← Terug naar "Uittreksel uit arrest nr. 137/2007 van 7 november 2007 Rolnummer 4178 In zake :
het beroep tot vernietiging van artikel 3, 4°, van de wet van 18 december 2006 « tot wijziging van de
artikelen 80, 259quater, 259quinquies, 259nonies, 259decie Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt
en M. Melchior, de rechters P(...)"
Uittreksel uit arrest nr. 137/2007 van 7 november 2007 Rolnummer 4178 In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 3, 4°, van de wet van 18 december 2006 « tot wijziging van de artikelen 80, 259quater, 259quinquies, 259nonies, 259decie Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, de rechters P(...) | Uittreksel uit arrest nr. 137/2007 van 7 november 2007 Rolnummer 4178 In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 3, 4°, van de wet van 18 december 2006 « tot wijziging van de artikelen 80, 259quater, 259quinquies, 259nonies, 259decie Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, de rechters P(...) |
---|---|
GRONDWETTELIJK HOF | GRONDWETTELIJK HOF |
Uittreksel uit arrest nr. 137/2007 van 7 november 2007 | Uittreksel uit arrest nr. 137/2007 van 7 november 2007 |
Rolnummer 4178 | Rolnummer 4178 |
In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 3, 4°, van de wet | In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 3, 4°, van de wet |
van 18 december 2006 « tot wijziging van de artikelen 80, 259quater, | van 18 december 2006 « tot wijziging van de artikelen 80, 259quater, |
259quinquies, 259nonies, 259decies, 259undecies, 323bis, 340, 341, 346 | 259quinquies, 259nonies, 259decies, 259undecies, 323bis, 340, 341, 346 |
en 359 van het Gerechtelijk Wetboek, tot herstel in dit Wetboek van | en 359 van het Gerechtelijk Wetboek, tot herstel in dit Wetboek van |
artikel 324 en tot wijziging van de artikelen 43 en 43quater van de | artikel 324 en tot wijziging van de artikelen 43 en 43quater van de |
wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken », | wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken », |
ingesteld door Marc Vercruysse. | ingesteld door Marc Vercruysse. |
Het Grondwettelijk Hof, | Het Grondwettelijk Hof, |
samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, de rechters | samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, de rechters |
P. Martens, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, E. | P. Martens, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, E. |
Derycke en J. Spreutels, en, overeenkomstig artikel 60bis van de | Derycke en J. Spreutels, en, overeenkomstig artikel 60bis van de |
bijzondere wet van 6 januari 1989, emeritus voorzitter A. Arts, | bijzondere wet van 6 januari 1989, emeritus voorzitter A. Arts, |
bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van | bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van |
emeritus voorzitter A. Arts, | emeritus voorzitter A. Arts, |
wijst na beraad het volgende arrest : | wijst na beraad het volgende arrest : |
I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging | I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging |
Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 26 maart 2007 | Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 26 maart 2007 |
ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 27 maart | ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 27 maart |
2007, is beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 3, 4°, van de | 2007, is beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 3, 4°, van de |
wet van 18 december 2006 « tot wijziging van de artikelen 80, | wet van 18 december 2006 « tot wijziging van de artikelen 80, |
259quater, 259quinquies, 259nonies, 259decies, 259undecies, 323bis, | 259quater, 259quinquies, 259nonies, 259decies, 259undecies, 323bis, |
340, 341, 346 en 359 van het Gerechtelijk Wetboek, tot herstel in dit | 340, 341, 346 en 359 van het Gerechtelijk Wetboek, tot herstel in dit |
