Etaamb.openjustice.be
Meertalige weergave van Arrest van --
← Terug naar "Uittreksel uit arrest nr. 7/2004 van 21 januari 2004 Rolnummers 2557, 2558, 2559, 2560, 2561, 2562 en 2563 In zake : de beroepen tot vernietiging van de artikelen 461, 473 en 490 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 20 december 20 Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters L. Fran(...)"
Uittreksel uit arrest nr. 7/2004 van 21 januari 2004 Rolnummers 2557, 2558, 2559, 2560, 2561, 2562 en 2563 In zake : de beroepen tot vernietiging van de artikelen 461, 473 en 490 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 20 december 20 Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters L. Fran(...) Uittreksel uit arrest nr. 7/2004 van 21 januari 2004 Rolnummers 2557, 2558, 2559, 2560, 2561, 2562 en 2563 In zake : de beroepen tot vernietiging van de artikelen 461, 473 en 490 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 20 december 20 Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters L. Fran(...)
ARBITRAGEHOF ARBITRAGEHOF
Uittreksel uit arrest nr. 7/2004 van 21 januari 2004 Uittreksel uit arrest nr. 7/2004 van 21 januari 2004
Rolnummers 2557, 2558, 2559, 2560, 2561, 2562 en 2563 Rolnummers 2557, 2558, 2559, 2560, 2561, 2562 en 2563
In zake : de beroepen tot vernietiging van de artikelen 461, 473 en In zake : de beroepen tot vernietiging van de artikelen 461, 473 en
490 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 20 december 2001 « 490 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 20 december 2001 «
tot vaststelling van de regels die specifiek zijn voor het hoger tot vaststelling van de regels die specifiek zijn voor het hoger
kunstonderwijs georganiseerd in de hogere kunstscholen (organisatie, kunstonderwijs georganiseerd in de hogere kunstscholen (organisatie,
financiering, omkadering, statuut van het personeel, rechten en financiering, omkadering, statuut van het personeel, rechten en
plichten van studenten) », ingesteld door A. De Rijckere en anderen. plichten van studenten) », ingesteld door A. De Rijckere en anderen.
Het Arbitragehof, Het Arbitragehof,
samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters
L. François, M. Bossuyt, A. Alen, J.-P. Moerman en E. Derycke, L. François, M. Bossuyt, A. Alen, J.-P. Moerman en E. Derycke,
bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van
voorzitter M. Melchior, voorzitter M. Melchior,
wijst na beraad het volgende arrest : wijst na beraad het volgende arrest :
I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging
Bij verzoekschriften die aan het Hof zijn toegezonden bij op 4 Bij verzoekschriften die aan het Hof zijn toegezonden bij op 4
november 2002 ter post aangetekende brieven en ter griffie zijn november 2002 ter post aangetekende brieven en ter griffie zijn
ingekomen op 5 november 2002, is beroep tot vernietiging ingesteld van ingekomen op 5 november 2002, is beroep tot vernietiging ingesteld van
de artikelen 461 of 473 en artikel 490 van het decreet van de Franse de artikelen 461 of 473 en artikel 490 van het decreet van de Franse
Gemeenschap van 20 december 2001 « tot vaststelling van de regels die Gemeenschap van 20 december 2001 « tot vaststelling van de regels die
specifiek zijn voor het hoger kunstonderwijs georganiseerd in de specifiek zijn voor het hoger kunstonderwijs georganiseerd in de
hogere kunstscholen (organisatie, financiering, omkadering, statuut hogere kunstscholen (organisatie, financiering, omkadering, statuut
van het personeel, rechten en plichten van studenten) », bekendgemaakt van het personeel, rechten en plichten van studenten) », bekendgemaakt
in het Belgisch Staatsblad van 3 mei 2002, door respectievelijk A. De in het Belgisch Staatsblad van 3 mei 2002, door respectievelijk A. De
Rijckere, wonende te 1070 Brussel, Nansenstraat 28, A. Colson, wonende Rijckere, wonende te 1070 Brussel, Nansenstraat 28, A. Colson, wonende
te 1300 Limal, rue du Petit Sart 35, R. Bausier, wonende te 1030 te 1300 Limal, rue du Petit Sart 35, R. Bausier, wonende te 1030
Brussel, Théo Coopmanstraat 7, C. Debauve, wonende te 1080 Brussel, Brussel, Théo Coopmanstraat 7, C. Debauve, wonende te 1080 Brussel,
Edmond Machtenslaan 92/11, G. Van Waas, wonende te 1342 Limelette, Edmond Machtenslaan 92/11, G. Van Waas, wonende te 1342 Limelette,
Clos des Colombes 9A, G. Vander Borght, wonende te 1600 Clos des Colombes 9A, G. Vander Borght, wonende te 1600
Sint-Pieters-Leeuw, Kastanjedreef 31, en U. Waterlot, wonende te 1160 Sint-Pieters-Leeuw, Kastanjedreef 31, en U. Waterlot, wonende te 1160
Brussel, Visserijstraat 107. Brussel, Visserijstraat 107.
Die zaken, ingeschreven onder de nummers 2557 tot 2563 van de rol van Die zaken, ingeschreven onder de nummers 2557 tot 2563 van de rol van
het Hof, werden samengevoegd. het Hof, werden samengevoegd.
(...) (...)
II. In rechte II. In rechte
(...) (...)
Ten aanzien van de bestreden bepalingen Ten aanzien van de bestreden bepalingen
B.1.1. Artikel 461 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 20 B.1.1. Artikel 461 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 20
december 2001 « tot vaststelling van de regels die specifiek zijn voor december 2001 « tot vaststelling van de regels die specifiek zijn voor
het hoger kunstonderwijs georganiseerd in de hogere kunstscholen het hoger kunstonderwijs georganiseerd in de hogere kunstscholen
(organisatie, financiering, omkadering, statuut van het personeel, (organisatie, financiering, omkadering, statuut van het personeel,
rechten en plichten van studenten) » bepaalt : rechten en plichten van studenten) » bepaalt :
« § 1. Bij overgangsmaatregel, kunnen de (hoog)leraren en begeleiders « § 1. Bij overgangsmaatregel, kunnen de (hoog)leraren en begeleiders
die, op de datum van inwerkingtreding van dit decreet, benoemd zijn in die, op de datum van inwerkingtreding van dit decreet, benoemd zijn in
een ambt aan het Conservatorium en een ander ambt in het onderwijs, een ambt aan het Conservatorium en een ander ambt in het onderwijs,
een statutair ambt of een ambt als werknemer uitoefenen, deze een statutair ambt of een ambt als werknemer uitoefenen, deze
mogelijkheid van cumulatie in een niet exclusief ambt behouden mogelijkheid van cumulatie in een niet exclusief ambt behouden
overeenkomstig de bepalingen van artikel 5 voorlaatste lid van het overeenkomstig de bepalingen van artikel 5 voorlaatste lid van het
koninklijk besluit van 15 april 1958, zoals gewijzigd bij artikel 473 koninklijk besluit van 15 april 1958, zoals gewijzigd bij artikel 473
van dit decreet. van dit decreet.
Daartoe moeten de betrokken (hoog)leraren en begeleiders hun keuze Daartoe moeten de betrokken (hoog)leraren en begeleiders hun keuze
meedelen bij een ter post aangetekende brief gericht aan de Algemene meedelen bij een ter post aangetekende brief gericht aan de Algemene
Administratie van het onderwijspersoneel binnen de dertig dagen van de Administratie van het onderwijspersoneel binnen de dertig dagen van de
datum van toepassing van dit decreet. datum van toepassing van dit decreet.
Zij moeten hun keuze uiterlijk op 1 mei voor elk academiejaar Zij moeten hun keuze uiterlijk op 1 mei voor elk academiejaar
herhalen. herhalen.
Indien dit niet wordt gedaan, worden de nieuwe regels van dit decreet Indien dit niet wordt gedaan, worden de nieuwe regels van dit decreet
op hen toegepast. op hen toegepast.
§ 2. Als zij de cumulatie kiezen, worden hun prestaties op het § 2. Als zij de cumulatie kiezen, worden hun prestaties op het
Conservatorium beperkt tot maximaal vier uur per week voor de Conservatorium beperkt tot maximaal vier uur per week voor de
(hoog)leraren en maximaal 6 uur per week voor de begeleiders. (hoog)leraren en maximaal 6 uur per week voor de begeleiders.
Hun bezoldiging in dit ambt stemt, in voorkomend geval, overeen met de Hun bezoldiging in dit ambt stemt, in voorkomend geval, overeen met de
werkelijk gepresteerde uren volgens de volgende weddeschaal : werkelijk gepresteerde uren volgens de volgende weddeschaal :
1o (Hoog)leraar voor kunst in het muziekonderwijs (ambt van 6 uur per 1o (Hoog)leraar voor kunst in het muziekonderwijs (ambt van 6 uur per
week) : week) :
a) die onderwijs verstrekt in een cursus van de eerste categorie : a) die onderwijs verstrekt in een cursus van de eerste categorie :
610; 610;
b) die onderwijs verstrekt in een cursus van de tweede categorie : b) die onderwijs verstrekt in een cursus van de tweede categorie :
606. 606.
2o Begeleider in het muziekonderwijs (ambt van 12 uur per week) : 607. 2o Begeleider in het muziekonderwijs (ambt van 12 uur per week) : 607.
