Etaamb.openjustice.be
Meertalige weergave van Arrest van --
← Terug naar "Uittreksel uit arrest nr. 55/2017 van 11 mei 2017 Rolnummers 6505 en 6506 In zake : de prejudiciële vragen over artikel 3.2.5 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid, gesteld door de Rec Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters E. De Groot en J. Spreutels, en de recht(...)"
Uittreksel uit arrest nr. 55/2017 van 11 mei 2017 Rolnummers 6505 en 6506 In zake : de prejudiciële vragen over artikel 3.2.5 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid, gesteld door de Rec Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters E. De Groot en J. Spreutels, en de recht(...) Uittreksel uit arrest nr. 55/2017 van 11 mei 2017 Rolnummers 6505 en 6506 In zake : de prejudiciële vragen over artikel 3.2.5 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid, gesteld door de Rec Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters E. De Groot en J. Spreutels, en de recht(...)
GRONDWETTELIJK HOF GRONDWETTELIJK HOF
Uittreksel uit arrest nr. 55/2017 van 11 mei 2017 Uittreksel uit arrest nr. 55/2017 van 11 mei 2017
Rolnummers 6505 en 6506 Rolnummers 6505 en 6506
In zake : de prejudiciële vragen over artikel 3.2.5 van het decreet In zake : de prejudiciële vragen over artikel 3.2.5 van het decreet
van het Vlaamse Gewest van 27 maart 2009 betreffende het grond- en van het Vlaamse Gewest van 27 maart 2009 betreffende het grond- en
pandenbeleid, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg pandenbeleid, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg
West-Vlaanderen, afdeling Brugge. West-Vlaanderen, afdeling Brugge.
Het Grondwettelijk Hof, Het Grondwettelijk Hof,
samengesteld uit de voorzitters E. De Groot en J. Spreutels, en de samengesteld uit de voorzitters E. De Groot en J. Spreutels, en de
rechters L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. rechters L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E.
Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, F. Daoût, T. Giet en R. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, F. Daoût, T. Giet en R.
Leysen, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder Leysen, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder
voorzitterschap van voorzitter E. De Groot, voorzitterschap van voorzitter E. De Groot,
wijst na beraad het volgende arrest : wijst na beraad het volgende arrest :
I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging
Bij vonnissen van 29 juni 2016 in zake respectievelijk de cva « Mavy » Bij vonnissen van 29 juni 2016 in zake respectievelijk de cva « Mavy »
tegen de stad Tielt en Emile Maes en anderen tegen de stad Tielt, tegen de stad Tielt en Emile Maes en anderen tegen de stad Tielt,
waarvan de expedities ter griffie van het Hof zijn ingekomen op 15 waarvan de expedities ter griffie van het Hof zijn ingekomen op 15
september 2016, heeft de Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, september 2016, heeft de Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen,
afdeling Brugge, de volgende prejudiciële vraag gesteld : afdeling Brugge, de volgende prejudiciële vraag gesteld :
« Schendt artikel 3.2.5 van het Decreet grond- en pandenbeleid, dat de « Schendt artikel 3.2.5 van het Decreet grond- en pandenbeleid, dat de
gemeenten machtigt tot het heffen van een jaarlijkse belasting, gemeenten machtigt tot het heffen van een jaarlijkse belasting,
geheven op onbebouwde bouwgronden in woongebied of onbebouwde kavels, geheven op onbebouwde bouwgronden in woongebied of onbebouwde kavels,
de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het
bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de Staat, de bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de Staat, de
gemeenschappen en gewesten zoals voorzien in art. 10 BWHI, in zoverre gemeenschappen en gewesten zoals voorzien in art. 10 BWHI, in zoverre
niet is aangetoond dat een beroep op de impliciete bevoegdheden niet is aangetoond dat een beroep op de impliciete bevoegdheden
noodzakelijk is voor de uitoefening van de bevoegdheden van de noodzakelijk is voor de uitoefening van de bevoegdheden van de
Gemeenschappen en Gewesten ? ». Gemeenschappen en Gewesten ? ».
Die zaken, ingeschreven onder de nummers 6505 en 6506 van de rol van Die zaken, ingeschreven onder de nummers 6505 en 6506 van de rol van
het Hof, werden samengevoegd. het Hof, werden samengevoegd.
(...) (...)
III. In rechte III. In rechte
(...) (...)
B.1. Aan het Hof wordt een vraag gesteld over artikel 3.2.5 van het B.1. Aan het Hof wordt een vraag gesteld over artikel 3.2.5 van het
decreet van het Vlaamse Gewest van 27 maart 2009 betreffende het decreet van het Vlaamse Gewest van 27 maart 2009 betreffende het
grond- en pandenbeleid. grond- en pandenbeleid.
Dat artikel bepaalt : Dat artikel bepaalt :
« § 1. Gemeenten maken potentiële woonlocaties vrij en gaan « § 1. Gemeenten maken potentiële woonlocaties vrij en gaan
grondspeculatie tegen. grondspeculatie tegen.
Met dat oogmerk zijn de gemeenteraden gemachtigd tot het heffen van Met dat oogmerk zijn de gemeenteraden gemachtigd tot het heffen van
een jaarlijkse belasting, geheven op onbebouwde bouwgronden in een jaarlijkse belasting, geheven op onbebouwde bouwgronden in
woongebied of onbebouwde kavels, rekening houdend met volgende woongebied of onbebouwde kavels, rekening houdend met volgende
minimale regelen : minimale regelen :
1° indien de activeringsheffing wordt vastgesteld op een bedrag per 1° indien de activeringsheffing wordt vastgesteld op een bedrag per
strekkende meter lengte van de bouwgrond of kavel palende aan de strekkende meter lengte van de bouwgrond of kavel palende aan de
openbare weg, bedraagt de heffing ten minste 12,50 euro per strekkende openbare weg, bedraagt de heffing ten minste 12,50 euro per strekkende
meter; meter;
2° indien de activeringsheffing wordt vastgesteld op een bedrag per 2° indien de activeringsheffing wordt vastgesteld op een bedrag per
vierkante meter oppervlakte van de bouwgrond of kavel, bedraagt de vierkante meter oppervlakte van de bouwgrond of kavel, bedraagt de
heffing ten minste 0,25 euro per vierkante meter; heffing ten minste 0,25 euro per vierkante meter;
3° in elk geval geldt een minimale aanslag van 125 euro per bouwgrond 3° in elk geval geldt een minimale aanslag van 125 euro per bouwgrond
of kavel. of kavel.
Binnen dezelfde gemeente kan zowel een activeringsheffing op Binnen dezelfde gemeente kan zowel een activeringsheffing op
onbebouwde bouwgronden in woongebied als op onbebouwde kavels worden onbebouwde bouwgronden in woongebied als op onbebouwde kavels worden
geheven. geheven.