Wetboek van artikel 324 en tot wijziging van de artikelen 43 en | Wetboek van artikel 324 en tot wijziging van de artikelen 43 en |
43quater van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in | 43quater van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in |
gerechtszaken » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 16 | gerechtszaken » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 16 |
januari 2007) door Marc Vercruysse, wonende te 8520 Kuurne, Marktplein | januari 2007) door Marc Vercruysse, wonende te 8520 Kuurne, Marktplein |
16. | 16. |
(...) | (...) |
II. In rechte | II. In rechte |
(...) | (...) |
Ten aanzien van de bestreden bepaling | Ten aanzien van de bestreden bepaling |
B.1.1. Artikel 3, 4°, van de wet van 18 december 2006 « tot wijziging | B.1.1. Artikel 3, 4°, van de wet van 18 december 2006 « tot wijziging |
van de artikelen 80, 259quater, 259quinquies, 259nonies, 259decies, | van de artikelen 80, 259quater, 259quinquies, 259nonies, 259decies, |
259undecies, 323bis, 340, 341, 346 en 359 van het Gerechtelijk | 259undecies, 323bis, 340, 341, 346 en 359 van het Gerechtelijk |
Wetboek, tot herstel in dit Wetboek van artikel 324 en tot wijziging | Wetboek, tot herstel in dit Wetboek van artikel 324 en tot wijziging |
van de artikelen 43 en 43quater van de wet van 15 juni 1935 op het | van de artikelen 43 en 43quater van de wet van 15 juni 1935 op het |
gebruik der talen in gerechtszaken », dat in werking is getreden op 1 | gebruik der talen in gerechtszaken », dat in werking is getreden op 1 |
mei 2007, luidt : | mei 2007, luidt : |
« In artikel 259quater van [het Gerechtelijk] Wetboek, ingevoegd bij | « In artikel 259quater van [het Gerechtelijk] Wetboek, ingevoegd bij |
de wet van 22 december 1998 en gewijzigd bij de wetten van 17 juli | de wet van 22 december 1998 en gewijzigd bij de wetten van 17 juli |
2000, 21 juni 2001 en 3 mei 2003, worden de volgende wijzigingen | 2000, 21 juni 2001 en 3 mei 2003, worden de volgende wijzigingen |
aangebracht : | aangebracht : |
[...] | [...] |
4° in § 3, tweede lid, 3° worden de woorden ' zes jaar ' vervangen | 4° in § 3, tweede lid, 3° worden de woorden ' zes jaar ' vervangen |
door de woorden ' vijf jaar ' ». | door de woorden ' vijf jaar ' ». |
B.1.2. Het aldus gewijzigde artikel 259quater, § 3, tweede lid, van | B.1.2. Het aldus gewijzigde artikel 259quater, § 3, tweede lid, van |
het Gerechtelijk Wetboek, luidt : | het Gerechtelijk Wetboek, luidt : |
« Voor het overige zijn de bepalingen bedoeld in artikel 259ter, §§ 4 | « Voor het overige zijn de bepalingen bedoeld in artikel 259ter, §§ 4 |
en 5, van overeenkomstige toepassing, behoudens voor wat hierna volgt | en 5, van overeenkomstige toepassing, behoudens voor wat hierna volgt |
: | : |
[...] | [...] |
3° op het ogenblik dat het mandaat daadwerkelijk openvalt moet de | 3° op het ogenblik dat het mandaat daadwerkelijk openvalt moet de |
kandidaat ten minste vijf jaar verwijderd zijn van de leeftijdsgrens | kandidaat ten minste vijf jaar verwijderd zijn van de leeftijdsgrens |
bedoeld in artikel 383, § 1 ». | bedoeld in artikel 383, § 1 ». |
Ten aanzien van de ontvankelijkheid | Ten aanzien van de ontvankelijkheid |
B.2.1. De Ministerraad voert aan dat het beroep tot vernietiging | B.2.1. De Ministerraad voert aan dat het beroep tot vernietiging |
laattijdig is, in zoverre het zou zijn gericht tegen de regel volgens | laattijdig is, in zoverre het zou zijn gericht tegen de regel volgens |
welke een kandidaat voor een aanwijzing tot korpschef een | welke een kandidaat voor een aanwijzing tot korpschef een |
minimumaantal jaren moet zijn verwijderd van de leeftijdsgrens bedoeld | minimumaantal jaren moet zijn verwijderd van de leeftijdsgrens bedoeld |
