Etaamb.openjustice.be
Arrest
gepubliceerd op 16 augustus 2005

Uittreksel uit arrest nr. 119/2005 van 6 juli 2005 Rolnummer 3055 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 180, derde lid, van de gemeentewet van 30 maart 1836, zoals ze werd aangevuld bij de wet van 11 februari 1986 op de gemeentepolit Het Arbitragehof, samengesteld uit rechter P. Martens, waarnemend voorzitter, voorzitter A. Arts(...)

bron
arbitragehof
numac
2005202085
pub.
16/08/2005
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

ARBITRAGEHOF


Uittreksel uit arrest nr. 119/2005 van 6 juli 2005 Rolnummer 3055 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 180, derde lid, van de gemeentewet van 30 maart 1836, zoals ze werd aangevuld bij de wet van 11 februari 1986 op de gemeentepolitie, gesteld door de Raad van State.

Het Arbitragehof, samengesteld uit rechter P. Martens, waarnemend voorzitter, voorzitter A. Arts en de rechters A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van rechter P. Martens, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest nr. 132.930 van 23 juni 2004 in zake C.C. tegen de gemeente Etterbeek en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 6 juli 2004, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 180, derde lid, van de gemeentewet van 30 maart 1836 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, wanneer het zo wordt uitgelegd dat het beroep tot herziening waarin het voorziet, niet openstaat voor een agent die de maximumstraf ambtshalve ontslag heeft gekregen, terwijl een agent die de zware straf schorsing of een agent die de maximumstraf afzetting heeft gekregen, wel van dat beroep gebruik kunnen maken ? ». (...) III. In rechte (...) B.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 180, derde lid, van de gemeentewet van 30 maart 1836, zo geïnterpreteerd dat het het beroep tot herziening niet openstelt voor de agent aan wie de maximumstraf van het ontslag van ambtswege is opgelegd, terwijl de agent aan wie de maximumstraf van de afzetting is opgelegd en diegene aan wie de zware straf van schorsing is opgelegd, dat wel genieten. De Raad van State vraagt het Hof of, in die « strikte en letterlijke » interpretatie, de in het geding zijnde bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt.

B.2. Artikel 180 van de gemeentewet van 30 maart 1836, zoals van toepassing in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest op het ogenblik van de feiten, en zoals aangevuld bij de wet van 11 februari 1986, bepaalt : « De gemeenteraad kan de andere leden van de stedelijke politie die tekortkomen in hun beroepsplicht of die de waardigheid van hun ambt in gevaar brengen, schorsen voor ten hoogste zes maanden of afzetten.

De burgemeester kan hen wegens dezelfde redenen schorsen voor een termijn die niet langer dan één maand duurt.

De betrokkenen kunnen bij de gouverneur beroep instellen tegen de beslissing van de gemeenteraad of van de burgemeester binnen veertien dagen te rekenen vanaf de hen gedane betekening ».

B.3. Artikel 283 van de Nieuwe Gemeentewet bepaalt dat aan de personeelsleden van de gemeente als maximumstraffen kunnen worden opgelegd : het ontslag van ambtswege en de afzetting. Het ontslag van ambtswege is een nieuwe straf die voortvloeit uit de wet van 24 mei 1991 « tot wijziging van de nieuwe gemeentewet wat de tuchtregeling betreft », en die dus niet bestond op het ogenblik van de wijziging van artikel 180, derde lid, bij de voormelde wet van 11 februari 1986.

Artikel 307 van de Nieuwe Gemeentewet, dat voortvloeit uit de voormelde wet van 24 mei 1991, bepaalt in het derde lid dat in de kennisgeving van de beslissing melding wordt gemaakt van de bij de wet bepaalde rechtsmiddelen en van de termijn waarbinnen ze uitgeoefend kunnen worden.