Zij bewaren de anciënniteit van hun vroeger niet-exclusief ambt Zij bewaren de anciënniteit van hun vroeger niet-exclusief ambt
overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 15 april overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 15 april
1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend,
wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie
van Openbaar Onderwijs die geldend zou zijn op de dag van de aanneming van Openbaar Onderwijs die geldend zou zijn op de dag van de aanneming
van dit decreet. van dit decreet.
§ 3. Bij uitzonderlijk geval in verband met dringende pedagogische § 3. Bij uitzonderlijk geval in verband met dringende pedagogische
redenen, mogen de prestaties op het Conservatorium worden opgevoerd redenen, mogen de prestaties op het Conservatorium worden opgevoerd
tot maximaal acht uur per week voor de (hoog)leraren. tot maximaal acht uur per week voor de (hoog)leraren.
Op straffe van nietigheid, moet het voordeel van de uitzonderlijke Op straffe van nietigheid, moet het voordeel van de uitzonderlijke
toestand aangevraagd worden door de Directeur van de betrokken toestand aangevraagd worden door de Directeur van de betrokken
inrichting bij een ter post aangetekende brief, gemotiveerd en gericht inrichting bij een ter post aangetekende brief, gemotiveerd en gericht
aan het Ministerie waarvan de inrichting afhangt, uiterlijk binnen de aan het Ministerie waarvan de inrichting afhangt, uiterlijk binnen de
dertig dagen volgend op de feiten waarvoor beroep werd aangetekend. dertig dagen volgend op de feiten waarvoor beroep werd aangetekend.
Het voordeel van de uitzonderlijke situatie kan slechts worden Het voordeel van de uitzonderlijke situatie kan slechts worden
toegekend op beslissing genomen door de Minister tot wiens bevoegdheid toegekend op beslissing genomen door de Minister tot wiens bevoegdheid
het hoger Kunstonderwijs behoort. het hoger Kunstonderwijs behoort.
De beslissing is slechts geldig voor de duur van het betrokken De beslissing is slechts geldig voor de duur van het betrokken
schooljaar. schooljaar.
De bezoldiging van de uren gepresteerd binnen het kader van een De bezoldiging van de uren gepresteerd binnen het kader van een
uitzonderlijke situatie zal overeenstemmen met de werkelijk uitzonderlijke situatie zal overeenstemmen met de werkelijk
gepresteerde uren, volgens het referentiebarema hieronder bedoeld. gepresteerde uren, volgens het referentiebarema hieronder bedoeld.
Maar boven zes uur voor de (hoog)leraren zullen de gepresteerde uren Maar boven zes uur voor de (hoog)leraren zullen de gepresteerde uren
voor de helft worden betaald. voor de helft worden betaald.
§ 4. Bij overgangsmaatregel en binnen de perken van het kader zoals § 4. Bij overgangsmaatregel en binnen de perken van het kader zoals
bepaald in uitvoering van artikel 99 van dit decreet, kunnen de bepaald in uitvoering van artikel 99 van dit decreet, kunnen de
personeelsleden van de conservatoria die voor het academiejaar personeelsleden van de conservatoria die voor het academiejaar
2001-2002 werden aangewezen voor een mandaat van docent en opnieuw 2001-2002 werden aangewezen voor een mandaat van docent en opnieuw
zijn aangewezen volgens dit decreet, ten belope van de uren en de zijn aangewezen volgens dit decreet, ten belope van de uren en de
cursussen waarvoor zij in 2001-2002 werden bezoldigd, de benaming van cursussen waarvoor zij in 2001-2002 werden bezoldigd, de benaming van
docent blijven genieten, in plaats van de benaming assistent en, docent blijven genieten, in plaats van de benaming assistent en,
zonder beperking van het aantal mandaten en in afwijking van de zonder beperking van het aantal mandaten en in afwijking van de
bepalingen van § 2 van artikel 108 van dit decreet. bepalingen van § 2 van artikel 108 van dit decreet.
Deze mogelijkheid moet echter gebonden zijn aan de activiteit van de Deze mogelijkheid moet echter gebonden zijn aan de activiteit van de
(hoog)leraar met wie zij verbonden zijn tot 2001-2002 met toepassing (hoog)leraar met wie zij verbonden zijn tot 2001-2002 met toepassing
van de bepalingen van artikel 18 van het koninklijk besluit van 25 van de bepalingen van artikel 18 van het koninklijk besluit van 25
juni 1973 tot vaststelling van de voorwaarden voor de toelating van de juni 1973 tot vaststelling van de voorwaarden voor de toelating van de
leerlingen en van de duur van de lessen in de Koninklijke leerlingen en van de duur van de lessen in de Koninklijke
Muziekconservatoria en moet beëindigd worden zodra de (hoog)leraar Muziekconservatoria en moet beëindigd worden zodra de (hoog)leraar
niet meer in dienst is. Het globaal urenvolume dat een conservatorium niet meer in dienst is. Het globaal urenvolume dat een conservatorium
zou reserveren voor de toepassing van deze bepaling wordt afgetrokken zou reserveren voor de toepassing van deze bepaling wordt afgetrokken
van het aantal betrekkingseenheden als assistent bepaald bij van het aantal betrekkingseenheden als assistent bepaald bij
toepassing van artikel 55 van dit decreet. toepassing van artikel 55 van dit decreet.
De betrokken docenten moeten hun keuze meedelen bij een ter post De betrokken docenten moeten hun keuze meedelen bij een ter post
aangetekende brief gericht aan de Algemene Administratie aangetekende brief gericht aan de Algemene Administratie
Onderwijspersoneel binnen de dertig dagen na de bekendmaking van dit Onderwijspersoneel binnen de dertig dagen na de bekendmaking van dit
decreet. Dit document moet de naam van de (hoog)leraar vermelden aan decreet. Dit document moet de naam van de (hoog)leraar vermelden aan
wie zij waren verbonden in de context van het voornoemd koninklijk wie zij waren verbonden in de context van het voornoemd koninklijk
besluit van 25 juni 1973. besluit van 25 juni 1973.
In dat geval wordt hun bezoldiging vastgesteld per weekuur op grond In dat geval wordt hun bezoldiging vastgesteld per weekuur op grond
van een jaarlijks uurpercentage van 1.182,28 euro, gekoppeld aan de van een jaarlijks uurpercentage van 1.182,28 euro, gekoppeld aan de
index 100 op 1 november 1993. Het mandaat van docent wordt geacht een index 100 op 1 november 1993. Het mandaat van docent wordt geacht een
ambt met volledige prestaties te zijn in de zin van artikel 4 van het ambt met volledige prestaties te zijn in de zin van artikel 4 van het
koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van
het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel
van het Ministerie van Openbaar Onderwijs, wanneer het 18 uren telt. » van het Ministerie van Openbaar Onderwijs, wanneer het 18 uren telt. »
B.1.2. Artikel 473 van hetzelfde decreet wordt bestreden, in zoverre B.1.2. Artikel 473 van hetzelfde decreet wordt bestreden, in zoverre
het het eerste lid aanvult (« In afwijking van de bepalingen b) en c) het het eerste lid aanvult (« In afwijking van de bepalingen b) en c)
[...] ») en het voorlaatste lid vervangt (« De uitdrukking ' [...] ») en het voorlaatste lid vervangt (« De uitdrukking '
niet-uitsluitend ambt ' [...] ») van artikel 5 van het koninklijk niet-uitsluitend ambt ' [...] ») van artikel 5 van het koninklijk
besluit van 15 april 1958 « houdende bezoldigingsregeling van het besluit van 15 april 1958 « houdende bezoldigingsregeling van het
onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van
het Ministerie van Openbaar Onderwijs ». Aldus gewijzigd, bepaalt dat het Ministerie van Openbaar Onderwijs ». Aldus gewijzigd, bepaalt dat
artikel : artikel :
«

Art. 5.Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :

«

Art. 5.Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :

Bijbetrekking : het ambt met al dan niet volledige prestaties, dat aan Bijbetrekking : het ambt met al dan niet volledige prestaties, dat aan
een of meer bij de onderhavige bezoldigingsregeling beoogde scholen of een of meer bij de onderhavige bezoldigingsregeling beoogde scholen of
instellingen wordt uitgeoefend door het personeelslid : instellingen wordt uitgeoefend door het personeelslid :
a) dat reeds een ambt met volledige prestaties uitoefent aan een of a) dat reeds een ambt met volledige prestaties uitoefent aan een of
verscheidene andere bij de onderhavige bezoldigingsregeling beoogde verscheidene andere bij de onderhavige bezoldigingsregeling beoogde
scholen of instellingen; scholen of instellingen;
b) dat reeds een zelfstandig beroep uitoefent waarin een b) dat reeds een zelfstandig beroep uitoefent waarin een
beroepsactiviteit wordt ontwikkeld die ten minste 60 pct. vereist van beroepsactiviteit wordt ontwikkeld die ten minste 60 pct. vereist van
de wekelijkse arbeidsprestaties verstrekt door iemand die dezelfde de wekelijkse arbeidsprestaties verstrekt door iemand die dezelfde
activiteit op uitsluitende wijze uitoefent. activiteit op uitsluitende wijze uitoefent.
De toepassing van deze bepaling sluit de toepassing uit van littera c De toepassing van deze bepaling sluit de toepassing uit van littera c
van dit artikel; van dit artikel;
c) dat uit hoofde van elke andere bezigheid en/of wegens het genot van c) dat uit hoofde van elke andere bezigheid en/of wegens het genot van
een pensioen ten laste van de Openbare Schatkist, brutoinkomsten heeft een pensioen ten laste van de Openbare Schatkist, brutoinkomsten heeft
waarvan het bedrag gelijk is aan of hoger is dan dat van de waarvan het bedrag gelijk is aan of hoger is dan dat van de
brutobezoldiging, die het zou verkrijgen, indien het zijn ambt als brutobezoldiging, die het zou verkrijgen, indien het zijn ambt als
hoofdambt met volledige prestaties uitoefende, maar berekend op het hoofdambt met volledige prestaties uitoefende, maar berekend op het
minimum van de weddeschaal. minimum van de weddeschaal.