§ 2. De bedragen, vermeld in § 1, tweede lid, zijn gekoppeld aan de § 2. De bedragen, vermeld in § 1, tweede lid, zijn gekoppeld aan de
evolutie van de ABEX-index en stemmen overeen met de index van evolutie van de ABEX-index en stemmen overeen met de index van
december 2008. Ze worden jaarlijks op 1 januari aangepast aan het december 2008. Ze worden jaarlijks op 1 januari aangepast aan het
ABEX-indexcijfer van de maand december die aan de aanpassing ABEX-indexcijfer van de maand december die aan de aanpassing
voorafgaat ». voorafgaat ».
B.2. Uit de feiten van het aan de verwijzende rechter voorgelegde B.2. Uit de feiten van het aan de verwijzende rechter voorgelegde
geschil blijkt dat verschillende eigenaars van onbebouwde percelen de geschil blijkt dat verschillende eigenaars van onbebouwde percelen de
betaling betwisten van een belasting die gegrond is op een betaling betwisten van een belasting die gegrond is op een
gemeentelijk belastingreglement van 27 juni 2013, waarvan artikel gemeentelijk belastingreglement van 27 juni 2013, waarvan artikel
3.2.5 van het in het geding zijnde decreet de rechtsgrond zou vormen. 3.2.5 van het in het geding zijnde decreet de rechtsgrond zou vormen.
De eisers voor de verwijzende rechter wijzen erop dat, met toepassing De eisers voor de verwijzende rechter wijzen erop dat, met toepassing
van artikel 170, § 4, van de Grondwet, geen belasting kan worden van artikel 170, § 4, van de Grondwet, geen belasting kan worden
ingevoerd door de gemeente dan door een beslissing van haar raad en ingevoerd door de gemeente dan door een beslissing van haar raad en
dat de wet, ten aanzien van die belastingen, de uitzonderingen bepaalt dat de wet, ten aanzien van die belastingen, de uitzonderingen bepaalt
waarvan de noodzakelijkheid blijkt. waarvan de noodzakelijkheid blijkt.
Zij leiden eruit af dat de decreetgever te dezen de fiscale autonomie Zij leiden eruit af dat de decreetgever te dezen de fiscale autonomie
van de gemeenten slechts kon beperken door een beroep te doen op de van de gemeenten slechts kon beperken door een beroep te doen op de
impliciete bevoegdheden vervat in artikel 10 van de bijzondere wet van impliciete bevoegdheden vervat in artikel 10 van de bijzondere wet van
8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.
De verwijzende rechter stelt het Hof een vraag over de verenigbaarheid De verwijzende rechter stelt het Hof een vraag over de verenigbaarheid
van artikel 3.2.5 van het in het geding zijnde decreet met het van artikel 3.2.5 van het in het geding zijnde decreet met het
voormelde artikel 10 in zoverre niet zou zijn aangetoond dat een voormelde artikel 10 in zoverre niet zou zijn aangetoond dat een
beroep op de impliciete bevoegdheden te dezen noodzakelijk is voor de beroep op de impliciete bevoegdheden te dezen noodzakelijk is voor de
uitoefening, door het Vlaamse Gewest, van zijn bevoegdheden. uitoefening, door het Vlaamse Gewest, van zijn bevoegdheden.
B.3.1. Artikel 170, § 4, van de Grondwet bepaalt : B.3.1. Artikel 170, § 4, van de Grondwet bepaalt :
« Geen last of belasting kan door de agglomeratie, de federatie van « Geen last of belasting kan door de agglomeratie, de federatie van
gemeenten en de gemeente worden ingevoerd dan door een beslissing van gemeenten en de gemeente worden ingevoerd dan door een beslissing van
hun raad. hun raad.
De wet bepaalt ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde De wet bepaalt ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde
belastingen, de uitzonderingen waarvan de noodzakelijkheid blijkt ». belastingen, de uitzonderingen waarvan de noodzakelijkheid blijkt ».
B.3.2. Uit de parlementaire voorbereiding van artikel 170 van de B.3.2. Uit de parlementaire voorbereiding van artikel 170 van de
Grondwet kan worden afgeleid dat de Grondwetgever met de in het tweede Grondwet kan worden afgeleid dat de Grondwetgever met de in het tweede
lid van artikel 170, § 4, vervatte regel wou voorzien in een « soort lid van artikel 170, § 4, vervatte regel wou voorzien in een « soort
verdedigingsmechanisme » voor de Staat « t.o.v. de verschillende verdedigingsmechanisme » voor de Staat « t.o.v. de verschillende
andere bestuurslagen, om een eigen fiscale materie te behouden » andere bestuurslagen, om een eigen fiscale materie te behouden »
(Parl. St., Kamer, B.Z. 1979, nr. 10-8/4°, p. 4). (Parl. St., Kamer, B.Z. 1979, nr. 10-8/4°, p. 4).
Die regel werd door de Eerste Minister eveneens omschreven als een « Die regel werd door de Eerste Minister eveneens omschreven als een «
regulerend mechanisme » : regulerend mechanisme » :
« De wet moet dat regulerend mechanisme zijn en moet kunnen zeggen « De wet moet dat regulerend mechanisme zijn en moet kunnen zeggen
welke belastbare materie wordt voorbehouden aan de Staat. Indien men welke belastbare materie wordt voorbehouden aan de Staat. Indien men
dat niet zou doen komt men in een chaos en in alle mogelijke dat niet zou doen komt men in een chaos en in alle mogelijke
verwikkelingen terecht, die niets meer te maken hebben met een goed verwikkelingen terecht, die niets meer te maken hebben met een goed
georganiseerde federale Staat of goed georganiseerde Staat » (Hand., georganiseerde federale Staat of goed georganiseerde Staat » (Hand.,
Kamer, 22 juli 1980, p. 2707. Zie ook : ibid., p. 2708; Hand., Senaat, Kamer, 22 juli 1980, p. 2707. Zie ook : ibid., p. 2708; Hand., Senaat,
28 juli 1980, pp. 2650-2651). 28 juli 1980, pp. 2650-2651).
« [Ik zou] willen stellen [...] dat in dit nieuw systeem van « [Ik zou] willen stellen [...] dat in dit nieuw systeem van
bevoegdheidsverdeling op fiscaal vlak tussen de Staat, de bevoegdheidsverdeling op fiscaal vlak tussen de Staat, de
gemeenschappen en de gewesten en de nevengeschikte instellingen, de gemeenschappen en de gewesten en de nevengeschikte instellingen, de
provincies en de gemeenten, het laatste woord bij de Staat ligt. Het provincies en de gemeenten, het laatste woord bij de Staat ligt. Het
is wat ik heb genoemd het reguleringsmechanisme » (Hand., Senaat, 28 is wat ik heb genoemd het reguleringsmechanisme » (Hand., Senaat, 28
juli 1980, p. 2661). juli 1980, p. 2661).
