Etaamb.openjustice.be
Meertalige weergave van Arrest van --
← Terug naar "Uittreksel uit arrest nr. 119/2005 van 6 juli 2005 Rolnummer 3055 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 180, derde lid, van de gemeentewet van 30 maart 1836, zoals ze werd aangevuld bij de wet van 11 februari 1986 op de gemeentepolit Het Arbitragehof, samengesteld uit rechter P. Martens, waarnemend voorzitter, voorzitter A. Arts(...)"
Uittreksel uit arrest nr. 119/2005 van 6 juli 2005 Rolnummer 3055 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 180, derde lid, van de gemeentewet van 30 maart 1836, zoals ze werd aangevuld bij de wet van 11 februari 1986 op de gemeentepolit Het Arbitragehof, samengesteld uit rechter P. Martens, waarnemend voorzitter, voorzitter A. Arts(...) Uittreksel uit arrest nr. 119/2005 van 6 juli 2005 Rolnummer 3055 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 180, derde lid, van de gemeentewet van 30 maart 1836, zoals ze werd aangevuld bij de wet van 11 februari 1986 op de gemeentepolit Het Arbitragehof, samengesteld uit rechter P. Martens, waarnemend voorzitter, voorzitter A. Arts(...)
ARBITRAGEHOF ARBITRAGEHOF
Uittreksel uit arrest nr. 119/2005 van 6 juli 2005 Uittreksel uit arrest nr. 119/2005 van 6 juli 2005
Rolnummer 3055 Rolnummer 3055
In zake : de prejudiciële vraag over artikel 180, derde lid, van de In zake : de prejudiciële vraag over artikel 180, derde lid, van de
gemeentewet van 30 maart 1836, zoals ze werd aangevuld bij de wet van gemeentewet van 30 maart 1836, zoals ze werd aangevuld bij de wet van
11 februari 1986 op de gemeentepolitie, gesteld door de Raad van 11 februari 1986 op de gemeentepolitie, gesteld door de Raad van
State. State.
Het Arbitragehof, Het Arbitragehof,
samengesteld uit rechter P. Martens, waarnemend voorzitter, voorzitter samengesteld uit rechter P. Martens, waarnemend voorzitter, voorzitter
A. Arts en de rechters A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. A. Arts en de rechters A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E.
Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux,
onder voorzitterschap van rechter P. Martens, onder voorzitterschap van rechter P. Martens,
wijst na beraad het volgende arrest : wijst na beraad het volgende arrest :
I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging
Bij arrest nr. 132.930 van 23 juni 2004 in zake C.C. tegen de gemeente Bij arrest nr. 132.930 van 23 juni 2004 in zake C.C. tegen de gemeente
Etterbeek en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, waarvan de Etterbeek en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, waarvan de
expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 6 juli expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 6 juli
2004, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vraag gesteld : 2004, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vraag gesteld :
« Schendt artikel 180, derde lid, van de gemeentewet van 30 maart 1836 « Schendt artikel 180, derde lid, van de gemeentewet van 30 maart 1836
de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, wanneer het zo wordt uitgelegd de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, wanneer het zo wordt uitgelegd
dat het beroep tot herziening waarin het voorziet, niet openstaat voor dat het beroep tot herziening waarin het voorziet, niet openstaat voor
een agent die de maximumstraf ambtshalve ontslag heeft gekregen, een agent die de maximumstraf ambtshalve ontslag heeft gekregen,
terwijl een agent die de zware straf schorsing of een agent die de terwijl een agent die de zware straf schorsing of een agent die de
maximumstraf afzetting heeft gekregen, wel van dat beroep gebruik maximumstraf afzetting heeft gekregen, wel van dat beroep gebruik
kunnen maken ? ». kunnen maken ? ».
(...) (...)
III. In rechte III. In rechte
(...) (...)
B.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 180, derde lid, B.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 180, derde lid,
van de gemeentewet van 30 maart 1836, zo geïnterpreteerd dat het het van de gemeentewet van 30 maart 1836, zo geïnterpreteerd dat het het
beroep tot herziening niet openstelt voor de agent aan wie de beroep tot herziening niet openstelt voor de agent aan wie de
maximumstraf van het ontslag van ambtswege is opgelegd, terwijl de maximumstraf van het ontslag van ambtswege is opgelegd, terwijl de
agent aan wie de maximumstraf van de afzetting is opgelegd en diegene agent aan wie de maximumstraf van de afzetting is opgelegd en diegene
aan wie de zware straf van schorsing is opgelegd, dat wel genieten. De aan wie de zware straf van schorsing is opgelegd, dat wel genieten. De
Raad van State vraagt het Hof of, in die « strikte en letterlijke » Raad van State vraagt het Hof of, in die « strikte en letterlijke »
interpretatie, de in het geding zijnde bepaling de artikelen 10 en 11 interpretatie, de in het geding zijnde bepaling de artikelen 10 en 11
van de Grondwet niet schendt. van de Grondwet niet schendt.