Onder ' andere bezigheid ' wordt verstaan een andere bezigheid dan : Onder ' andere bezigheid ' wordt verstaan een andere bezigheid dan :
1o een zelfstandig beroep; 1o een zelfstandig beroep;
2o prestaties in het onderwijs met volledig leerplan of in het 2o prestaties in het onderwijs met volledig leerplan of in het
onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan, waarvoor een onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan, waarvoor een
bezoldiging ten laste van de Schatkist wordt verleend; bezoldiging ten laste van de Schatkist wordt verleend;
d) dat eveneens een ambt met volledige prestaties uitoefent in het d) dat eveneens een ambt met volledige prestaties uitoefent in het
onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan; onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan;
e) dat een wedde of een rustpensioen geniet uit hoofde van een e) dat een wedde of een rustpensioen geniet uit hoofde van een
betrekking uitgeoefend in de privé-sector of in de overheidssector, betrekking uitgeoefend in de privé-sector of in de overheidssector,
waarvan de normale uurregeling van die aard is dat zij een normale waarvan de normale uurregeling van die aard is dat zij een normale
beroepsactiviteit volledig in beslag neemt, behalve indien het bedrag beroepsactiviteit volledig in beslag neemt, behalve indien het bedrag
ervan lager is dan het minimum van de laagste weddeschaal verbonden ervan lager is dan het minimum van de laagste weddeschaal verbonden
aan het ambt van studiemeester-opvoeder; aan het ambt van studiemeester-opvoeder;
f) dat een niet-uitsluitend ambt in het onderwijs met volledig f) dat een niet-uitsluitend ambt in het onderwijs met volledig
leerplan uitoefent waarvoor het een volledige wedde geniet, waarvan leerplan uitoefent waarvoor het een volledige wedde geniet, waarvan
het brutobedrag gelijk is aan of hoger ligt dan het minimum van zijn het brutobedrag gelijk is aan of hoger ligt dan het minimum van zijn
weddeschaal. weddeschaal.
In afwijking van de bepalingen b) en c) hierboven, behouden de In afwijking van de bepalingen b) en c) hierboven, behouden de
leerkrachten van de hogere kunstscholen die een artistiek beroep leerkrachten van de hogere kunstscholen die een artistiek beroep
uitoefenen ofwel als zelfstandige, onder arbeidsovereenkomst, het uitoefenen ofwel als zelfstandige, onder arbeidsovereenkomst, het
voordeel van het hoofdambt welke ook de bedragen van hun inkomsten en voordeel van het hoofdambt welke ook de bedragen van hun inkomsten en
het urenvolume van hun artistieke activiteit mogen zijn. het urenvolume van hun artistieke activiteit mogen zijn.
Hoofdambt : het ambt met al dan niet volledige prestaties, dat aan één Hoofdambt : het ambt met al dan niet volledige prestaties, dat aan één
of meer bij de onderhavige bezoldigingsregeling beoogde scholen of of meer bij de onderhavige bezoldigingsregeling beoogde scholen of
instellingen wordt uitgeoefend door het personeelslid dat zich niet in instellingen wordt uitgeoefend door het personeelslid dat zich niet in
een van de onder vorengemelde a), b), c), d), e) en f) bedoelde een van de onder vorengemelde a), b), c), d), e) en f) bedoelde
toestanden bevindt. toestanden bevindt.
Voor de toepassing van de vorige leden wordt geen rekening gehouden Voor de toepassing van de vorige leden wordt geen rekening gehouden
met het inkomen voortvloeiend uit het verrichten van deskundig met het inkomen voortvloeiend uit het verrichten van deskundig
onderzoek in strafzaken in opdracht van de rechterlijke overheid, noch onderzoek in strafzaken in opdracht van de rechterlijke overheid, noch
met de tijdsduur die daaraan is besteed, noch met het inkomen met de tijdsduur die daaraan is besteed, noch met het inkomen
voortvloeiend uit de uitoefening van de ambten van burgemeester, voortvloeiend uit de uitoefening van de ambten van burgemeester,
schepen, gemeenteraadslid, voorzitter of lid van een Raad voor schepen, gemeenteraadslid, voorzitter of lid van een Raad voor
Maatschappelijk Welzijn en provincieraadslid. Maatschappelijk Welzijn en provincieraadslid.
De uitdrukking ' niet-exclusief ambt ' duidt het ambt aan dat, in een De uitdrukking ' niet-exclusief ambt ' duidt het ambt aan dat, in een
of verschillende scholen of inrichtingen voor kunstonderwijs van de of verschillende scholen of inrichtingen voor kunstonderwijs van de
Staat, uitgeoefend wordt door de (hoog)leraar belast met de artistieke Staat, uitgeoefend wordt door de (hoog)leraar belast met de artistieke
vakken en de begeleider die in vast verband benoemd zijn voor 1 vakken en de begeleider die in vast verband benoemd zijn voor 1
september 2002 en die hebben geopteerd voor het behoud van de vorige september 2002 en die hebben geopteerd voor het behoud van de vorige
cumulaties. cumulaties.
Bij overgangsmaatregel wordt het ambt van inspecteur artistieke vakken Bij overgangsmaatregel wordt het ambt van inspecteur artistieke vakken
in het kunstonderwijs eveneens als niet-uitsluitend ambt beschouwd. » in het kunstonderwijs eveneens als niet-uitsluitend ambt beschouwd. »
B.1.3. Artikel 490 van hetzelfde decreet wordt bestreden in zoverre B.1.3. Artikel 490 van hetzelfde decreet wordt bestreden in zoverre
het een tweede lid toevoegt in paragraaf 2 van artikel 77 van de wet het een tweede lid toevoegt in paragraaf 2 van artikel 77 van de wet
van 24 december 1976 betreffende de budgettaire voorstellen 1976-1977. van 24 december 1976 betreffende de budgettaire voorstellen 1976-1977.
Aldus gewijzigd, bepaalt artikel 77 : Aldus gewijzigd, bepaalt artikel 77 :
« § 1. Onverminderd de toepassing van andere meer beperkende « § 1. Onverminderd de toepassing van andere meer beperkende
wettelijke bepalingen, wordt noch wedde, noch weddetoelage, toegekend wettelijke bepalingen, wordt noch wedde, noch weddetoelage, toegekend
voor prestaties geleverd in het door de Staat ingericht of voor prestaties geleverd in het door de Staat ingericht of
gesubsidieerd onderwijs, met inbegrip van het onderwijs voor sociale gesubsidieerd onderwijs, met inbegrip van het onderwijs voor sociale
promotie of met beperkt leerplan, door een persoon die reeds een promotie of met beperkt leerplan, door een persoon die reeds een
hoofdberoep uitoefent buiten het onderwijs of prestaties levert in het hoofdberoep uitoefent buiten het onderwijs of prestaties levert in het
onderwijs die ten minste gelijk zijn aan een ambt met volledige onderwijs die ten minste gelijk zijn aan een ambt met volledige
prestaties, voor de gezamenlijke bijkomende prestaties in het prestaties, voor de gezamenlijke bijkomende prestaties in het
onderwijs, die een derde overschrijden van het minimum vereiste aantal onderwijs, die een derde overschrijden van het minimum vereiste aantal
uren voor een ambt met volledige prestaties in deze functie of in de uren voor een ambt met volledige prestaties in deze functie of in de
functies die overeenkomen met deze prestaties. functies die overeenkomen met deze prestaties.
Indien het begrip ambt met volledige prestaties in het onderwijs niet Indien het begrip ambt met volledige prestaties in het onderwijs niet
bepaald is, wordt het door de Koning vastgelegd in vergelijking met bepaald is, wordt het door de Koning vastgelegd in vergelijking met
een overeenstemmend onderwijs met volledig leerplan. een overeenstemmend onderwijs met volledig leerplan.
Wanneer de prestaties betrekking hebben op verschillende ambten Wanneer de prestaties betrekking hebben op verschillende ambten
waarvoor de vereiste minima voor een ambt met volledige prestaties waarvoor de vereiste minima voor een ambt met volledige prestaties
verschillend zijn, dan wordt de ponderatieregel toegepast zoals voor verschillend zijn, dan wordt de ponderatieregel toegepast zoals voor
de berekening der wedden. de berekening der wedden.
