Etaamb.openjustice.be
Meertalige weergave van Arrest van --
← Terug naar "Uittreksel uit arrest nr. 128/2019 van 10 oktober 2019 Rolnummer 6890 In zake : de prejudiciële vraag over de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen , (...) Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters L. L(...)"
Uittreksel uit arrest nr. 128/2019 van 10 oktober 2019 Rolnummer 6890 In zake : de prejudiciële vraag over de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen , (...) Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters L. L(...) Uittreksel uit arrest nr. 128/2019 van 10 oktober 2019 Rolnummer 6890 In zake : de prejudiciële vraag over de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen , (...) Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters L. L(...)
GRONDWETTELIJK HOF GRONDWETTELIJK HOF
Uittreksel uit arrest nr. 128/2019 van 10 oktober 2019 Uittreksel uit arrest nr. 128/2019 van 10 oktober 2019
Rolnummer 6890 Rolnummer 6890
In zake : de prejudiciële vraag over de gecoördineerde wet van 10 mei In zake : de prejudiciële vraag over de gecoördineerde wet van 10 mei
2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen (met 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen (met
name de artikelen 69, 70 en 126), gesteld door de Rechtbank van eerste name de artikelen 69, 70 en 126), gesteld door de Rechtbank van eerste
aanleg Luik, afdeling Luik. aanleg Luik, afdeling Luik.
Het Grondwettelijk Hof, Het Grondwettelijk Hof,
samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters L. samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters L.
Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en P. Nihoul, Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en P. Nihoul,
bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van
voorzitter F. Daoût, voorzitter F. Daoût,
wijst na beraad het volgende arrest : wijst na beraad het volgende arrest :
I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging
Bij vonnis van 13 maart 2018, waarvan de expeditie ter griffie van het Bij vonnis van 13 maart 2018, waarvan de expeditie ter griffie van het
Hof is ingekomen op 30 maart 2018, heeft de Rechtbank van eerste Hof is ingekomen op 30 maart 2018, heeft de Rechtbank van eerste
aanleg Luik, afdeling Luik, de volgende prejudiciële vraag gesteld : aanleg Luik, afdeling Luik, de volgende prejudiciële vraag gesteld :
« Schendt de wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de « Schendt de wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de
gezondheidszorgberoepen (met name de artikelen 69, 70 en 126 ervan), gezondheidszorgberoepen (met name de artikelen 69, 70 en 126 ervan),
in zoverre zij de Koning ertoe machtigt de lijst van de paramedische in zoverre zij de Koning ertoe machtigt de lijst van de paramedische
beroepen vast te stellen en het feit handelingen te stellen die aan beroepen vast te stellen en het feit handelingen te stellen die aan
die beroepen zijn voorbehouden zonder houder te zijn van een vereiste die beroepen zijn voorbehouden zonder houder te zijn van een vereiste
titel of beoefenaar van een erkend beroep om die handelingen te titel of beoefenaar van een erkend beroep om die handelingen te
stellen, strafbaar stelt, en het aldus mogelijk maakt dat een misdrijf stellen, strafbaar stelt, en het aldus mogelijk maakt dat een misdrijf
kan bestaan bij ontstentenis van motivering van het doorslaggevende kan bestaan bij ontstentenis van motivering van het doorslaggevende
element van het misdrijf, het strafrechtelijk wettigheidsbeginsel, de element van het misdrijf, het strafrechtelijk wettigheidsbeginsel, de
artikelen 10, 11 en 12 van de Grondwet, al dan niet in samenhang artikelen 10, 11 en 12 van de Grondwet, al dan niet in samenhang
gelezen met artikel 161 van de Grondwet en met de artikelen 6, 7 en 13 gelezen met artikel 161 van de Grondwet en met de artikelen 6, 7 en 13
van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, en verleent zij van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, en verleent zij
een buitensporige machtiging aan de Koning ? ». een buitensporige machtiging aan de Koning ? ».
(...) (...)
III. In rechte III. In rechte
(...) (...)
Ten aanzien van de draagwijdte van de prejudiciële vraag Ten aanzien van de draagwijdte van de prejudiciële vraag
B.1. In de prejudiciële vraag wordt het Hof verzocht zich uit te B.1. In de prejudiciële vraag wordt het Hof verzocht zich uit te
spreken over de bestaanbaarheid van de artikelen 69, 70 en 126 van de spreken over de bestaanbaarheid van de artikelen 69, 70 en 126 van de
gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de
gezondheidszorgberoepen (hierna : de wet van 10 mei 2015), met de gezondheidszorgberoepen (hierna : de wet van 10 mei 2015), met de
artikelen 10, 11 en 12 van de Grondwet, al dan niet in samenhang artikelen 10, 11 en 12 van de Grondwet, al dan niet in samenhang
gelezen met artikel 161 ervan en met de artikelen 6, 7 en 13 van het gelezen met artikel 161 ervan en met de artikelen 6, 7 en 13 van het
Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre zij de Koning Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre zij de Koning
ertoe machtigen de lijst van de paramedische beroepen vast te stellen ertoe machtigen de lijst van de paramedische beroepen vast te stellen
en het stellen van handelingen die aan die beroepen zijn voorbehouden en het stellen van handelingen die aan die beroepen zijn voorbehouden
zonder houder te zijn van een vereiste titel, strafbaar stellen. Door zonder houder te zijn van een vereiste titel, strafbaar stellen. Door
aldus aan de Koning een buitensporige machtiging toe te kennen, zouden aldus aan de Koning een buitensporige machtiging toe te kennen, zouden
die bepalingen tot gevolg hebben dat een misdrijf kan bestaan zonder die bepalingen tot gevolg hebben dat een misdrijf kan bestaan zonder
dat het bepalende element van dat misdrijf is gemotiveerd. dat het bepalende element van dat misdrijf is gemotiveerd.
