Etaamb.openjustice.be
Meertalige weergave van Arrest van --
← Terug naar "Uittreksel uit arrest nr. 112/2020 van 27 juli 2020 Rolnummer 7335 In zake : de prejudiciële vragen over de artikelen 87 en 89 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 15 februari 2019 « betreffende het jeugddelinquentierecht » en de ar Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters A. Alen en F. Daoût, en de rechters L. L(...)"
Uittreksel uit arrest nr. 112/2020 van 27 juli 2020 Rolnummer 7335 In zake : de prejudiciële vragen over de artikelen 87 en 89 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 15 februari 2019 « betreffende het jeugddelinquentierecht » en de ar Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters A. Alen en F. Daoût, en de rechters L. L(...) Uittreksel uit arrest nr. 112/2020 van 27 juli 2020 Rolnummer 7335 In zake : de prejudiciële vragen over de artikelen 87 en 89 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 15 februari 2019 « betreffende het jeugddelinquentierecht » en de ar Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters A. Alen en F. Daoût, en de rechters L. L(...)
GRONDWETTELIJK HOF GRONDWETTELIJK HOF
Uittreksel uit arrest nr. 112/2020 van 27 juli 2020 Uittreksel uit arrest nr. 112/2020 van 27 juli 2020
Rolnummer 7335 Rolnummer 7335
In zake : de prejudiciële vragen over de artikelen 87 en 89 van het In zake : de prejudiciële vragen over de artikelen 87 en 89 van het
decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 15 februari 2019 « betreffende decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 15 februari 2019 « betreffende
het jeugddelinquentierecht » en de artikelen 7, 10 en 11 van het het jeugddelinquentierecht » en de artikelen 7, 10 en 11 van het
decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 24 september 2019 « houdende decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 24 september 2019 « houdende
wijziging van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, wijziging van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming,
het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven
feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte
schade en het decreet van 15 februari 2019 betreffende het schade en het decreet van 15 februari 2019 betreffende het
jeugddelinquentierecht, wat de overgangsbepalingen betreft », gesteld jeugddelinquentierecht, wat de overgangsbepalingen betreft », gesteld
door de jeugdrechtbank van de Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, door de jeugdrechtbank van de Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen,
afdeling Antwerpen. afdeling Antwerpen.
Het Grondwettelijk Hof, Het Grondwettelijk Hof,
samengesteld uit de voorzitters A. Alen en F. Daoût, en de rechters L. samengesteld uit de voorzitters A. Alen en F. Daoût, en de rechters L.
Lavrysen, J.-P. Moerman, T. Giet, M. Pâques en Y. Kherbache, Lavrysen, J.-P. Moerman, T. Giet, M. Pâques en Y. Kherbache,
bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van
voorzitter A. Alen, voorzitter A. Alen,
wijst na beraad het volgende arrest : wijst na beraad het volgende arrest :
I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging
Bij vonnis van 28 november 2019, waarvan de expeditie ter griffie van Bij vonnis van 28 november 2019, waarvan de expeditie ter griffie van
het Hof is ingekomen op 20 december 2019, heeft de jeugdrechtbank van het Hof is ingekomen op 20 december 2019, heeft de jeugdrechtbank van
de Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, de de Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, de
volgende prejudiciële vragen gesteld : volgende prejudiciële vragen gesteld :
« 1. Schenden de artikelen 87 en 89 van het decreet van 15 februari « 1. Schenden de artikelen 87 en 89 van het decreet van 15 februari
2019 betreffende het jeugddelinquentierecht, de artikelen 12 en 14 van 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht, de artikelen 12 en 14 van
de Gecoördineerde Grondwet, al dan niet gelezen in samenhang met de de Gecoördineerde Grondwet, al dan niet gelezen in samenhang met de
artikelen 6 en 7 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, artikelen 6 en 7 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens,
en artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en en artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en
politieke rechten, doordat het decreet betreffende het politieke rechten, doordat het decreet betreffende het
jeugddelinquentierecht van toepassing is op feiten gepleegd door jeugddelinquentierecht van toepassing is op feiten gepleegd door
minderjarigen voorafgaand aan de afkondiging en inwerkingtreding van minderjarigen voorafgaand aan de afkondiging en inwerkingtreding van
het decreet betreffende het jeugddelinquentierecht ? het decreet betreffende het jeugddelinquentierecht ?
2. Schenden de artikelen 7, 10 en 11 van het decreet van 24 september 2. Schenden de artikelen 7, 10 en 11 van het decreet van 24 september
2019 houdende wijziging van de wet van 8 april 1965 betreffende de 2019 houdende wijziging van de wet van 8 april 1965 betreffende de
jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als
misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door
dit feit veroorzaakte schade en het decreet van 15 februari 2019 dit feit veroorzaakte schade en het decreet van 15 februari 2019
betreffende het jeugddelinquentierecht, wat de overgangsbepalingen betreffende het jeugddelinquentierecht, wat de overgangsbepalingen
betreft, de artikelen 12 en 14 van de Gecoördineerde Grondwet, al dan betreft, de artikelen 12 en 14 van de Gecoördineerde Grondwet, al dan
niet gelezen in samenhang met de artikelen 6 en 7 van het Europees niet gelezen in samenhang met de artikelen 6 en 7 van het Europees
Verdrag voor de Rechten van de Mens, en artikel 15 van het Verdrag voor de Rechten van de Mens, en artikel 15 van het
Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten,
doordat voormelde bepalingen van het decreet van 24 september 2019 met doordat voormelde bepalingen van het decreet van 24 september 2019 met
terugwerkende kracht vanaf 1 september 2019 een regeling invoeren op terugwerkende kracht vanaf 1 september 2019 een regeling invoeren op
basis waarvan personen die verdacht worden als minderjarige een basis waarvan personen die verdacht worden als minderjarige een
strafbaar feit te hebben gepleegd uit handen kunnen worden gegeven, strafbaar feit te hebben gepleegd uit handen kunnen worden gegeven,
terwijl een uithandengeving onder de gelding van artikel 38 van het terwijl een uithandengeving onder de gelding van artikel 38 van het
decreet van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht decreet van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht
niet mogelijk was ? ». niet mogelijk was ? ».
