Etaamb.openjustice.be
Meertalige weergave van Arrest van --
← Terug naar "Uittreksel uit arrest nr. 32/2007 van 21 februari 2007 Rolnummer 3995 In zake : de prejudiciële vraag betreffende het koninklijk besluit van 1 december 1995 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling v Het Arbitragehof, samengesteld uit de rechters P. Martens en M. Bossuyt, waarnemend voorzitters,(...)"
Uittreksel uit arrest nr. 32/2007 van 21 februari 2007 Rolnummer 3995 In zake : de prejudiciële vraag betreffende het koninklijk besluit van 1 december 1995 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling v Het Arbitragehof, samengesteld uit de rechters P. Martens en M. Bossuyt, waarnemend voorzitters,(...) Uittreksel uit arrest nr. 32/2007 van 21 februari 2007 Rolnummer 3995 In zake : de prejudiciële vraag betreffende het koninklijk besluit van 1 december 1995 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling v Het Arbitragehof, samengesteld uit de rechters P. Martens en M. Bossuyt, waarnemend voorzitters,(...)
ARBITRAGEHOF ARBITRAGEHOF
Uittreksel uit arrest nr. 32/2007 van 21 februari 2007 Uittreksel uit arrest nr. 32/2007 van 21 februari 2007
Rolnummer 3995 Rolnummer 3995
In zake : de prejudiciële vraag betreffende het koninklijk besluit van In zake : de prejudiciële vraag betreffende het koninklijk besluit van
1 december 1995 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 1 december 1995 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 20 van 20
juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de
toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij
die tarieven, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Luik. die tarieven, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Luik.
Het Arbitragehof, Het Arbitragehof,
samengesteld uit de rechters P. Martens en M. Bossuyt, waarnemend samengesteld uit de rechters P. Martens en M. Bossuyt, waarnemend
voorzitters, en de rechters R. Henneuse, E. De Groot, J.-P. Snappe, E. voorzitters, en de rechters R. Henneuse, E. De Groot, J.-P. Snappe, E.
Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux,
onder voorzitterschap van rechter P. Martens, onder voorzitterschap van rechter P. Martens,
wijst na beraad het volgende arrest : wijst na beraad het volgende arrest :
I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging
Bij vonnis van 18 mei 2006 in zake Pierre Duchateau en Jeannine Evrard Bij vonnis van 18 mei 2006 in zake Pierre Duchateau en Jeannine Evrard
tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het
Arbitragehof is ingekomen op 24 mei 2006, heeft de Rechtbank van Arbitragehof is ingekomen op 24 mei 2006, heeft de Rechtbank van
eerste aanleg te Luik de volgende prejudiciële vraag gesteld : eerste aanleg te Luik de volgende prejudiciële vraag gesteld :
« Zijn de artikelen 170, § 1, 172, 10 en 11 van de Grondwet geschonden « Zijn de artikelen 170, § 1, 172, 10 en 11 van de Grondwet geschonden
door het koninklijk besluit van 1 december 1995 tot wijziging van het door het koninklijk besluit van 1 december 1995 tot wijziging van het
koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de
tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling
van de goederen en de diensten bij die tarieven, bekrachtigd bij van de goederen en de diensten bij die tarieven, bekrachtigd bij
artikel 3, 5°, van de wet van 15 oktober 1998 tot wijziging van het artikel 3, 5°, van de wet van 15 oktober 1998 tot wijziging van het
Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, aangezien het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, aangezien het
genoemde koninklijk besluit van 1 december 1995 aan de Minister van genoemde koninklijk besluit van 1 december 1995 aan de Minister van
Financiën de bevoegdheid heeft gelaten om de criteria te bepalen aan Financiën de bevoegdheid heeft gelaten om de criteria te bepalen aan
de hand waarvan de totale oppervlakte van 190 m2 of 100 m2 wordt de hand waarvan de totale oppervlakte van 190 m2 of 100 m2 wordt
vastgesteld, naargelang het gaat om een huis of een appartement, vastgesteld, naargelang het gaat om een huis of een appartement,
waarboven het voordeel van de door hem ingevoerde tijdelijke en waarboven het voordeel van de door hem ingevoerde tijdelijke en
beperkte maatregel niet kon worden toegekend, aangezien dergelijke beperkte maatregel niet kon worden toegekend, aangezien dergelijke
criteria niet moeten worden beschouwd als eenvoudige details of als criteria niet moeten worden beschouwd als eenvoudige details of als
gegevens die louter betrekking hebben op de uitvoering, maar als gegevens die louter betrekking hebben op de uitvoering, maar als
gegevens waarvan sommige fundamenteel blijken voor het begrip van de gegevens waarvan sommige fundamenteel blijken voor het begrip van de
door de ' wetgever ' ter zake genomen maatregel ? ». door de ' wetgever ' ter zake genomen maatregel ? ».