§ 2. De beperking tot beloop van een derde van de prestaties die recht § 2. De beperking tot beloop van een derde van de prestaties die recht
geven op een bezoldiging zoals bepaald onder § 1 is niet van geven op een bezoldiging zoals bepaald onder § 1 is niet van
toepassing : toepassing :
a) indien de betrokkene zijn hoofdberoep uitoefent buiten het a) indien de betrokkene zijn hoofdberoep uitoefent buiten het
onderwijs en slechts bijkomende prestaties uitoefent in één onderwijs en slechts bijkomende prestaties uitoefent in één
universitaire instelling of in één instelling voor hoger onderwijs van universitaire instelling of in één instelling voor hoger onderwijs van
het lange type; in dat geval mag het aantal uren per week niet meer het lange type; in dat geval mag het aantal uren per week niet meer
dan vijf bedragen; nochtans zal de bezoldiging voor deze prestaties dan vijf bedragen; nochtans zal de bezoldiging voor deze prestaties
nooit meer mogen bedragen dan een derde van de maximumbezoldiging die nooit meer mogen bedragen dan een derde van de maximumbezoldiging die
hij zou genieten mocht hij deze prestaties als hoofdambt met volledige hij zou genieten mocht hij deze prestaties als hoofdambt met volledige
prestaties uitoefenen; prestaties uitoefenen;
b) indien de betrokkene buiten zijn hoofdberoep slechts bijkomende b) indien de betrokkene buiten zijn hoofdberoep slechts bijkomende
prestaties uitoefent in één instelling en zich in een uitzonderlijke prestaties uitoefent in één instelling en zich in een uitzonderlijke
toestand bevindt als bepaald in een in Ministerraad overlegd toestand bevindt als bepaald in een in Ministerraad overlegd
koninklijk besluit; in deze gevallen mag het aantal uren niet meer koninklijk besluit; in deze gevallen mag het aantal uren niet meer
bedragen dan het dubbel van het in § 1 bepaalde maximum. bedragen dan het dubbel van het in § 1 bepaalde maximum.
Deze paragraaf is niet van toepassing op de hogere kunstscholen. Deze paragraaf is niet van toepassing op de hogere kunstscholen.
§ 3. Voor de personen bedoeld in § 1 die, op 1 november 1976, belast § 3. Voor de personen bedoeld in § 1 die, op 1 november 1976, belast
waren met bijkomende prestaties die de maxima bepaald bij de §§ 1 en 2 waren met bijkomende prestaties die de maxima bepaald bij de §§ 1 en 2
overtreffen, is de toekenning van een wedde of weddetoelage toegelaten overtreffen, is de toekenning van een wedde of weddetoelage toegelaten
tot het einde van de [lees : het] academiejaar of schooljaar 1980-1981 tot het einde van de [lees : het] academiejaar of schooljaar 1980-1981
binnen de grenzen van 50 pct. van het vereiste minimum aantal uren binnen de grenzen van 50 pct. van het vereiste minimum aantal uren
bedoeld bij § 1. bedoeld bij § 1.
§ 4. Voor de berekening van het toegelaten maximum bedoeld bij de §§ 1 § 4. Voor de berekening van het toegelaten maximum bedoeld bij de §§ 1
tot 3, worden de bekomen resultaten steeds afgerond tot de hogere tot 3, worden de bekomen resultaten steeds afgerond tot de hogere
eenheid en tot ten minstens 3 uren. eenheid en tot ten minstens 3 uren.
§ 5. Onder hoofdberoep moet worden verstaan de betrekking uitgeoefend § 5. Onder hoofdberoep moet worden verstaan de betrekking uitgeoefend
zowel in de privé-sector als in de overheidssector, waarvan de normale zowel in de privé-sector als in de overheidssector, waarvan de normale
uurregeling van die aard is dat zij een normale beroepsactiviteit uurregeling van die aard is dat zij een normale beroepsactiviteit
volledig in beslag neemt. volledig in beslag neemt.
De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit
wat moet worden verstaan door een hoofdberoep door een zelfstandige wat moet worden verstaan door een hoofdberoep door een zelfstandige
uitgeoefend. » uitgeoefend. »
Ten aanzien van het belang van de verzoekende partijen om in rechte te Ten aanzien van het belang van de verzoekende partijen om in rechte te
treden treden
B.2.1. De Franse Gemeenschapsregering betwist het belang van de B.2.1. De Franse Gemeenschapsregering betwist het belang van de
verzoekende partijen in de zaken nrs. 2557, 2558 en 2560 tot 2563 om verzoekende partijen in de zaken nrs. 2557, 2558 en 2560 tot 2563 om
in rechte te treden en voert daarvoor aan dat de bestreden bepalingen in rechte te treden en voert daarvoor aan dat de bestreden bepalingen
hun situatie niet wijzigen, in zoverre de vroegere bepalingen, zoals hun situatie niet wijzigen, in zoverre de vroegere bepalingen, zoals
de nieuwe bepalingen, de duur van de prestaties die recht geven op een de nieuwe bepalingen, de duur van de prestaties die recht geven op een
bezoldiging tot vier uur beperkten (artikel 490 van het bestreden bezoldiging tot vier uur beperkten (artikel 490 van het bestreden
decreet en artikel 77 van de wet van 24 december 1976). Volgens haar decreet en artikel 77 van de wet van 24 december 1976). Volgens haar
zou de vernietiging van de bestreden normen de situatie van de zou de vernietiging van de bestreden normen de situatie van de
verzoekende partijen niet in gunstige zin wijzigen. verzoekende partijen niet in gunstige zin wijzigen.
B.2.2.1. De verzoekende partijen oefenen ambten uit aan B.2.2.1. De verzoekende partijen oefenen ambten uit aan
muziekconservatoria die onder de Franse Gemeenschap ressorteren. Zij muziekconservatoria die onder de Franse Gemeenschap ressorteren. Zij
doen blijken van het vereiste belang om de vernietiging te vorderen doen blijken van het vereiste belang om de vernietiging te vorderen
van decretale bepalingen die de bezoldigingen vaststellen waarop zij van decretale bepalingen die de bezoldigingen vaststellen waarop zij
op grond van de uitoefening van die ambten recht kunnen hebben wanneer op grond van de uitoefening van die ambten recht kunnen hebben wanneer
zij die bezoldigingen met andere inkomsten cumuleren (artikel 473, zij die bezoldigingen met andere inkomsten cumuleren (artikel 473,
bestreden in alle zaken, en artikel 490, bestreden in de zaken nrs. bestreden in alle zaken, en artikel 490, bestreden in de zaken nrs.
2557, 2558 en 2560 tot 2563). Die verzoekende partijen hebben belang 2557, 2558 en 2560 tot 2563). Die verzoekende partijen hebben belang
bij de vernietiging van de bestreden bepalingen, vermits de bevoegde bij de vernietiging van de bestreden bepalingen, vermits de bevoegde
overheid, in geval van vernietiging, ertoe zal worden gebracht hun overheid, in geval van vernietiging, ertoe zal worden gebracht hun
situatie en hun verwachtingen opnieuw te onderzoeken. situatie en hun verwachtingen opnieuw te onderzoeken.
B.2.2.2. Het Hof stelt echter vast dat de verzoekende partij in de B.2.2.2. Het Hof stelt echter vast dat de verzoekende partij in de
zaak nr. 2559, die als enige de vernietiging van artikel 461 vordert, zaak nr. 2559, die als enige de vernietiging van artikel 461 vordert,
dat doet uit de overweging dat die bepaling het haar niet mogelijk dat doet uit de overweging dat die bepaling het haar niet mogelijk
maakt haar ambt van hoogleraar aan een hogere kunstschool uit te maakt haar ambt van hoogleraar aan een hogere kunstschool uit te
oefenen als titularis van een niet-uitsluitend ambt (bedoeld in oefenen als titularis van een niet-uitsluitend ambt (bedoeld in
artikel 5, voorlaatste lid, van het koninklijk besluit van 15 april artikel 5, voorlaatste lid, van het koninklijk besluit van 15 april
1958), wanneer zij uit hoofde van een in de overheidssector 1958), wanneer zij uit hoofde van een in de overheidssector
uitgeoefende betrekking een rustpensioen geniet. uitgeoefende betrekking een rustpensioen geniet.
Het stelt overigens vast dat de Franse Gemeenschapsregering in haar Het stelt overigens vast dat de Franse Gemeenschapsregering in haar
memorie schrijft : memorie schrijft :
« Door die bepaling aan te nemen, wilde de decreetgever duidelijk het « Door die bepaling aan te nemen, wilde de decreetgever duidelijk het
voordeel behouden van een cumulatie die, in een niet-uitsluitend ambt, voordeel behouden van een cumulatie die, in een niet-uitsluitend ambt,
beperkt was tot de ambtenaren die op de datum van inwerkingtreding van beperkt was tot de ambtenaren die op de datum van inwerkingtreding van
voormeld decreet vast benoemd zijn en uitdrukkelijk daarom verzoeken. voormeld decreet vast benoemd zijn en uitdrukkelijk daarom verzoeken.
In dat verband moet de term ' uitoefenen ' zoals bedoeld in de In dat verband moet de term ' uitoefenen ' zoals bedoeld in de
uitdrukking ' een ander ambt in het onderwijs, een statutair ambt of uitdrukking ' een ander ambt in het onderwijs, een statutair ambt of
een ambt als werknemer uitoefenen ' in artikel 461, eerste lid [lees : een ambt als werknemer uitoefenen ' in artikel 461, eerste lid [lees :
§ 1], van het decreet soepel geïnterpreteerd worden en staat het vast § 1], van het decreet soepel geïnterpreteerd worden en staat het vast
dat een gepensioneerd statutair ambtenaar, indien op correcte wijze dat een gepensioneerd statutair ambtenaar, indien op correcte wijze
rekening wordt gehouden met de onbetwistbare wil van de wetgever, moet rekening wordt gehouden met de onbetwistbare wil van de wetgever, moet
worden beschouwd als een ambtenaar die een statutair ambt uitoefent in worden beschouwd als een ambtenaar die een statutair ambt uitoefent in
de zin zoals dat te dezen wordt bedoeld. » de zin zoals dat te dezen wordt bedoeld. »
In die interpretatie zou de uitoefening van het in het geding zijnde In die interpretatie zou de uitoefening van het in het geding zijnde
ambt niet onverenigbaar zijn met het voordeel van het voormelde ambt niet onverenigbaar zijn met het voordeel van het voormelde
pensioen. Aangezien de verzoekende partij bijgevolg het voordeel van pensioen. Aangezien de verzoekende partij bijgevolg het voordeel van
de bepalingen van artikel 461 kan genieten, zou zij geen grief kunnen de bepalingen van artikel 461 kan genieten, zou zij geen grief kunnen
afleiden uit het feit dat die bepaling niet op haar van toepassing zou afleiden uit het feit dat die bepaling niet op haar van toepassing zou
zijn en haar belang bij het vorderen van de vernietiging ervan niet op zijn en haar belang bij het vorderen van de vernietiging ervan niet op
een dergelijke grief kunnen laten steunen. Het beroep zou niet een dergelijke grief kunnen laten steunen. Het beroep zou niet
ontvankelijk zijn, in zoverre het betrekking heeft op artikel 461. ontvankelijk zijn, in zoverre het betrekking heeft op artikel 461.