in artikel 383, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek. Bovendien zou de | in artikel 383, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek. Bovendien zou de |
verzoekende partij niet doen blijken van het vereiste belang, vermits | verzoekende partij niet doen blijken van het vereiste belang, vermits |
zij zowel vóór als na de inwerkingtreding van de bestreden bepaling | zij zowel vóór als na de inwerkingtreding van de bestreden bepaling |
geen kandidaat zou kunnen zijn voor het mandaat van eerste voorzitter | geen kandidaat zou kunnen zijn voor het mandaat van eerste voorzitter |
van het Hof van Beroep te Gent. | van het Hof van Beroep te Gent. |
B.2.2. Het door de bestreden bepaling gewijzigde artikel 259quater, § | B.2.2. Het door de bestreden bepaling gewijzigde artikel 259quater, § |
3, tweede lid, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt het | 3, tweede lid, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt het |
minimumaantal jaren dat een kandidaat voor het ambt van korpschef, op | minimumaantal jaren dat een kandidaat voor het ambt van korpschef, op |
het ogenblik dat het mandaat daadwerkelijk openvalt, moet zijn | het ogenblik dat het mandaat daadwerkelijk openvalt, moet zijn |
verwijderd van de leeftijdsgrens bepaald in artikel 383, § 1, van het | verwijderd van de leeftijdsgrens bepaald in artikel 383, § 1, van het |
Gerechtelijk Wetboek. Door dat aantal terug te brengen van zes tot | Gerechtelijk Wetboek. Door dat aantal terug te brengen van zes tot |
vijf jaren, kan de wetgever worden geacht opnieuw normerend te zijn | vijf jaren, kan de wetgever worden geacht opnieuw normerend te zijn |
opgetreden met betrekking tot de in het voormelde artikel vervatte | opgetreden met betrekking tot de in het voormelde artikel vervatte |
aangelegenheid. | aangelegenheid. |
B.2.3. Doordat het door de bestreden bepaling gewijzigde artikel | B.2.3. Doordat het door de bestreden bepaling gewijzigde artikel |
259quater, § 3, tweede lid, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek | 259quater, § 3, tweede lid, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek |
verhindert dat de verzoekende partij - die thans kamervoorzitter is in | verhindert dat de verzoekende partij - die thans kamervoorzitter is in |
het Hof van Beroep te Gent - zich vanaf 1 februari 2008 kandidaat | het Hof van Beroep te Gent - zich vanaf 1 februari 2008 kandidaat |
stelt voor een aanwijzing tot eerste voorzitter van het Hof van Beroep | stelt voor een aanwijzing tot eerste voorzitter van het Hof van Beroep |
te Gent, doet die partij blijken van het vereiste belang om de | te Gent, doet die partij blijken van het vereiste belang om de |
vernietiging van die bepaling te vorderen. Het opnieuw in werking | vernietiging van die bepaling te vorderen. Het opnieuw in werking |
stellen van de vroegere bepaling, dat het gevolg zou zijn van de | stellen van de vroegere bepaling, dat het gevolg zou zijn van de |
vernietiging van de bestreden bepaling, zou de verzoekende partij niet | vernietiging van de bestreden bepaling, zou de verzoekende partij niet |
haar belang ontnemen bij de vernietiging van die bepaling. In geval | haar belang ontnemen bij de vernietiging van die bepaling. In geval |
van vernietiging zou immers voor de verzoekende partij opnieuw de | van vernietiging zou immers voor de verzoekende partij opnieuw de |
mogelijkheid bestaan dat de wetgever een nieuwe bepaling aanneemt die | mogelijkheid bestaan dat de wetgever een nieuwe bepaling aanneemt die |
voor haar gunstig zou zijn. | voor haar gunstig zou zijn. |
B.2.4. De excepties worden verworpen. | B.2.4. De excepties worden verworpen. |
Ten gronde | Ten gronde |
B.3. De verzoekende partij voert de schending aan van de artikelen 10 | B.3. De verzoekende partij voert de schending aan van de artikelen 10 |
en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de | en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de |