B.2. Artikel 180 van de gemeentewet van 30 maart 1836, zoals van B.2. Artikel 180 van de gemeentewet van 30 maart 1836, zoals van
toepassing in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest op het ogenblik van toepassing in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest op het ogenblik van
de feiten, en zoals aangevuld bij de wet van 11 februari 1986, bepaalt de feiten, en zoals aangevuld bij de wet van 11 februari 1986, bepaalt
: :
« De gemeenteraad kan de andere leden van de stedelijke politie die « De gemeenteraad kan de andere leden van de stedelijke politie die
tekortkomen in hun beroepsplicht of die de waardigheid van hun ambt in tekortkomen in hun beroepsplicht of die de waardigheid van hun ambt in
gevaar brengen, schorsen voor ten hoogste zes maanden of afzetten. gevaar brengen, schorsen voor ten hoogste zes maanden of afzetten.
De burgemeester kan hen wegens dezelfde redenen schorsen voor een De burgemeester kan hen wegens dezelfde redenen schorsen voor een
termijn die niet langer dan één maand duurt. termijn die niet langer dan één maand duurt.
De betrokkenen kunnen bij de gouverneur beroep instellen tegen de De betrokkenen kunnen bij de gouverneur beroep instellen tegen de
beslissing van de gemeenteraad of van de burgemeester binnen veertien beslissing van de gemeenteraad of van de burgemeester binnen veertien
dagen te rekenen vanaf de hen gedane betekening ». dagen te rekenen vanaf de hen gedane betekening ».
B.3. Artikel 283 van de Nieuwe Gemeentewet bepaalt dat aan de B.3. Artikel 283 van de Nieuwe Gemeentewet bepaalt dat aan de
personeelsleden van de gemeente als maximumstraffen kunnen worden personeelsleden van de gemeente als maximumstraffen kunnen worden
opgelegd : het ontslag van ambtswege en de afzetting. Het ontslag van opgelegd : het ontslag van ambtswege en de afzetting. Het ontslag van
ambtswege is een nieuwe straf die voortvloeit uit de wet van 24 mei ambtswege is een nieuwe straf die voortvloeit uit de wet van 24 mei
1991 « tot wijziging van de nieuwe gemeentewet wat de tuchtregeling 1991 « tot wijziging van de nieuwe gemeentewet wat de tuchtregeling
betreft », en die dus niet bestond op het ogenblik van de wijziging betreft », en die dus niet bestond op het ogenblik van de wijziging
van artikel 180, derde lid, bij de voormelde wet van 11 februari 1986. van artikel 180, derde lid, bij de voormelde wet van 11 februari 1986.
Artikel 307 van de Nieuwe Gemeentewet, dat voortvloeit uit de Artikel 307 van de Nieuwe Gemeentewet, dat voortvloeit uit de
voormelde wet van 24 mei 1991, bepaalt in het derde lid dat in de voormelde wet van 24 mei 1991, bepaalt in het derde lid dat in de
kennisgeving van de beslissing melding wordt gemaakt van de bij de wet kennisgeving van de beslissing melding wordt gemaakt van de bij de wet
bepaalde rechtsmiddelen en van de termijn waarbinnen ze uitgeoefend bepaalde rechtsmiddelen en van de termijn waarbinnen ze uitgeoefend
kunnen worden. kunnen worden.