(...) (...)
III. In rechte III. In rechte
(...) (...)
Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling
B.1. Het Hof wordt gevraagd naar de bestaanbaarheid van het koninklijk B.1. Het Hof wordt gevraagd naar de bestaanbaarheid van het koninklijk
besluit van 1 december 1995 « tot wijziging van het koninklijk besluit besluit van 1 december 1995 « tot wijziging van het koninklijk besluit
nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de
belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen
en de diensten bij die tarieven » met de artikelen 10, 11, 170, § 1, en de diensten bij die tarieven » met de artikelen 10, 11, 170, § 1,
en 172 van de Grondwet. en 172 van de Grondwet.
Dat koninklijk besluit werd, vanaf de datum van inwerkingtreding Dat koninklijk besluit werd, vanaf de datum van inwerkingtreding
ervan, bekrachtigd bij artikel 3 van de wet van 15 oktober 1998 tot ervan, bekrachtigd bij artikel 3 van de wet van 15 oktober 1998 tot
wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde. wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde.
B.2. Hoewel in de prejudiciële vraag niet wordt gepreciseerd welke B.2. Hoewel in de prejudiciële vraag niet wordt gepreciseerd welke
bijzondere bepaling van dat koninklijk besluit wordt beoogd, blijkt bijzondere bepaling van dat koninklijk besluit wordt beoogd, blijkt
uit de feiten van de zaak en de motieven van de verwijzingsbeslissing uit de feiten van de zaak en de motieven van de verwijzingsbeslissing
dat de verwijzende rechter het Hof vraagt naar de grondwettigheid van dat de verwijzende rechter het Hof vraagt naar de grondwettigheid van
artikel 1 van dat koninklijk besluit, in zoverre het aan de Minister artikel 1 van dat koninklijk besluit, in zoverre het aan de Minister
van Financiën de bevoegdheid delegeert om de criteria te bepalen voor van Financiën de bevoegdheid delegeert om de criteria te bepalen voor
vaststelling van de totale oppervlakte van het gebouw waarboven het vaststelling van de totale oppervlakte van het gebouw waarboven het
voordeel van de in die bepaling bedoelde tijdelijke vermindering van voordeel van de in die bepaling bedoelde tijdelijke vermindering van
het btw-tarief niet langer kan worden toegekend. het btw-tarief niet langer kan worden toegekend.
B.3. Bij artikel 1 van het in het geding zijnde koninklijk besluit B.3. Bij artikel 1 van het in het geding zijnde koninklijk besluit
wordt een artikel 1quater ingevoegd in het koninklijk besluit nr. 20 wordt een artikel 1quater ingevoegd in het koninklijk besluit nr. 20
van 20 juli 1970 « tot vaststelling van de tarieven van de belasting van 20 juli 1970 « tot vaststelling van de tarieven van de belasting
over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de
diensten bij die tarieven ». diensten bij die tarieven ».
Dat artikel 1quater werd gewijzigd bij artikel 3 van de wet van 20 Dat artikel 1quater werd gewijzigd bij artikel 3 van de wet van 20
januari 1998 en vervangen bij artikel 2 van het koninklijk besluit van januari 1998 en vervangen bij artikel 2 van het koninklijk besluit van
18 januari 2002, bekrachtigd bij de programmawet van 5 augustus 2003. 18 januari 2002, bekrachtigd bij de programmawet van 5 augustus 2003.