richtlijn 2000/78/EG van 27 november 2000 tot instelling van een | richtlijn 2000/78/EG van 27 november 2000 tot instelling van een |
algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep, in | algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep, in |
zoverre de bestreden bepaling zou verhinderen dat personen die op het | zoverre de bestreden bepaling zou verhinderen dat personen die op het |
ogenblik dat een mandaat van eerste voorzitter van een hof van beroep | ogenblik dat een mandaat van eerste voorzitter van een hof van beroep |
openvalt 62 jaar of ouder zijn, kandidaat zijn voor aanwijzing tot dat | openvalt 62 jaar of ouder zijn, kandidaat zijn voor aanwijzing tot dat |
mandaat. | mandaat. |
B.4. De wet van 18 december 2006, waarvan de bestreden bepaling deel | B.4. De wet van 18 december 2006, waarvan de bestreden bepaling deel |
uitmaakt, heeft het mandaat van eerste voorzitter van een hof van | uitmaakt, heeft het mandaat van eerste voorzitter van een hof van |
beroep, dat voorheen een mandaat van zeven jaar was, omgezet in een | beroep, dat voorheen een mandaat van zeven jaar was, omgezet in een |
mandaat van vijf jaar dat eenmaal kan worden hernieuwd in hetzelfde | mandaat van vijf jaar dat eenmaal kan worden hernieuwd in hetzelfde |
rechtscollege. | rechtscollege. |
De bestreden bepaling voorziet erin dat de kandidaat voor een mandaat | De bestreden bepaling voorziet erin dat de kandidaat voor een mandaat |
van eerste voorzitter van een hof van beroep, op het tijdstip waarop | van eerste voorzitter van een hof van beroep, op het tijdstip waarop |
het mandaat openvalt, vijf jaar moet zijn verwijderd van de | het mandaat openvalt, vijf jaar moet zijn verwijderd van de |
pensioenleeftijd bedoeld in artikel 383, § 1, van het Gerechtelijk | pensioenleeftijd bedoeld in artikel 383, § 1, van het Gerechtelijk |
Wetboek. Dat de bestreden bepaling het aantal jaren dat een kandidaat | Wetboek. Dat de bestreden bepaling het aantal jaren dat een kandidaat |
moet zijn verwijderd van de pensioengerechtigde leeftijd terugbrengt | moet zijn verwijderd van de pensioengerechtigde leeftijd terugbrengt |
van zes naar vijf jaar, werd beschouwd als een rechtstreeks gevolg van | van zes naar vijf jaar, werd beschouwd als een rechtstreeks gevolg van |
de vermindering van de duur van de mandaten (Parl. St., Senaat, | de vermindering van de duur van de mandaten (Parl. St., Senaat, |
2005-2006, nr. 3-1707/5, p. 5). | 2005-2006, nr. 3-1707/5, p. 5). |
B.5. Uit het bij de bestreden bepaling gewijzigde artikel 259quater, § | B.5. Uit het bij de bestreden bepaling gewijzigde artikel 259quater, § |
3, tweede lid, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek vloeit een verschil in | 3, tweede lid, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek vloeit een verschil in |
behandeling voort tussen, enerzijds, personen die op het ogenblik dat | behandeling voort tussen, enerzijds, personen die op het ogenblik dat |
een mandaat van eerste voorzitter van een hof van beroep openvalt, | een mandaat van eerste voorzitter van een hof van beroep openvalt, |
minder dan vijf jaar zijn verwijderd van de leeftijdsgrens bedoeld in | minder dan vijf jaar zijn verwijderd van de leeftijdsgrens bedoeld in |
artikel 383, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek en, anderzijds, | artikel 383, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek en, anderzijds, |
personen die op datzelfde ogenblik ten minste vijf jaar zijn | personen die op datzelfde ogenblik ten minste vijf jaar zijn |
verwijderd van die leeftijdsgrens. Terwijl de eerste categorie van | verwijderd van die leeftijdsgrens. Terwijl de eerste categorie van |
personen geen kandidaat kan zijn voor het opengevallen mandaat, kan de | personen geen kandidaat kan zijn voor het opengevallen mandaat, kan de |
tweede categorie van personen dat wel zijn. | tweede categorie van personen dat wel zijn. |