B.3.3. Uit artikel 170, § 4, tweede lid, van de Grondwet volgt dat dat B.3.3. Uit artikel 170, § 4, tweede lid, van de Grondwet volgt dat dat
artikel aan de federale wetgever, wat de gemeentebelastingen betreft, artikel aan de federale wetgever, wat de gemeentebelastingen betreft,
de uitzonderingen voorbehoudt waarvan de noodzakelijkheid blijkt, de uitzonderingen voorbehoudt waarvan de noodzakelijkheid blijkt,
zodat de gewesten slechts een regeling mogen aannemen die de zodat de gewesten slechts een regeling mogen aannemen die de
bevoegdheid van de gemeenten tot het invoeren van een belasting zou bevoegdheid van de gemeenten tot het invoeren van een belasting zou
beperken indien de voorwaarden voor de toepassing van artikel 10 van beperken indien de voorwaarden voor de toepassing van artikel 10 van
de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen
zijn vervuld. zijn vervuld.
Daartoe is vereist dat die regeling noodzakelijk is voor de Daartoe is vereist dat die regeling noodzakelijk is voor de
uitoefening van de bevoegdheden van het gewest, dat de aangelegenheid uitoefening van de bevoegdheden van het gewest, dat de aangelegenheid
zich tot een gedifferentieerde regeling leent en dat de weerslag van zich tot een gedifferentieerde regeling leent en dat de weerslag van
de in het geding zijnde bepalingen op die aangelegenheid slechts de in het geding zijnde bepalingen op die aangelegenheid slechts
marginaal is. marginaal is.
B.4. Om de verenigbaarheid van artikel 3.2.5 van het in het geding B.4. Om de verenigbaarheid van artikel 3.2.5 van het in het geding
zijnde decreet met artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus zijnde decreet met artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus
1980 tot hervorming der instellingen te onderzoeken, dient rekening te 1980 tot hervorming der instellingen te onderzoeken, dient rekening te
worden gehouden met de artikelen 3.2.6 tot 3.2.12 en 3.2.14 en 3.2.15 worden gehouden met de artikelen 3.2.6 tot 3.2.12 en 3.2.14 en 3.2.15
van hetzelfde decreet, waarnaar de parlementaire voorbereiding van dat van hetzelfde decreet, waarnaar de parlementaire voorbereiding van dat
decreet verwijst. decreet verwijst.
Die artikelen bepalen : Die artikelen bepalen :
« Art. 3.2.6. Deze afdeling is van toepassing in zoverre de « Art. 3.2.6. Deze afdeling is van toepassing in zoverre de
gemeentelijke heffingsreglementen daarvan niet afwijken. gemeentelijke heffingsreglementen daarvan niet afwijken.
Art. 3.2.7. De activeringsheffing is verschuldigd door de persoon die Art. 3.2.7. De activeringsheffing is verschuldigd door de persoon die
op 1 januari van het heffingsjaar eigenaar is van de bouwgrond of op 1 januari van het heffingsjaar eigenaar is van de bouwgrond of
kavel. kavel.
Indien er een recht van opstal of erfpacht bestaat, is de Indien er een recht van opstal of erfpacht bestaat, is de
activeringsheffing verschuldigd door de erfpachter of de opstalhouder. activeringsheffing verschuldigd door de erfpachter of de opstalhouder.
Zo er meerdere heffingsplichtigen zijn, zijn deze hoofdelijk gehouden Zo er meerdere heffingsplichtigen zijn, zijn deze hoofdelijk gehouden
tot betaling van de verschuldigde activeringsheffing. tot betaling van de verschuldigde activeringsheffing.
Art. 3.2.8. Van de activeringsheffing zijn vrijgesteld : Art. 3.2.8. Van de activeringsheffing zijn vrijgesteld :
1° de eigenaars van één enkele onbebouwde bouwgrond in woongebied of 1° de eigenaars van één enkele onbebouwde bouwgrond in woongebied of
onbebouwde kavel, bij uitsluiting van enig ander onroerend goed onbebouwde kavel, bij uitsluiting van enig ander onroerend goed
gelegen in België of het buitenland; gelegen in België of het buitenland;
2° de sociale woonorganisaties en Vlabinvest apb; 2° de sociale woonorganisaties en Vlabinvest apb;
3° [...] 3° [...]
4° door de overheid erkende jeugd- en sportverenigingen. 4° door de overheid erkende jeugd- en sportverenigingen.
Een vrijstelling, beperkt tot één onbebouwde bouwgrond in woongebied Een vrijstelling, beperkt tot één onbebouwde bouwgrond in woongebied
of één onbebouwde kavel per kind, wordt tevens toegekend aan ouders of één onbebouwde kavel per kind, wordt tevens toegekend aan ouders
met kinderen die al dan niet ten laste zijn. Deze vrijstelling wordt met kinderen die al dan niet ten laste zijn. Deze vrijstelling wordt
toegekend op voorwaarde dat het kind op 1 januari van het heffingsjaar toegekend op voorwaarde dat het kind op 1 januari van het heffingsjaar
voldoet aan beide hiernavolgende voorwaarden : voldoet aan beide hiernavolgende voorwaarden :
1° het heeft de leeftijd van dertig jaar nog niet bereikt; 1° het heeft de leeftijd van dertig jaar nog niet bereikt;
2° het heeft nog geen volle drie jaar een onbebouwde bouwgrond in 2° het heeft nog geen volle drie jaar een onbebouwde bouwgrond in
woongebied, een onbebouwde kavel of een woning in volle eigendom, woongebied, een onbebouwde kavel of een woning in volle eigendom,
alleen of met de persoon met wie het gehuwd is of wettelijk of alleen of met de persoon met wie het gehuwd is of wettelijk of
feitelijk samenwoont. feitelijk samenwoont.
Art. 3.2.9. De activeringsheffing wordt niet geheven op percelen die Art. 3.2.9. De activeringsheffing wordt niet geheven op percelen die
voldoen aan beide hiernavolgende voorwaarden : voldoen aan beide hiernavolgende voorwaarden :
1° ze behoren toe aan dezelfde eigenaar als deze van de aanpalende 1° ze behoren toe aan dezelfde eigenaar als deze van de aanpalende
bebouwde bouwgrond of kavel; bebouwde bouwgrond of kavel;
2° ze vormen met die bebouwde bouwgrond of kavel één ononderbroken 2° ze vormen met die bebouwde bouwgrond of kavel één ononderbroken
ruimtelijk geheel. ruimtelijk geheel.
De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, geldt slechts voor een De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, geldt slechts voor een
straatbreedte van ten hoogste dertig meter. Indien de straatbreedte van ten hoogste dertig meter. Indien de
activeringsheffing per vierkante meter wordt berekend, wordt de activeringsheffing per vierkante meter wordt berekend, wordt de
vrijstelling berekend door de vrijgestelde straatbreedte te vrijstelling berekend door de vrijgestelde straatbreedte te
vermenigvuldigen met de gemiddelde lengte van de onbebouwde bouwgrond vermenigvuldigen met de gemiddelde lengte van de onbebouwde bouwgrond
in woongebied of de onbebouwde kavel. in woongebied of de onbebouwde kavel.