(...) (...)
III. In rechte III. In rechte
(...) (...)
B.1. De prejudiciële vragen gaan over een beslissing tot B.1. De prejudiciële vragen gaan over een beslissing tot
uithandengeving door de jeugdrechtbank. uithandengeving door de jeugdrechtbank.
De uithandengeving is onder bepaalde voorwaarden mogelijk indien de De uithandengeving is onder bepaalde voorwaarden mogelijk indien de
persoon die wegens een als misdrijf omschreven feit voor de persoon die wegens een als misdrijf omschreven feit voor de
jeugdrechtbank is gebracht op het tijdstip van dat feit zestien jaar jeugdrechtbank is gebracht op het tijdstip van dat feit zestien jaar
of ouder was en de jeugdrechtbank een maatregel van bewaring, of ouder was en de jeugdrechtbank een maatregel van bewaring,
behoeding of opvoeding niet geschikt acht. De jeugdrechtbank kan in behoeding of opvoeding niet geschikt acht. De jeugdrechtbank kan in
dat geval de zaak bij een met redenen omklede beslissing uit handen dat geval de zaak bij een met redenen omklede beslissing uit handen
geven en ze naar het openbaar ministerie verwijzen met het oog op geven en ze naar het openbaar ministerie verwijzen met het oog op
vervolging voor het bevoegde gerecht (artikel 57bis van de wet van 8 vervolging voor het bevoegde gerecht (artikel 57bis van de wet van 8
april 1965 « betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van april 1965 « betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van
minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en
het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade » (hierna : de het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade » (hierna : de
Jeugdbeschermingswet), zoals van toepassing op het ogenblik van de Jeugdbeschermingswet), zoals van toepassing op het ogenblik van de
strafbare feiten in het geding voor de verwijzende rechter). De strafbare feiten in het geding voor de verwijzende rechter). De
beslissing tot uithandengeving is dus geen beslissing ten gronde. beslissing tot uithandengeving is dus geen beslissing ten gronde.
B.2. De regeling van de uithandengeving werd voor het Nederlandse B.2. De regeling van de uithandengeving werd voor het Nederlandse
taalgebied gewijzigd bij de in het geding zijnde bepalingen. De taalgebied gewijzigd bij de in het geding zijnde bepalingen. De
prejudiciële vragen hebben meer bepaald betrekking op de werking in de prejudiciële vragen hebben meer bepaald betrekking op de werking in de
tijd van de gewijzigde regeling. tijd van de gewijzigde regeling.
B.3. Het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 15 februari 2019 « B.3. Het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 15 februari 2019 «
betreffende het jeugddelinquentierecht » (hierna : het decreet van 15 betreffende het jeugddelinquentierecht » (hierna : het decreet van 15
februari 2019) voorziet nog steeds in de maatregel van februari 2019) voorziet nog steeds in de maatregel van
uithandengeving, maar heeft de voorwaarden voor de toepassing van die uithandengeving, maar heeft de voorwaarden voor de toepassing van die
maatregel verstrengd. maatregel verstrengd.
De voorwaarde die voor de verwijzende rechter in het geding is, De voorwaarde die voor de verwijzende rechter in het geding is,
betreft de maatregelen die in een vroeger stadium aan de minderjarige betreft de maatregelen die in een vroeger stadium aan de minderjarige
werden opgelegd. werden opgelegd.
B.4. Vóór 1 september 2019 kon de jeugdrechtbank tot uithandengeving B.4. Vóór 1 september 2019 kon de jeugdrechtbank tot uithandengeving
beslissen indien de betrokkene reeds eerder « het voorwerp [was] beslissen indien de betrokkene reeds eerder « het voorwerp [was]
geweest van een of meerdere van de in artikel 37, § 2, § 2bis of § geweest van een of meerdere van de in artikel 37, § 2, § 2bis of §
2ter bedoelde maatregelen of van een herstelrechtelijk aanbod als 2ter bedoelde maatregelen of van een herstelrechtelijk aanbod als
bedoeld in de artikelen 37bis tot 37quinquies » (artikel 57bis, § 1, bedoeld in de artikelen 37bis tot 37quinquies » (artikel 57bis, § 1,
van de Jeugdbeschermingswet). van de Jeugdbeschermingswet).
De bedoelde maatregelen bestrijken een breed spectrum, van de De bedoelde maatregelen bestrijken een breed spectrum, van de
berisping tot het toevertrouwen aan een gemeenschapsinstelling voor berisping tot het toevertrouwen aan een gemeenschapsinstelling voor
jeugdbescherming. jeugdbescherming.
B.5. Artikel 38 van het decreet van 15 februari 2019 bepaalt dat de B.5. Artikel 38 van het decreet van 15 februari 2019 bepaalt dat de
jeugdrechtbank slechts tot uithandengeving kan beslissen indien de jeugdrechtbank slechts tot uithandengeving kan beslissen indien de
betrokkene reeds eerder « het voorwerp [is] geweest van een of meer betrokkene reeds eerder « het voorwerp [is] geweest van een of meer
sancties, vermeld in de artikelen 35, 36 en 37 ». sancties, vermeld in de artikelen 35, 36 en 37 ».