De prejudiciële vraag heeft aldus betrekking op het verbod van De prejudiciële vraag heeft aldus betrekking op het verbod van
delegatie aan de Koning en het wettigheidsbeginsel in strafzaken. Uit delegatie aan de Koning en het wettigheidsbeginsel in strafzaken. Uit
de vraag zelf noch uit de motivering van de verwijzingsbeslissing de vraag zelf noch uit de motivering van de verwijzingsbeslissing
blijkt in welk opzicht artikel 161 van de Grondwet en de artikelen 6 blijkt in welk opzicht artikel 161 van de Grondwet en de artikelen 6
en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens met die en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens met die
vraag verband houden. Het blijkt evenmin in welk opzicht de artikelen vraag verband houden. Het blijkt evenmin in welk opzicht de artikelen
10 en 11 van de Grondwet, op zichzelf beschouwd, zouden zijn 10 en 11 van de Grondwet, op zichzelf beschouwd, zouden zijn
geschonden. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot de verenigbaarheid van geschonden. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot de verenigbaarheid van
de in het geding zijnde bepalingen met artikel 12 van de Grondwet, in de in het geding zijnde bepalingen met artikel 12 van de Grondwet, in
samenhang gelezen met artikel 7 van het voormelde Verdrag. samenhang gelezen met artikel 7 van het voormelde Verdrag.
B.2. Het voor de verwijzende rechter gebrachte geschil betreft B.2. Het voor de verwijzende rechter gebrachte geschil betreft
studenten of gediplomeerden in de psychomotoriek die de afwezigheid, studenten of gediplomeerden in de psychomotoriek die de afwezigheid,
tot op heden, van een erkenning van hun beroep als paramedisch beroep tot op heden, van een erkenning van hun beroep als paramedisch beroep
betwisten. In hoofdorde vorderen zij dat de verwijzende rechter de betwisten. In hoofdorde vorderen zij dat de verwijzende rechter de
Staat beveelt een koninklijk besluit te nemen dat de psychomotoriek Staat beveelt een koninklijk besluit te nemen dat de psychomotoriek
als een paramedisch beroep erkent, en in ondergeschikte orde dat de als een paramedisch beroep erkent, en in ondergeschikte orde dat de
rechter vaststelt dat het stellen van alle handelingen waarvoor zij rechter vaststelt dat het stellen van alle handelingen waarvoor zij
zijn gediplomeerd, niet wettelijk kan worden geacht een misdrijf uit zijn gediplomeerd, niet wettelijk kan worden geacht een misdrijf uit
te maken. te maken.
Het Hof beperkt zijn onderzoek van de prejudiciële vraag derhalve tot Het Hof beperkt zijn onderzoek van de prejudiciële vraag derhalve tot
het gegeven dat die laatste de afwezigheid van een erkenning van de het gegeven dat die laatste de afwezigheid van een erkenning van de
psychomotoriek als paramedische beroep beoogt. psychomotoriek als paramedische beroep beoogt.
B.3. De Ministerraad voert aan dat de prejudiciële vraag niet nuttig B.3. De Ministerraad voert aan dat de prejudiciële vraag niet nuttig
is om het geschil op te lossen. Volgens hem zou, zelfs in de is om het geschil op te lossen. Volgens hem zou, zelfs in de
veronderstelling dat die vraag bevestigend kan worden beantwoord, dat veronderstelling dat die vraag bevestigend kan worden beantwoord, dat
antwoord geen enkel nut hebben om het bestaan aan te tonen van de antwoord geen enkel nut hebben om het bestaan aan te tonen van de
fouten die de eisende partijen de Belgische Staat en de Franse fouten die de eisende partijen de Belgische Staat en de Franse
Gemeenschap verwijten. Hij voegt eraan toe dat, aangezien het beroep Gemeenschap verwijten. Hij voegt eraan toe dat, aangezien het beroep
van psychomotorisch therapeut niet erkend is, geen enkele wettekst van psychomotorisch therapeut niet erkend is, geen enkele wettekst
voorziet in het diploma waarover de personen die dat beroep kunnen voorziet in het diploma waarover de personen die dat beroep kunnen
uitoefenen, zouden moeten beschikken. uitoefenen, zouden moeten beschikken.
Ten slotte voert de Ministerraad aan dat het verwijzende rechtscollege Ten slotte voert de Ministerraad aan dat het verwijzende rechtscollege
niet bevoegd is om de Belgische Staat ertoe te dwingen de niet bevoegd is om de Belgische Staat ertoe te dwingen de
psychomotoriek als paramedische beroep te erkennen. psychomotoriek als paramedische beroep te erkennen.
B.4. Het staat niet aan het Hof, maar aan de verwijzende rechter, B.4. Het staat niet aan het Hof, maar aan de verwijzende rechter,
onder het toezicht van het Hof van Cassatie, te oordelen of de onder het toezicht van het Hof van Cassatie, te oordelen of de
hoofdvordering ressorteert onder de bevoegdheden van de rechterlijke hoofdvordering ressorteert onder de bevoegdheden van de rechterlijke
macht. macht.
Ten gronde Ten gronde
B.5. Artikel 69 van de wet van 10 mei 2015 bepaalt : B.5. Artikel 69 van de wet van 10 mei 2015 bepaalt :
« Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder « Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder
uitoefening van een paramedisch beroep : uitoefening van een paramedisch beroep :
1° het gewoonlijk verrichten door andere personen dan deze bedoeld in 1° het gewoonlijk verrichten door andere personen dan deze bedoeld in
de artikelen 3, § 1, 4, 6, 43, 45, 68/1 en 68/2 van technische de artikelen 3, § 1, 4, 6, 43, 45, 68/1 en 68/2 van technische
hulpprestaties die verband houden met het stellen van de diagnose of hulpprestaties die verband houden met het stellen van de diagnose of
met het uitvoeren van de behandeling, zoals zij nader bepaald zullen met het uitvoeren van de behandeling, zoals zij nader bepaald zullen
kunnen worden in uitvoering van artikel 71; kunnen worden in uitvoering van artikel 71;
2° het gewoon uitvoeren van de in artikel 23, § 1, eerste lid en § 2, 2° het gewoon uitvoeren van de in artikel 23, § 1, eerste lid en § 2,
derde lid bedoelde handelingen; derde lid bedoelde handelingen;
3° het gewoon uitvoeren van de in artikel 24 bedoelde handelingen ». 3° het gewoon uitvoeren van de in artikel 24 bedoelde handelingen ».