Art. 3.2.10. De activeringsheffing wordt niet geheven op bouwgronden Art. 3.2.10. De activeringsheffing wordt niet geheven op bouwgronden
en kavels die tijdens het heffingsjaar niet voor bebouwing kunnen en kavels die tijdens het heffingsjaar niet voor bebouwing kunnen
worden bestemd : worden bestemd :
1° ingevolge hun inrichting als collectieve voorzieningen, met 1° ingevolge hun inrichting als collectieve voorzieningen, met
inbegrip van hun aanhorigheden; inbegrip van hun aanhorigheden;
2° ingevolge de Pachtwet van 4 november 1969, waarbij het bewijs van 2° ingevolge de Pachtwet van 4 november 1969, waarbij het bewijs van
de pacht door alle middelen rechtens mag worden geleverd; de pacht door alle middelen rechtens mag worden geleverd;
3° ingevolge hun werkelijke en volledige aanwending voor land- of 3° ingevolge hun werkelijke en volledige aanwending voor land- of
tuinbouw, gedurende het hele jaar; tuinbouw, gedurende het hele jaar;
4° ingevolge een bouwverbod of enige andere erfdienstbaarheid tot 4° ingevolge een bouwverbod of enige andere erfdienstbaarheid tot
openbaar nut die woningbouw onmogelijk maakt; openbaar nut die woningbouw onmogelijk maakt;
5° ingevolge een vreemde oorzaak die de heffingsplichtige niet kan 5° ingevolge een vreemde oorzaak die de heffingsplichtige niet kan
worden toegerekend, zoals de beperkte omvang van de bouwgronden of worden toegerekend, zoals de beperkte omvang van de bouwgronden of
kavels, of hun ligging, vorm of fysieke toestand. kavels, of hun ligging, vorm of fysieke toestand.
Art. 3.2.11. De activeringsheffing wordt opgeschort in hoofde van de Art. 3.2.11. De activeringsheffing wordt opgeschort in hoofde van de
houders van een in laatste administratieve aanleg verleende houders van een in laatste administratieve aanleg verleende
verkavelingsvergunning, en dit gedurende vijf jaren, te rekenen vanaf verkavelingsvergunning, en dit gedurende vijf jaren, te rekenen vanaf
1 januari van het jaar dat volgt op de afgifte van de vergunning in 1 januari van het jaar dat volgt op de afgifte van de vergunning in
laatste administratieve aanleg, respectievelijk, wanneer de laatste administratieve aanleg, respectievelijk, wanneer de
verkaveling werken omvat, vanaf 1 januari van het jaar dat volgt op verkaveling werken omvat, vanaf 1 januari van het jaar dat volgt op
het jaar van afgifte van het attest, vermeld in artikel 4.2.16, § 2, het jaar van afgifte van het attest, vermeld in artikel 4.2.16, § 2,
van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, desgevallend voor die fase van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, desgevallend voor die fase
van de verkavelingsvergunning waarvoor het attest wordt verleend. van de verkavelingsvergunning waarvoor het attest wordt verleend.
Art. 3.2.12. Benevens de vrijstellingen, verleend bij of krachtens Art. 3.2.12. Benevens de vrijstellingen, verleend bij of krachtens
deze afdeling, geldt onverkort de algemene onbelastbaarheid van de deze afdeling, geldt onverkort de algemene onbelastbaarheid van de
Staat, de gemeenschappen, de gewesten, de provincies en de gemeenten Staat, de gemeenschappen, de gewesten, de provincies en de gemeenten
voor wat betreft goederen van het openbaar domein en van goederen van voor wat betreft goederen van het openbaar domein en van goederen van
het privaat domein die voor een dienst van openbaar nut worden het privaat domein die voor een dienst van openbaar nut worden
aangewend ». aangewend ».
« Afdeling 4. - Bijzondere regelen betreffende de invoering van een « Afdeling 4. - Bijzondere regelen betreffende de invoering van een
activeringsheffing activeringsheffing
Art. 3.2.14. Elke gemeente die niet over een heffing op onbebouwde Art. 3.2.14. Elke gemeente die niet over een heffing op onbebouwde
bouwgronden of kavels beschikt, gaat in januari en in juli de spanning bouwgronden of kavels beschikt, gaat in januari en in juli de spanning
na tussen de woningbehoefte en het bouwpotentieel. na tussen de woningbehoefte en het bouwpotentieel.
De woningbehoefte wordt berekend aan de hand van een door de Vlaamse De woningbehoefte wordt berekend aan de hand van een door de Vlaamse
Regering vastgesteld prognosemodel, gebaseerd op recente Regering vastgesteld prognosemodel, gebaseerd op recente
wetenschappelijke inzichten op het vlak van inzonderheid de wetenschappelijke inzichten op het vlak van inzonderheid de
huishoudensontwikkeling, het migratiepatroon en demografische huishoudensontwikkeling, het migratiepatroon en demografische
evoluties en tendensen. Zolang dat prognosemodel niet is vastgesteld, evoluties en tendensen. Zolang dat prognosemodel niet is vastgesteld,
wordt de woningbehoefte berekend aan de hand van de aanwijzingen van wordt de woningbehoefte berekend aan de hand van de aanwijzingen van
het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen. het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen.
Het bouwpotentieel wordt berekend als de optelsom van, enerzijds, het Het bouwpotentieel wordt berekend als de optelsom van, enerzijds, het
product van het aantal onbebouwde bouwgronden met de door de Vlaamse product van het aantal onbebouwde bouwgronden met de door de Vlaamse
Regering vastgestelde gemiddelde verwezenlijkingsratio van onbebouwde Regering vastgestelde gemiddelde verwezenlijkingsratio van onbebouwde
bouwgronden, en, anderzijds, het product van het aantal onbebouwde bouwgronden, en, anderzijds, het product van het aantal onbebouwde
kavels met de door de Vlaamse Regering vastgestelde gemiddelde kavels met de door de Vlaamse Regering vastgestelde gemiddelde
verwezenlijkingsratio van onbebouwde kavels. De Vlaamse Regering houdt verwezenlijkingsratio van onbebouwde kavels. De Vlaamse Regering houdt
bij de vaststelling van de gemiddelde verwezenlijkingsratio's rekening bij de vaststelling van de gemiddelde verwezenlijkingsratio's rekening
met de stedelijke of landelijke aard van het gebied. met de stedelijke of landelijke aard van het gebied.
Art. 3.2.15. Indien de woningbehoefte op drie opeenvolgende meetdata Art. 3.2.15. Indien de woningbehoefte op drie opeenvolgende meetdata
het bouwpotentieel overschrijdt, is sprake van een structureel het bouwpotentieel overschrijdt, is sprake van een structureel
onderaanbod. onderaanbod.
In het geval van een structureel onderaanbod geldt vanaf het In het geval van een structureel onderaanbod geldt vanaf het
eerstvolgende kalenderjaar na de laatste meting de verplichting om een eerstvolgende kalenderjaar na de laatste meting de verplichting om een
activeringsheffing op onbebouwde kavels te hanteren. Deze verplichting activeringsheffing op onbebouwde kavels te hanteren. Deze verplichting
geldt voor een termijn van drie heffingsjaren. geldt voor een termijn van drie heffingsjaren.
