekening worden gehouden met de mogelijkheid,
voor de rechter, om de feitelijke grondslag van de bestreden voor de rechter, om de feitelijke grondslag van de bestreden
beslissing en de motieven die deze ondersteunen, te beoordelen (EHRM, beslissing en de motieven die deze ondersteunen, te beoordelen (EHRM,
26 juli 2016, Miryana Patrova t. Bulgarije, § § 41-44). 26 juli 2016, Miryana Patrova t. Bulgarije, § § 41-44).
B.11.3. Te dezen dienen de beginselen van de tegenspraak en van de B.11.3. Te dezen dienen de beginselen van de tegenspraak en van de
wapengelijkheid te worden afgewogen tegen de rechten van de wapengelijkheid te worden afgewogen tegen de rechten van de
verdediging van de begunstigde van de juridische tweedelijnsbijstand. verdediging van de begunstigde van de juridische tweedelijnsbijstand.
Er dient eveneens rekening te worden gehouden met de legitieme zorg Er dient eveneens rekening te worden gehouden met de legitieme zorg
van de wetgever om misbruiken inzake de juridische tweedelijnsbijstand van de wetgever om misbruiken inzake de juridische tweedelijnsbijstand
te voorkomen, teneinde de per definitie beperkte middelen welke eraan te voorkomen, teneinde de per definitie beperkte middelen welke eraan
worden besteed, voor te behouden voor personen welke die bijstand echt worden besteed, voor te behouden voor personen welke die bijstand echt
nodig hebben. nodig hebben.
B.12. Het rechtscollege in de procedure zoals deze in het B.12. Het rechtscollege in de procedure zoals deze in het
bodemgeschil, wijst zijn beslissing aan de hand van informatie uit de bodemgeschil, wijst zijn beslissing aan de hand van informatie uit de
naspeuringen van de arbeidsauditeur (artikelen 138bis, § 1, en 138ter naspeuringen van de arbeidsauditeur (artikelen 138bis, § 1, en 138ter
van het Gerechtelijk Wetboek), hetgeen bijdraagt tot het goede verloop van het Gerechtelijk Wetboek), hetgeen bijdraagt tot het goede verloop
van het proces. In het kader van de uitoefening van die bevoegdheden van het proces. In het kader van de uitoefening van die bevoegdheden
kan het arbeidsauditoraat de Orde van advocaten of de door het bureau kan het arbeidsauditoraat de Orde van advocaten of de door het bureau
voor juridische bijstand aangestelde advocaat, echter, evenmin als de voor juridische bijstand aangestelde advocaat, echter, evenmin als de
rechter, niet gelasten om de door het beroepsgeheim gedekte informatie rechter, niet gelasten om de door het beroepsgeheim gedekte informatie
openbaar te maken. De mogelijkheid om de documenten die de begunstigde openbaar te maken. De mogelijkheid om de documenten die de begunstigde
heeft ingediend ter ondersteuning van zijn oorspronkelijke aanvraag heeft ingediend ter ondersteuning van zijn oorspronkelijke aanvraag
voor juridische tweedelijnsbijstand in te kijken, kan evenmin voor juridische tweedelijnsbijstand in te kijken, kan evenmin
garanderen dat het rechtscollege kan beoordelen of de betrokkene nog garanderen dat het rechtscollege kan beoordelen of de betrokkene nog
andere bronnen van inkomsten heeft. De betwiste intrekking van de andere bronnen van inkomsten heeft. De betwiste intrekking van de
juridische tweedelijnsbijstand komt immers per definitie na de juridische tweedelijnsbijstand komt immers per definitie na de
oorspronkelijke toekenning van die bijstand, waardoor de kans zeer oorspronkelijke toekenning van die bijstand, waardoor de kans zeer
groot is dat die intrekking gebaseerd is op elementen die niet gekend groot is dat die intrekking gebaseerd is op elementen die niet gekend
waren op het moment van de oorspronkelijke aanvraag. waren op het moment van de oorspronkelijke aanvraag.
B.13. Daaruit volgt dat de rechter geen kennis kan nemen van de B.13. Daaruit volgt dat de rechter geen kennis kan nemen van de
elementen die aan de basis liggen van de beslissing tot intrekking van elementen die aan de basis liggen van de beslissing tot intrekking van
de juridische tweedelijnsbijstand, wat nochtans net het voorwerp is de juridische tweedelijnsbijstand, wat nochtans net het voorwerp is
van de beroepsprocedure tegen die beslissing. van de beroepsprocedure tegen die beslissing.
Dat gevolg vindt evenwel niet zijn oorsprong in de in het geding Dat gevolg vindt evenwel niet zijn oorsprong in de in het geding
zijnde bepaling. zijnde bepaling.
