← Terug naar "Uittreksel uit arrest nr. 86/2020 van 18 juni 2020 Rolnummers 7080, 7131, 7151 en 7248 In
zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 4, § 3, van de wet van 19 maart 2017 « tot oprichting
van een Begrotingsfonds voor de juridische Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters
F. Daoût en A. Alen, en de rechters J.-P(...)"
Uittreksel uit arrest nr. 86/2020 van 18 juni 2020 Rolnummers 7080, 7131, 7151 en 7248 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 4, § 3, van de wet van 19 maart 2017 « tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters J.-P(...) | Uittreksel uit arrest nr. 86/2020 van 18 juni 2020 Rolnummers 7080, 7131, 7151 en 7248 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 4, § 3, van de wet van 19 maart 2017 « tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters J.-P(...) |
---|---|
GRONDWETTELIJK HOF | GRONDWETTELIJK HOF |
Uittreksel uit arrest nr. 86/2020 van 18 juni 2020 | Uittreksel uit arrest nr. 86/2020 van 18 juni 2020 |
Rolnummers 7080, 7131, 7151 en 7248 | Rolnummers 7080, 7131, 7151 en 7248 |
In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 4, § 3, van de | In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 4, § 3, van de |
wet van 19 maart 2017 « tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de | wet van 19 maart 2017 « tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de |
juridische tweedelijnsbijstand », gesteld door de correctionele | juridische tweedelijnsbijstand », gesteld door de correctionele |
rechtbank Henegouwen, afdeling Bergen. | rechtbank Henegouwen, afdeling Bergen. |
Het Grondwettelijk Hof, | Het Grondwettelijk Hof, |
samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters | samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters |
J.-P. Moerman, T. Merckx-Van Goey, R. Leysen, M. Pâques en Y. | J.-P. Moerman, T. Merckx-Van Goey, R. Leysen, M. Pâques en Y. |
Kherbache, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder | Kherbache, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder |
voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, | voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, |
wijst na beraad het volgende arrest : | wijst na beraad het volgende arrest : |
I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging | I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging |
a. Bij vonnis van 20 november 2018, waarvan de expeditie ter griffie | a. Bij vonnis van 20 november 2018, waarvan de expeditie ter griffie |
van het Hof is ingekomen op 17 december 2018, heeft de correctionele | van het Hof is ingekomen op 17 december 2018, heeft de correctionele |
rechtbank Henegouwen, afdeling Bergen, de volgende prejudiciële vraag | rechtbank Henegouwen, afdeling Bergen, de volgende prejudiciële vraag |
gesteld : | gesteld : |
« Schendt artikel 4, § 3, van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting | « Schendt artikel 4, § 3, van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting |
van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand niet de | van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand niet de |
artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het bepaalt dat iedere | artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het bepaalt dat iedere |
door een strafgerecht veroordeelde verdachte, inverdenkinggestelde, | door een strafgerecht veroordeelde verdachte, inverdenkinggestelde, |
beschuldigde of voor het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijke | beschuldigde of voor het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijke |
persoon wordt veroordeeld tot het betalen van een bijdrage aan dat | persoon wordt veroordeeld tot het betalen van een bijdrage aan dat |
fonds, net zoals de burgerlijke partij die in het ongelijk wordt | fonds, net zoals de burgerlijke partij die in het ongelijk wordt |
gesteld nadat zij het initiatief tot de rechtstreekse dagvaarding | gesteld nadat zij het initiatief tot de rechtstreekse dagvaarding |
heeft genomen of wanneer een onderzoek is geopend ten gevolge van haar | heeft genomen of wanneer een onderzoek is geopend ten gevolge van haar |