De artikelen 35, 36 en 37 van het decreet van 15 februari 2019 hebben De artikelen 35, 36 en 37 van het decreet van 15 februari 2019 hebben
betrekking op de gesloten oriëntatie (artikel 35) of de gesloten betrekking op de gesloten oriëntatie (artikel 35) of de gesloten
begeleiding (artikelen 36 en 37) in een afdeling van een begeleiding (artikelen 36 en 37) in een afdeling van een
gemeenschapsinstelling. Het gaat om maatregelen die ertoe strekken « gemeenschapsinstelling. Het gaat om maatregelen die ertoe strekken «
om tijdens de rechtspleging - en in afwachting van een beslissing ten om tijdens de rechtspleging - en in afwachting van een beslissing ten
gronde - een onderzoeksmaatregel of een maatregel van bewaring te gronde - een onderzoeksmaatregel of een maatregel van bewaring te
treffen ten aanzien van een minderjarige verdachte » (Parl. St., treffen ten aanzien van een minderjarige verdachte » (Parl. St.,
Vlaams Parlement, 2017-2018, nr. 1670/1, p. 21). Vlaams Parlement, 2017-2018, nr. 1670/1, p. 21).
B.6. Het decreet van 15 februari 2019 is grotendeels in werking B.6. Het decreet van 15 februari 2019 is grotendeels in werking
getreden op 1 september 2019. Het in het geding zijnde artikel 89 van getreden op 1 september 2019. Het in het geding zijnde artikel 89 van
dat decreet bepaalde : dat decreet bepaalde :
« Onverminderd het tweede en derde lid, treedt dit decreet in werking « Onverminderd het tweede en derde lid, treedt dit decreet in werking
op 1 september 2019. op 1 september 2019.
Voor de artikelen 25, § 8, derde, vierde en vijfde lid, 32, derde lid, Voor de artikelen 25, § 8, derde, vierde en vijfde lid, 32, derde lid,
33, tweede lid en 34, § 1, derde lid, voor zover de vervangende 33, tweede lid en 34, § 1, derde lid, voor zover de vervangende
reactie het toevertrouwen van de minderjarige delictpleger aan een reactie het toevertrouwen van de minderjarige delictpleger aan een
afdeling binnen een gemeenschapsinstelling, ingericht voor afdeling binnen een gemeenschapsinstelling, ingericht voor
minderjarigen die een reactie opgelegd krijgen met toepassing van dit minderjarigen die een reactie opgelegd krijgen met toepassing van dit
decreet betreft, 26, 27, 35, 36, 37, met uitzondering van 37, § 8, 39, decreet betreft, 26, 27, 35, 36, 37, met uitzondering van 37, § 8, 39,
84, 85 en 86, bepaalt de Vlaamse Regering de datum van 84, 85 en 86, bepaalt de Vlaamse Regering de datum van
inwerkingtreding nadat zij uitdrukkelijk heeft vastgesteld dat de inwerkingtreding nadat zij uitdrukkelijk heeft vastgesteld dat de
nodige randvoorwaarden zijn gerealiseerd die toelaten dat deze nodige randvoorwaarden zijn gerealiseerd die toelaten dat deze
artikelen kunnen uitgevoerd worden. Deze artikelen treden uiterlijk in artikelen kunnen uitgevoerd worden. Deze artikelen treden uiterlijk in
werking op 1 september 2022. werking op 1 september 2022.
Artikel 37, § 8, treedt in werking drie maanden na publicatie in het Artikel 37, § 8, treedt in werking drie maanden na publicatie in het
Belgisch Staatsblad van de laatste van de instemmingsdaden van het Belgisch Staatsblad van de laatste van de instemmingsdaden van het
samenwerkingsakkoord tussen de Vlaamse Gemeenschap en de Federale samenwerkingsakkoord tussen de Vlaamse Gemeenschap en de Federale
Staat. Staat.
Als de Vlaamse Regering, met het oog op de realisatie van deze Als de Vlaamse Regering, met het oog op de realisatie van deze
randvoorwaarden investeringssteun geeft overeenkomstig de randvoorwaarden investeringssteun geeft overeenkomstig de
toepasselijke regelgeving, kan zij ook diegene die de toepasselijke regelgeving, kan zij ook diegene die de
investeringssteun bekomt, toezeggen dat de nodige erkenningen en investeringssteun bekomt, toezeggen dat de nodige erkenningen en
werkingsmiddelen zullen toegekend worden op het ogenblik dat de werkingsmiddelen zullen toegekend worden op het ogenblik dat de
infrastructuur waarvoor de investeringssteun wordt verleend, in infrastructuur waarvoor de investeringssteun wordt verleend, in
gebruik wordt genomen ». gebruik wordt genomen ».
Aldus zullen de maatregelen van gesloten oriëntatie en begeleiding Aldus zullen de maatregelen van gesloten oriëntatie en begeleiding
slechts in werking treden « mits voldaan [is] aan de nodige slechts in werking treden « mits voldaan [is] aan de nodige
randvoorwaarden en dit gelet op het belang van een zorgzame transitie randvoorwaarden en dit gelet op het belang van een zorgzame transitie
» en uiterlijk op 1 september 2022 (Parl. St., Vlaams Parlement, » en uiterlijk op 1 september 2022 (Parl. St., Vlaams Parlement,
2017-2018, nr. 1670/1, p. 77). 2017-2018, nr. 1670/1, p. 77).