B.6.1. Het door de in het geding zijnde bepaling gewijzigde artikel | B.6.1. Het door de in het geding zijnde bepaling gewijzigde artikel |
259quater van het Gerechtelijk Wetboek past in het kader van de in | 259quater van het Gerechtelijk Wetboek past in het kader van de in |
1998 doorgevoerde hervorming van het statuut van de magistraten. | 1998 doorgevoerde hervorming van het statuut van de magistraten. |
Terwijl voorheen, wanneer een ambt van eerste voorzitter van een hof | Terwijl voorheen, wanneer een ambt van eerste voorzitter van een hof |
van beroep openviel, het hof in de vacature voorzag in algemene en | van beroep openviel, het hof in de vacature voorzag in algemene en |
openbare vergadering (artikel 151, in fine, van de Grondwet, vóór de | openbare vergadering (artikel 151, in fine, van de Grondwet, vóór de |
grondwetswijziging van 20 november 1998; artikel 214 van het | grondwetswijziging van 20 november 1998; artikel 214 van het |
Gerechtelijk Wetboek, vóór het werd opgeheven bij artikel 40, 4°, van | Gerechtelijk Wetboek, vóór het werd opgeheven bij artikel 40, 4°, van |
de wet van 22 december 1998), bepaalt artikel 151, § 5, eerste en | de wet van 22 december 1998), bepaalt artikel 151, § 5, eerste en |
vijfde lid, van de Grondwet thans dat de eerste voorzitters van de | vijfde lid, van de Grondwet thans dat de eerste voorzitters van de |
hoven door de Koning in die functies worden aangewezen onder de | hoven door de Koning in die functies worden aangewezen onder de |
voorwaarden en op de wijze die wordt bepaald bij de wet, die de duur | voorwaarden en op de wijze die wordt bepaald bij de wet, die de duur |
van die aanwijzingen kan bepalen. | van die aanwijzingen kan bepalen. |
B.6.2. Bij de wet van 22 december 1998, die de bepalingen van het | B.6.2. Bij de wet van 22 december 1998, die de bepalingen van het |
Gerechtelijk Wetboek betreffende onder meer de benoeming en de | Gerechtelijk Wetboek betreffende onder meer de benoeming en de |
aanwijzing van magistraten wijzigde, werd in dat Wetboek een artikel | aanwijzing van magistraten wijzigde, werd in dat Wetboek een artikel |
259quater ingevoegd, volgens hetwelk de korpschefs door de Koning | 259quater ingevoegd, volgens hetwelk de korpschefs door de Koning |
worden aangewezen voor een mandaat dat, sedert de wijzigingen die | worden aangewezen voor een mandaat dat, sedert de wijzigingen die |
werden ingevoerd bij de wet van 18 december 2006, vijf jaar duurt en | werden ingevoerd bij de wet van 18 december 2006, vijf jaar duurt en |
hernieuwbaar is, met uitzondering van de eerste voorzitter van het Hof | hernieuwbaar is, met uitzondering van de eerste voorzitter van het Hof |
van Cassatie en de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie, wier | van Cassatie en de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie, wier |
mandaat niet hernieuwbaar is. Er wordt gepreciseerd dat het | mandaat niet hernieuwbaar is. Er wordt gepreciseerd dat het |
aanwijzingsdossier van een korpschef onder andere bestaat uit het | aanwijzingsdossier van een korpschef onder andere bestaat uit het |
beleidsplan van de kandidaat (artikel 259quater, § 2, laatste lid, d), | beleidsplan van de kandidaat (artikel 259quater, § 2, laatste lid, d), |
van het Gerechtelijk Wetboek) en dat de voordracht van de kandidaat | van het Gerechtelijk Wetboek) en dat de voordracht van de kandidaat |
door de Hoge Raad voor de Justitie tevens geschiedt op basis van het | door de Hoge Raad voor de Justitie tevens geschiedt op basis van het |
standaardprofiel voor de functies van korpschef (artikel 259quater, § | standaardprofiel voor de functies van korpschef (artikel 259quater, § |
3, tweede lid, 1°, van hetzelfde Wetboek), dat wordt voorbereid door | 3, tweede lid, 1°, van hetzelfde Wetboek), dat wordt voorbereid door |