B.4. Het in het geding zijnde artikel 180, derde lid, werd aangenomen B.4. Het in het geding zijnde artikel 180, derde lid, werd aangenomen
in een periode waarin de wetgever niet kon voorzien in de in een periode waarin de wetgever niet kon voorzien in de
wetswijziging die de gemeentewet zou ondergaan en in het bijzonder de wetswijziging die de gemeentewet zou ondergaan en in het bijzonder de
tuchtregeling die van toepassing is op de agenten van de tuchtregeling die van toepassing is op de agenten van de
gemeentepolitie. Uit de parlementaire voorbereiding van de voormelde gemeentepolitie. Uit de parlementaire voorbereiding van de voormelde
wet van 24 mei 1991 blijkt dat het ontslag van ambtswege is ingevoerd wet van 24 mei 1991 blijkt dat het ontslag van ambtswege is ingevoerd
bij wege van een amendement, dat niet in het ontwerp van de Regering bij wege van een amendement, dat niet in het ontwerp van de Regering
stond (Parl. St., Kamer, 1990-1991, nr. 1400/3, amendement nr. 2). De stond (Parl. St., Kamer, 1990-1991, nr. 1400/3, amendement nr. 2). De
invoering van het ontslag van ambtswege werd verantwoord door de invoering van het ontslag van ambtswege werd verantwoord door de
bekommernis om de overheid in staat te stellen de door haar uit te bekommernis om de overheid in staat te stellen de door haar uit te
spreken straf meer te nuanceren door rekening te houden met alle spreken straf meer te nuanceren door rekening te houden met alle
feitelijke, professionele en private omstandigheden in verband met het feitelijke, professionele en private omstandigheden in verband met het
personeelslid. De wetgever hoopte aldus een einde te maken aan een personeelslid. De wetgever hoopte aldus een einde te maken aan een
praktijk die erin bestond dat de overheid voorstelde om de praktijk die erin bestond dat de overheid voorstelde om de
tuchtprocedure die dreigde te eindigen met een afzetting, en dus met tuchtprocedure die dreigde te eindigen met een afzetting, en dus met
een verlies van het recht op het rustpensioen van de openbare sector, een verlies van het recht op het rustpensioen van de openbare sector,
niet in te zetten, op voorwaarde dat het betrokken personeelslid niet in te zetten, op voorwaarde dat het betrokken personeelslid
vrijwillig zijn ontslag vroeg (Parl. St., Kamer, 1990-1991, nr. vrijwillig zijn ontslag vroeg (Parl. St., Kamer, 1990-1991, nr.
1400/4, p. 45). Naar het voorbeeld van de afzetting wordt het ontslag 1400/4, p. 45). Naar het voorbeeld van de afzetting wordt het ontslag
van ambtswege onder de maximumstraffen gerangschikt, die, volgens de van ambtswege onder de maximumstraffen gerangschikt, die, volgens de
parlementaire voorbereiding van artikel 283 van de Nieuwe Gemeentewet, parlementaire voorbereiding van artikel 283 van de Nieuwe Gemeentewet,
worden gekenmerkt door de beëindiging van de dienst. In tegenstelling worden gekenmerkt door de beëindiging van de dienst. In tegenstelling
tot de afzetting, brengt het ontslag van ambtswege in beginsel niet tot de afzetting, brengt het ontslag van ambtswege in beginsel niet
het verlies van het recht op pensioen teweeg, wanneer de voorwaarden het verlies van het recht op pensioen teweeg, wanneer de voorwaarden
die dat recht openen, vervuld zijn (Parl. St., Kamer, 1990-1991, nr. die dat recht openen, vervuld zijn (Parl. St., Kamer, 1990-1991, nr.
1400/1, p. 45). 1400/1, p. 45).
B.5. Zoals wordt opgemerkt in het verwijzingsarrest, leidt een strikte B.5. Zoals wordt opgemerkt in het verwijzingsarrest, leidt een strikte
en letterlijke lezing van de in het geding zijnde bepaling ertoe dat en letterlijke lezing van de in het geding zijnde bepaling ertoe dat
er geen beroep tot herziening bestaat tegen het ontslag van ambtswege. er geen beroep tot herziening bestaat tegen het ontslag van ambtswege.
Die interpretatie leidt tot een onverantwoord verschil in behandeling Die interpretatie leidt tot een onverantwoord verschil in behandeling
tussen het personeelslid aan wie de maximumstraf van het ontslag van tussen het personeelslid aan wie de maximumstraf van het ontslag van
ambtswege wordt opgelegd en het personeelslid aan wie de afzetting, ambtswege wordt opgelegd en het personeelslid aan wie de afzetting,
eveneens een maximumstraf, wordt opgelegd. Ofschoon het juist is dat eveneens een maximumstraf, wordt opgelegd. Ofschoon het juist is dat
het personeelslid dat van ambtswege wordt ontslagen niet het recht op het personeelslid dat van ambtswege wordt ontslagen niet het recht op
pensioen verliest, verliest het definitief zijn betrekking, wat pensioen verliest, verliest het definitief zijn betrekking, wat
verantwoordt dat het ontslag van ambtswege wordt gerangschikt onder de verantwoordt dat het ontslag van ambtswege wordt gerangschikt onder de
maximumstraffen. Bovendien wordt het personeelslid in kwestie eveneens maximumstraffen. Bovendien wordt het personeelslid in kwestie eveneens
op een verschillende en onverantwoorde wijze behandeld in vergelijking op een verschillende en onverantwoorde wijze behandeld in vergelijking
met het personeelslid dat wordt bestraft met een schorsing, dat een met het personeelslid dat wordt bestraft met een schorsing, dat een
beroep tot herziening geniet, terwijl aan hem slechts een zware straf beroep tot herziening geniet, terwijl aan hem slechts een zware straf
wordt opgelegd. wordt opgelegd.
