Etaamb.openjustice.be
Meertalige weergave van Arrest van --
← Terug naar "Uittreksel uit arrest nr. 18/2003 van 30 januari 2003 Rolnummer 2289 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 1675/13, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Gent. Het Arbitrag samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters L. François, M. Bossuyt, A. (...)"
Uittreksel uit arrest nr. 18/2003 van 30 januari 2003 Rolnummer 2289 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 1675/13, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Gent. Het Arbitrag samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters L. François, M. Bossuyt, A. (...) Uittreksel uit arrest nr. 18/2003 van 30 januari 2003 Rolnummer 2289 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 1675/13, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Gent. Het Arbitrag samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters L. François, M. Bossuyt, A. (...)
ARBITRAGEHOF ARBITRAGEHOF
Uittreksel uit arrest nr. 18/2003 van 30 januari 2003 Uittreksel uit arrest nr. 18/2003 van 30 januari 2003
Rolnummer 2289 Rolnummer 2289
In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 1675/13, § 1, van In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 1675/13, § 1, van
het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg
te Gent. te Gent.
Het Arbitragehof, Het Arbitragehof,
samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters
L. François, M. Bossuyt, A. Alen, J.-P. Snappe en J.-P. Moerman, L. François, M. Bossuyt, A. Alen, J.-P. Snappe en J.-P. Moerman,
bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van
voorzitter A. Arts, voorzitter A. Arts,
wijst na beraad het volgende arrest : wijst na beraad het volgende arrest :
I. Onderwerp van de prejudiciële vraag I. Onderwerp van de prejudiciële vraag
Bij vonnis van 6 november 2001 in zake J. De Vriendt tegen het Bij vonnis van 6 november 2001 in zake J. De Vriendt tegen het
Ministerie van Financiën en anderen, waarvan de expeditie ter griffie Ministerie van Financiën en anderen, waarvan de expeditie ter griffie
van het Arbitragehof is ingekomen op 16 november 2001, heeft de van het Arbitragehof is ingekomen op 16 november 2001, heeft de
Rechtbank van eerste aanleg te Gent de volgende prejudiciële vraag Rechtbank van eerste aanleg te Gent de volgende prejudiciële vraag
gesteld : gesteld :
« Schendt artikel 1675/13, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek, « Schendt artikel 1675/13, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek,
geïnterpreteerd in de zin dat het aan personen die totaal en geïnterpreteerd in de zin dat het aan personen die totaal en
definitief onvermogend zijn de mogelijkheid om een gerechtelijke definitief onvermogend zijn de mogelijkheid om een gerechtelijke
aanzuiveringsregeling te bekomen ontzegt terwijl het die mogelijkheid aanzuiveringsregeling te bekomen ontzegt terwijl het die mogelijkheid
wel toekent aan personen die een minieme, vanuit het standpunt van de wel toekent aan personen die een minieme, vanuit het standpunt van de
schuldeisers symbolische afbetaling van hun schulden kunnen doen, de schuldeisers symbolische afbetaling van hun schulden kunnen doen, de
artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet zowel op zich artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet zowel op zich
beschouwd als ten opzichte van het door artikel 23 van de beschouwd als ten opzichte van het door artikel 23 van de
gecoördineerde Grondwet gewaarborgde recht van eenieder om een gecoördineerde Grondwet gewaarborgde recht van eenieder om een
menswaardig bestaan te leiden ? » menswaardig bestaan te leiden ? »
(...) (...)
IV. In rechte IV. In rechte
(...) (...)
B.1. Artikel 1675/13 van het Gerechtelijk Wetboek, waarvan paragraaf 1 B.1. Artikel 1675/13 van het Gerechtelijk Wetboek, waarvan paragraaf 1
het voorwerp uitmaakt van de prejudiciële vraag, bepaalt : het voorwerp uitmaakt van de prejudiciële vraag, bepaalt :
« § 1. Indien de maatregelen voorzien in artikel 1675/12, § 1, niet « § 1. Indien de maatregelen voorzien in artikel 1675/12, § 1, niet
volstaan om de in artikel 1675/3, derde lid, genoemde doelstelling te volstaan om de in artikel 1675/3, derde lid, genoemde doelstelling te
bereiken, kan de rechter, op vraag van de schuldenaar, besluiten tot bereiken, kan de rechter, op vraag van de schuldenaar, besluiten tot
elke andere gedeeltelijke kwijtschelding van schulden, zelfs van elke andere gedeeltelijke kwijtschelding van schulden, zelfs van
kapitaal onder de volgende voorwaarden : kapitaal onder de volgende voorwaarden :
- alle goederen die voor beslag in aanmerking komen, worden te gelde - alle goederen die voor beslag in aanmerking komen, worden te gelde
gemaakt op initiatief van de schuldbemiddelaar, overeenkomstig de gemaakt op initiatief van de schuldbemiddelaar, overeenkomstig de
regels inzake de gedwongen tenuitvoerleggingen. De verdeling heeft regels inzake de gedwongen tenuitvoerleggingen. De verdeling heeft
plaats met inachtname van de gelijkheid van de schuldeisers plaats met inachtname van de gelijkheid van de schuldeisers
onverminderd de wettige redenen van voorrang; onverminderd de wettige redenen van voorrang;
- na de tegeldemaking van de voor beslag vatbare goederen maakt het - na de tegeldemaking van de voor beslag vatbare goederen maakt het
saldo, nog verschuldigd door de schuldenaar, het voorwerp uit van een saldo, nog verschuldigd door de schuldenaar, het voorwerp uit van een
aanzuiveringsregeling met inachtname van de gelijkheid van de aanzuiveringsregeling met inachtname van de gelijkheid van de
schuldeisers, behalve wat de lopende onderhoudsverplichtingen betreft, schuldeisers, behalve wat de lopende onderhoudsverplichtingen betreft,
bedoeld in artikel 1412, eerste lid. bedoeld in artikel 1412, eerste lid.