de advies- en onderzoekscommissie, goedgekeurd door de algemene | de advies- en onderzoekscommissie, goedgekeurd door de algemene |
vergadering van de Hoge Raad voor de Justitie en bekendgemaakt in het | vergadering van de Hoge Raad voor de Justitie en bekendgemaakt in het |
Belgisch Staatsblad (artikel 259bis -13 van het Gerechtelijk Wetboek). | Belgisch Staatsblad (artikel 259bis -13 van het Gerechtelijk Wetboek). |
B.6.3. Aangezien hij wenste dat de aanwijzing tot korpschef voortaan | B.6.3. Aangezien hij wenste dat de aanwijzing tot korpschef voortaan |
zou gebeuren op basis van een beleidsplan, kon de wetgever | zou gebeuren op basis van een beleidsplan, kon de wetgever |
redelijkerwijs eisen dat dit mandaat zou worden uitgeoefend gedurende | redelijkerwijs eisen dat dit mandaat zou worden uitgeoefend gedurende |
de periode die noodzakelijk is voor de uitvoering ervan. Die | de periode die noodzakelijk is voor de uitvoering ervan. Die |
bekommernis was duidelijk vanaf de indiening van het wetsvoorstel dat | bekommernis was duidelijk vanaf de indiening van het wetsvoorstel dat |
de wet van 22 december 1998 zou worden : | de wet van 22 december 1998 zou worden : |
« Opdat een korpschef een volwaardige invulling aan zijn functie kan | « Opdat een korpschef een volwaardige invulling aan zijn functie kan |
geven is het nodig dat een mandaat voldoende lang kan worden | geven is het nodig dat een mandaat voldoende lang kan worden |
uitgeoefend. Vandaar dat bepaald wordt dat een aanstelling tot | uitgeoefend. Vandaar dat bepaald wordt dat een aanstelling tot |
korpschef maar kan gebeuren voor zover het mandaat gedurende ten | korpschef maar kan gebeuren voor zover het mandaat gedurende ten |
minste vijf jaar kan worden bekleed zodat er voldoende garanties zijn | minste vijf jaar kan worden bekleed zodat er voldoende garanties zijn |
naar motivatie en continuïteit toe » (Parl. St., Kamer, 1997-1998, nr. | naar motivatie en continuïteit toe » (Parl. St., Kamer, 1997-1998, nr. |
1677/1, p. 72). | 1677/1, p. 72). |
B.6.4. Die bekommernis werd opnieuw geuit tijdens de parlementaire | B.6.4. Die bekommernis werd opnieuw geuit tijdens de parlementaire |
voorbereiding van de bestreden bepaling : | voorbereiding van de bestreden bepaling : |
« In het ontworpen regime heeft het basismandaat van de korpschefs | « In het ontworpen regime heeft het basismandaat van de korpschefs |
vanaf nu een duur van 5 jaar : een periode tijdens dewelke het echt | vanaf nu een duur van 5 jaar : een periode tijdens dewelke het echt |
mogelijk is om te beheren, om bijzondere organisatievormen te | mogelijk is om te beheren, om bijzondere organisatievormen te |
ontplooien van de gerechtelijke activiteit of voor het ontwikkelen van | ontplooien van de gerechtelijke activiteit of voor het ontwikkelen van |
een strafrechtelijk beleid, door zich te baseren op het beheersplan | een strafrechtelijk beleid, door zich te baseren op het beheersplan |
dat geschetst werd met het oog op de aanduidingsprocedure » (Parl. | dat geschetst werd met het oog op de aanduidingsprocedure » (Parl. |
St., Senaat, 2005-2006, nr. 3-1707/5, p. 3). | St., Senaat, 2005-2006, nr. 3-1707/5, p. 3). |
B.7. Rekening houdend met de hervormingen van het statuut van de | B.7. Rekening houdend met de hervormingen van het statuut van de |
magistratuur die sinds 1998 in het Gerechtelijk Wetboek zijn | magistratuur die sinds 1998 in het Gerechtelijk Wetboek zijn |
doorgevoerd, is het niet onredelijk te eisen dat de kandidaat voor een | doorgevoerd, is het niet onredelijk te eisen dat de kandidaat voor een |
mandaat van korpschef over voldoende tijd beschikt om het door hem | mandaat van korpschef over voldoende tijd beschikt om het door hem |
ingediende beleidsplan uit te voeren. | ingediende beleidsplan uit te voeren. |
Door te eisen dat die kandidaat minstens nog gedurende vijf jaar | Door te eisen dat die kandidaat minstens nog gedurende vijf jaar |