optreden als burgerlijke partij, terwijl het niet in een dergelijke | optreden als burgerlijke partij, terwijl het niet in een dergelijke |
maatregel voorziet ten aanzien van de vrijwillig tussenkomende partij | maatregel voorziet ten aanzien van de vrijwillig tussenkomende partij |
of de gedwongen tussenkomende partij die, bijvoorbeeld, aangezien zij | of de gedwongen tussenkomende partij die, bijvoorbeeld, aangezien zij |
in het ongelijk wordt gesteld op haar hoger beroep, zou worden | in het ongelijk wordt gesteld op haar hoger beroep, zou worden |
veroordeeld in de kosten van het hoger beroep jegens de Staat, in de | veroordeeld in de kosten van het hoger beroep jegens de Staat, in de |
wetenschap dat artikel 162 van het Wetboek van strafvordering bepaalt | wetenschap dat artikel 162 van het Wetboek van strafvordering bepaalt |
dat die kosten die bijdrage omvatten ? ». | dat die kosten die bijdrage omvatten ? ». |
b. Bij twee vonnissen van 8 en 15 januari 2019, waarvan de expedities | b. Bij twee vonnissen van 8 en 15 januari 2019, waarvan de expedities |
ter griffie van het Hof zijn ingekomen respectievelijk op 27 februari | ter griffie van het Hof zijn ingekomen respectievelijk op 27 februari |
en 29 maart 2019, heeft de correctionele rechtbank Henegouwen, | en 29 maart 2019, heeft de correctionele rechtbank Henegouwen, |
afdeling Bergen, dezelfde prejudiciële vraag gesteld. | afdeling Bergen, dezelfde prejudiciële vraag gesteld. |
c. Bij vonnis van 18 juni 2019, waarvan de expeditie ter griffie van | c. Bij vonnis van 18 juni 2019, waarvan de expeditie ter griffie van |
het Hof is ingekomen op 6 september 2019, heeft de correctionele | het Hof is ingekomen op 6 september 2019, heeft de correctionele |
rechtbank Henegouwen, afdeling Bergen, dezelfde prejudiciële vraag | rechtbank Henegouwen, afdeling Bergen, dezelfde prejudiciële vraag |
gesteld. | gesteld. |
Die zaken, ingeschreven onder de nummers 7080, 7131, 7151 en 7248 van | Die zaken, ingeschreven onder de nummers 7080, 7131, 7151 en 7248 van |
de rol van het Hof, werden samengevoegd. | de rol van het Hof, werden samengevoegd. |
(...) | (...) |
III. In rechte | III. In rechte |
B.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 4, § 3, van de | B.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 4, § 3, van de |
wet van 19 maart 2017 « tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de | wet van 19 maart 2017 « tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de |
juridische tweedelijnsbijstand » (hierna : de wet van 19 maart 2017). | juridische tweedelijnsbijstand » (hierna : de wet van 19 maart 2017). |
B.2.1. Toen de prejudiciële vraag werd gesteld, bepaalde artikel 4, §§ | B.2.1. Toen de prejudiciële vraag werd gesteld, bepaalde artikel 4, §§ |
2 en 3, van de wet van 19 maart 2017 : | 2 en 3, van de wet van 19 maart 2017 : |
« § 2. Voor de zaken die volgens de burgerlijke rechtspleging worden | « § 2. Voor de zaken die volgens de burgerlijke rechtspleging worden |
behandeld, is voor elke gedinginleidende akte die op een van de rollen | behandeld, is voor elke gedinginleidende akte die op een van de rollen |
bedoeld in de artikelen 711 en 712 van het Gerechtelijk Wetboek wordt | bedoeld in de artikelen 711 en 712 van het Gerechtelijk Wetboek wordt |
ingeschreven, op het ogenblik van die inschrijving, door elke eisende | ingeschreven, op het ogenblik van die inschrijving, door elke eisende |
partij, een bijdrage aan het Fonds verschuldigd. Zonder betaling van | partij, een bijdrage aan het Fonds verschuldigd. Zonder betaling van |
deze bijdrage wordt de zaak niet ingeschreven. | deze bijdrage wordt de zaak niet ingeschreven. |
Geen bijdrage wordt evenwel geïnd van de eisende partij : | Geen bijdrage wordt evenwel geïnd van de eisende partij : |
1° indien zij juridische tweedelijnsbijstand of rechtsbijstand geniet; | 1° indien zij juridische tweedelijnsbijstand of rechtsbijstand geniet; |
2° indien zij een vordering inleidt, bedoeld in artikel 68 van de | 2° indien zij een vordering inleidt, bedoeld in artikel 68 van de |
Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 en bedoeld in artikel 53, | Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 en bedoeld in artikel 53, |