Artikel 70 van dezelfde wet bepaalt : Artikel 70 van dezelfde wet bepaalt :
« De Koning stelt de lijst vast van de paramedische beroepen ». « De Koning stelt de lijst vast van de paramedische beroepen ».
Artikel 71 van dezelfde wet bepaalt : Artikel 71 van dezelfde wet bepaalt :
« § 1. De Koning kan, overeenkomstig de bepalingen van artikel 141, « § 1. De Koning kan, overeenkomstig de bepalingen van artikel 141,
tweede lid, de in artikel 69, 1° bedoelde prestaties nader bepalen en tweede lid, de in artikel 69, 1° bedoelde prestaties nader bepalen en
de voorwaarden vaststellen waaronder zij moeten worden uitgevoerd. de voorwaarden vaststellen waaronder zij moeten worden uitgevoerd.
Hij kan eveneens, overeenkomstig de bepalingen van artikel 141, tweede Hij kan eveneens, overeenkomstig de bepalingen van artikel 141, tweede
lid, de vereiste kwalificatievoorwaarden bepalen waaraan de personen lid, de vereiste kwalificatievoorwaarden bepalen waaraan de personen
moeten voldoen die deze prestaties verrichten. moeten voldoen die deze prestaties verrichten.
§ 2. De Koning kan, op advies van de Federale raad voor paramedische § 2. De Koning kan, op advies van de Federale raad voor paramedische
beroepen, de beroepstitels bepalen waaronder de betrokkenen die in beroepen, de beroepstitels bepalen waaronder de betrokkenen die in
artikel 69 bedoelde prestaties en handelingen verrichten ». artikel 69 bedoelde prestaties en handelingen verrichten ».
Artikel 126 van dezelfde wet bepaalt : Artikel 126 van dezelfde wet bepaalt :
« Onverminderd de toepassing van de straffen gesteld bij het « Onverminderd de toepassing van de straffen gesteld bij het
Strafwetboek, alsook, desgevallend, de toepassing van tuchtmaatregelen Strafwetboek, alsook, desgevallend, de toepassing van tuchtmaatregelen
wordt gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden wordt gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden
en met een geldboete van zesentwintig euro tot tweeduizend euro of met en met een geldboete van zesentwintig euro tot tweeduizend euro of met
een van die straffen alleen : een van die straffen alleen :
1° hij die zonder aan de vereiste voorwaarden te voldoen om de 1° hij die zonder aan de vereiste voorwaarden te voldoen om de
geneeskunde of de artsenijbereidkunde uit te oefenen, of geen houder geneeskunde of de artsenijbereidkunde uit te oefenen, of geen houder
is van een vereiste bekwamingstitel, of zonder te beschikken over het is van een vereiste bekwamingstitel, of zonder te beschikken over het
in artikel 25 bepaalde visum, gewoonlijk prestaties verricht, zoals in artikel 25 bepaalde visum, gewoonlijk prestaties verricht, zoals
die nader bepaald zijn ter uitvoering van artikel 71, § 1, of die nader bepaald zijn ter uitvoering van artikel 71, § 1, of
handelingen uitvoert die zijn bepaald in artikel 69, 2° en 3°. handelingen uitvoert die zijn bepaald in artikel 69, 2° en 3°.
Die bepaling is niet van toepassing op de student die de voormelde Die bepaling is niet van toepassing op de student die de voormelde
werkzaamheden verricht in het kader van de wettelijke en werkzaamheden verricht in het kader van de wettelijke en
reglementsbepalingen betreffende het opleidingsprogramma dat het reglementsbepalingen betreffende het opleidingsprogramma dat het
mogelijk maakt één van de in artikel 45, artikel 56, artikel 65 of mogelijk maakt één van de in artikel 45, artikel 56, artikel 65 of
artikel 71, § 1, bepaalde titels te verwerven, noch op de student in artikel 71, § 1, bepaalde titels te verwerven, noch op de student in
de geneeskunde of de artsenijbereidkunde in het kader van zijn de geneeskunde of de artsenijbereidkunde in het kader van zijn
opleiding. opleiding.
Die bepaling is ook niet van toepassing op de beoefenaar van de Die bepaling is ook niet van toepassing op de beoefenaar van de
verpleegkunde, de zorgkundige of de hulpverlener-ambulancier die in verpleegkunde, de zorgkundige of de hulpverlener-ambulancier die in
het kader van zijn beroep handelingen verricht die zijn bepaald in het kader van zijn beroep handelingen verricht die zijn bepaald in
artikel 46; artikel 46;
2° de voor de toepassing van hoofdstuk 7 als bevoegd beschouwd persoon 2° de voor de toepassing van hoofdstuk 7 als bevoegd beschouwd persoon
die, in overtreding van artikel 75, op welke wijze ook zijn die, in overtreding van artikel 75, op welke wijze ook zijn
medewerking of zijn bijstand verleent aan een niet bevoegde derde, met medewerking of zijn bijstand verleent aan een niet bevoegde derde, met
het doel het deze laatste mogelijk te maken een paramedisch beroep uit het doel het deze laatste mogelijk te maken een paramedisch beroep uit
te oefenen; te oefenen;
3° hij die, door feitelijkheden of door geweld, de geregelde en 3° hij die, door feitelijkheden of door geweld, de geregelde en
normale uitoefening van een paramedisch beroep door een persoon die normale uitoefening van een paramedisch beroep door een persoon die
aan de vereiste voorwaarden voldoet, verhindert of belemmert; aan de vereiste voorwaarden voldoet, verhindert of belemmert;
4° hij die een persoon die niet beschikt over een vereiste 4° hij die een persoon die niet beschikt over een vereiste
bekwamingstitel, of die niet de hoedanigheid heeft van student zoals bekwamingstitel, of die niet de hoedanigheid heeft van student zoals
bepaald in 1°, gewoonlijk belast met de uitoefening van een bepaald in 1°, gewoonlijk belast met de uitoefening van een
paramedisch beroep of hem daartoe gewoonlijk de machtiging verleent; paramedisch beroep of hem daartoe gewoonlijk de machtiging verleent;
5° hij die één van de in artikel 72 bepaalde personen, gewoonlijk 5° hij die één van de in artikel 72 bepaalde personen, gewoonlijk
belast met de uitoefening van een handeling die wordt beschouwd als belast met de uitoefening van een handeling die wordt beschouwd als
een uitoefening van de geneeskunst, behalve wanneer het gaat om een een uitoefening van de geneeskunst, behalve wanneer het gaat om een
handeling bepaald in artikel 23, § 1, eerste lid, en § 2, derde lid, handeling bepaald in artikel 23, § 1, eerste lid, en § 2, derde lid,
of in artikel 24; of in artikel 24;
6° de beoefenaar van een paramedisch beroep, die de ter uitvoering van 6° de beoefenaar van een paramedisch beroep, die de ter uitvoering van
artikel 141, tweede lid, genomen reglementen, overtreedt ». artikel 141, tweede lid, genomen reglementen, overtreedt ».