De soepele interpretatie die de Franse Gemeenschapsregering voorstelt, De soepele interpretatie die de Franse Gemeenschapsregering voorstelt,
heeft echter geen voorrang op de tekst van het decreet en is moeilijk heeft echter geen voorrang op de tekst van het decreet en is moeilijk
te verzoenen met de bewoordingen van de in het geding zijnde bepaling, te verzoenen met de bewoordingen van de in het geding zijnde bepaling,
aangezien moeilijk kan worden beschouwd dat de uitoefening van welk aangezien moeilijk kan worden beschouwd dat de uitoefening van welk
ambt dan ook het genot van een rustpensioen omvat, ook al is dat uit ambt dan ook het genot van een rustpensioen omvat, ook al is dat uit
hoofde van dat ambt toegekend. hoofde van dat ambt toegekend.
Aangezien dus moet worden aangenomen dat het middel betrekking heeft Aangezien dus moet worden aangenomen dat het middel betrekking heeft
op een bepaling die het niet mogelijk maakt het in het geding zijnde op een bepaling die het niet mogelijk maakt het in het geding zijnde
ambt met het voormelde pensioen te cumuleren, doet de verzoekende ambt met het voormelde pensioen te cumuleren, doet de verzoekende
partij blijken van het vereiste belang om de vernietiging van artikel partij blijken van het vereiste belang om de vernietiging van artikel
461 te vorderen. 461 te vorderen.
B.2.3. De Franse Gemeenschapsregering is van mening dat de verzoekende B.2.3. De Franse Gemeenschapsregering is van mening dat de verzoekende
partijen in de zaken nrs. 2560, 2561 en 2562, die tijdelijk aangesteld partijen in de zaken nrs. 2560, 2561 en 2562, die tijdelijk aangesteld
zijn, niet doen blijken van het vereiste belang bij de vernietiging zijn, niet doen blijken van het vereiste belang bij de vernietiging
van de bepalingen die zij bestrijden (de artikelen 473 en 490) en die van de bepalingen die zij bestrijden (de artikelen 473 en 490) en die
van toepassing zijn op de benoemde personeelsleden; hun belang, dat van toepassing zijn op de benoemde personeelsleden; hun belang, dat
afhankelijk is van een eventuele benoeming, zou niet rechtstreeks afhankelijk is van een eventuele benoeming, zou niet rechtstreeks
zijn. zijn.
B.2.4. Aangezien verschillende verzoekende partijen doen blijken van B.2.4. Aangezien verschillende verzoekende partijen doen blijken van
een belang bij hun beroep, in zoverre zij benoemd zijn geweest, is het een belang bij hun beroep, in zoverre zij benoemd zijn geweest, is het
daarnaast niet nodig om na te gaan of ook de verzoekende partijen in daarnaast niet nodig om na te gaan of ook de verzoekende partijen in
de zaken nrs. 2560, 2561 en 2562, die tijdelijk aangesteld zijn de zaken nrs. 2560, 2561 en 2562, die tijdelijk aangesteld zijn
geweest, doen blijken van een rechtstreeks belang bij dat beroep. geweest, doen blijken van een rechtstreeks belang bij dat beroep.
Ten gronde Ten gronde
B.3.1. De bestreden bepalingen vloeien voort uit de zorg om tegelijk, B.3.1. De bestreden bepalingen vloeien voort uit de zorg om tegelijk,
- een einde te maken aan het zogeheten stelsel van de « - een einde te maken aan het zogeheten stelsel van de «
niet-uitsluitende ambten », dat, door de houders van een ambt in het niet-uitsluitende ambten », dat, door de houders van een ambt in het
kunstonderwijs toe te staan dat ambt met een andere beroepsactiviteit kunstonderwijs toe te staan dat ambt met een andere beroepsactiviteit
te cumuleren, het mogelijk had gemaakt verschillende onderwijsambten te cumuleren, het mogelijk had gemaakt verschillende onderwijsambten
in het kunstonderwijs te cumuleren en aldus tot problemen zou hebben in het kunstonderwijs te cumuleren en aldus tot problemen zou hebben
geleid (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2001-2002, nr. geleid (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2001-2002, nr.
207/1, p. 7); 207/1, p. 7);
- ondanks het verdwijnen van het stelsel van de niet-uitsluitende - ondanks het verdwijnen van het stelsel van de niet-uitsluitende
ambten, de rechten te vrijwaren van die betrokkenen die vóór 1 ambten, de rechten te vrijwaren van die betrokkenen die vóór 1
september 2002, datum van inwerkingtreding van het decreet, benoemd september 2002, datum van inwerkingtreding van het decreet, benoemd
waren : artikel 461, § 1, van het decreet aanvaardt, bij wijze van waren : artikel 461, § 1, van het decreet aanvaardt, bij wijze van
overgangsmaatregel, de cumulatie van ambten in het kunstonderwijs en overgangsmaatregel, de cumulatie van ambten in het kunstonderwijs en
statutaire ambten of betrekkingen in loondienst; artikel 473 vervangt statutaire ambten of betrekkingen in loondienst; artikel 473 vervangt
artikel 5, voorlaatste lid, van het voormelde koninklijk besluit van artikel 5, voorlaatste lid, van het voormelde koninklijk besluit van
15 april 1958, teneinde, nog altijd bij wijze van overgangsmaatregel, 15 april 1958, teneinde, nog altijd bij wijze van overgangsmaatregel,
de geldelijke regeling te behouden die op de cumulaties van ambten in de geldelijke regeling te behouden die op de cumulaties van ambten in
het kunstonderwijs van toepassing is; het kunstonderwijs van toepassing is;
- de docenten aan de hogere kunstscholen tot de praktijk aan te - de docenten aan de hogere kunstscholen tot de praktijk aan te
moedigen : voormeld artikel 473 vult daartoe artikel 5, eerste lid, moedigen : voormeld artikel 473 vult daartoe artikel 5, eerste lid,
van hetzelfde koninklijk besluit van 15 april 1958 aan met een van hetzelfde koninklijk besluit van 15 april 1958 aan met een
(organieke) bepaling die het de artiesten die hun beroep als (organieke) bepaling die het de artiesten die hun beroep als
zelfstandige of onder arbeidsovereenkomst uitoefenen en houder van een zelfstandige of onder arbeidsovereenkomst uitoefenen en houder van een
ambt in het kunstonderwijs zouden zijn, mogelijk maakt de daaraan ambt in het kunstonderwijs zouden zijn, mogelijk maakt de daaraan
verbonden bezoldiging integraal te behouden, in tegenstelling tot de verbonden bezoldiging integraal te behouden, in tegenstelling tot de
in die bepaling vervatte regels voor de docenten die geen artiest in die bepaling vervatte regels voor de docenten die geen artiest
zijn, maar zich in soortgelijke cumulatiesituaties bevinden; toch zijn, maar zich in soortgelijke cumulatiesituaties bevinden; toch
wijzigt artikel 490 van het decreet artikel 77, § 2, van de wet van 24 wijzigt artikel 490 van het decreet artikel 77, § 2, van de wet van 24
december 1976 betreffende de budgettaire voorstellen 1976-1977 in die december 1976 betreffende de budgettaire voorstellen 1976-1977 in die
zin dat, in de hogere kunstscholen, de cumulatie van de docenten die zin dat, in de hogere kunstscholen, de cumulatie van de docenten die
meer dan een derde van een opdracht naast een ambt of een beroep met meer dan een derde van een opdracht naast een ambt of een beroep met
volledige prestaties uitoefenen, niet langer wordt bezoldigd. volledige prestaties uitoefenen, niet langer wordt bezoldigd.
Ten aanzien van artikel 461 Ten aanzien van artikel 461
B.3.2. Artikel 461 zou, volgens de verzoekende partij in de zaak nr. B.3.2. Artikel 461 zou, volgens de verzoekende partij in de zaak nr.
2559 (eerste middel), de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden, 2559 (eerste middel), de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden,
in zoverre het bij wijze van overgangsmaatregel erin voorziet dat de in zoverre het bij wijze van overgangsmaatregel erin voorziet dat de
hoogleraren aan de hogere kunstscholen die een ambt aan een hoogleraren aan de hogere kunstscholen die een ambt aan een
conservatorium uitoefenen, die ambten kunnen blijven uitoefenen, onder conservatorium uitoefenen, die ambten kunnen blijven uitoefenen, onder
de daarin bepaalde voorwaarden, en tegelijk een ander ambt uitoefenen, de daarin bepaalde voorwaarden, en tegelijk een ander ambt uitoefenen,
terwijl zij dat niet kunnen doen wanneer zij, zoals de verzoekende terwijl zij dat niet kunnen doen wanneer zij, zoals de verzoekende
partij, een rustpensioen van de openbare sector genieten. partij, een rustpensioen van de openbare sector genieten.