Voormeld artikel 89 werd gewijzigd bij artikel 10 van het decreet van Voormeld artikel 89 werd gewijzigd bij artikel 10 van het decreet van
de Vlaamse Gemeenschap van 24 september 2019 « houdende wijziging van de Vlaamse Gemeenschap van 24 september 2019 « houdende wijziging van
de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste
nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben
gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade en gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade en
het decreet van 15 februari 2019 betreffende het het decreet van 15 februari 2019 betreffende het
jeugddelinquentierecht, wat de overgangsbepalingen betreft » (hierna : jeugddelinquentierecht, wat de overgangsbepalingen betreft » (hierna :
het decreet van 24 september 2019). Dat artikel 10 heeft artikel 38 het decreet van 24 september 2019). Dat artikel 10 heeft artikel 38
toegevoegd aan de lijst van artikelen, vermeld in artikel 89, tweede toegevoegd aan de lijst van artikelen, vermeld in artikel 89, tweede
lid, die op een later tijdstip in werking treden. lid, die op een later tijdstip in werking treden.
B.7. Het eveneens in het geding zijnde artikel 87 van het decreet van B.7. Het eveneens in het geding zijnde artikel 87 van het decreet van
15 februari 2019 bepaalde : 15 februari 2019 bepaalde :
« § 1. Een voorlopige maatregel of maatregel die werd uitgesproken « § 1. Een voorlopige maatregel of maatregel die werd uitgesproken
door de jeugdrechter of jeugdrechtbank met toepassing van de wet van 8 door de jeugdrechter of jeugdrechtbank met toepassing van de wet van 8
april 1965, en die in uitvoering is op de datum van inwerkingtreding april 1965, en die in uitvoering is op de datum van inwerkingtreding
van dit decreet, kan verder worden uitgevoerd. van dit decreet, kan verder worden uitgevoerd.
Een bij de jeugdrechter of jeugdrechtbank aanhangig gemaakte zaak met Een bij de jeugdrechter of jeugdrechtbank aanhangig gemaakte zaak met
toepassing van de wet van 8 april 1965, waarover op de datum van toepassing van de wet van 8 april 1965, waarover op de datum van
inwerkingtreding van dit decreet een beslissing werd genomen maar die inwerkingtreding van dit decreet een beslissing werd genomen maar die
nog niet in uitvoering is, wordt uitgevoerd overeenkomstig de genomen nog niet in uitvoering is, wordt uitgevoerd overeenkomstig de genomen
beslissing. beslissing.
De regels, vermeld in de wet van 8 april 1965, die op de uitvoering De regels, vermeld in de wet van 8 april 1965, die op de uitvoering
van de in het eerste en tweede lid vermelde voorlopige maatregelen, van de in het eerste en tweede lid vermelde voorlopige maatregelen,
maatregelen en beslissingen betrekking hebben, zijn van toepassing. maatregelen en beslissingen betrekking hebben, zijn van toepassing.
§ 2. Een bij de jeugdrechter of jeugdrechtbank aanhangig gemaakte zaak § 2. Een bij de jeugdrechter of jeugdrechtbank aanhangig gemaakte zaak
met toepassing van de wet van 1 maart 2002, waarover op de datum van met toepassing van de wet van 1 maart 2002, waarover op de datum van
inwerkingtreding van dit decreet een beslissing werd genomen maar die inwerkingtreding van dit decreet een beslissing werd genomen maar die
nog niet in uitvoering is, wordt uitgevoerd overeenkomstig de genomen nog niet in uitvoering is, wordt uitgevoerd overeenkomstig de genomen
beslissing ». beslissing ».
Die bepaling werd gewijzigd bij artikel 9 van het decreet van 24 Die bepaling werd gewijzigd bij artikel 9 van het decreet van 24
september 2019. Dat artikel heeft aan paragraaf 1, derde lid, van september 2019. Dat artikel heeft aan paragraaf 1, derde lid, van
artikel 87 van het decreet van 15 februari 2019 de zinsnede « , met artikel 87 van het decreet van 15 februari 2019 de zinsnede « , met
inbegrip van de herzieningsmogelijkheid, vermeld in artikel 60 van inbegrip van de herzieningsmogelijkheid, vermeld in artikel 60 van
voormelde wet » toegevoegd en heeft ook twee nieuwe paragrafen voormelde wet » toegevoegd en heeft ook twee nieuwe paragrafen
toegevoegd. Op die wijze « wordt een operationele overgang naar de toegevoegd. Op die wijze « wordt een operationele overgang naar de
nieuwe voorwaarden tot uithandengeving geëxpliciteerd » (Parl. St., nieuwe voorwaarden tot uithandengeving geëxpliciteerd » (Parl. St.,
Vlaams Parlement, 2019, nr. 103/1, p. 4). De nieuwe paragrafen bepalen Vlaams Parlement, 2019, nr. 103/1, p. 4). De nieuwe paragrafen bepalen
: :
« § 3. Voor een beslissing tot uithandengeving als vermeld in artikel « § 3. Voor een beslissing tot uithandengeving als vermeld in artikel
38, § 2, tweede lid, van dit decreet, wordt een plaatsing in een 38, § 2, tweede lid, van dit decreet, wordt een plaatsing in een
openbare gemeenschapsinstelling als vermeld in artikel 37, § 2, 8°, openbare gemeenschapsinstelling als vermeld in artikel 37, § 2, 8°,
van de wet van 8 april 1965, gelijkgesteld met de sancties, vermeld in van de wet van 8 april 1965, gelijkgesteld met de sancties, vermeld in
artikel 35, 36 en 37 van dit decreet. artikel 35, 36 en 37 van dit decreet.