Met toepassing van het hiervoor aangehaalde artikel 70, bepaalde het Met toepassing van het hiervoor aangehaalde artikel 70, bepaalde het
koninklijk besluit van 2 juli 2009 « tot vaststelling van de lijst van koninklijk besluit van 2 juli 2009 « tot vaststelling van de lijst van
de paramedische beroepen », zoals het te dezen van toepassing is : de paramedische beroepen », zoals het te dezen van toepassing is :
« Worden aangeduid als paramedische beroepen die betrekking hebben op « Worden aangeduid als paramedische beroepen die betrekking hebben op
handelingen of prestaties bedoeld bij artikel 22 van het koninklijk handelingen of prestaties bedoeld bij artikel 22 van het koninklijk
besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de
gezondheidszorgberoepen, de verrichtingen van de volgende technieken : gezondheidszorgberoepen, de verrichtingen van de volgende technieken :
1° apothekers-assistentie; 1° apothekers-assistentie;
2° audiologie; 2° audiologie;
3° bandage, orthese en prothese; 3° bandage, orthese en prothese;
4° diëtetiek; 4° diëtetiek;
5° ergotherapie; 5° ergotherapie;
6° laboratorium en biotechnologie, en menselijke 6° laboratorium en biotechnologie, en menselijke
erfelijkheidstechniek; erfelijkheidstechniek;
7° logopedie; 7° logopedie;
8° orthoptie; 8° orthoptie;
9° podologie; 9° podologie;
10° medische beeldvorming; 10° medische beeldvorming;
11° vervoer van patiënten, met uitsluiting van het vervoer van de 11° vervoer van patiënten, met uitsluiting van het vervoer van de
personen bedoeld in artikel 1 van de wet van 8 juli 1964 betreffende personen bedoeld in artikel 1 van de wet van 8 juli 1964 betreffende
de dringende geneeskundige hulpverlening ». de dringende geneeskundige hulpverlening ».
B.6. De prejudiciële vraag heeft betrekking op de grondwettigheid van B.6. De prejudiciële vraag heeft betrekking op de grondwettigheid van
de voormelde bepalingen van de wet van 10 mei 2015 in het licht van de voormelde bepalingen van de wet van 10 mei 2015 in het licht van
het wettigheidsbeginsel in strafzaken in zoverre zij, enerzijds, een het wettigheidsbeginsel in strafzaken in zoverre zij, enerzijds, een
buitensporige machtiging inzake de erkenning van een paramedische buitensporige machtiging inzake de erkenning van een paramedische
beroep zouden verlenen en, anderzijds, het stellen van de handelingen beroep zouden verlenen en, anderzijds, het stellen van de handelingen
die zijn voorbehouden aan beroepen zonder houder te zijn van de die zijn voorbehouden aan beroepen zonder houder te zijn van de
vereiste titel, strafbaar zouden stellen, en dit bij ontstentenis van vereiste titel, strafbaar zouden stellen, en dit bij ontstentenis van
elk element waarmee het misdrijf kan worden gemotiveerd. elk element waarmee het misdrijf kan worden gemotiveerd.
B.7.1. Artikel 12, tweede lid, van de Grondwet bepaalt : B.7.1. Artikel 12, tweede lid, van de Grondwet bepaalt :
« Niemand kan worden vervolgd dan in de gevallen die de wet bepaalt en « Niemand kan worden vervolgd dan in de gevallen die de wet bepaalt en
in de vorm die zij voorschrijft ». in de vorm die zij voorschrijft ».
Artikel 7, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens Artikel 7, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens
bepaalt : bepaalt :
« Niemand kan worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten, dat « Niemand kan worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten, dat
geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte
ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde. Evenmin zal een ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde. Evenmin zal een
zwaardere straf worden opgelegd dan die welke ten tijde van het begaan zwaardere straf worden opgelegd dan die welke ten tijde van het begaan
van het strafbare feit van toepassing was ». van het strafbare feit van toepassing was ».
In zoverre het vereist dat in elk misdrijf bij de wet moet worden In zoverre het vereist dat in elk misdrijf bij de wet moet worden
voorzien, heeft het voormelde artikel 7, lid 1, een draagwijdte die voorzien, heeft het voormelde artikel 7, lid 1, een draagwijdte die
analoog is aan die van artikel 12, tweede lid, van de Grondwet. De analoog is aan die van artikel 12, tweede lid, van de Grondwet. De
waarborgen vervat in beide bepalingen vormen een onlosmakelijk geheel. waarborgen vervat in beide bepalingen vormen een onlosmakelijk geheel.
B.7.2. Door aan de wetgevende macht de bevoegdheid te verlenen om te B.7.2. Door aan de wetgevende macht de bevoegdheid te verlenen om te
bepalen in welke gevallen strafvervolging mogelijk is, waarborgt bepalen in welke gevallen strafvervolging mogelijk is, waarborgt
artikel 12, tweede lid, van de Grondwet aan elke rechtsonderhorige dat artikel 12, tweede lid, van de Grondwet aan elke rechtsonderhorige dat
geen enkele gedraging strafbaar zal worden gesteld dan krachtens geen enkele gedraging strafbaar zal worden gesteld dan krachtens
regels aangenomen door een democratisch verkozen beraadslagende regels aangenomen door een democratisch verkozen beraadslagende
vergadering. vergadering.