tweede lid, van de wetten betreffende de preventie van beroepsziekten | tweede lid, van de wetten betreffende de preventie van beroepsziekten |
en de vergoeding van de schade die uit die ziekten voortvloeit, | en de vergoeding van de schade die uit die ziekten voortvloeit, |
gecoördineerd op 3 juni 1970; | gecoördineerd op 3 juni 1970; |
3° indien zij een vordering inleidt, bedoeld in de artikelen 579, 6°, | 3° indien zij een vordering inleidt, bedoeld in de artikelen 579, 6°, |
580, 581 en 582, 1° en 2° van het Gerechtelijk Wetboek betreffende | 580, 581 en 582, 1° en 2° van het Gerechtelijk Wetboek betreffende |
vorderingen ingesteld door of tegen de sociaal verzekerden | vorderingen ingesteld door of tegen de sociaal verzekerden |
persoonlijk; | persoonlijk; |
4° indien zij een vordering inleidt, bedoeld in artikel 1675/4 van het | 4° indien zij een vordering inleidt, bedoeld in artikel 1675/4 van het |
Gerechtelijk Wetboek; | Gerechtelijk Wetboek; |
5° indien zij in de hoedanigheid van openbaar ministerie een vordering | 5° indien zij in de hoedanigheid van openbaar ministerie een vordering |
inleidt, bedoeld in artikel 138bis Gerechtelijk Wetboek. | inleidt, bedoeld in artikel 138bis Gerechtelijk Wetboek. |
Tenzij de in het ongelijk gestelde partij van de juridische | Tenzij de in het ongelijk gestelde partij van de juridische |
tweedelijnsbijstand of rechtsbijstand geniet, vereffent het | tweedelijnsbijstand of rechtsbijstand geniet, vereffent het |
rechtscollege het bedrag van de bijdrage aan het Fonds in de | rechtscollege het bedrag van de bijdrage aan het Fonds in de |
eindbeslissing die in de kosten verwijst. | eindbeslissing die in de kosten verwijst. |
De Koning bepaalt de nadere regels voor de invordering van de bijdrage | De Koning bepaalt de nadere regels voor de invordering van de bijdrage |
aan het Fonds. | aan het Fonds. |
§ 3. Behalve indien hij van de juridische tweedelijnsbijstand geniet, | § 3. Behalve indien hij van de juridische tweedelijnsbijstand geniet, |
wordt iedere door een strafgerecht veroordeelde verdachte, | wordt iedere door een strafgerecht veroordeelde verdachte, |
inverdenkinggestelde, beklaagde, beschuldigde of voor het misdrijf | inverdenkinggestelde, beklaagde, beschuldigde of voor het misdrijf |
burgerrechtelijk aansprakelijke persoon, veroordeeld tot het betalen | burgerrechtelijk aansprakelijke persoon, veroordeeld tot het betalen |
van een bijdrage aan het Fonds. | van een bijdrage aan het Fonds. |
Behalve indien zij van de juridische tweedelijnsbijstand geniet, wordt | Behalve indien zij van de juridische tweedelijnsbijstand geniet, wordt |
de burgerlijke partij, wanneer zij het initiatief tot de rechtstreekse | de burgerlijke partij, wanneer zij het initiatief tot de rechtstreekse |
dagvaarding heeft genomen of wanneer een onderzoek is geopend ten | dagvaarding heeft genomen of wanneer een onderzoek is geopend ten |
gevolge van haar optreden als burgerlijke partij en zij in het | gevolge van haar optreden als burgerlijke partij en zij in het |
ongelijk wordt gesteld, veroordeeld tot het betalen van een bijdrage | ongelijk wordt gesteld, veroordeeld tot het betalen van een bijdrage |
aan het Fonds. | aan het Fonds. |
Het rechtscollege vereffent het bedrag van de bijdrage aan het Fonds | Het rechtscollege vereffent het bedrag van de bijdrage aan het Fonds |
in de eindbeslissing die in de kosten verwijst. | in de eindbeslissing die in de kosten verwijst. |
De bijdrage wordt ingevorderd volgens de regels van toepassing op de | De bijdrage wordt ingevorderd volgens de regels van toepassing op de |
invordering van de strafrechtelijke geldboeten ». | invordering van de strafrechtelijke geldboeten ». |
B.2.2. Bij zijn arrest nr. 22/2020 van 13 februari 2020 heeft het Hof | B.2.2. Bij zijn arrest nr. 22/2020 van 13 februari 2020 heeft het Hof |
de woorden « door elke eisende partij » in artikel 4, § 2, eerste lid, | de woorden « door elke eisende partij » in artikel 4, § 2, eerste lid, |
van de wet van 19 maart 2017 vernietigd. Daaruit vloeit voort dat in | van de wet van 19 maart 2017 vernietigd. Daaruit vloeit voort dat in |
beginsel voor elke gedinginleidende akte één bijdrage moet worden | beginsel voor elke gedinginleidende akte één bijdrage moet worden |