§ 4. Een plaatsing of een voorlopige plaatsing in een gesloten § 4. Een plaatsing of een voorlopige plaatsing in een gesloten
opvoedingsafdeling van een openbare gemeenschapsinstelling, bedoeld opvoedingsafdeling van een openbare gemeenschapsinstelling, bedoeld
respectievelijk in artikel 37, § 2quater, tweede lid, en artikel 52 respectievelijk in artikel 37, § 2quater, tweede lid, en artikel 52
van de wet van 8 april 1965, kan als vervangende reactie worden van de wet van 8 april 1965, kan als vervangende reactie worden
opgelegd als vermeld in artikel 25, § 8, derde, vierde en vijfde lid, opgelegd als vermeld in artikel 25, § 8, derde, vierde en vijfde lid,
artikel 32, derde lid, artikel 33, derde lid, en artikel 34, § 1, artikel 32, derde lid, artikel 33, derde lid, en artikel 34, § 1,
derde lid, van dit decreet ». derde lid, van dit decreet ».
B.8. Uit de artikelen 87 en 89 van het decreet van 15 februari 2019, B.8. Uit de artikelen 87 en 89 van het decreet van 15 februari 2019,
vóór de wijziging ervan bij het decreet van 24 september 2019, vloeit vóór de wijziging ervan bij het decreet van 24 september 2019, vloeit
voort dat de gewijzigde regeling van uithandengeving in werking is voort dat de gewijzigde regeling van uithandengeving in werking is
getreden op 1 september 2019 en dat de minderjarige die voor de getreden op 1 september 2019 en dat de minderjarige die voor de
verwijzende rechter is gedaagd als gevolg van die inwerkingtreding verwijzende rechter is gedaagd als gevolg van die inwerkingtreding
niet meer in aanmerking kwam voor uithandengeving. Vanaf de vermelde niet meer in aanmerking kwam voor uithandengeving. Vanaf de vermelde
datum was die maatregel in de regel enkel mogelijk nadat de betrokken datum was die maatregel in de regel enkel mogelijk nadat de betrokken
minderjarige reeds eerder het voorwerp was geweest van een gesloten minderjarige reeds eerder het voorwerp was geweest van een gesloten
oriëntatie of begeleiding, maar die maatregelen zijn, zoals in B.6 is oriëntatie of begeleiding, maar die maatregelen zijn, zoals in B.6 is
vermeld, nog niet in werking getreden. vermeld, nog niet in werking getreden.
B.9. Met zijn eerste prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter B.9. Met zijn eerste prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter
van het Hof te vernemen of de artikelen 87 en 89 van het decreet van van het Hof te vernemen of de artikelen 87 en 89 van het decreet van
15 februari 2019 de artikelen 12 en 14 van de Grondwet schenden, al 15 februari 2019 de artikelen 12 en 14 van de Grondwet schenden, al
dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 7 van het Europees dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 7 van het Europees
Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 15 van het Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 15 van het
Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten,
doordat het decreet van toepassing is op feiten gepleegd door doordat het decreet van toepassing is op feiten gepleegd door
minderjarigen voorafgaand aan de afkondiging en inwerkingtreding minderjarigen voorafgaand aan de afkondiging en inwerkingtreding
ervan. ervan.
Rekening houdend met de vordering die aan de prejudiciële vraag ten Rekening houdend met de vordering die aan de prejudiciële vraag ten
grondslag ligt, dient zij aldus te worden begrepen dat zij betrekking grondslag ligt, dient zij aldus te worden begrepen dat zij betrekking
heeft op de onmiddellijke werking van de nieuwe regeling van heeft op de onmiddellijke werking van de nieuwe regeling van
uithandengeving. uithandengeving.
B.10. De artikelen 12 en 14 van de Grondwet waarborgen het B.10. De artikelen 12 en 14 van de Grondwet waarborgen het
strafrechtelijk wettigheidsbeginsel. Krachtens die bepalingen kan strafrechtelijk wettigheidsbeginsel. Krachtens die bepalingen kan
niemand worden vervolgd dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de niemand worden vervolgd dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de
vorm die zij voorschrijft (artikel 12, tweede lid, van de Grondwet) en vorm die zij voorschrijft (artikel 12, tweede lid, van de Grondwet) en
kan geen straf worden ingevoerd of toegepast dan krachtens de wet kan geen straf worden ingevoerd of toegepast dan krachtens de wet
(artikel 14 van de Grondwet). (artikel 14 van de Grondwet).
Uit die bepalingen vloeit voort dat de strafwet moet worden Uit die bepalingen vloeit voort dat de strafwet moet worden
geformuleerd in bewoordingen op grond waarvan eenieder, op het geformuleerd in bewoordingen op grond waarvan eenieder, op het
ogenblik waarop hij een gedrag aanneemt, kan uitmaken of dat gedrag al ogenblik waarop hij een gedrag aanneemt, kan uitmaken of dat gedrag al
dan niet strafbaar is en de mogelijkerwijs op te lopen straf kan dan niet strafbaar is en de mogelijkerwijs op te lopen straf kan
kennen. De beginselen van wettigheid en voorzienbaarheid zijn van kennen. De beginselen van wettigheid en voorzienbaarheid zijn van
toepassing op de hele strafrechtspleging. toepassing op de hele strafrechtspleging.
In zoverre zij vereisen dat elk misdrijf bij de wet moet worden In zoverre zij vereisen dat elk misdrijf bij de wet moet worden
bepaald, hebben artikel 7, lid 1, van het Europees Verdrag voor de bepaald, hebben artikel 7, lid 1, van het Europees Verdrag voor de
rechten van de mens en artikel 15, lid 1, van het Internationaal rechten van de mens en artikel 15, lid 1, van het Internationaal
Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten een draagwijdte die Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten een draagwijdte die
analoog is aan die van artikel 12, tweede lid, van de Grondwet. De analoog is aan die van artikel 12, tweede lid, van de Grondwet. De
door die bepalingen verstrekte waarborgen vormen in die mate dan ook door die bepalingen verstrekte waarborgen vormen in die mate dan ook
een onlosmakelijk geheel. een onlosmakelijk geheel.