Het wettigheidsbeginsel in strafzaken dat uit de voormelde Het wettigheidsbeginsel in strafzaken dat uit de voormelde
grondwetsbepaling en internationale bepaling voortvloeit, gaat grondwetsbepaling en internationale bepaling voortvloeit, gaat
bovendien uit van de idee dat de strafwet moet worden geformuleerd in bovendien uit van de idee dat de strafwet moet worden geformuleerd in
bewoordingen op grond waarvan eenieder, op het ogenblik waarop hij een bewoordingen op grond waarvan eenieder, op het ogenblik waarop hij een
gedrag aanneemt, kan uitmaken of dat gedrag al dan niet strafbaar is. gedrag aanneemt, kan uitmaken of dat gedrag al dan niet strafbaar is.
Het vereist dat de wetgever in voldoende nauwkeurige, duidelijke en Het vereist dat de wetgever in voldoende nauwkeurige, duidelijke en
rechtszekerheid biedende bewoordingen bepaalt welke feiten strafbaar rechtszekerheid biedende bewoordingen bepaalt welke feiten strafbaar
worden gesteld, zodat, enerzijds, diegene die een gedrag aanneemt, worden gesteld, zodat, enerzijds, diegene die een gedrag aanneemt,
vooraf op afdoende wijze kan inschatten wat het strafrechtelijke vooraf op afdoende wijze kan inschatten wat het strafrechtelijke
gevolg van dat gedrag zal zijn en, anderzijds, aan de rechter geen al gevolg van dat gedrag zal zijn en, anderzijds, aan de rechter geen al
te grote beoordelingsbevoegdheid wordt gelaten. te grote beoordelingsbevoegdheid wordt gelaten.
Het wettigheidsbeginsel in strafzaken staat evenwel niet eraan in de Het wettigheidsbeginsel in strafzaken staat evenwel niet eraan in de
weg dat de wet aan de rechter een beoordelingsbevoegdheid toekent. Er weg dat de wet aan de rechter een beoordelingsbevoegdheid toekent. Er
dient immers rekening te worden gehouden met het algemene karakter van dient immers rekening te worden gehouden met het algemene karakter van
de wetten, de uiteenlopende situaties waarop zij van toepassing zijn de wetten, de uiteenlopende situaties waarop zij van toepassing zijn
en de evolutie van de gedragingen die zij bestraffen. en de evolutie van de gedragingen die zij bestraffen.
Aan het vereiste dat een misdrijf duidelijk moet worden omschreven in Aan het vereiste dat een misdrijf duidelijk moet worden omschreven in
de wet is voldaan wanneer de rechtzoekende, op basis van de de wet is voldaan wanneer de rechtzoekende, op basis van de
bewoordingen van de relevante bepaling en, indien nodig, met behulp bewoordingen van de relevante bepaling en, indien nodig, met behulp
van de interpretatie daarvan door de rechtscolleges, kan weten voor van de interpretatie daarvan door de rechtscolleges, kan weten voor
welke handelingen en welke verzuimen hij strafrechtelijk aansprakelijk welke handelingen en welke verzuimen hij strafrechtelijk aansprakelijk
kan worden gesteld. kan worden gesteld.
Enkel bij het onderzoek van een specifieke strafbepaling is het Enkel bij het onderzoek van een specifieke strafbepaling is het
mogelijk om, rekening houdend met de elementen eigen aan de misdrijven mogelijk om, rekening houdend met de elementen eigen aan de misdrijven
die zij wil bestraffen, te bepalen of de door de wetgever gehanteerde die zij wil bestraffen, te bepalen of de door de wetgever gehanteerde
algemene bewoordingen zo vaag zijn dat ze het strafrechtelijk algemene bewoordingen zo vaag zijn dat ze het strafrechtelijk
wettigheidsbeginsel zouden schenden. wettigheidsbeginsel zouden schenden.
B.8. De eisende partijen voor de verwijzende rechter verwijten de in B.8. De eisende partijen voor de verwijzende rechter verwijten de in
het geding zijnde bepalingen aan de Koning een te ruime het geding zijnde bepalingen aan de Koning een te ruime
beoordelingsbevoegdheid toe te kennen ten aanzien van het al dan niet beoordelingsbevoegdheid toe te kennen ten aanzien van het al dan niet
erkennen van een beroep als paramedisch beroep. erkennen van een beroep als paramedisch beroep.
B.9.1. Het wettigheidsbeginsel in strafzaken belet niet dat de nadere B.9.1. Het wettigheidsbeginsel in strafzaken belet niet dat de nadere
omschrijving van het strafbare gedrag aan de Koning wordt opgedragen omschrijving van het strafbare gedrag aan de Koning wordt opgedragen
voor zover die machtiging voldoende nauwkeurig is omschreven en voor zover die machtiging voldoende nauwkeurig is omschreven en
betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan de betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan de
essentiële elementen vooraf door de wetgevende macht zijn vastgesteld. essentiële elementen vooraf door de wetgevende macht zijn vastgesteld.
B.9.2. De algemene doelstelling van de wet van 19 december 1990 « tot B.9.2. De algemene doelstelling van de wet van 19 december 1990 « tot
wijziging van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 wijziging van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967
betreffende de uitoefening van de geneeskunst, de verpleegkunde, de betreffende de uitoefening van de geneeskunst, de verpleegkunde, de
paramedische beroepen en de geneeskundige commissies met het oog op de paramedische beroepen en de geneeskundige commissies met het oog op de
bescherming van de beroepstitels van medici en paramedici » (hierna : bescherming van de beroepstitels van medici en paramedici » (hierna :
de wet van 19 december 1990), die aan de oorsprong ligt van de de wet van 19 december 1990), die aan de oorsprong ligt van de
gecoördineerde bepalingen die het voorwerp van de prejudiciële vraag gecoördineerde bepalingen die het voorwerp van de prejudiciële vraag
uitmaken, bestond erin « het statuut van de paramedische beroepen in uitmaken, bestond erin « het statuut van de paramedische beroepen in
het perspectief van de Europese Eenheidsmarkt te beschermen » (Parl. het perspectief van de Europese Eenheidsmarkt te beschermen » (Parl.