betaald op het ogenblik van de inschrijving op de rol, voor de zaken | betaald op het ogenblik van de inschrijving op de rol, voor de zaken |
die volgens de burgerlijke rechtspleging worden behandeld. Die | die volgens de burgerlijke rechtspleging worden behandeld. Die |
vernietiging heeft geen weerslag op de relevantie van de prejudiciële | vernietiging heeft geen weerslag op de relevantie van de prejudiciële |
vraag. Het Hof beantwoordt de vraag dus zoals zij is gesteld. | vraag. Het Hof beantwoordt de vraag dus zoals zij is gesteld. |
B.3. Aan het Hof wordt een vraag gesteld over de bestaanbaarheid van | B.3. Aan het Hof wordt een vraag gesteld over de bestaanbaarheid van |
de in het geding zijnde bepaling met het beginsel van gelijkheid en | de in het geding zijnde bepaling met het beginsel van gelijkheid en |
niet-discriminatie, in zoverre zij erin voorziet dat iedere door een | niet-discriminatie, in zoverre zij erin voorziet dat iedere door een |
strafgerecht veroordeelde verdachte, inverdenkinggestelde, | strafgerecht veroordeelde verdachte, inverdenkinggestelde, |
beschuldigde of voor het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijke | beschuldigde of voor het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijke |
persoon, net zoals de burgerlijke partij die in het ongelijk wordt | persoon, net zoals de burgerlijke partij die in het ongelijk wordt |
gesteld nadat zij het initiatief tot de rechtstreekse dagvaarding | gesteld nadat zij het initiatief tot de rechtstreekse dagvaarding |
heeft genomen of wanneer een onderzoek is geopend ten gevolge van haar | heeft genomen of wanneer een onderzoek is geopend ten gevolge van haar |
optreden als burgerlijke partij, wordt veroordeeld tot het betalen van | optreden als burgerlijke partij, wordt veroordeeld tot het betalen van |
een bijdrage aan het begrotingsfonds voor de juridische | een bijdrage aan het begrotingsfonds voor de juridische |
tweedelijnsbijstand, terwijl zij niet in een dergelijke maatregel | tweedelijnsbijstand, terwijl zij niet in een dergelijke maatregel |
voorziet ten aanzien van de vrijwillig of gedwongen tussenkomende | voorziet ten aanzien van de vrijwillig of gedwongen tussenkomende |
partij die, bijvoorbeeld, aangezien zij in het ongelijk wordt gesteld | partij die, bijvoorbeeld, aangezien zij in het ongelijk wordt gesteld |
op haar hoger beroep, zou worden veroordeeld in de kosten van het | op haar hoger beroep, zou worden veroordeeld in de kosten van het |
hoger beroep jegens de Staat, in de wetenschap dat artikel 162 van het | hoger beroep jegens de Staat, in de wetenschap dat artikel 162 van het |
Wetboek van strafvordering bepaalt dat die kosten die bijdrage | Wetboek van strafvordering bepaalt dat die kosten die bijdrage |
omvatten. | omvatten. |
B.4. De prejudiciële vraag heeft betrekking op de mogelijkheid of | B.4. De prejudiciële vraag heeft betrekking op de mogelijkheid of |
onmogelijkheid voor een strafgerecht om de verzekeraar die vrijwillig | onmogelijkheid voor een strafgerecht om de verzekeraar die vrijwillig |
of gedwongen is tussengekomen in het geding dat is ingesteld tegen de | of gedwongen is tussengekomen in het geding dat is ingesteld tegen de |
verzekerde en die in het ongelijk wordt gesteld op zijn hoger beroep | verzekerde en die in het ongelijk wordt gesteld op zijn hoger beroep |
tegen de burgerlijke beschikkingen van het vonnis in eerste aanleg, te | tegen de burgerlijke beschikkingen van het vonnis in eerste aanleg, te |
veroordelen tot het betalen van de bijdrage aan het begrotingsfonds | veroordelen tot het betalen van de bijdrage aan het begrotingsfonds |
voor de juridische tweedelijnsbijstand. Het Hof beperkt zijn onderzoek | voor de juridische tweedelijnsbijstand. Het Hof beperkt zijn onderzoek |
tot dat geval. | tot dat geval. |
B.5.1. De wet van 19 maart 2017 richt een « Begrotingsfonds voor de | B.5.1. De wet van 19 maart 2017 richt een « Begrotingsfonds voor de |
juridische tweedelijnsbijstand » op bij de Federale Overheidsdienst | juridische tweedelijnsbijstand » op bij de Federale Overheidsdienst |
Justitie (artikel 2). De opbrengsten van het fonds worden gebruikt ter | Justitie (artikel 2). De opbrengsten van het fonds worden gebruikt ter |