B.11. De beslissing tot uithandengeving houdt op zich geen B.11. De beslissing tot uithandengeving houdt op zich geen
strafbaarstelling of straf in, maar bepaalt het recht dat op het als strafbaarstelling of straf in, maar bepaalt het recht dat op het als
misdrijf omschreven feit, gepleegd door een minderjarige, van misdrijf omschreven feit, gepleegd door een minderjarige, van
toepassing is, namelijk het strafrecht in plaats van het toepassing is, namelijk het strafrecht in plaats van het
jeugddelinquentierecht. Aangezien de beslissing tot uithandengeving jeugddelinquentierecht. Aangezien de beslissing tot uithandengeving
tot gevolg heeft dat de vervolging plaatsvindt volgens het gemeen tot gevolg heeft dat de vervolging plaatsvindt volgens het gemeen
strafrecht en de gemeenrechtelijke strafprocedure, houdt de maatregel strafrecht en de gemeenrechtelijke strafprocedure, houdt de maatregel
verband met de strafrechtspleging. verband met de strafrechtspleging.
De in artikel 12, tweede lid, van de Grondwet vervatte vereiste van De in artikel 12, tweede lid, van de Grondwet vervatte vereiste van
voorspelbaarheid van de strafrechtspleging verzet zich evenwel niet voorspelbaarheid van de strafrechtspleging verzet zich evenwel niet
tegen de onmiddellijke toepassing van de wetten betreffende de tegen de onmiddellijke toepassing van de wetten betreffende de
bevoegdheid en de rechtspleging in strafzaken (artikel 3 van het bevoegdheid en de rechtspleging in strafzaken (artikel 3 van het
Gerechtelijk Wetboek). Bovendien houdt de maatregel van Gerechtelijk Wetboek). Bovendien houdt de maatregel van
uithandengeving geen verband met de regels betreffende de uithandengeving geen verband met de regels betreffende de
bewijsvoering van de schuld van een persoon, die in beginsel niet in bewijsvoering van de schuld van een persoon, die in beginsel niet in
het nadeel van die persoon kunnen worden gewijzigd met terugwerkende het nadeel van die persoon kunnen worden gewijzigd met terugwerkende
kracht (zie het arrest van het Hof nr. 153/2018 van 8 november 2018, kracht (zie het arrest van het Hof nr. 153/2018 van 8 november 2018,
B.24.2). B.24.2).
B.12. De artikelen 87 en 89 van het decreet van 15 februari 2019 zijn B.12. De artikelen 87 en 89 van het decreet van 15 februari 2019 zijn
verenigbaar met de artikelen 12 en 14 van de Grondwet, al dan niet in verenigbaar met de artikelen 12 en 14 van de Grondwet, al dan niet in
samenhang gelezen met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de samenhang gelezen met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de
rechten van de mens en met artikel 15 van het Internationaal Verdrag rechten van de mens en met artikel 15 van het Internationaal Verdrag
inzake burgerrechten en politieke rechten, in zoverre de gewijzigde inzake burgerrechten en politieke rechten, in zoverre de gewijzigde
regeling van de uithandengeving van toepassing is op feiten gepleegd regeling van de uithandengeving van toepassing is op feiten gepleegd
door minderjarigen voorafgaand aan de afkondiging en inwerkingtreding door minderjarigen voorafgaand aan de afkondiging en inwerkingtreding
ervan. Artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens ervan. Artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens
biedt ter zake geen ruimere waarborg dan de voormelde toetsingsnormen. biedt ter zake geen ruimere waarborg dan de voormelde toetsingsnormen.
De eerste prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. De eerste prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.
B.13. Zoals reeds is vermeld in B.6 en B.7, heeft het eveneens in het B.13. Zoals reeds is vermeld in B.6 en B.7, heeft het eveneens in het
geding zijnde decreet van 24 september 2019 de regeling van de geding zijnde decreet van 24 september 2019 de regeling van de
uithandengeving opnieuw gewijzigd, meer bepaald om de verdere uithandengeving opnieuw gewijzigd, meer bepaald om de verdere
toepassing van die maatregel mogelijk te maken na 1 september 2019, in toepassing van die maatregel mogelijk te maken na 1 september 2019, in
afwachting van de volledige inwerkingtreding van het decreet van 15 afwachting van de volledige inwerkingtreding van het decreet van 15
februari 2019. februari 2019.
Het decreet van 24 september 2019 werd gestemd op de eerste plenaire Het decreet van 24 september 2019 werd gestemd op de eerste plenaire
vergadering van het Vlaams Parlement na de verkiezingen van 26 mei vergadering van het Vlaams Parlement na de verkiezingen van 26 mei
2019 (Hand., Vlaams Parlement, 2019-2020, 23 september 2019, plenaire 2019 (Hand., Vlaams Parlement, 2019-2020, 23 september 2019, plenaire
vergadering, nr. 1, pp. 26-27) en werd een dag later bekrachtigd en vergadering, nr. 1, pp. 26-27) en werd een dag later bekrachtigd en
afgekondigd door de Vlaamse Regering. afgekondigd door de Vlaamse Regering.