St., Kamer, 1989-1990, nr. 1256/3, p. 10) en te waken over de St., Kamer, 1989-1990, nr. 1256/3, p. 10) en te waken over de
kwaliteit van de paramedische prestaties. Om die doelstelling te kwaliteit van de paramedische prestaties. Om die doelstelling te
bereiken, werd de uitoefening van paramedische beroepen voorbehouden bereiken, werd de uitoefening van paramedische beroepen voorbehouden
aan de personen die over de vereiste kwalificaties beschikken. In de aan de personen die over de vereiste kwalificaties beschikken. In de
ogen van de wetgever diende te worden gewaarborgd dat de personen die ogen van de wetgever diende te worden gewaarborgd dat de personen die
paramedische prestaties zouden verrichten, daartoe bekwaam waren en paramedische prestaties zouden verrichten, daartoe bekwaam waren en
bijgevolg een voldoende opleiding hadden gekregen. bijgevolg een voldoende opleiding hadden gekregen.
B.9.3. In het licht van die doelstellingen strekte de wet van 19 B.9.3. In het licht van die doelstellingen strekte de wet van 19
december 1990 ertoe een deelname mogelijk te maken van de december 1990 ertoe een deelname mogelijk te maken van de
vertegenwoordigers van de betrokken paramedische beroepen in de vertegenwoordigers van de betrokken paramedische beroepen in de
procedure voor het definiëren van de kwalificatievoorwaarden, titels procedure voor het definiëren van de kwalificatievoorwaarden, titels
en prestaties van elk paramedisch beroep (Parl. St., Kamer, 1989-1990, en prestaties van elk paramedisch beroep (Parl. St., Kamer, 1989-1990,
nr. 1256/3, p. 10). nr. 1256/3, p. 10).
Op grond van artikel 46bis van het koninklijk besluit nr. 78, dat Op grond van artikel 46bis van het koninklijk besluit nr. 78, dat
artikel 141, tweede lid, van de wet van 10 mei 2015 is geworden, werd artikel 141, tweede lid, van de wet van 10 mei 2015 is geworden, werd
de Technische Commissie voor de paramedische beroepen bijgevolg de Technische Commissie voor de paramedische beroepen bijgevolg
verzocht een eensluidend advies uit te brengen over, met name, de verzocht een eensluidend advies uit te brengen over, met name, de
koninklijke besluiten tot vaststelling van de lijst van de prestaties koninklijke besluiten tot vaststelling van de lijst van de prestaties
en kwalificatievoorwaarden bepaald in artikel 71, § 1, van dezelfde en kwalificatievoorwaarden bepaald in artikel 71, § 1, van dezelfde
wet. Daarnaast is ook voorzien in het advies van de Federale Raad voor wet. Daarnaast is ook voorzien in het advies van de Federale Raad voor
de paramedische beroepen in het kader van de vaststelling, bij de paramedische beroepen in het kader van de vaststelling, bij
koninklijk besluit, van de beroepstitels waaronder de betrokkenen de koninklijk besluit, van de beroepstitels waaronder de betrokkenen de
paramedische prestaties verrichten (artikel 71, § 2, van dezelfde paramedische prestaties verrichten (artikel 71, § 2, van dezelfde
wet). wet).
B.9.4. Teneinde de activiteiten te bepalen die onder de paramedische B.9.4. Teneinde de activiteiten te bepalen die onder de paramedische
beroepen ressorteren en die dus zijn voorbehouden aan bepaalde beroepen ressorteren en die dus zijn voorbehouden aan bepaalde
personen, heeft de wetgever aan de Koning de zorg overgelaten om, personen, heeft de wetgever aan de Koning de zorg overgelaten om,
enerzijds, de lijst van de paramedische beroepen vast te stellen enerzijds, de lijst van de paramedische beroepen vast te stellen
(artikel 70 van de wet van 10 mei 2015) en, voor elk paramedisch (artikel 70 van de wet van 10 mei 2015) en, voor elk paramedisch
beroep, de kwalificaties, titels en prestaties te bepalen (artikel 71 beroep, de kwalificaties, titels en prestaties te bepalen (artikel 71
van dezelfde wet), en, anderzijds, de procedure te regelen met het oog van dezelfde wet), en, anderzijds, de procedure te regelen met het oog
op het verkrijgen van het voordeel van de verworven rechten, waardoor op het verkrijgen van het voordeel van de verworven rechten, waardoor
kan worden afgeweken van de kwalificatievoorwaarden van artikel 71 van kan worden afgeweken van de kwalificatievoorwaarden van artikel 71 van
dezelfde wet (artikel 153, § 4, van dezelfde wet). dezelfde wet (artikel 153, § 4, van dezelfde wet).
B.10.1. De wet van 25 januari 1999 heeft vervolgens, in artikel 24 van B.10.1. De wet van 25 januari 1999 heeft vervolgens, in artikel 24 van
het koninklijk besluit nr. 78 (thans artikel 72 van de wet van 10 mei het koninklijk besluit nr. 78 (thans artikel 72 van de wet van 10 mei
2015), een vereiste ingevoerd van een erkenning die door de minister 2015), een vereiste ingevoerd van een erkenning die door de minister
van Volksgezondheid wordt verleend om prestaties of handelingen te van Volksgezondheid wordt verleend om prestaties of handelingen te
mogen verrichten die onder een paramedisch beroep ressorteren : mogen verrichten die onder een paramedisch beroep ressorteren :
« De adviezen hieromtrent dienen gegeven te worden door de provinciale « De adviezen hieromtrent dienen gegeven te worden door de provinciale
geneeskundige commissies die zullen nagaan of de voorgelegde opleiding geneeskundige commissies die zullen nagaan of de voorgelegde opleiding
en titels wel conform zijn. Op dit ogenblik houden deze provinciale en titels wel conform zijn. Op dit ogenblik houden deze provinciale
geneeskundige commissies er elk een eigen interpretatie op na. Het is geneeskundige commissies er elk een eigen interpretatie op na. Het is
de bedoeling om, via de erkenning door Volksgezondheid, meer de bedoeling om, via de erkenning door Volksgezondheid, meer
uniformiteit te creëren in deze opleidingen » (Parl. St., Senaat, uniformiteit te creëren in deze opleidingen » (Parl. St., Senaat,
1998-1999, nr. 1-1175/3, p. 26). 1998-1999, nr. 1-1175/3, p. 26).