financiering van de vergoedingen van de advocaten belast met de | financiering van de vergoedingen van de advocaten belast met de |
juridische tweedelijnsbijstand alsmede van de kosten verbonden aan de | juridische tweedelijnsbijstand alsmede van de kosten verbonden aan de |
organisatie van de bureaus voor juridische bijstand (artikel 3). | organisatie van de bureaus voor juridische bijstand (artikel 3). |
B.5.2. Het fonds wordt gefinancierd met bijdragen die worden geïnd in | B.5.2. Het fonds wordt gefinancierd met bijdragen die worden geïnd in |
het kader van gerechtelijke procedures. In artikel 4 van de wet van 19 | het kader van gerechtelijke procedures. In artikel 4 van de wet van 19 |
maart 2017 wordt bepaald in welke zaken de bijdrage verschuldigd is, | maart 2017 wordt bepaald in welke zaken de bijdrage verschuldigd is, |
wie deze dient te betalen en op welke wijze ze wordt geïnd. De | wie deze dient te betalen en op welke wijze ze wordt geïnd. De |
wetgever maakt hierbij een onderscheid tussen zaken die volgens de | wetgever maakt hierbij een onderscheid tussen zaken die volgens de |
burgerlijke rechtspleging worden behandeld (artikel 4, § 2), | burgerlijke rechtspleging worden behandeld (artikel 4, § 2), |
strafzaken (artikel 4, § 3) en zaken voor de Raad van State en de Raad | strafzaken (artikel 4, § 3) en zaken voor de Raad van State en de Raad |
voor Vreemdelingenbetwistingen (artikel 4, § 4). | voor Vreemdelingenbetwistingen (artikel 4, § 4). |
B.6. Artikel 162 van het Wetboek van strafvordering bepaalt : | B.6. Artikel 162 van het Wetboek van strafvordering bepaalt : |
« Ieder veroordelend vonnis, uitgesproken tegen de beklaagde en tegen | « Ieder veroordelend vonnis, uitgesproken tegen de beklaagde en tegen |
de personen die voor het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijk zijn, | de personen die voor het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijk zijn, |
verwijst hen in de kosten, zelfs jegens de openbare partij. | verwijst hen in de kosten, zelfs jegens de openbare partij. |
De burgerlijke partij die in het ongelijk wordt gesteld, kan worden | De burgerlijke partij die in het ongelijk wordt gesteld, kan worden |
veroordeeld in de kosten jegens de Staat en jegens de beklaagde of in | veroordeeld in de kosten jegens de Staat en jegens de beklaagde of in |
een gedeelte ervan. Zij kan worden veroordeeld in alle, dan wel een | een gedeelte ervan. Zij kan worden veroordeeld in alle, dan wel een |
deel van de kosten door de Staat en door de beklaagde gemaakt, wanneer | deel van de kosten door de Staat en door de beklaagde gemaakt, wanneer |
zij het initiatief tot de rechtstreekse dagvaarding heeft genomen of | zij het initiatief tot de rechtstreekse dagvaarding heeft genomen of |
wanneer een onderzoek is geopend ten gevolge van haar optreden als | wanneer een onderzoek is geopend ten gevolge van haar optreden als |
burgerlijke partij. De kosten worden door het vonnis bepaald en | burgerlijke partij. De kosten worden door het vonnis bepaald en |
omvatten de bijdrage bedoeld in artikel 4, § 3, van de wet van 19 | omvatten de bijdrage bedoeld in artikel 4, § 3, van de wet van 19 |
maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische | maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische |
tweedelijnsbijstand ». | tweedelijnsbijstand ». |
B.7. Artikel 153, § 5, van de wet van 4 april 2014 « betreffende de | B.7. Artikel 153, § 5, van de wet van 4 april 2014 « betreffende de |
verzekeringen » (hierna : de wet van 4 april 2014) bepaalt : | verzekeringen » (hierna : de wet van 4 april 2014) bepaalt : |
« Wanneer het geding tegen de verzekerde is ingesteld voor het | « Wanneer het geding tegen de verzekerde is ingesteld voor het |
strafgerecht, kan de verzekeraar door de benadeelde of door de | strafgerecht, kan de verzekeraar door de benadeelde of door de |
verzekerde in de zaak worden betrokken en kan hij vrijwillig | verzekerde in de zaak worden betrokken en kan hij vrijwillig |
tussenkomen, onder dezelfde voorwaarden als zou de vordering voor het | tussenkomen, onder dezelfde voorwaarden als zou de vordering voor het |
burgerlijk gerecht gebracht zijn, maar het strafgerecht kan geen | burgerlijk gerecht gebracht zijn, maar het strafgerecht kan geen |