Indien in het tweede en derde jaar van de verplichte Indien in het tweede en derde jaar van de verplichte
activeringsheffing op onbebouwde kavels opnieuw een structureel activeringsheffing op onbebouwde kavels opnieuw een structureel
onderaanbod wordt vastgesteld, geldt vanaf het eerstvolgende onderaanbod wordt vastgesteld, geldt vanaf het eerstvolgende
kalenderjaar na de laatste meting de verplichting om een kalenderjaar na de laatste meting de verplichting om een
activeringsheffing op onbebouwde bouwgronden in woongebied te activeringsheffing op onbebouwde bouwgronden in woongebied te
hanteren. Deze verplichting geldt voor een termijn van drie hanteren. Deze verplichting geldt voor een termijn van drie
heffingsjaren ». heffingsjaren ».
B.5. De parlementaire voorbereiding van het decreet vermeldt : B.5. De parlementaire voorbereiding van het decreet vermeldt :
« 45. De bestaande figuur van de (facultatieve) gemeentelijke heffing « 45. De bestaande figuur van de (facultatieve) gemeentelijke heffing
op onbebouwde terreinen (artikel 143 DRO) heeft in de praktijk en op onbebouwde terreinen (artikel 143 DRO) heeft in de praktijk en
blijkens de literatuur ontegensprekelijk haar nut bewezen voor de blijkens de literatuur ontegensprekelijk haar nut bewezen voor de
activering van slapende gronden. activering van slapende gronden.
Deze heffing wordt daarom verfijnd en bijgesteld onder de vorm van een Deze heffing wordt daarom verfijnd en bijgesteld onder de vorm van een
' activeringsheffing '(artikel 3.2.5 e.v.). ' activeringsheffing '(artikel 3.2.5 e.v.).
46. De decretale regelen met betrekking tot die activeringsheffing, 46. De decretale regelen met betrekking tot die activeringsheffing,
vallen uiteen in twee groepen. vallen uiteen in twee groepen.
De eerste groep bestaat uit regelingen van suppletief recht. Zij zijn De eerste groep bestaat uit regelingen van suppletief recht. Zij zijn
opgenomen in afdeling 2. De gemeenten kunnen van deze regelen opgenomen in afdeling 2. De gemeenten kunnen van deze regelen
afwijken; zij kunnen ze ook aanvullen (door bvb. te voorzien in afwijken; zij kunnen ze ook aanvullen (door bvb. te voorzien in
bijkomende vrijstellingen). Eén en ander strookt met de vraag, vanuit bijkomende vrijstellingen). Eén en ander strookt met de vraag, vanuit
de VVSG, naar een volwaardige invulling van het de VVSG, naar een volwaardige invulling van het
subsidiariteitsbeginsel en met de bedenkingen van de Afdeling subsidiariteitsbeginsel en met de bedenkingen van de Afdeling
Wetgeving van de Raad van State, die oordeelt dat - ook indien de Wetgeving van de Raad van State, die oordeelt dat - ook indien de
decreetgever gemeenten ' machtigt ' om een heffing in te voeren - decreetgever gemeenten ' machtigt ' om een heffing in te voeren -
rekening moet worden gehouden met het feit dat de gewesten slechts via rekening moet worden gehouden met het feit dat de gewesten slechts via
een beroep op de impliciete bevoegdheden kunnen raken aan de een beroep op de impliciete bevoegdheden kunnen raken aan de
gemeentelijke belastingautonomie (p. 7). gemeentelijke belastingautonomie (p. 7).
De tweede groep bestaat uit dwingende regelingen. Behalve het evidente De tweede groep bestaat uit dwingende regelingen. Behalve het evidente
feit dat de heffing onder het proceduredecreet van 30 mei 2008 valt feit dat de heffing onder het proceduredecreet van 30 mei 2008 valt
(artikel 3.2.13), gaat het om : (artikel 3.2.13), gaat het om :
1° de bepaling van de minimale heffingsbedragen die nodig zijn om de 1° de bepaling van de minimale heffingsbedragen die nodig zijn om de
effectiviteit van de heffing te bewaken (artikel 3.2.5, § 1, tweede effectiviteit van de heffing te bewaken (artikel 3.2.5, § 1, tweede
lid); lid);
2° de verplichting om een heffing in te voeren wanneer het 2° de verplichting om een heffing in te voeren wanneer het
bouwpotentieel binnen de gemeente ' onder de maat blijft ' ten bouwpotentieel binnen de gemeente ' onder de maat blijft ' ten
opzichte van de woonbehoefte in de gemeente. Daaromtrent is in de opzichte van de woonbehoefte in de gemeente. Daaromtrent is in de
artikelen 3.2.14 en 3.2.15 een genuanceerde regeling uitgewerkt. De artikelen 3.2.14 en 3.2.15 een genuanceerde regeling uitgewerkt. De
eerste invoeringsdatum van een verplichte heffing (op kavels) is 1 eerste invoeringsdatum van een verplichte heffing (op kavels) is 1
januari 2011 (verplichting voor 3 jaar); de heffing op bouwgronden kan januari 2011 (verplichting voor 3 jaar); de heffing op bouwgronden kan
in voorkomend geval verplicht worden opgelegd vanaf 1 januari 2014 in voorkomend geval verplicht worden opgelegd vanaf 1 januari 2014
(verplichting voor 3 jaar). (verplichting voor 3 jaar).
Deze systematiek impliceert dat gemeenten die vandaag reeds over een Deze systematiek impliceert dat gemeenten die vandaag reeds over een
heffingsreglement beschikken, perfect de huidige systematiek kunnen heffingsreglement beschikken, perfect de huidige systematiek kunnen
aanhouden en geen aanpassingen moeten doorvoeren. Strikt gesproken aanhouden en geen aanpassingen moeten doorvoeren. Strikt gesproken
geldt vanaf de inwerkingtreding van dit ontwerp wél de voorwaarde dat geldt vanaf de inwerkingtreding van dit ontwerp wél de voorwaarde dat
de gemeentelijke regelingen de minimale heffingsbedragen van artikel de gemeentelijke regelingen de minimale heffingsbedragen van artikel
3.2.5, § 1, tweede lid, in acht moeten nemen. Zulks kan in de praktijk 3.2.5, § 1, tweede lid, in acht moeten nemen. Zulks kan in de praktijk
echter geen probleem vormen, nu de Omzendbrief BA-2004/3 van 14 juli echter geen probleem vormen, nu de Omzendbrief BA-2004/3 van 14 juli
2004 ' Gemeentefiscaliteit - Coördinatie van de onderrichtingen ' 2004 ' Gemeentefiscaliteit - Coördinatie van de onderrichtingen '
reeds een minimale aanslag van 125 euro (per perceel of grond) reeds een minimale aanslag van 125 euro (per perceel of grond)
vooropstelt (zie ook nr. 5 van de juridische toelichting hieronder). vooropstelt (zie ook nr. 5 van de juridische toelichting hieronder).