B.10.2. De Koning is bijgevolg ertoe gemachtigd om, op advies van de B.10.2. De Koning is bijgevolg ertoe gemachtigd om, op advies van de
Federale Raad voor de paramedische beroepen, de voorwaarden en de Federale Raad voor de paramedische beroepen, de voorwaarden en de
regels te bepalen tot het verkrijgen, het behouden en het intrekken regels te bepalen tot het verkrijgen, het behouden en het intrekken
van de erkenning (artikel 72, § 2, van de wet van 10 mei 2015), alsook van de erkenning (artikel 72, § 2, van de wet van 10 mei 2015), alsook
de procedure om de verworven rechten te genieten (artikel 153, § § 1 de procedure om de verworven rechten te genieten (artikel 153, § § 1
tot 3, van dezelfde wet). tot 3, van dezelfde wet).
B.11.1. Uit hetgeen voorafgaat, vloeit voort dat, voor de paramedische B.11.1. Uit hetgeen voorafgaat, vloeit voort dat, voor de paramedische
beroepen, de wetgever de Koning ertoe heeft gemachtigd de beroepen, de wetgever de Koning ertoe heeft gemachtigd de
kwalificatievoorwaarden en de lijst van de prestaties die onder elk kwalificatievoorwaarden en de lijst van de prestaties die onder elk
paramedisch beroep ressorteren, te bepalen (artikel 71 van de wet van paramedisch beroep ressorteren, te bepalen (artikel 71 van de wet van
10 mei 2015), en de erkenningsvoorwaarden en -procedure te regelen 10 mei 2015), en de erkenningsvoorwaarden en -procedure te regelen
(artikel 72 van dezelfde wet), alsook de procedure om de verworven (artikel 72 van dezelfde wet), alsook de procedure om de verworven
rechten te genieten (artikel 153 van dezelfde wet). rechten te genieten (artikel 153 van dezelfde wet).
B.11.2. De wet van 19 december 1990 streefde drie doelstellingen na : B.11.2. De wet van 19 december 1990 streefde drie doelstellingen na :
« 1. Oprichting van een Technische Commissie voor de paramedische « 1. Oprichting van een Technische Commissie voor de paramedische
beroepen en vastlegging van de opdracht van de Academiën. beroepen en vastlegging van de opdracht van de Academiën.
Het ontwerp verleent de Koning de bevoegdheid om de lijst van de Het ontwerp verleent de Koning de bevoegdheid om de lijst van de
paramedische beroepen op te stellen, zonder dat er betwisting kan paramedische beroepen op te stellen, zonder dat er betwisting kan
ontstaan over de gevolgde procedure, wat tot op heden wel mogelijk ontstaan over de gevolgde procedure, wat tot op heden wel mogelijk
was. was.
De Technische Commissie zou als een van haar taken advies aan de De Technische Commissie zou als een van haar taken advies aan de
minister kunnen uitbrengen over de prestaties van elk paramedisch minister kunnen uitbrengen over de prestaties van elk paramedisch
beroep en de voorwaarden voor de uitoefening ervan. Dat is van het beroep en de voorwaarden voor de uitoefening ervan. Dat is van het
grootste belang. grootste belang.
Bovendien moet worden gewezen op het feit dat de procedure waarvoor in Bovendien moet worden gewezen op het feit dat de procedure waarvoor in
het voorgelegde ontwerp werd gekozen, het voordeel biedt dat de het voorgelegde ontwerp werd gekozen, het voordeel biedt dat de
paramedische beroepen niet langer aan de exclusieve censuur van de paramedische beroepen niet langer aan de exclusieve censuur van de
geneesheren zullen zijn onderworpen. Op dit ogenblik is dat krachtens geneesheren zullen zijn onderworpen. Op dit ogenblik is dat krachtens
artikel 46 van het koninklijk besluit nr. 78 wel het geval. artikel 46 van het koninklijk besluit nr. 78 wel het geval.
2. Gewaarborgde bescherming van de titels en vaststelling van straffen 2. Gewaarborgde bescherming van de titels en vaststelling van straffen
voor het onrechtmatig voeren van een bepaalde titel. voor het onrechtmatig voeren van een bepaalde titel.
De tekst bepaalt de aard van het gepleegde misdrijf alsmede de De tekst bepaalt de aard van het gepleegde misdrijf alsmede de
straffen die worden gesteld wanneer paramedische handelingen worden straffen die worden gesteld wanneer paramedische handelingen worden
uitgevoerd door iemand die daartoe niet over de vereiste kwalificaties uitgevoerd door iemand die daartoe niet over de vereiste kwalificaties
beschikt. beschikt.
Vanzelfsprekend bieden de voorgestelde teksten aan studenten de Vanzelfsprekend bieden de voorgestelde teksten aan studenten de
mogelijkheid om binnen het raam van hun opleiding bepaalde handelingen mogelijkheid om binnen het raam van hun opleiding bepaalde handelingen
te verrichten. De straffen zijn dus niet op hen van toepassing. te verrichten. De straffen zijn dus niet op hen van toepassing.
[...] [...]
3. De derde doelstelling ten slotte heeft betrekking op de 3. De derde doelstelling ten slotte heeft betrekking op de
overgangsbepalingen. overgangsbepalingen.
[...] » (Parl. St., Kamer, 1989-1990, nr. 1256/3, pp. 4 en 5). [...] » (Parl. St., Kamer, 1989-1990, nr. 1256/3, pp. 4 en 5).
In de parlementaire voorbereiding werd eveneens aangegeven : In de parlementaire voorbereiding werd eveneens aangegeven :
« Bij ministerieel besluit werd een lijst van paramedische technieken « Bij ministerieel besluit werd een lijst van paramedische technieken
opgesteld, na advies van de Raad van State - administratieve afdeling. opgesteld, na advies van de Raad van State - administratieve afdeling.