Zoals het van toepassing is op het geschil voor de verwijzende Zoals het van toepassing is op het geschil voor de verwijzende
rechter, bepaalt artikel 1quater van het koninklijk besluit nr. 20 van rechter, bepaalt artikel 1quater van het koninklijk besluit nr. 20 van
20 juni 1970 : 20 juni 1970 :
« § 1. In afwijking van artikel 1 worden vanaf 1 januari 1996 tot en « § 1. In afwijking van artikel 1 worden vanaf 1 januari 1996 tot en
met 31 december 1997 onderworpen aan het tarief van 12 pct. over een met 31 december 1997 onderworpen aan het tarief van 12 pct. over een
totale gecumuleerde maatstaf van heffing van 2 000 000 BEF exclusief totale gecumuleerde maatstaf van heffing van 2 000 000 BEF exclusief
BTW : BTW :
A) werk in onroerende staat en andere handelingen opgesomd in rubriek A) werk in onroerende staat en andere handelingen opgesomd in rubriek
XXXI, § 3, 3° tot 6°, van tabel A van de bijlage bij dit besluit, die XXXI, § 3, 3° tot 6°, van tabel A van de bijlage bij dit besluit, die
de oprichting tot voorwerp hebben van een woning die na uitvoering van de oprichting tot voorwerp hebben van een woning die na uitvoering van
de werken : de werken :
- een totale oppervlakte heeft, berekend volgens criteria vastgesteld - een totale oppervlakte heeft, berekend volgens criteria vastgesteld
door de Minister van Financiën, die voor huizen 190 m2 en voor door de Minister van Financiën, die voor huizen 190 m2 en voor
appartementen 100 m2 niet overschrijdt appartementen 100 m2 niet overschrijdt
en en
- hetzij uitsluitend, hetzij hoofdzakelijk, wordt gebruikt als vaste - hetzij uitsluitend, hetzij hoofdzakelijk, wordt gebruikt als vaste
privé-woning. privé-woning.
[...] ». [...] ».
Ten aanzien van de ontvankelijkheid Ten aanzien van de ontvankelijkheid
B.4.1. De Ministerraad betoogt dat de prejudiciële vraag B.4.1. De Ministerraad betoogt dat de prejudiciële vraag
onontvankelijk is, in zoverre het Hof daarin wordt verzocht de onontvankelijk is, in zoverre het Hof daarin wordt verzocht de
grondwettigheid te toetsen van het ministerieel besluit nr. 20 van 22 grondwettigheid te toetsen van het ministerieel besluit nr. 20 van 22
december 1995 « tot vaststelling van de bijzondere voorwaarden en december 1995 « tot vaststelling van de bijzondere voorwaarden en
modaliteiten voor de toepassing van het verlaagd tarief van de modaliteiten voor de toepassing van het verlaagd tarief van de
belasting over de toegevoegde waarde van 12 pct. in de sector van de belasting over de toegevoegde waarde van 12 pct. in de sector van de
sociale privé-woningen », zoals het is gewijzigd bij het ministerieel sociale privé-woningen », zoals het is gewijzigd bij het ministerieel
besluit van 8 december 1996, ministeriële besluiten die zijn genomen besluit van 8 december 1996, ministeriële besluiten die zijn genomen
ter uitvoering van het in het geding zijnde koninklijk besluit. ter uitvoering van het in het geding zijnde koninklijk besluit.
Zoals de prejudiciële vraag is geformuleerd, bevat ze geen verzoek aan Zoals de prejudiciële vraag is geformuleerd, bevat ze geen verzoek aan
het Hof om uitspraak te doen over die ministeriële besluiten maar wel het Hof om uitspraak te doen over die ministeriële besluiten maar wel
over het koninklijk besluit van 1 december 1995, bekrachtigd bij de over het koninklijk besluit van 1 december 1995, bekrachtigd bij de
wet van 15 oktober 1998. Het Hof is bijgevolg bevoegd om er kennis van wet van 15 oktober 1998. Het Hof is bijgevolg bevoegd om er kennis van
te nemen. te nemen.
B.4.2. De exceptie wordt verworpen. B.4.2. De exceptie wordt verworpen.
B.5.1. De Ministerraad betwist voorts de ontvankelijkheid van de B.5.1. De Ministerraad betwist voorts de ontvankelijkheid van de
prejudiciële vraag, in zoverre het antwoord daarop geen enkel nut zou prejudiciële vraag, in zoverre het antwoord daarop geen enkel nut zou
hebben om het geschil ten gronde te beslechten. Overeenkomstig artikel hebben om het geschil ten gronde te beslechten. Overeenkomstig artikel
159 van de Grondwet, zou de verwijzende rechter immers kunnen weigeren 159 van de Grondwet, zou de verwijzende rechter immers kunnen weigeren
om de berekeningscriteria toe te passen die werden vastgesteld bij de om de berekeningscriteria toe te passen die werden vastgesteld bij de
voormelde ministeriële besluiten en de aanschrijving van 23 april voormelde ministeriële besluiten en de aanschrijving van 23 april
1996, indien hij die onregelmatig zou achten. 1996, indien hij die onregelmatig zou achten.