B.6. Uit wat voorafgaat blijkt dat, wanneer artikel 180, derde lid, B.6. Uit wat voorafgaat blijkt dat, wanneer artikel 180, derde lid,
van de gemeentewet van 30 maart 1836 zo wordt geïnterpreteerd dat het van de gemeentewet van 30 maart 1836 zo wordt geïnterpreteerd dat het
in zijn toepassingssfeer niet de mogelijkheid inhoudt om een beroep in zijn toepassingssfeer niet de mogelijkheid inhoudt om een beroep
tot herziening in te stellen tegen de beslissing van ontslag van tot herziening in te stellen tegen de beslissing van ontslag van
ambtswege, het niet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de ambtswege, het niet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de
Grondwet. Grondwet.
B.7. Het Hof stelt echter vast dat aan artikel 180, derde lid, van de B.7. Het Hof stelt echter vast dat aan artikel 180, derde lid, van de
gemeentewet van 30 maart 1836 een andere interpretatie kan worden gemeentewet van 30 maart 1836 een andere interpretatie kan worden
gegeven, die het bestaanbaar zou maken met de voormelde gegeven, die het bestaanbaar zou maken met de voormelde
grondwetsbepalingen. grondwetsbepalingen.
Rekening houdend met de elementen vermeld in B.4, kan immers worden Rekening houdend met de elementen vermeld in B.4, kan immers worden
geoordeeld dat, ofschoon artikel 180, derde lid, niet uitdrukkelijk geoordeeld dat, ofschoon artikel 180, derde lid, niet uitdrukkelijk
het ontslag van ambtswege beoogt, het niet uitsluit dat een beroep tot het ontslag van ambtswege beoogt, het niet uitsluit dat een beroep tot
herziening kan worden ingesteld tegen de beslissing van ontslag van herziening kan worden ingesteld tegen de beslissing van ontslag van
ambtswege die wordt genomen tegen een agent van de gemeentepolitie. ambtswege die wordt genomen tegen een agent van de gemeentepolitie.
Aangezien in die bepaling niet expliciet is voorzien in dat beroep, Aangezien in die bepaling niet expliciet is voorzien in dat beroep,
kan een verzoeker niet worden verweten het niet te hebben ingesteld kan een verzoeker niet worden verweten het niet te hebben ingesteld
vooraleer een beroep bij de Raad van State in te stellen. vooraleer een beroep bij de Raad van State in te stellen.
Om die redenen, Om die redenen,
het Hof het Hof
zegt voor recht : zegt voor recht :
- Artikel 180, derde lid, van de gemeentewet van 30 maart 1836, zoals - Artikel 180, derde lid, van de gemeentewet van 30 maart 1836, zoals
ze werd aangevuld bij de wet van 11 februari 1986, in die zin ze werd aangevuld bij de wet van 11 februari 1986, in die zin
geïnterpreteerd dat het daarin ingevoerde beroep tot herziening niet geïnterpreteerd dat het daarin ingevoerde beroep tot herziening niet
kan worden ingesteld door de agent van de gemeentepolitie aan wie de kan worden ingesteld door de agent van de gemeentepolitie aan wie de
maximumstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd, schendt de maximumstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd, schendt de
artikelen 10 en 11 van de Grondwet. artikelen 10 en 11 van de Grondwet.
- Artikel 180, derde lid, van de gemeentewet van 30 maart 1836, zoals - Artikel 180, derde lid, van de gemeentewet van 30 maart 1836, zoals
ze werd aangevuld bij de wet van 11 februari 1986, in die zin ze werd aangevuld bij de wet van 11 februari 1986, in die zin
geïnterpreteerd dat een beroep tot herziening kan worden ingesteld geïnterpreteerd dat een beroep tot herziening kan worden ingesteld
door de agent van de gemeentepolitie aan wie de maximumstraf van het door de agent van de gemeentepolitie aan wie de maximumstraf van het
ontslag van ambtswege wordt opgelegd, schendt de artikelen 10 en 11 ontslag van ambtswege wordt opgelegd, schendt de artikelen 10 en 11
van de Grondwet niet. van de Grondwet niet.
A ldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig A ldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig
artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het
Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 6 juli 2005. Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 6 juli 2005.
De griffier, De griffier,
P.-Y. Dutilleux. P.-Y. Dutilleux.
De wnd. voorzitter, De wnd. voorzitter,
P. Martens. P. Martens.
^