B.3.3. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet vereisen niet dat een B.3.3. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet vereisen niet dat een
overgangsbepaling tot doel heeft dat de vroegere situatie ongewijzigd overgangsbepaling tot doel heeft dat de vroegere situatie ongewijzigd
blijft; elke wetswijziging zou onmogelijk worden indien zou worden blijft; elke wetswijziging zou onmogelijk worden indien zou worden
aangenomen dat een nieuwe bepaling die grondwetsbepalingen zou aangenomen dat een nieuwe bepaling die grondwetsbepalingen zou
schenden om de enkele reden dat ze de berekeningen in de war zou schenden om de enkele reden dat ze de berekeningen in de war zou
sturen van diegenen die op de vroegere situatie zijn voortgegaan. sturen van diegenen die op de vroegere situatie zijn voortgegaan.
Uit de totstandkoming van de bestreden bepaling blijkt dat de Uit de totstandkoming van de bestreden bepaling blijkt dat de
decreetgever de verworven rechten van de betrokkenen heeft willen decreetgever de verworven rechten van de betrokkenen heeft willen
vrijwaren in zoverre dit verzoenbaar is met de doelstellingen die met vrijwaren in zoverre dit verzoenbaar is met de doelstellingen die met
de decreetswijziging worden beoogd (Parl. St., Parlement van de Franse de decreetswijziging worden beoogd (Parl. St., Parlement van de Franse
Gemeenschap, 2001-2002, nr. 207/1, p. 7). Gemeenschap, 2001-2002, nr. 207/1, p. 7).
Zoals vermeld onder B.3.1 wilde de decreetgever met de bestreden Zoals vermeld onder B.3.1 wilde de decreetgever met de bestreden
bepalingen een einde maken aan het stelsel van de zogenaamde « bepalingen een einde maken aan het stelsel van de zogenaamde «
niet-uitsluitende » ambten in het hoger kunstonderwijs omdat dit op niet-uitsluitende » ambten in het hoger kunstonderwijs omdat dit op
het vlak van de cumulatieregeling aanleiding gaf tot misbruiken. het vlak van de cumulatieregeling aanleiding gaf tot misbruiken.
Tevens wilde de decreetgever dat de lesgevers in het hoger Tevens wilde de decreetgever dat de lesgevers in het hoger
kunstonderwijs naast hun onderwijsopdracht ook als kunstenaars actief kunstonderwijs naast hun onderwijsopdracht ook als kunstenaars actief
zouden zijn. zouden zijn.
In het licht van die doelstellingen bestaat een objectieve en In het licht van die doelstellingen bestaat een objectieve en
redelijke verantwoording voor het feit dat de overgangsregeling niet redelijke verantwoording voor het feit dat de overgangsregeling niet
wordt uitgebreid tot de categorie van personen die reeds gepensioneerd wordt uitgebreid tot de categorie van personen die reeds gepensioneerd
zijn. zijn.
In de eerste plaats kan de bij het decreet nagestreefde doelstelling In de eerste plaats kan de bij het decreet nagestreefde doelstelling
om de docenten aan de hogere kunstscholen tot een artistieke praktijk om de docenten aan de hogere kunstscholen tot een artistieke praktijk
aan te moedigen, aan belang inboeten, wanneer de betrokkenen aan te moedigen, aan belang inboeten, wanneer de betrokkenen
gepensioneerd zijn. Bovendien kon de decreetgever vrezen dat de gepensioneerd zijn. Bovendien kon de decreetgever vrezen dat de
uitbreiding van de overgangsmaatregel tot de gepensioneerden, en dus uitbreiding van de overgangsmaatregel tot de gepensioneerden, en dus
het behoud van de oude regeling voor die categorie van personen, de het behoud van de oude regeling voor die categorie van personen, de
noodzakelijk geachte beleidswijziging op het vlak van de noodzakelijk geachte beleidswijziging op het vlak van de
cumulatieregeling op onredelijke wijze zou vertragen. cumulatieregeling op onredelijke wijze zou vertragen.
Ten slotte wordt het de gepensioneerden niet onmogelijk gemaakt om een Ten slotte wordt het de gepensioneerden niet onmogelijk gemaakt om een
onderwijsopdracht in het hoger kunstonderwijs uit te oefenen als onderwijsopdracht in het hoger kunstonderwijs uit te oefenen als
bijberoep, indien zij voldoen aan de voorwaarden bepaald in artikel 5, bijberoep, indien zij voldoen aan de voorwaarden bepaald in artikel 5,
eerste lid, c), van het voormelde koninklijk besluit van 15 april eerste lid, c), van het voormelde koninklijk besluit van 15 april
1958. 1958.
Het middel is niet gegrond. Het middel is niet gegrond.
Ten aanzien van artikel 473 van het bestreden decreet Ten aanzien van artikel 473 van het bestreden decreet
B.4.1. Artikel 473 van het decreet van 20 december 2001 wijzigt B.4.1. Artikel 473 van het decreet van 20 december 2001 wijzigt
artikel 5 van het voormelde koninklijk besluit van 15 april 1958. Die artikel 5 van het voormelde koninklijk besluit van 15 april 1958. Die
bepaling legt met name vast wat dient te worden begrepen onder « bepaling legt met name vast wat dient te worden begrepen onder «
bijbetrekking » in de bezoldigingsregeling van het onderwijzend, bijbetrekking » in de bezoldigingsregeling van het onderwijzend,
wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van de wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van de
Gemeenschap. De bijbetrekkingen worden, op grond van artikel 44bis van Gemeenschap. De bijbetrekkingen worden, op grond van artikel 44bis van
hetzelfde besluit, bezoldigd ten belope van 50 pct. van de bezoldiging hetzelfde besluit, bezoldigd ten belope van 50 pct. van de bezoldiging
die zou worden toegekend aan diegene die die betrekkingen als die zou worden toegekend aan diegene die die betrekkingen als
hoofdambt zou uitoefenen. hoofdambt zou uitoefenen.
Artikel 5, eerste lid, in fine, van het voormelde koninklijk besluit, Artikel 5, eerste lid, in fine, van het voormelde koninklijk besluit,
ingevoegd bij artikel 473, 1o, van het decreet, wordt bestreden in ingevoegd bij artikel 473, 1o, van het decreet, wordt bestreden in
zoverre het het voordeel van een volledige bezoldiging toekent aan die zoverre het het voordeel van een volledige bezoldiging toekent aan die
docenten aan de hogere kunstscholen, zoals de hoogleraren die benoemd docenten aan de hogere kunstscholen, zoals de hoogleraren die benoemd
zijn in een ambt aan een conservatorium, die een artistiek beroep zijn in een ambt aan een conservatorium, die een artistiek beroep
uitoefenen ofwel als zelfstandige, ofwel onder arbeidsovereenkomst. De uitoefenen ofwel als zelfstandige, ofwel onder arbeidsovereenkomst. De
verzoekende partijen voeren aan dat dat artikel 5, eerste lid, in verzoekende partijen voeren aan dat dat artikel 5, eerste lid, in
fine, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, in zoverre het fine, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, in zoverre het
die docenten aan de hogere kunstscholen die daarenboven, als die docenten aan de hogere kunstscholen die daarenboven, als
hoofdambt, een artistiek beroep onder statuut uitoefenen of een hoofdambt, een artistiek beroep onder statuut uitoefenen of een
rustpensioen uit hoofde van een onder statuut uitgeoefend artistiek rustpensioen uit hoofde van een onder statuut uitgeoefend artistiek
beroep genieten, daarentegen uitsluit van het voordeel van een beroep genieten, daarentegen uitsluit van het voordeel van een
volledige bezoldiging. volledige bezoldiging.
B.4.2. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 2557 en 2561 tot 2563 B.4.2. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 2557 en 2561 tot 2563
voeren bovendien aan dat dezelfde bepaling de artikelen 10 en 11 van voeren bovendien aan dat dezelfde bepaling de artikelen 10 en 11 van
de Grondwet schendt, in zoverre zij die docenten aan de hogere de Grondwet schendt, in zoverre zij die docenten aan de hogere
kunstscholen die, zonder een artistiek beroep daadwerkelijk uit te kunstscholen die, zonder een artistiek beroep daadwerkelijk uit te
oefenen, statutaire ambtenaren zijn die geschikt zijn om een artistiek oefenen, statutaire ambtenaren zijn die geschikt zijn om een artistiek
beroep uit te oefenen dat zij onafhankelijk van hun wil niet kunnen beroep uit te oefenen dat zij onafhankelijk van hun wil niet kunnen
uitoefenen en daardoor een wachtwedde genieten, van hetzelfde voordeel uitoefenen en daardoor een wachtwedde genieten, van hetzelfde voordeel
uitsluit. Het gaat te dezen om personen die wegens ontstentenis van uitsluit. Het gaat te dezen om personen die wegens ontstentenis van
betrekking in disponibiliteit zijn gesteld. betrekking in disponibiliteit zijn gesteld.