uitspraak doen over de rechten die de verzekeraar kan doen gelden | uitspraak doen over de rechten die de verzekeraar kan doen gelden |
tegenover de verzekerde of de verzekeringnemer ». | tegenover de verzekerde of de verzekeringnemer ». |
B.8. Krachtens artikel 174 van het Wetboek van strafvordering neemt de | B.8. Krachtens artikel 174 van het Wetboek van strafvordering neemt de |
correctionele rechtbank kennis van alle hogere beroepen ingesteld | correctionele rechtbank kennis van alle hogere beroepen ingesteld |
tegen de vonnissen van de politierechtbank in strafzaken. | tegen de vonnissen van de politierechtbank in strafzaken. |
Krachtens artikel 577, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek neemt | Krachtens artikel 577, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek neemt |
de rechtbank van eerste aanleg in hoger beroep kennis van de vonnissen | de rechtbank van eerste aanleg in hoger beroep kennis van de vonnissen |
die in eerste aanleg zijn gewezen door de politierechtbank, in | die in eerste aanleg zijn gewezen door de politierechtbank, in |
burgerlijke zaken, in de in artikel 601bis van hetzelfde Wetboek | burgerlijke zaken, in de in artikel 601bis van hetzelfde Wetboek |
bedoelde gevallen, en met name met betrekking tot de vorderingen tot | bedoelde gevallen, en met name met betrekking tot de vorderingen tot |
vergoeding van schade ontstaan uit een verkeersongeval. | vergoeding van schade ontstaan uit een verkeersongeval. |
B.9. Overeenkomstig artikel 153, § 5, van de wet van 4 april 2014 | B.9. Overeenkomstig artikel 153, § 5, van de wet van 4 april 2014 |
geschiedt het optreden van de verzekeraar in het strafproces tegen de | geschiedt het optreden van de verzekeraar in het strafproces tegen de |
verzekerde onder dezelfde voorwaarden als zou de vordering voor het | verzekerde onder dezelfde voorwaarden als zou de vordering voor het |
burgerlijk gerecht zijn gebracht. Daaruit vloeit voort dat de | burgerlijk gerecht zijn gebracht. Daaruit vloeit voort dat de |
correctionele rechtbank, wanneer zij uitspraak doet over het hoger | correctionele rechtbank, wanneer zij uitspraak doet over het hoger |
beroep dat door de verzekeraar is ingesteld tegen een vonnis van de | beroep dat door de verzekeraar is ingesteld tegen een vonnis van de |
politierechtbank aangaande de burgerlijke rechtsvordering terwijl deze | politierechtbank aangaande de burgerlijke rechtsvordering terwijl deze |
zitting houdt in strafzaken, de verzekeraar kan veroordelen tot de | zitting houdt in strafzaken, de verzekeraar kan veroordelen tot de |
bijdrage aan het begrotingsfonds voor de juridische | bijdrage aan het begrotingsfonds voor de juridische |
tweedelijnsbijstand, voor zover zij vaststelt dat de voorwaarden met | tweedelijnsbijstand, voor zover zij vaststelt dat de voorwaarden met |
betrekking tot het betalen van de voormelde bijdrage zijn vervuld. | betrekking tot het betalen van de voormelde bijdrage zijn vervuld. |
B.10. Uit het voorgaande vloeit voort dat het in de prejudiciële vraag | B.10. Uit het voorgaande vloeit voort dat het in de prejudiciële vraag |
opgeworpen verschil in behandeling niet bestaat. | opgeworpen verschil in behandeling niet bestaat. |
B.11. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. | B.11. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. |
Om die redenen, | Om die redenen, |
het Hof | het Hof |
zegt voor recht : | zegt voor recht : |
Artikel 4, § 3, van de wet van 19 maart 2017 « tot oprichting van een | Artikel 4, § 3, van de wet van 19 maart 2017 « tot oprichting van een |
Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand » schendt de | Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand » schendt de |
artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. | artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. |
Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel | Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel |
65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, | 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, |
op 18 juni 2020. | op 18 juni 2020. |
De griffier, | De griffier, |
F. Meersschaut | F. Meersschaut |
De voorzitter, | De voorzitter, |
F. Daoût | F. Daoût |