47. De verplichtingen, opgenomen in de ' tweede groep ' (zie vorig 47. De verplichtingen, opgenomen in de ' tweede groep ' (zie vorig
randnr.), kunnen bevoegdheidstechnisch als volgt worden onderbouwd. randnr.), kunnen bevoegdheidstechnisch als volgt worden onderbouwd.
Juridische onderbouw voor een decretale en geclausuleerde verplichting Juridische onderbouw voor een decretale en geclausuleerde verplichting
tot het invoeren van een activeringsheffing tot het invoeren van een activeringsheffing
Basishypothese Basishypothese
- 1 - Traditioneel wordt de mogelijkheid in hoofde van de hogere - 1 - Traditioneel wordt de mogelijkheid in hoofde van de hogere
overheid om in te grijpen in de gemeentelijke fiscale autonomie overheid om in te grijpen in de gemeentelijke fiscale autonomie
verantwoord op basis van artikel 170, § 4, G.W., dat luidt als volgt : verantwoord op basis van artikel 170, § 4, G.W., dat luidt als volgt :
' § 4. Geen last of belasting kan door (...) de gemeente worden ' § 4. Geen last of belasting kan door (...) de gemeente worden
ingevoerd dan door een beslissing van (haar) raad. ingevoerd dan door een beslissing van (haar) raad.
De wet bepaalt ten aanzien van de in het vorige lid bedoelde De wet bepaalt ten aanzien van de in het vorige lid bedoelde
belastingen, de uitzonderingen waarvan de noodzakelijkheid blijkt '. belastingen, de uitzonderingen waarvan de noodzakelijkheid blijkt '.
Waar deze regeling stelt dat ' de wet ' de uitzonderingen bepaalt Waar deze regeling stelt dat ' de wet ' de uitzonderingen bepaalt
waarvan de noodzakelijkheid blijkt, stelt zich de vraag of hier de waarvan de noodzakelijkheid blijkt, stelt zich de vraag of hier de
federale wet dan wel het decreet (immers ook een wetskrachtige norm) federale wet dan wel het decreet (immers ook een wetskrachtige norm)
wordt bedoeld. wordt bedoeld.
- 2 - De adviespraktijk van de Raad van State, Afdeling Wetgeving, - 2 - De adviespraktijk van de Raad van State, Afdeling Wetgeving,
gaat alleszins uit van de idee dat effectief naar ' de federale wet ' gaat alleszins uit van de idee dat effectief naar ' de federale wet '
wordt verwezen (zie inzonderheid de pgs. 7-8 van het advies bij wordt verwezen (zie inzonderheid de pgs. 7-8 van het advies bij
voorliggend ontwerpdecreet). voorliggend ontwerpdecreet).
De Raad oordeelt immers dat de libellering van voormelde bepaling bij De Raad oordeelt immers dat de libellering van voormelde bepaling bij
de grondwetswijziging van 29 juli 1980 zeker niet in een de grondwetswijziging van 29 juli 1980 zeker niet in een
bevoegdheidsneutrale context tot stand kwam; op die datum was de bevoegdheidsneutrale context tot stand kwam; op die datum was de
grondwetgever reeds overgegaan tot de oprichting van de gemeenschappen grondwetgever reeds overgegaan tot de oprichting van de gemeenschappen
en de gewesten en had hij aan de gemeenschappen (grondwetsherziening en de gewesten en had hij aan de gemeenschappen (grondwetsherziening
van 24 december 1970) en aan de gewesten (grondwetsherziening van 17 van 24 december 1970) en aan de gewesten (grondwetsherziening van 17
juli 1980) reeds wetgevende bevoegdheid verleend. Bij de formulering juli 1980) reeds wetgevende bevoegdheid verleend. Bij de formulering
van artikel 170, § 4, tweede lid, G.W. kon met deze bevoegdheid van de van artikel 170, § 4, tweede lid, G.W. kon met deze bevoegdheid van de
deelstaten aldus perfect rekening worden gehouden, hetgeen evenwel deelstaten aldus perfect rekening worden gehouden, hetgeen evenwel
niet is gebeurd; het gebezigde wetsbegrip kan aldus slechts in strikt niet is gebeurd; het gebezigde wetsbegrip kan aldus slechts in strikt
formele zin (' de federale wetgever ') worden uitgelegd. formele zin (' de federale wetgever ') worden uitgelegd.
- 3 - Geredeneerd vanuit deze standaardvisie, kunnen de gewesten - 3 - Geredeneerd vanuit deze standaardvisie, kunnen de gewesten
(zoals boven reeds gesteld) slechts ingrijpen in de gemeentelijke (zoals boven reeds gesteld) slechts ingrijpen in de gemeentelijke
belastingautonomie via een beroep op de impliciete bevoegdheden, i.e. belastingautonomie via een beroep op de impliciete bevoegdheden, i.e.
de bevoegdheden die strikt genomen niet binnen de eigen competenties de bevoegdheden die strikt genomen niet binnen de eigen competenties
vallen, maar die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van een eigen vallen, maar die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van een eigen
bevoegdheid. Zoals geweten is het beroep op de impliciete bevoegdheden bevoegdheid. Zoals geweten is het beroep op de impliciete bevoegdheden
volgens het Grondwettelijk Hof slechts toelaatbaar onder de voorwaarde volgens het Grondwettelijk Hof slechts toelaatbaar onder de voorwaarde
dat de voorbehouden aangelegenheid zich tot een gedifferentieerde dat de voorbehouden aangelegenheid zich tot een gedifferentieerde
regeling leent, dat de weerslag op de betrokken federale regeling leent, dat de weerslag op de betrokken federale
aangelegenheid slechts marginaal is, en dat het beroep op de aangelegenheid slechts marginaal is, en dat het beroep op de
impliciete bevoegdheden noodzakelijk is. impliciete bevoegdheden noodzakelijk is.
Dergelijk beroep op de impliciete bevoegdheden is in casu zeker te Dergelijk beroep op de impliciete bevoegdheden is in casu zeker te
verantwoorden ter onderbouwing van a) de in het ontwerpdecreet verantwoorden ter onderbouwing van a) de in het ontwerpdecreet
opgenomen geclausuleerde verplichting tot het invoeren van een opgenomen geclausuleerde verplichting tot het invoeren van een
activeringsheffing en b) de decretaal vastgelegde minimumbedragen voor activeringsheffing en b) de decretaal vastgelegde minimumbedragen voor
de heffing. de heffing.
Noodzakelijkheid Noodzakelijkheid
- 4 - De figuur van de gemeentelijke heffing op onbebouwde terreinen - 4 - De figuur van de gemeentelijke heffing op onbebouwde terreinen
heeft blijkens de literatuur ontegensprekelijk haar nut bewezen. heeft blijkens de literatuur ontegensprekelijk haar nut bewezen.