B.4. Het in het geding zijnde artikel 180, derde lid, werd aangenomen in een periode waarin de wetgever niet kon voorzien in de wetswijziging die de gemeentewet zou ondergaan en in het bijzonder de tuchtregeling die van toepassing is op de agenten van de gemeentepolitie. Uit de parlementaire voorbereiding van de voormelde wet van 24 mei 1991 blijkt dat het ontslag van ambtswege is ingevoerd bij wege van een amendement, dat niet in het ontwerp van de Regering stond (Parl. St., Kamer, 1990-1991, nr. 1400/3, amendement nr. 2). De invoering van het ontslag van ambtswege werd verantwoord door de bekommernis om de overheid in staat te stellen de door haar uit te spreken straf meer te nuanceren door rekening te houden met alle feitelijke, professionele en private omstandigheden in verband met het personeelslid. De wetgever hoopte aldus een einde te maken aan een praktijk die erin bestond dat de overheid voorstelde om de tuchtprocedure die dreigde te eindigen met een afzetting, en dus met een verlies van het recht op het rustpensioen van de openbare sector, niet in te zetten, op voorwaarde dat het betrokken personeelslid vrijwillig zijn ontslag vroeg (Parl. St., Kamer, 1990-1991, nr. 1400/4, p. 45). Naar het voorbeeld van de afzetting wordt het ontslag van ambtswege onder de maximumstraffen gerangschikt, die, volgens de parlementaire voorbereiding van artikel 283 van de Nieuwe Gemeentewet, worden gekenmerkt door de beëindiging van de dienst. In tegenstelling tot de afzetting, brengt het ontslag van ambtswege in beginsel niet het verlies van het recht op pensioen teweeg, wanneer de voorwaarden die dat recht openen, vervuld zijn (Parl. St., Kamer, 1990-1991, nr. 1400/1, p. 45).

B.5. Zoals wordt opgemerkt in het verwijzingsarrest, leidt een strikte en letterlijke lezing van de in het geding zijnde bepaling ertoe dat er geen beroep tot herziening bestaat tegen het ontslag van ambtswege.

Die interpretatie leidt tot een onverantwoord verschil in behandeling tussen het personeelslid aan wie de maximumstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd en het personeelslid aan wie de afzetting, eveneens een maximumstraf, wordt opgelegd. Ofschoon het juist is dat het personeelslid dat van ambtswege wordt ontslagen niet het recht op pensioen verliest, verliest het definitief zijn betrekking, wat verantwoordt dat het ontslag van ambtswege wordt gerangschikt onder de maximumstraffen. Bovendien wordt het personeelslid in kwestie eveneens op een verschillende en onverantwoorde wijze behandeld in vergelijking met het personeelslid dat wordt bestraft met een schorsing, dat een beroep tot herziening geniet, terwijl aan hem slechts een zware straf wordt opgelegd.

B.6. Uit wat voorafgaat blijkt dat, wanneer artikel 180, derde lid, van de gemeentewet van 30 maart 1836 zo wordt geïnterpreteerd dat het in zijn toepassingssfeer niet de mogelijkheid inhoudt om een beroep tot herziening in te stellen tegen de beslissing van ontslag van ambtswege, het niet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

B.7. Het Hof stelt echter vast dat aan artikel 180, derde lid, van de gemeentewet van 30 maart 1836 een andere interpretatie kan worden gegeven, die het bestaanbaar zou maken met de voormelde grondwetsbepalingen.

Rekening houdend met de elementen vermeld in B.4, kan immers worden geoordeeld dat, ofschoon artikel 180, derde lid, niet uitdrukkelijk het ontslag van ambtswege beoogt, het niet uitsluit dat een beroep tot herziening kan worden ingesteld tegen de beslissing van ontslag van ambtswege die wordt genomen tegen een agent van de gemeentepolitie.

Aangezien in die bepaling niet expliciet is voorzien in dat beroep, kan een verzoeker niet worden verweten het niet te hebben ingesteld vooraleer een beroep bij de Raad van State in te stellen.

Om die redenen, het Hof zegt voor recht : - Artikel 180, derde lid, van de gemeentewet van 30 maart 1836, zoals ze werd aangevuld bij de wet van 11 februari 1986, in die zin geïnterpreteerd dat het daarin ingevoerde beroep tot herziening niet kan worden ingesteld door de agent van de gemeentepolitie aan wie de maximumstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. - Artikel 180, derde lid, van de gemeentewet van 30 maart 1836, zoals ze werd aangevuld bij de wet van 11 februari 1986, in die zin geïnterpreteerd dat een beroep tot herziening kan worden ingesteld door de agent van de gemeentepolitie aan wie de maximumstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

A ldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 6 juli 2005.

De griffier, P.-Y. Dutilleux.

De wnd. voorzitter, P. Martens.

^