Nadien heeft de afdeling wetgeving van die Raad dat initiatief als Nadien heeft de afdeling wetgeving van die Raad dat initiatief als
onvoldoende beschouwd en werd het ministerieel besluit vernietigd. onvoldoende beschouwd en werd het ministerieel besluit vernietigd.
Daarom dit wetsvoorstel om hoofdstuk II van bovengenoemd koninklijk Daarom dit wetsvoorstel om hoofdstuk II van bovengenoemd koninklijk
besluit uit te voeren » (Parl. St., Senaat, 1988-1989, nr. 779-2, p. besluit uit te voeren » (Parl. St., Senaat, 1988-1989, nr. 779-2, p.
2). 2).
B.11.3. Uit al die elementen vloeit voort dat de machtiging aan de B.11.3. Uit al die elementen vloeit voort dat de machtiging aan de
Koning Hem, in tegenstelling tot wat de eisende partijen voor de Koning Hem, in tegenstelling tot wat de eisende partijen voor de
verwijzende rechter aanvoeren, niet toelaat te beschikken over een verwijzende rechter aanvoeren, niet toelaat te beschikken over een
onbegrensde bevoegdheid bij de beslissing om een paramedisch beroep al onbegrensde bevoegdheid bij de beslissing om een paramedisch beroep al
dan niet te erkennen. De door de wetgever aan de Koning verleende dan niet te erkennen. De door de wetgever aan de Koning verleende
machtiging is immers onlosmakelijk verbonden met het optreden van de machtiging is immers onlosmakelijk verbonden met het optreden van de
Federale Raad voor de paramedische beroepen, die actief deelneemt aan Federale Raad voor de paramedische beroepen, die actief deelneemt aan
de erkenning van die beroepen en aan de uitoefeningsvoorwaarden ervan. de erkenning van die beroepen en aan de uitoefeningsvoorwaarden ervan.
Aldus begrepen, beantwoordt de machtiging die aan de Koning is Aldus begrepen, beantwoordt de machtiging die aan de Koning is
verleend inzake de erkenning van de paramedische beroepen, aan de verleend inzake de erkenning van de paramedische beroepen, aan de
noodzaak dat de wetgeving zich kan aanpassen aan de paramedische noodzaak dat de wetgeving zich kan aanpassen aan de paramedische
context, zodat, bij de toepassing ervan, rekening kan worden gehouden context, zodat, bij de toepassing ervan, rekening kan worden gehouden
met de ontwikkeling van de technieken en praktijken ter zake. met de ontwikkeling van de technieken en praktijken ter zake.
B.12. De eisende partijen voor de verwijzende rechter verwijten de in B.12. De eisende partijen voor de verwijzende rechter verwijten de in
het geding zijnde bepalingen en in het bijzonder artikel 126 van de het geding zijnde bepalingen en in het bijzonder artikel 126 van de
wet van 10 mei 2015 voorts het stellen van de handelingen die zijn wet van 10 mei 2015 voorts het stellen van de handelingen die zijn
voorbehouden aan paramedische beroepen zonder houder te zijn van een voorbehouden aan paramedische beroepen zonder houder te zijn van een
vereiste titel, strafbaar te stellen en aldus toe te laten dat een vereiste titel, strafbaar te stellen en aldus toe te laten dat een
misdrijf kan bestaan zonder dat het bepalende element van dat misdrijf misdrijf kan bestaan zonder dat het bepalende element van dat misdrijf
gemotiveerd is. gemotiveerd is.
B.13. Na de sanctie te hebben vastgesteld voor de personen die de B.13. Na de sanctie te hebben vastgesteld voor de personen die de
handelingen zouden stellen die zijn voorbehouden aan een medisch of handelingen zouden stellen die zijn voorbehouden aan een medisch of
paramedisch beroep zonder over de vereiste titels te beschikken, paramedisch beroep zonder over de vereiste titels te beschikken,
definieert het voormelde artikel 126, in de punten 2° tot 6° ervan, op definieert het voormelde artikel 126, in de punten 2° tot 6° ervan, op
nauwkeurige wijze de verschillende omstandigheden waarin een persoon nauwkeurige wijze de verschillende omstandigheden waarin een persoon
die sanctie opgelegd kan krijgen wanneer hij een paramedisch beroep die sanctie opgelegd kan krijgen wanneer hij een paramedisch beroep
uitoefent of daaraan deelneemt zonder over de vereiste titels te uitoefent of daaraan deelneemt zonder over de vereiste titels te
beschikken, of wanneer hij de regelmatige en normale uitoefening van beschikken, of wanneer hij de regelmatige en normale uitoefening van
een dergelijk beroep verhindert of belemmert. een dergelijk beroep verhindert of belemmert.
B.14. Voor het overige vereist het wettigheidsbeginsel in strafzaken B.14. Voor het overige vereist het wettigheidsbeginsel in strafzaken
niet dat de wetgever op gedetailleerde wijze de opleiding bepaalt die niet dat de wetgever op gedetailleerde wijze de opleiding bepaalt die
een beoefenaar moet hebben gevolgd om sommige handelingen te mogen een beoefenaar moet hebben gevolgd om sommige handelingen te mogen
uitvoeren zonder zich bloot te stellen aan sancties. De wetgever mag uitvoeren zonder zich bloot te stellen aan sancties. De wetgever mag
aan de uitvoerende macht de zorg overlaten om die opleiding te aan de uitvoerende macht de zorg overlaten om die opleiding te
preciseren in zoverre hijzelf de wezenlijke elementen ervan heeft preciseren in zoverre hijzelf de wezenlijke elementen ervan heeft
bepaald. bepaald.
Om die redenen, Om die redenen,
het Hof het Hof
zegt voor recht : zegt voor recht :
De artikelen 69, 70 en 126 van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 De artikelen 69, 70 en 126 van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015
betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen schenden betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen schenden
niet artikel 12 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met niet artikel 12 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met
artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.
Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel
65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof,
op 10 oktober 2019. op 10 oktober 2019.
De griffier, De griffier,
F. Meersschaut F. Meersschaut
De voorzitter, De voorzitter,
F. Daoût F. Daoût
^