- 5 - De belasting kan ' evenwel slechts haar doel bereiken, indien de - 5 - De belasting kan ' evenwel slechts haar doel bereiken, indien de
belasting voldoende hoog is '. De Vlaamse overheid heeft, als belasting voldoende hoog is '. De Vlaamse overheid heeft, als
toezichthoudend bestuur, in het verleden reeds geoordeeld dat om een toezichthoudend bestuur, in het verleden reeds geoordeeld dat om een
nuttig effect te bereiken een minimumtarief van 125 euro vereist is. nuttig effect te bereiken een minimumtarief van 125 euro vereist is.
Een vergelijkend onderzoek van West-Vlaamse belastingreglementen leert Een vergelijkend onderzoek van West-Vlaamse belastingreglementen leert
dat deze minimale aanslag effectief overal in acht wordt genomen. dat deze minimale aanslag effectief overal in acht wordt genomen.
Indien men dat basisbedrag extrapoleert naar een ' hedendaagse ' kavel Indien men dat basisbedrag extrapoleert naar een ' hedendaagse ' kavel
van 500 m2 met een normale straatbreedte van 10 meter, dan verkrijgt van 500 m2 met een normale straatbreedte van 10 meter, dan verkrijgt
men de overige in artikel 3.2.5, § 1, tweede lid, vermelde minima, men de overige in artikel 3.2.5, § 1, tweede lid, vermelde minima,
m.n. 0,25 euro per vierkante meter (indien men werkt met een heffing m.n. 0,25 euro per vierkante meter (indien men werkt met een heffing
op grond van oppervlaktenormen) c.q. 12,50 euro per strekkende meter op grond van oppervlaktenormen) c.q. 12,50 euro per strekkende meter
palende aan de openbare weg. palende aan de openbare weg.
Aangezien het bedrag van 125 euro (dat als basis dient voor de overige Aangezien het bedrag van 125 euro (dat als basis dient voor de overige
minima) reeds aangehouden wordt door de toezichthoudende overheid, en minima) reeds aangehouden wordt door de toezichthoudende overheid, en
gelet op het feit dat dat minimumbedrag in de beleidspraktijk goed gelet op het feit dat dat minimumbedrag in de beleidspraktijk goed
wordt opgevolgd en de nodige effecten sorteert, is het noodzakelijk om wordt opgevolgd en de nodige effecten sorteert, is het noodzakelijk om
erover te waken dat gemeenten die nieuw toetreden tot het stelsel van erover te waken dat gemeenten die nieuw toetreden tot het stelsel van
de activeringsheffing bij het vaststellen van de heffingsbedragen ten de activeringsheffing bij het vaststellen van de heffingsbedragen ten
minste de bestaande minimumnormering in rekening brengen. minste de bestaande minimumnormering in rekening brengen.
- 6 - Gelet op de effectiviteit van de betrokken heffing, kan de - 6 - Gelet op de effectiviteit van de betrokken heffing, kan de
Vlaamse overheid de eigen competenties op het vlak van het grond- en Vlaamse overheid de eigen competenties op het vlak van het grond- en
pandenbeleid daarenboven slechts waarmaken, wanneer zij de gevallen pandenbeleid daarenboven slechts waarmaken, wanneer zij de gevallen
kan omschrijven waarin het instrument van de activeringsheffing móet kan omschrijven waarin het instrument van de activeringsheffing móet
worden ingezet in functie van het terugdringen en tegengaan van worden ingezet in functie van het terugdringen en tegengaan van
grondenspeculatie en het verwezenlijken van gebiedsbestemmingen. grondenspeculatie en het verwezenlijken van gebiedsbestemmingen.
Vanuit de bevoegde centrale overheid dient immers in instrumenten te Vanuit de bevoegde centrale overheid dient immers in instrumenten te
worden voorzien om het ' stilzitten ' van lokale besturen te worden voorzien om het ' stilzitten ' van lokale besturen te
doorbreken, wanneer de beleidsmatige einddoelen, zoals opgenomen in doorbreken, wanneer de beleidsmatige einddoelen, zoals opgenomen in
het ontwerpdecreet en ondermeer uit te werken in het Grond- en het ontwerpdecreet en ondermeer uit te werken in het Grond- en
pandenbeleidsplan Vlaanderen, in het gedrang dreigen te komen. De pandenbeleidsplan Vlaanderen, in het gedrang dreigen te komen. De
ontwerpregeling vormt aldus een noodzakelijk instrument voor de ontwerpregeling vormt aldus een noodzakelijk instrument voor de
operationalisering van de Vlaamse bevoegdheden op het vlak van het operationalisering van de Vlaamse bevoegdheden op het vlak van het
grond- en pandenbeleid, zoals bevestigd in artikel 6, § 1, I, 6°, grond- en pandenbeleid, zoals bevestigd in artikel 6, § 1, I, 6°,
B.W.H.I. B.W.H.I.
Marginale weerslag Marginale weerslag
- 7 - Het feit dat de volledige ontwerpregeling inzake de - 7 - Het feit dat de volledige ontwerpregeling inzake de
activeringsheffing slechts een marginale weerslag heeft, kan op activeringsheffing slechts een marginale weerslag heeft, kan op
eenvoudige wijze worden afgeleid uit de vaststelling dat de eenvoudige wijze worden afgeleid uit de vaststelling dat de
activeringsheffing nauw aansluit bij hetgeen reeds in artikel 70bis activeringsheffing nauw aansluit bij hetgeen reeds in artikel 70bis
Stedenbouwwet geregeld was; één en ander leunt aldus sowieso dicht aan Stedenbouwwet geregeld was; één en ander leunt aldus sowieso dicht aan
bij artikel 282 van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening c.q. bij artikel 282 van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening c.q.
artikel 160 CWATUP. artikel 160 CWATUP.
Gedifferentieerde regeling mogelijk Gedifferentieerde regeling mogelijk
- 8 - Het concept ' activeringsheffing ' leent zich ten slotte tot een - 8 - Het concept ' activeringsheffing ' leent zich ten slotte tot een
gedifferentieerde regeling, omwille van de duidelijke gedifferentieerde regeling, omwille van de duidelijke
lokaliseerbaarheid van het voorwerp van de heffing binnen het Vlaamse lokaliseerbaarheid van het voorwerp van de heffing binnen het Vlaamse
Gewest. De regeling van het ontwerpdecreet heeft daarenboven een Gewest. De regeling van het ontwerpdecreet heeft daarenboven een
beperkte draagwijdte binnen het geheel der fiscale regelingen en beperkte draagwijdte binnen het geheel der fiscale regelingen en
betreft het specifiek ' gewestelijke ' terrein van de ruimtelijke betreft het specifiek ' gewestelijke ' terrein van de ruimtelijke
ordening en het grond- en pandenbeleid; aldus wordt niet of nauwelijks ordening en het grond- en pandenbeleid; aldus wordt niet of nauwelijks
geraakt aan de principiële en generieke federale bevoegdheid ten geraakt aan de principiële en generieke federale bevoegdheid ten
aanzien van het bepalen van de uitzonderingen op de gemeentelijke aanzien van het bepalen van de uitzonderingen op de gemeentelijke
belastingbevoegdheid. belastingbevoegdheid.