effectief aanwezig is binnen de magistratuur, heeft de wetgever die | effectief aanwezig is binnen de magistratuur, heeft de wetgever die |
vereiste afgestemd op de duur van het door dezelfde wet vastgestelde | vereiste afgestemd op de duur van het door dezelfde wet vastgestelde |
mandaat. Zulk een vaststelling staat in verhouding tot het | mandaat. Zulk een vaststelling staat in verhouding tot het |
nagestreefde doel en is niet onevenredig ten opzichte van dat doel. | nagestreefde doel en is niet onevenredig ten opzichte van dat doel. |
B.8. Uit hetgeen voorafgaat volgt dat de bestreden bepaling geen | B.8. Uit hetgeen voorafgaat volgt dat de bestreden bepaling geen |
onverantwoord verschil in behandeling creëert tussen de kandidaten | onverantwoord verschil in behandeling creëert tussen de kandidaten |
voor een mandaat van eerste voorzitter van een hof van beroep | voor een mandaat van eerste voorzitter van een hof van beroep |
naargelang zij ten minste vijf jaar dan wel minder dan vijf jaar zijn | naargelang zij ten minste vijf jaar dan wel minder dan vijf jaar zijn |
verwijderd van de pensioenleeftijd op het ogenblik dat dit mandaat | verwijderd van de pensioenleeftijd op het ogenblik dat dit mandaat |
daadwerkelijk openvalt. | daadwerkelijk openvalt. |
B.9. De combinatie van die grondwetsbepalingen met de richtlijn | B.9. De combinatie van die grondwetsbepalingen met de richtlijn |
2000/78/EG van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader | 2000/78/EG van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader |
voor gelijke behandeling in arbeid en beroep leidt niet tot een andere | voor gelijke behandeling in arbeid en beroep leidt niet tot een andere |
conclusie. | conclusie. |
In dit verband is het voldoende erop te wijzen dat naar luid van | In dit verband is het voldoende erop te wijzen dat naar luid van |
artikel 6, lid 1, eerste alinea, de lidstaten kunnen bepalen dat | artikel 6, lid 1, eerste alinea, de lidstaten kunnen bepalen dat |
verschillen in behandeling op grond van leeftijd geen discriminatie | verschillen in behandeling op grond van leeftijd geen discriminatie |
vormen indien zij in het kader van de nationale wetgeving objectief en | vormen indien zij in het kader van de nationale wetgeving objectief en |
redelijk worden verantwoord door een legitiem doel en de middelen om | redelijk worden verantwoord door een legitiem doel en de middelen om |
dat doel te bereiken passend en noodzakelijk zijn. | dat doel te bereiken passend en noodzakelijk zijn. |
Artikel 6, lid 1, tweede alinea, onder c), bepaalt dienaangaande dat | Artikel 6, lid 1, tweede alinea, onder c), bepaalt dienaangaande dat |
dergelijke verschillen in behandeling onder meer de vaststelling | dergelijke verschillen in behandeling onder meer de vaststelling |
kunnen omvatten van een maximumleeftijd voor aanwerving, gebaseerd op | kunnen omvatten van een maximumleeftijd voor aanwerving, gebaseerd op |
de opleidingseisen voor de betrokken functie of op de noodzaak van een | de opleidingseisen voor de betrokken functie of op de noodzaak van een |
aan de pensionering voorafgaand redelijk aantal arbeidsjaren. | aan de pensionering voorafgaand redelijk aantal arbeidsjaren. |
B.10. Het middel is niet gegrond. | B.10. Het middel is niet gegrond. |
Om die redenen, | Om die redenen, |
het Hof | het Hof |
verwerpt het beroep. | verwerpt het beroep. |
Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, | Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, |
overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op | overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op |
de openbare terechtzitting van 7 november 2007. | de openbare terechtzitting van 7 november 2007. |
De griffier, | De griffier, |
P.-Y. Dutilleux. | P.-Y. Dutilleux. |
De voorzitter, | De voorzitter, |
A. Arts. | A. Arts. |