B.14. Artikel 7, 1°, van het decreet van 24 september 2019 heeft B.14. Artikel 7, 1°, van het decreet van 24 september 2019 heeft
artikel 57bis, § 1, van de Jeugdbeschermingswet, dat was opgeheven bij artikel 57bis, § 1, van de Jeugdbeschermingswet, dat was opgeheven bij
het decreet van 15 februari 2019, opnieuw opgenomen in de volgende het decreet van 15 februari 2019, opnieuw opgenomen in de volgende
lezing : lezing :
« § 1. Als de minderjarige verdachte op het tijdstip van het plegen « § 1. Als de minderjarige verdachte op het tijdstip van het plegen
van het jeugddelict zestien jaar of ouder was en de jeugdrechtbank een van het jeugddelict zestien jaar of ouder was en de jeugdrechtbank een
van de sancties, vermeld in artikel 29, § 2, van het decreet van 15 van de sancties, vermeld in artikel 29, § 2, van het decreet van 15
februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht of een plaatsing februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht of een plaatsing
ten gronde in een open of gesloten opvoedingsafdeling van een openbare ten gronde in een open of gesloten opvoedingsafdeling van een openbare
gemeenschapsinstelling, bedoeld in artikel 37, § 2, 8°, niet geschikt gemeenschapsinstelling, bedoeld in artikel 37, § 2, 8°, niet geschikt
acht, kan ze de zaak bij een met redenen omklede beslissing uit handen acht, kan ze de zaak bij een met redenen omklede beslissing uit handen
geven en de zaak naar het openbaar ministerie verwijzen, met het oog geven en de zaak naar het openbaar ministerie verwijzen, met het oog
op vervolging voor ofwel, indien de betrokkene ervan wordt verdacht op vervolging voor ofwel, indien de betrokkene ervan wordt verdacht
een wanbedrijf of correctionaliseerbare misdaad te hebben gepleegd, een wanbedrijf of correctionaliseerbare misdaad te hebben gepleegd,
een bijzondere kamer binnen de jeugdrechtbank die het gemeen een bijzondere kamer binnen de jeugdrechtbank die het gemeen
strafrecht en de gemeenrechtelijke strafprocedure toepast, als daartoe strafrecht en de gemeenrechtelijke strafprocedure toepast, als daartoe
grond bestaat, ofwel, indien de betrokkene ervan wordt verdacht een grond bestaat, ofwel, indien de betrokkene ervan wordt verdacht een
niet-correctionaliseerbare misdaad te hebben gepleegd, een hof van niet-correctionaliseerbare misdaad te hebben gepleegd, een hof van
assisen dat samengesteld is overeenkomstig de bepalingen van artikel assisen dat samengesteld is overeenkomstig de bepalingen van artikel
119, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, als daartoe grond 119, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, als daartoe grond
bestaat. bestaat.
De jeugdrechtbank kan evenwel slechts beslissen tot uithandengeving De jeugdrechtbank kan evenwel slechts beslissen tot uithandengeving
indien bovendien aan een van de volgende voorwaarden is voldaan : indien bovendien aan een van de volgende voorwaarden is voldaan :
1° de betrokkene is reeds eerder het voorwerp geweest van een of 1° de betrokkene is reeds eerder het voorwerp geweest van een of
meerdere van de in artikel 37, § 2, § 2bis of § 2ter, bedoelde meerdere van de in artikel 37, § 2, § 2bis of § 2ter, bedoelde
maatregelen, van een herstelrechtelijk aanbod als bedoeld in de maatregelen, van een herstelrechtelijk aanbod als bedoeld in de
artikelen 37bis tot en met 37quinquies of van een sanctie op grond van artikelen 37bis tot en met 37quinquies of van een sanctie op grond van
artikel 29, § 2, van het decreet van 15 februari 2019 betreffende het artikel 29, § 2, van het decreet van 15 februari 2019 betreffende het
jeugddelinquentierecht; jeugddelinquentierecht;
2° het gepleegde jeugddelict betreft een feit zoals bedoeld in de 2° het gepleegde jeugddelict betreft een feit zoals bedoeld in de
artikelen 373, 375, 393 tot en met 397, 400, 401, 417ter, 417quater, artikelen 373, 375, 393 tot en met 397, 400, 401, 417ter, 417quater,
468, 469, 470 en 471 tot en met 475 van het Strafwetboek of een poging 468, 469, 470 en 471 tot en met 475 van het Strafwetboek of een poging
tot het plegen van een feit zoals bedoeld in de artikelen 393 tot en tot het plegen van een feit zoals bedoeld in de artikelen 393 tot en
met 397 van het Strafwetboek. De jeugdrechtbank kan ook beslissen tot met 397 van het Strafwetboek. De jeugdrechtbank kan ook beslissen tot
uithandengeving wanneer de minderjarige verdachte een feit heeft uithandengeving wanneer de minderjarige verdachte een feit heeft
gepleegd als vermeld in de artikelen 136bis, 136ter, 136quater, gepleegd als vermeld in de artikelen 136bis, 136ter, 136quater,
136sexies, 137, 140 en 141 van het Strafwetboek, die, als ze door een 136sexies, 137, 140 en 141 van het Strafwetboek, die, als ze door een
meerderjarige gepleegd zouden zijn, strafbaar worden gesteld met een meerderjarige gepleegd zouden zijn, strafbaar worden gesteld met een
gevangenisstraf van vijf tot tien jaar of een zwaardere straf. gevangenisstraf van vijf tot tien jaar of een zwaardere straf.
De motivering gebeurt in functie van de persoonlijkheid van de De motivering gebeurt in functie van de persoonlijkheid van de
betrokkene en van zijn omgeving en de maturiteitsgraad van de betrokkene en van zijn omgeving en de maturiteitsgraad van de
betrokkene. betrokkene.
Deze bepaling kan worden toegepast zelfs indien de betrokkene op het Deze bepaling kan worden toegepast zelfs indien de betrokkene op het
tijdstip van het vonnis de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt. tijdstip van het vonnis de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.
In dit geval wordt hij gelijkgesteld met een minderjarige voor de In dit geval wordt hij gelijkgesteld met een minderjarige voor de
toepassing van dit hoofdstuk ». toepassing van dit hoofdstuk ».