Middels een beroep op de impliciete bevoegdheden kunnen de voorgenomen Middels een beroep op de impliciete bevoegdheden kunnen de voorgenomen
geclausuleerde verplichting op het vlak van de invoering van de geclausuleerde verplichting op het vlak van de invoering van de
activeringsheffing, en de decretale vastlegging van minimumbedragen activeringsheffing, en de decretale vastlegging van minimumbedragen
voor de heffing, aldus zeer zeker - binnen de vigerende voor de heffing, aldus zeer zeker - binnen de vigerende
interpretatieschema's - worden onderbouwd » (Parl. St., Vlaams interpretatieschema's - worden onderbouwd » (Parl. St., Vlaams
Parlement 2008-2009, nr. 2012/1, pp. 20-22). Parlement 2008-2009, nr. 2012/1, pp. 20-22).
B.6. De machtiging in artikel 3.2.5, § 1, tweede lid, van het in het B.6. De machtiging in artikel 3.2.5, § 1, tweede lid, van het in het
geding zijnde decreet bevat geen verplichting om een gemeentelijke geding zijnde decreet bevat geen verplichting om een gemeentelijke
heffing ter activering van onbebouwde bouwgronden in woongebied in te heffing ter activering van onbebouwde bouwgronden in woongebied in te
voeren, behoudens indien een gemeente zich bevindt in de situatie voeren, behoudens indien een gemeente zich bevindt in de situatie
vermeld in artikel 3.2.15 van het decreet. vermeld in artikel 3.2.15 van het decreet.
Aan de gemeentelijke fiscale autonomie wordt daarentegen wel geraakt Aan de gemeentelijke fiscale autonomie wordt daarentegen wel geraakt
door de decretale regeling in zoverre zij minimale regelen wat betreft door de decretale regeling in zoverre zij minimale regelen wat betreft
het bedrag van de door de gemeenten daadwerkelijk geïnde het bedrag van de door de gemeenten daadwerkelijk geïnde
activeringsheffingen oplegt. De decreetgever dient, op dat punt, zijn activeringsheffingen oplegt. De decreetgever dient, op dat punt, zijn
optreden te rechtvaardigen door een beroep te doen op de impliciete optreden te rechtvaardigen door een beroep te doen op de impliciete
bevoegdheden waarvan de noodzakelijkheid moet worden aangetoond voor bevoegdheden waarvan de noodzakelijkheid moet worden aangetoond voor
de uitoefening van eigen gewestelijke bevoegdheden. de uitoefening van eigen gewestelijke bevoegdheden.
B.7.1. Zoals blijkt uit de in B.5 geciteerde parlementaire B.7.1. Zoals blijkt uit de in B.5 geciteerde parlementaire
voorbereiding, heeft de decreetgever geoordeeld dat de in het geding voorbereiding, heeft de decreetgever geoordeeld dat de in het geding
zijnde regelgeving een noodzakelijk instrument vormde voor de zijnde regelgeving een noodzakelijk instrument vormde voor de
tenuitvoerlegging van de bevoegdheden van het Vlaamse Gewest op het tenuitvoerlegging van de bevoegdheden van het Vlaamse Gewest op het
vlak van het grond- en pandenbeleid, neergelegd in artikel 6, § 1, I, vlak van het grond- en pandenbeleid, neergelegd in artikel 6, § 1, I,
6°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der 6°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der
instellingen. instellingen.
Dat artikel kent immers aan de gewesten de bevoegdheid toe inzake Dat artikel kent immers aan de gewesten de bevoegdheid toe inzake
grond- en pandenbeleid, met inbegrip van de regeling van de grond- en pandenbeleid, met inbegrip van de regeling van de
vastgoedmarkt om te vermijden dat het aanbod inkrimpt en dat prijzen vastgoedmarkt om te vermijden dat het aanbod inkrimpt en dat prijzen
stijgen ingevolge speculatie (Parl. St., Kamer, 1977-1978, nr. 461/20, stijgen ingevolge speculatie (Parl. St., Kamer, 1977-1978, nr. 461/20,
p. 6). p. 6).
In het kader van een regelgeving die tot doel heeft de coherentie en In het kader van een regelgeving die tot doel heeft de coherentie en
de doeltreffendheid te waarborgen van de strijd tegen grondspeculatie de doeltreffendheid te waarborgen van de strijd tegen grondspeculatie
en potentiële woonsites vrij te maken door het activeren van « en potentiële woonsites vrij te maken door het activeren van «
slapende » gronden, kon de decreetgever het noodzakelijk achten slapende » gronden, kon de decreetgever het noodzakelijk achten
minimumbedragen vast te stellen voor de door de gemeenten geïnde minimumbedragen vast te stellen voor de door de gemeenten geïnde
activeringsheffingen, aangezien de praktijk had aangetoond dat zulke activeringsheffingen, aangezien de praktijk had aangetoond dat zulke
bedragen een daadwerkelijke inachtneming van het met die belasting bedragen een daadwerkelijke inachtneming van het met die belasting
beoogde doel door de belastingplichtigen en, bijgevolg, de beoogde doel door de belastingplichtigen en, bijgevolg, de
doeltreffendheid van de maatregel konden waarborgen. doeltreffendheid van de maatregel konden waarborgen.
B.7.2. Aldus blijkt dat de door de in het geding zijnde bepaling B.7.2. Aldus blijkt dat de door de in het geding zijnde bepaling
ingevoerde decretale regeling noodzakelijk is voor de uitoefening van ingevoerde decretale regeling noodzakelijk is voor de uitoefening van
de bevoegdheid inzake grond- en pandenbeleid, die is bepaald in de bevoegdheid inzake grond- en pandenbeleid, die is bepaald in
artikel 6, § 1, I, 6°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot artikel 6, § 1, I, 6°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot
hervorming der instellingen. hervorming der instellingen.
Uit de in B.5 geciteerde parlementaire voorbereiding blijkt overigens Uit de in B.5 geciteerde parlementaire voorbereiding blijkt overigens
dat de aangelegenheid zich tot een gedifferentieerde regeling leent en dat de aangelegenheid zich tot een gedifferentieerde regeling leent en
dat de weerslag van de in het geding zijnde bepaling op de aan de dat de weerslag van de in het geding zijnde bepaling op de aan de
federale wetgever voorbehouden bevoegdheid marginaal is. federale wetgever voorbehouden bevoegdheid marginaal is.
B.8. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. B.8. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.
Om die redenen, Om die redenen,
het Hof het Hof
zegt voor recht : zegt voor recht :
Artikel 3.2.5, § 1, tweede lid, van het decreet van het Vlaamse Gewest Artikel 3.2.5, § 1, tweede lid, van het decreet van het Vlaamse Gewest
van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid schendt van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid schendt
artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming
der instellingen niet. der instellingen niet.
Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel
65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof,
op 11 mei 2017. op 11 mei 2017.
De griffier, De voorzitter, De griffier, De voorzitter,
P.-Y. Dutilleux E. De Groot P.-Y. Dutilleux E. De Groot
^