B.5.2. Zoals blijkt uit de motieven van het verwijzingsvonnis, wordt B.5.2. Zoals blijkt uit de motieven van het verwijzingsvonnis, wordt
het Hof gevraagd naar de mogelijke schending, door de in het geding het Hof gevraagd naar de mogelijke schending, door de in het geding
zijnde bepaling, van het legaliteitsbeginsel in fiscale zaken. Het zijnde bepaling, van het legaliteitsbeginsel in fiscale zaken. Het
antwoord op die vraag dat, indien het bevestigend was, de verwijzende antwoord op die vraag dat, indien het bevestigend was, de verwijzende
rechter ertoe zou kunnen brengen de toepassing van de voormelde rechter ertoe zou kunnen brengen de toepassing van de voormelde
ministeriële besluiten te weren, is kennelijk van belang voor de ministeriële besluiten te weren, is kennelijk van belang voor de
oplossing van het voor hem hangende geschil. oplossing van het voor hem hangende geschil.
B.5.3. De exceptie wordt verworpen. B.5.3. De exceptie wordt verworpen.
Ten gronde Ten gronde
B.6. Uit de artikelen 170, § 1, en 172, tweede lid, van de Grondwet B.6. Uit de artikelen 170, § 1, en 172, tweede lid, van de Grondwet
kan worden afgeleid dat geen enkele belasting kan worden geheven en kan worden afgeleid dat geen enkele belasting kan worden geheven en
dat geen enkele vrijstelling van belasting kan worden verleend zonder dat geen enkele vrijstelling van belasting kan worden verleend zonder
instemming van de belastingplichtigen, uitgedrukt door hun instemming van de belastingplichtigen, uitgedrukt door hun
vertegenwoordigers. Daaruit volgt dat de fiscale aangelegenheid een vertegenwoordigers. Daaruit volgt dat de fiscale aangelegenheid een
bevoegdheid is die door de Grondwet aan de wet wordt voorbehouden en bevoegdheid is die door de Grondwet aan de wet wordt voorbehouden en
dat elke delegatie die betrekking heeft op het bepalen van één van de dat elke delegatie die betrekking heeft op het bepalen van één van de
essentiële elementen van de belasting in beginsel ongrondwettig is. essentiële elementen van de belasting in beginsel ongrondwettig is.
De niet-inachtneming van die bepalingen impliceert bovendien een De niet-inachtneming van die bepalingen impliceert bovendien een
schending van de artikelen 10, 11 en 172, eerste lid, van de Grondwet. schending van de artikelen 10, 11 en 172, eerste lid, van de Grondwet.
Zij houdt immers een niet te verantwoorden verschil in behandeling in Zij houdt immers een niet te verantwoorden verschil in behandeling in
tussen twee categorieën van belastingplichtigen : degenen die de tussen twee categorieën van belastingplichtigen : degenen die de
waarborg genieten dat niemand kan worden onderworpen aan een belasting waarborg genieten dat niemand kan worden onderworpen aan een belasting
indien daartoe niet is beslist door een democratisch verkozen indien daartoe niet is beslist door een democratisch verkozen
beraadslagende vergadering en degenen aan wie die grondwettelijke beraadslagende vergadering en degenen aan wie die grondwettelijke
waarborg wordt ontzegd. waarborg wordt ontzegd.
B.7. Voormelde grondwetsbepalingen gaan evenwel niet zover dat ze de B.7. Voormelde grondwetsbepalingen gaan evenwel niet zover dat ze de
wetgever ertoe zouden verplichten elk aspect van een belasting of van wetgever ertoe zouden verplichten elk aspect van een belasting of van
een vrijstelling zelf te regelen. Een aan een andere overheid een vrijstelling zelf te regelen. Een aan een andere overheid
verleende bevoegdheid is niet in strijd met het legaliteitsbeginsel verleende bevoegdheid is niet in strijd met het legaliteitsbeginsel
voor zover de machtiging voldoende nauwkeurig is omschreven en voor zover de machtiging voldoende nauwkeurig is omschreven en
betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan de betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan de
essentiële elementen voorafgaandelijk door de wetgever zijn essentiële elementen voorafgaandelijk door de wetgever zijn
vastgesteld. vastgesteld.