Zonder dat het Hof, gelet op de draagwijdte van de thans onderzochte Zonder dat het Hof, gelet op de draagwijdte van de thans onderzochte
prejudiciële vraag, zich kan uitspreken over de grondwettigheid ervan, prejudiciële vraag, zich kan uitspreken over de grondwettigheid ervan,
moet worden vastgesteld dat dat gevolg zijn oorsprong vindt in de moet worden vastgesteld dat dat gevolg zijn oorsprong vindt in de
bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek waarbij aan het bureau voor bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek waarbij aan het bureau voor
juridische bijstand de bevoegdheid wordt toevertrouwd om te beslissen juridische bijstand de bevoegdheid wordt toevertrouwd om te beslissen
over de toekenning en de intrekking van de juridische over de toekenning en de intrekking van de juridische
tweedelijnsbijstand, in voorkomend geval op verzoek van de advocaat tweedelijnsbijstand, in voorkomend geval op verzoek van de advocaat
die werd aangesteld, en waarbij aan de arbeidsrechtbank de bevoegdheid die werd aangesteld, en waarbij aan de arbeidsrechtbank de bevoegdheid
wordt toevertrouwd om kennis te nemen van de beroepen die zijn gericht wordt toevertrouwd om kennis te nemen van de beroepen die zijn gericht
tegen de door het bureau voor juridische bijstand genomen beslissingen tegen de door het bureau voor juridische bijstand genomen beslissingen
tot weigering of tot intrekking. Die bepalingen hebben tot gevolg dat, tot weigering of tot intrekking. Die bepalingen hebben tot gevolg dat,
indien de door het bureau voor juridische bijstand aangestelde indien de door het bureau voor juridische bijstand aangestelde
advocaat, in het kader van zijn opdrachten van verdediging of advocaat, in het kader van zijn opdrachten van verdediging of
vertegenwoordiging in rechte van zijn cliënt of van verlening van vertegenwoordiging in rechte van zijn cliënt of van verlening van
juridisch advies aan die cliënt, kennisneemt van informatie volgens juridisch advies aan die cliënt, kennisneemt van informatie volgens
welke zijn cliënt niet voldoet aan de voorwaarde inzake welke zijn cliënt niet voldoet aan de voorwaarde inzake
ontoereikendheid van de bestaansmiddelen, de advocaat, door het ontoereikendheid van de bestaansmiddelen, de advocaat, door het
verzoek dat hij indient bij het bureau voor juridische bijstand met verzoek dat hij indient bij het bureau voor juridische bijstand met
toepassing van artikel 508/18 van het Gerechtelijk Wetboek, het toepassing van artikel 508/18 van het Gerechtelijk Wetboek, het
initiatief neemt voor een procedure tot intrekking van de juridische initiatief neemt voor een procedure tot intrekking van de juridische
tweedelijnsbijstand die kan uitmonden in een beroep dat wordt tweedelijnsbijstand die kan uitmonden in een beroep dat wordt
onderzocht door de arbeidsrechtbank en in aanwezigheid van het onderzocht door de arbeidsrechtbank en in aanwezigheid van het
arbeidsauditoraat. De betrokken bepalingen van het Gerechtelijk arbeidsauditoraat. De betrokken bepalingen van het Gerechtelijk
Wetboek belasten de advocaat van de begunstigde van de juridische Wetboek belasten de advocaat van de begunstigde van de juridische
tweedelijnsbijstand aldus ermee erop toe te zien dat zijn cliënt tweedelijnsbijstand aldus ermee erop toe te zien dat zijn cliënt
voldoet aan de voorwaarden om die bijstand te genieten, en zulks onder voldoet aan de voorwaarden om die bijstand te genieten, en zulks onder
het uiteindelijke toezicht van de gewone rechtscolleges. het uiteindelijke toezicht van de gewone rechtscolleges.
B.14. Aangezien de in B.13 vermelde gevolgen niet hun oorsprong vinden B.14. Aangezien de in B.13 vermelde gevolgen niet hun oorsprong vinden
in de in het geding zijnde bepaling, dient te worden geantwoord dat in de in het geding zijnde bepaling, dient te worden geantwoord dat
artikel 458 van het Strafwetboek bestaanbaar is met de artikelen 10 en artikel 458 van het Strafwetboek bestaanbaar is met de artikelen 10 en
11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het
Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Europees Verdrag voor de rechten van de mens.
Om die redenen, Om die redenen,
het Hof het Hof
zegt voor recht : zegt voor recht :
Rekening houdend met hetgeen in B.13 en in B.14 is vermeld, schendt Rekening houdend met hetgeen in B.13 en in B.14 is vermeld, schendt
artikel 458 van het Strafwetboek niet de artikelen 10 en 11 van de artikel 458 van het Strafwetboek niet de artikelen 10 en 11 van de
Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag
voor de rechten van de mens. voor de rechten van de mens.
Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel
65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof,
op 30 juni 2022. op 30 juni 2022.
De griffier, De voorzitter, De griffier, De voorzitter,
F. Meersschaut P. Nihoul F. Meersschaut P. Nihoul
^