Die schending wordt evenwel alleen in ondergeschikte orde aangevoerd, Die schending wordt evenwel alleen in ondergeschikte orde aangevoerd,
in de veronderstelling dat die situatie, zoals de Franse Gemeenschap in de veronderstelling dat die situatie, zoals de Franse Gemeenschap
betoogt, zou worden gelijkgesteld met de uitoefening van een « andere betoogt, zou worden gelijkgesteld met de uitoefening van een « andere
bezigheid », bedoeld in artikel 5, eerste lid, c), of met die waarvoor bezigheid », bedoeld in artikel 5, eerste lid, c), of met die waarvoor
de ambtenaar een wedde uit hoofde van een in de openbare sector de ambtenaar een wedde uit hoofde van een in de openbare sector
uitgeoefende betrekking geniet, bedoeld in artikel 5, eerste lid, e) : uitgeoefende betrekking geniet, bedoeld in artikel 5, eerste lid, e) :
die gelijkstelling zou erop neerkomen dat de bezoldiging die de die gelijkstelling zou erop neerkomen dat de bezoldiging die de
betrokkenen in het kunstonderwijs zou worden toegekend, wordt betrokkenen in het kunstonderwijs zou worden toegekend, wordt
begrensd, door hun het in artikel 5, eerste lid, in fine, bepaalde begrensd, door hun het in artikel 5, eerste lid, in fine, bepaalde
voordeel van het hoofdambt te ontnemen. voordeel van het hoofdambt te ontnemen.
Aangezien het niet aan het Hof staat zich over een dergelijke Aangezien het niet aan het Hof staat zich over een dergelijke
gelijkstelling uit te spreken, onderzoekt het tegelijk het in gelijkstelling uit te spreken, onderzoekt het tegelijk het in
hoofdorde aangevoerde middel en het in ondergeschikte orde aangevoerde hoofdorde aangevoerde middel en het in ondergeschikte orde aangevoerde
middel, in de veronderstelling dat de situatie van de verzoekende middel, in de veronderstelling dat de situatie van de verzoekende
partijen zou worden gelijkgesteld met die welke bij artikel 5, eerste partijen zou worden gelijkgesteld met die welke bij artikel 5, eerste
lid, c), wordt beoogd en met die welke bij artikel 5, eerste lid, e), lid, c), wordt beoogd en met die welke bij artikel 5, eerste lid, e),
wordt beoogd. wordt beoogd.
B.4.3. De Franse Gemeenschapsregering betwist het belang van de B.4.3. De Franse Gemeenschapsregering betwist het belang van de
verzoekende partijen bij het middel. verzoekende partijen bij het middel.
Het argument volgens hetwelk, indien het Hof het middel zou aannemen, Het argument volgens hetwelk, indien het Hof het middel zou aannemen,
de situatie van de verzoekende partijen niet zou verbeteren, dient om de situatie van de verzoekende partijen niet zou verbeteren, dient om
dezelfde redenen als die welke in B.2.2.1 in fine zijn uiteengezet, te dezelfde redenen als die welke in B.2.2.1 in fine zijn uiteengezet, te
worden verworpen. worden verworpen.
Beweren dat de verzoekende partijen bepalingen bestrijden die Beweren dat de verzoekende partijen bepalingen bestrijden die
organieke regels bevatten (artikel 5, eerste lid, in fine, van het organieke regels bevatten (artikel 5, eerste lid, in fine, van het
koninklijk besluit van 15 april 1958), terwijl zij hebben gekozen voor koninklijk besluit van 15 april 1958), terwijl zij hebben gekozen voor
de overgangsregeling (artikel 461 van het bestreden decreet), is een de overgangsregeling (artikel 461 van het bestreden decreet), is een
argumentatie die echter niet kan worden aanvaard, omdat die geen argumentatie die echter niet kan worden aanvaard, omdat die geen
rekening houdt met de in artikel 461, § 1, derde en vierde lid, rekening houdt met de in artikel 461, § 1, derde en vierde lid,
vervatte mogelijkheid om van de overgangsregeling af te zien en zich vervatte mogelijkheid om van de overgangsregeling af te zien en zich
aan de organieke regeling te onderwerpen, waarbij de keuze van de aan de organieke regeling te onderwerpen, waarbij de keuze van de
betrokkenen voor de overgangsregeling elk jaar dient te worden betrokkenen voor de overgangsregeling elk jaar dient te worden
herhaald. herhaald.
B.4.4. Omdat de vroegere cumulatieregeling in het hoger kunstonderwijs B.4.4. Omdat de vroegere cumulatieregeling in het hoger kunstonderwijs
van haar oorspronkelijk doel was afgeweken en aanleiding gaf tot van haar oorspronkelijk doel was afgeweken en aanleiding gaf tot
mistoestanden, heeft de decreetgever beslist om het kunstonderwijs mistoestanden, heeft de decreetgever beslist om het kunstonderwijs
voortaan onder te brengen onder de algemene regeling die geldt voor voortaan onder te brengen onder de algemene regeling die geldt voor
het hoger onderwijs en die een onderscheid maakt tussen hoofdfuncties het hoger onderwijs en die een onderscheid maakt tussen hoofdfuncties
en bijbetrekkingen. Door te kiezen voor de aansluiting van het en bijbetrekkingen. Door te kiezen voor de aansluiting van het
kunstonderwijs bij die algemene regeling, is het niet onredelijk dat kunstonderwijs bij die algemene regeling, is het niet onredelijk dat
de decreetgever slechts in afwijkingen voorziet wanneer daarvoor de decreetgever slechts in afwijkingen voorziet wanneer daarvoor
specifieke redenen voorhanden zijn. specifieke redenen voorhanden zijn.
Uit de totstandkoming van de bestreden bepaling blijkt dat de Uit de totstandkoming van de bestreden bepaling blijkt dat de
decreetgever het belangrijk acht befaamde kunstenaars aan te trekken decreetgever het belangrijk acht befaamde kunstenaars aan te trekken
voor het kunstonderwijs en de voorwaarden wil scheppen opdat zij hun voor het kunstonderwijs en de voorwaarden wil scheppen opdat zij hun
artistieke activiteiten kunnen voortzetten naast hun artistieke activiteiten kunnen voortzetten naast hun
onderwijsopdracht, omdat dit de kwaliteit van het kunstonderwijs ten onderwijsopdracht, omdat dit de kwaliteit van het kunstonderwijs ten
goede komt (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2001-2002, goede komt (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2001-2002,
nr. 207/1, pp. 7 en 8). nr. 207/1, pp. 7 en 8).
B.4.5. Gelet op die doelstelling toont de Franse Gemeenschap niet aan, B.4.5. Gelet op die doelstelling toont de Franse Gemeenschap niet aan,
en ziet het Hof niet in, om welke reden het verantwoord zou zijn de en ziet het Hof niet in, om welke reden het verantwoord zou zijn de
docenten aan de hogere kunstscholen niet ertoe aan te moedigen docenten aan de hogere kunstscholen niet ertoe aan te moedigen
daadwerkelijk een artistieke praktijk in een statutaire regeling uit daadwerkelijk een artistieke praktijk in een statutaire regeling uit
te oefenen. Door alleen rekening te houden met die welke als te oefenen. Door alleen rekening te houden met die welke als
zelfstandige of als werknemer wordt uitgeoefend, is de bestreden zelfstandige of als werknemer wordt uitgeoefend, is de bestreden
bepaling discriminerend. bepaling discriminerend.
Door de personen die niet langer tot de artistieke praktijk dienden te Door de personen die niet langer tot de artistieke praktijk dienden te
worden aangemoedigd, omdat zij geen ambt meer uitoefenen (doordat zij worden aangemoedigd, omdat zij geen ambt meer uitoefenen (doordat zij
gepensioneerd zijn of zich bevinden in het onder B.4.2 vermelde gepensioneerd zijn of zich bevinden in het onder B.4.2 vermelde
geval), uit te sluiten van het voordeel van de in het geding zijnde geval), uit te sluiten van het voordeel van de in het geding zijnde
maatregel, neemt de wetgever daarentegen een maatregel die redelijk maatregel, neemt de wetgever daarentegen een maatregel die redelijk
verantwoord kan zijn ten aanzien van het nagestreefde doel en die niet verantwoord kan zijn ten aanzien van het nagestreefde doel en die niet
discriminerend is. discriminerend is.
Ten aanzien van artikel 490 van het bestreden decreet Ten aanzien van artikel 490 van het bestreden decreet
B.5.1. Artikel 77 van de wet van 24 december 1976 betreffende de B.5.1. Artikel 77 van de wet van 24 december 1976 betreffende de
budgettaire voorstellen 1976-1977 beperkt, onverminderd meer budgettaire voorstellen 1976-1977 beperkt, onverminderd meer
beperkende wettelijke bepalingen, de bezoldiging van bijkomende beperkende wettelijke bepalingen, de bezoldiging van bijkomende
prestaties in het onderwijs door personen die een hoofdberoep in het prestaties in het onderwijs door personen die een hoofdberoep in het
onderwijs of elders uitoefenen. Luidens paragraaf 1 worden die onderwijs of elders uitoefenen. Luidens paragraaf 1 worden die
bijkomende prestaties, wanneer zij meer dan een derde van het minimum bijkomende prestaties, wanneer zij meer dan een derde van het minimum
vereiste aantal uren voor een betrekking met volledige prestaties vereiste aantal uren voor een betrekking met volledige prestaties
overschrijden, niet bezoldigd. Volgens paragraaf 2, b), kan die overschrijden, niet bezoldigd. Volgens paragraaf 2, b), kan die
beperking evenwel op twee derden worden gebracht, wanneer de beperking evenwel op twee derden worden gebracht, wanneer de
betrokkene, buiten zijn hoofdberoep, slechts bijkomende prestaties betrokkene, buiten zijn hoofdberoep, slechts bijkomende prestaties
uitoefent in een enkele onderwijsinstelling en zich in een uitoefent in een enkele onderwijsinstelling en zich in een
uitzonderlijke toestand bevindt zoals bepaald in een in Ministerraad uitzonderlijke toestand bevindt zoals bepaald in een in Ministerraad
overlegd koninklijk besluit. overlegd koninklijk besluit.