B.8. Door tijdelijk een verlaagd btw-tarief van 12 pct. in te voeren, B.8. Door tijdelijk een verlaagd btw-tarief van 12 pct. in te voeren,
wilde de Koning de heropleving in de bouwsector stimuleren, in het wilde de Koning de heropleving in de bouwsector stimuleren, in het
bijzonder in die van de sociale woningen. Hiertoe heeft de Koning de bijzonder in die van de sociale woningen. Hiertoe heeft de Koning de
maximale toegelaten oppervlakte vastgesteld om dat verlaagde tarief te maximale toegelaten oppervlakte vastgesteld om dat verlaagde tarief te
kunnen genieten, rekening houdend met de « ruimste normen zoals kunnen genieten, rekening houdend met de « ruimste normen zoals
gesteld door de Gewesten in het kader van hun sociaal gesteld door de Gewesten in het kader van hun sociaal
huisvestingsbeleid ». Hij heeft voorts rekening gehouden met de « huisvestingsbeleid ». Hij heeft voorts rekening gehouden met de «
gezinnen met meerdere kinderen » (Beknopt Verslag, Kamer, 1995-1996, gezinnen met meerdere kinderen » (Beknopt Verslag, Kamer, 1995-1996,
COM 18.03.1996-22.03.1996, AC11-1). COM 18.03.1996-22.03.1996, AC11-1).
B.9. Krachtens artikel 1 van het koninklijk besluit van 1 december B.9. Krachtens artikel 1 van het koninklijk besluit van 1 december
1995, zoals het van toepassing is op het geschil voor de verwijzende 1995, zoals het van toepassing is op het geschil voor de verwijzende
rechter, was aan het tarief van 12 pct. onderworpen het werk in rechter, was aan het tarief van 12 pct. onderworpen het werk in
vastgoed, met een plafond van 2 000 000 frank, verricht tussen 1 vastgoed, met een plafond van 2 000 000 frank, verricht tussen 1
januari 1996 en 31 december 1997, dat de oprichting betrof van een januari 1996 en 31 december 1997, dat de oprichting betrof van een
woning waarvan de totale oppervlakte - voor een huis - niet meer kon woning waarvan de totale oppervlakte - voor een huis - niet meer kon
bedragen dan 190 m2 en die, hetzij uitsluitend, hetzij hoofdzakelijk, bedragen dan 190 m2 en die, hetzij uitsluitend, hetzij hoofdzakelijk,
wordt gebruikt als vaste privéwoning. wordt gebruikt als vaste privéwoning.
Bij het vaststellen van de criteria om de totale oppervlakte van het Bij het vaststellen van de criteria om de totale oppervlakte van het
gebouw te berekenen, moest bijgevolg rekening worden gehouden met een gebouw te berekenen, moest bijgevolg rekening worden gehouden met een
dergelijke bestemming. dergelijke bestemming.
B.10. Gelet op de door hem verstrekte preciseringen in verband met de B.10. Gelet op de door hem verstrekte preciseringen in verband met de
bestemming van het gebouw, kon de wetgever in een ingewikkelde bestemming van het gebouw, kon de wetgever in een ingewikkelde
aangelegenheid als deze, zonder het legaliteitsbeginsel in fiscale aangelegenheid als deze, zonder het legaliteitsbeginsel in fiscale
zaken te schenden, aan de Minister van Financiën de technische zaken te schenden, aan de Minister van Financiën de technische
bevoegdheid toekennen om de criteria te bepalen aan de hand waarvan de bevoegdheid toekennen om de criteria te bepalen aan de hand waarvan de
door de wetgever zelf vastgestelde oppervlakte van het gebouw kan door de wetgever zelf vastgestelde oppervlakte van het gebouw kan
worden berekend. worden berekend.
B.11. Voor het overige staat het aan de bevoegde rechter om te B.11. Voor het overige staat het aan de bevoegde rechter om te
oordelen of de Minister van Financiën de doelstellingen van de in het oordelen of de Minister van Financiën de doelstellingen van de in het
geding zijnde bepaling en de perken van de erin vervatte delegatie geding zijnde bepaling en de perken van de erin vervatte delegatie
heeft in acht genomen. heeft in acht genomen.
B.12. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. B.12. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.
Om die redenen, Om die redenen,
het Hof het Hof
zegt voor recht : zegt voor recht :
Artikel 1 van het koninklijk besluit van 1 december 1995 « tot Artikel 1 van het koninklijk besluit van 1 december 1995 « tot
wijziging van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot
vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde
waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven
», bekrachtigd bij de wet van 15 oktober 1998, schendt de artikelen », bekrachtigd bij de wet van 15 oktober 1998, schendt de artikelen
10, 11, 170, § 1, en 172 van de Grondwet niet. 10, 11, 170, § 1, en 172 van de Grondwet niet.
Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig
artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het
Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 21 februari 2007. Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 21 februari 2007.
De griffier, De griffier,
P.-Y. Dutilleux. P.-Y. Dutilleux.
De wnd. voorzitter, De wnd. voorzitter,
P. Martens. P. Martens.
^