B.15. Artikel 10 van het decreet van 24 september 2019 heeft artikel B.15. Artikel 10 van het decreet van 24 september 2019 heeft artikel
38 van het decreet van 15 februari 2019 toegevoegd aan de lijst van 38 van het decreet van 15 februari 2019 toegevoegd aan de lijst van
artikelen, vermeld in het in B.6 aangehaalde artikel 89, tweede lid, artikelen, vermeld in het in B.6 aangehaalde artikel 89, tweede lid,
die op een later tijdstip in werking treden. Krachtens artikel 11 van die op een later tijdstip in werking treden. Krachtens artikel 11 van
het decreet van 24 september 2019 heeft dat decreet uitwerking met het decreet van 24 september 2019 heeft dat decreet uitwerking met
ingang van 1 september 2019. Daardoor is de gewijzigde regeling van ingang van 1 september 2019. Daardoor is de gewijzigde regeling van
uithandengeving toch nog niet in werking getreden op 1 september 2019. uithandengeving toch nog niet in werking getreden op 1 september 2019.
B.16. Uit de artikelen 7, 10 en 11 van het decreet van 24 september B.16. Uit de artikelen 7, 10 en 11 van het decreet van 24 september
2019 vloeit voort dat de inwerkingtreding van de gewijzigde regeling 2019 vloeit voort dat de inwerkingtreding van de gewijzigde regeling
van uithandengeving op 1 september 2019 met terugwerkende kracht is van uithandengeving op 1 september 2019 met terugwerkende kracht is
tenietgedaan en dat de minderjarige die voor de verwijzende rechter is tenietgedaan en dat de minderjarige die voor de verwijzende rechter is
gedaagd bijgevolg opnieuw in aanmerking komt voor uithandengeving. gedaagd bijgevolg opnieuw in aanmerking komt voor uithandengeving.
B.17. Met zijn tweede prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter B.17. Met zijn tweede prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter
van het Hof te vernemen of de artikelen 7, 10 en 11 van het decreet van het Hof te vernemen of de artikelen 7, 10 en 11 van het decreet
van 24 september 2019 de artikelen 12 en 14 van de Grondwet schenden, van 24 september 2019 de artikelen 12 en 14 van de Grondwet schenden,
al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 7 van het al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 7 van het
Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 15 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 15 van het
Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten,
doordat zij met terugwerkende kracht een regeling invoeren op basis doordat zij met terugwerkende kracht een regeling invoeren op basis
waarvan personen die ervan worden verdacht als minderjarige een waarvan personen die ervan worden verdacht als minderjarige een
strafbaar feit te hebben gepleegd uit handen kunnen worden gegeven, strafbaar feit te hebben gepleegd uit handen kunnen worden gegeven,
terwijl een uithandengeving onder de gelding van artikel 38 van het terwijl een uithandengeving onder de gelding van artikel 38 van het
decreet van 15 februari 2019 niet mogelijk was. decreet van 15 februari 2019 niet mogelijk was.
B.18. Zoals in B.11 is vermeld, houdt de beslissing tot B.18. Zoals in B.11 is vermeld, houdt de beslissing tot
uithandengeving op zich geen straf in, maar bepaalt zij het recht dat uithandengeving op zich geen straf in, maar bepaalt zij het recht dat
op het als misdrijf omschreven feit, gepleegd door een minderjarige, op het als misdrijf omschreven feit, gepleegd door een minderjarige,
van toepassing is, namelijk het strafrecht in plaats van het van toepassing is, namelijk het strafrecht in plaats van het
jeugddelinquentierecht. jeugddelinquentierecht.
B.19. De artikelen 7, 10 en 11 van het decreet van 24 september 2019 B.19. De artikelen 7, 10 en 11 van het decreet van 24 september 2019
zijn verenigbaar met de artikelen 12 en 14 van Grondwet, al dan niet zijn verenigbaar met de artikelen 12 en 14 van Grondwet, al dan niet
in samenhang gelezen met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de in samenhang gelezen met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de
rechten van de mens en met artikel 15 van het Internationaal Verdrag rechten van de mens en met artikel 15 van het Internationaal Verdrag
inzake burgerrechten en politieke rechten, aangezien zij niet onder inzake burgerrechten en politieke rechten, aangezien zij niet onder
het toepassingsgebied van die bepalingen vallen. het toepassingsgebied van die bepalingen vallen.
De tweede prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. De tweede prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.
Om die redenen, Om die redenen,
het Hof het Hof
zegt voor recht : zegt voor recht :
De artikelen 87 en 89 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van De artikelen 87 en 89 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van
15 februari 2019 « betreffende het jeugddelinquentierecht » en de 15 februari 2019 « betreffende het jeugddelinquentierecht » en de
artikelen 7, 10 en 11 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van artikelen 7, 10 en 11 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van
24 september 2019 « houdende wijziging van de wet van 8 april 1965 24 september 2019 « houdende wijziging van de wet van 8 april 1965
betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen
die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel
van de door dit feit veroorzaakte schade en het decreet van 15 van de door dit feit veroorzaakte schade en het decreet van 15
februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht, wat de februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht, wat de
overgangsbepalingen betreft » schenden niet de artikelen 12 en 14 van overgangsbepalingen betreft » schenden niet de artikelen 12 en 14 van
Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 7 van Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 7 van
het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 15 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 15 van
het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.
Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel
65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof,
op 27 juli 2020. op 27 juli 2020.
De griffier, De griffier,
P.-Y. Dutilleux P.-Y. Dutilleux
De voorzitter, De voorzitter,
A. Alen A. Alen
^