Artikel 77, § 2, werd bij artikel 490 van het bestreden decreet Artikel 77, § 2, werd bij artikel 490 van het bestreden decreet
aangevuld met een tweede lid teneinde de hogere kunstscholen uit te aangevuld met een tweede lid teneinde de hogere kunstscholen uit te
sluiten van die mogelijkheid om de in die scholen uitgeoefende sluiten van die mogelijkheid om de in die scholen uitgeoefende
bijkomende prestaties op twee derden van het voormelde minimumaantal bijkomende prestaties op twee derden van het voormelde minimumaantal
te brengen. te brengen.
De verzoekende partijen in de zaken nrs. 2558, 2560 (tweede middel), De verzoekende partijen in de zaken nrs. 2558, 2560 (tweede middel),
2557 en 2561 tot 2563 (derde middel) voeren aan dat voormeld artikel 2557 en 2561 tot 2563 (derde middel) voeren aan dat voormeld artikel
490 aldus tussen de docenten aan de hogere kunstscholen en de docenten 490 aldus tussen de docenten aan de hogere kunstscholen en de docenten
aan de andere soorten van instellingen, die als enigen de verhoging aan de andere soorten van instellingen, die als enigen de verhoging
van de in het geding zijnde grens kunnen genieten, een verschil in van de in het geding zijnde grens kunnen genieten, een verschil in
behandeling invoert dat onbestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van behandeling invoert dat onbestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van
de Grondwet. de Grondwet.
B.5.2. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 2557 en 2561 tot 2563 B.5.2. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 2557 en 2561 tot 2563
voeren daarnaast aan dat de beperking waarin artikel 77 voorziet, niet voeren daarnaast aan dat de beperking waarin artikel 77 voorziet, niet
van toepassing is op hen, aangezien die veronderstelt dat een van toepassing is op hen, aangezien die veronderstelt dat een
hoofdberoep wordt uitgeoefend buiten het onderwijs, terwijl zij in hoofdberoep wordt uitgeoefend buiten het onderwijs, terwijl zij in
disponibiliteit zijn gesteld. disponibiliteit zijn gesteld.
Hun beroep wordt enkel in ondergeschikte orde ingesteld, in de Hun beroep wordt enkel in ondergeschikte orde ingesteld, in de
veronderstelling dat die indisponibiliteitstelling, zoals de Franse veronderstelling dat die indisponibiliteitstelling, zoals de Franse
Gemeenschap beweert, zou worden gelijkgesteld met de uitoefening van Gemeenschap beweert, zou worden gelijkgesteld met de uitoefening van
een hoofdberoep. een hoofdberoep.
Aangezien het niet aan het Hof staat zich over een dergelijke Aangezien het niet aan het Hof staat zich over een dergelijke
gelijkstelling uit te spreken, onderzoekt het tegelijk het in gelijkstelling uit te spreken, onderzoekt het tegelijk het in
hoofdorde aangevoerde middel en het in ondergeschikte orde aangevoerde hoofdorde aangevoerde middel en het in ondergeschikte orde aangevoerde
middel, in de veronderstelling dat de situatie van de verzoekende middel, in de veronderstelling dat de situatie van de verzoekende
partijen zou worden gelijkgesteld met de uitoefening van een partijen zou worden gelijkgesteld met de uitoefening van een
hoofdberoep. hoofdberoep.
B.5.3. De Franse Gemeenschapsregering betwijfelt of de verzoekende B.5.3. De Franse Gemeenschapsregering betwijfelt of de verzoekende
partijen belang hebben bij het middel : aangezien de verzoekende partijen belang hebben bij het middel : aangezien de verzoekende
partijen reeds onderworpen zijn aan de beperking van een derde waarin partijen reeds onderworpen zijn aan de beperking van een derde waarin
artikel 77 van de wet van 24 december 1976 voorzag vóór de wijziging artikel 77 van de wet van 24 december 1976 voorzag vóór de wijziging
ervan bij artikel 490 van het bestreden decreet, verandert die ervan bij artikel 490 van het bestreden decreet, verandert die
bepaling hun situatie in geen enkel opzicht. bepaling hun situatie in geen enkel opzicht.
In tegenstelling tot wat de Franse Gemeenschapsregering beweert, heeft In tegenstelling tot wat de Franse Gemeenschapsregering beweert, heeft
de grief van de verzoekende partijen geen betrekking op de voormelde de grief van de verzoekende partijen geen betrekking op de voormelde
beperking van een derde, maar wel op het gegeven dat die niet langer beperking van een derde, maar wel op het gegeven dat die niet langer
op twee derden kan worden gebracht (onder de voorwaarden bepaald in op twee derden kan worden gebracht (onder de voorwaarden bepaald in
artikel 77, § 2, b)) voor de hogere kunstscholen. artikel 77, § 2, b)) voor de hogere kunstscholen.
B.5.4. In de memorie van toelichting van het bestreden decreet wordt, B.5.4. In de memorie van toelichting van het bestreden decreet wordt,
zoals reeds vermeld, erop gewezen dat de regeling die tot dan toe in zoals reeds vermeld, erop gewezen dat de regeling die tot dan toe in
het kunstonderwijs van toepassing was, had geleid tot een forse het kunstonderwijs van toepassing was, had geleid tot een forse
toename van het aantal cumulaties « onderwijs/onderwijs, wat tot heel toename van het aantal cumulaties « onderwijs/onderwijs, wat tot heel
wat problemen heeft geleid » (Parl. St., Parlement van de Franse wat problemen heeft geleid » (Parl. St., Parlement van de Franse
Gemeenschap, 2001-2002, nr. 207/1, p. 7). In verband met artikel 490 Gemeenschap, 2001-2002, nr. 207/1, p. 7). In verband met artikel 490
wordt daarin opgemerkt dat die bepaling het mogelijk maakt, in de wordt daarin opgemerkt dat die bepaling het mogelijk maakt, in de
hogere kunstscholen, de cumulatie van de docenten die meer dan een hogere kunstscholen, de cumulatie van de docenten die meer dan een
derde van een opdracht naast een ambt of een beroep met volledige derde van een opdracht naast een ambt of een beroep met volledige
prestaties uitoefenen, niet langer te bezoldigen (ibid., p. 49). prestaties uitoefenen, niet langer te bezoldigen (ibid., p. 49).
B.5.5. De decreetgever die, voor de in voormeld artikel 77 bedoelde B.5.5. De decreetgever die, voor de in voormeld artikel 77 bedoelde
ambten, de cumulaties wenst te beperken waarvan hij de negatieve ambten, de cumulaties wenst te beperken waarvan hij de negatieve
gevolgen in het kunstonderwijs heeft vastgesteld en daartoe, alleen gevolgen in het kunstonderwijs heeft vastgesteld en daartoe, alleen
voor dat onderwijs, de zelfs uitzonderlijke mogelijkheid opheft om de voor dat onderwijs, de zelfs uitzonderlijke mogelijkheid opheft om de
bovengrens van de bezoldiging te verdubbelen, grens die hij evenwel bovengrens van de bezoldiging te verdubbelen, grens die hij evenwel
voor de andere regelingen behoudt, neemt een maatregel die redelijk voor de andere regelingen behoudt, neemt een maatregel die redelijk
verantwoord kan zijn ten aanzien van het nagestreefde doel en die niet verantwoord kan zijn ten aanzien van het nagestreefde doel en die niet
onevenredig is, vermits de betrokkenen het voordeel behouden van de onevenredig is, vermits de betrokkenen het voordeel behouden van de
bepaling die, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, op alle in bepaling die, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, op alle in
artikel 77 bedoelde docenten van toepassing is. artikel 77 bedoelde docenten van toepassing is.
Het middel is niet gegrond. Het middel is niet gegrond.
Om die redenen, Om die redenen,
het Hof het Hof
- vernietigt artikel 473 van het decreet van de Franse Gemeenschap van - vernietigt artikel 473 van het decreet van de Franse Gemeenschap van
20 december 2001 « tot vaststelling van de regels die specifiek zijn 20 december 2001 « tot vaststelling van de regels die specifiek zijn
voor het hoger kunstonderwijs georganiseerd in de hogere kunstscholen voor het hoger kunstonderwijs georganiseerd in de hogere kunstscholen
(organisatie, financiering, omkadering, statuut van het personeel, (organisatie, financiering, omkadering, statuut van het personeel,
rechten en plichten van studenten) », in zoverre het de docenten aan rechten en plichten van studenten) », in zoverre het de docenten aan
de hogere kunstscholen die een artistiek beroep onder statuut de hogere kunstscholen die een artistiek beroep onder statuut
uitoefenen, uitsluit van het voordeel van een volledige bezoldiging; uitoefenen, uitsluit van het voordeel van een volledige bezoldiging;
- verwerpt de beroepen voor het overige. - verwerpt de beroepen voor het overige.
Aldus uitgesproken in het Frans, het Nederlands en het Duits, Aldus uitgesproken in het Frans, het Nederlands en het Duits,
overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op
het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 21 januari 2004. het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 21 januari 2004.
De griffier, De griffier,
P.-Y. Dutilleux. P.-Y. Dutilleux.
De voorzitter, De voorzitter,
M. Melchior. M. Melchior.
^