Onverminderd artikel 1675/15, § 2, kan de kwijtschelding van schulden Onverminderd artikel 1675/15, § 2, kan de kwijtschelding van schulden
maar verkregen worden als de schuldenaar de door de rechter opgelegde maar verkregen worden als de schuldenaar de door de rechter opgelegde
aanzuiveringsregeling heeft nageleefd, en behoudens terugkeer van de aanzuiveringsregeling heeft nageleefd, en behoudens terugkeer van de
schuldenaar tot beter fortuin vóór het einde van de gerechtelijke schuldenaar tot beter fortuin vóór het einde van de gerechtelijke
aanzuiveringsregeling. aanzuiveringsregeling.
§ 2. Het vonnis duidt de looptijd van de gerechtelijke § 2. Het vonnis duidt de looptijd van de gerechtelijke
aanzuiveringsregeling aan, die ligt tussen drie en vijf jaar. Artikel aanzuiveringsregeling aan, die ligt tussen drie en vijf jaar. Artikel
51 is niet van toepassing. 51 is niet van toepassing.
§ 3. De rechter kan geen kwijtschelding verlenen voor volgende § 3. De rechter kan geen kwijtschelding verlenen voor volgende
schulden : schulden :
- de onderhoudsgelden die niet vervallen zijn op de dag van de - de onderhoudsgelden die niet vervallen zijn op de dag van de
uitspraak houdende vaststelling van de gerechtelijke uitspraak houdende vaststelling van de gerechtelijke
aanzuiveringsregeling; aanzuiveringsregeling;
- de schulden die een schadevergoeding inhouden, toegestaan voor het - de schulden die een schadevergoeding inhouden, toegestaan voor het
herstel van een lichamelijke schade veroorzaakt door een misdrijf; herstel van een lichamelijke schade veroorzaakt door een misdrijf;
- de schulden van een gefailleerde die overblijven na het sluiten van - de schulden van een gefailleerde die overblijven na het sluiten van
het faillissement. het faillissement.
§ 4. In afwijking van de voorgaande paragraaf kan de rechter § 4. In afwijking van de voorgaande paragraaf kan de rechter
kwijtschelding verlenen voor de schulden van een gefailleerde die kwijtschelding verlenen voor de schulden van een gefailleerde die
overblijven na een faillissement waarvan de sluiting is uitgesproken overblijven na een faillissement waarvan de sluiting is uitgesproken
met toepassing van de wet van 18 april 1851 op het faillissement, de met toepassing van de wet van 18 april 1851 op het faillissement, de
bankbreuk en de opschorting van betaling sedert ten minste 10 jaar op bankbreuk en de opschorting van betaling sedert ten minste 10 jaar op
het moment van neerlegging van het verzoekschrift bedoeld in artikel het moment van neerlegging van het verzoekschrift bedoeld in artikel
1675/4. Deze kwijtschelding kan niet worden verleend aan de 1675/4. Deze kwijtschelding kan niet worden verleend aan de
gefailleerde die veroordeeld werd wegens eenvoudige of bedrieglijke gefailleerde die veroordeeld werd wegens eenvoudige of bedrieglijke
bankbreuk. bankbreuk.
§ 5. Onverminderd de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het § 5. Onverminderd de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het
recht op het bestaansminimum en met inachtneming van artikel 1675/3, recht op het bestaansminimum en met inachtneming van artikel 1675/3,
derde lid, kan de rechter wanneer hij de regeling opstelt, bij derde lid, kan de rechter wanneer hij de regeling opstelt, bij
bijzonder gemotiveerde beslissing afwijken van de artikelen 1409 tot bijzonder gemotiveerde beslissing afwijken van de artikelen 1409 tot
1412. » 1412. »
Wat de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet betreft Wat de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet betreft
B.2.1. De procedure van collectieve schuldenregeling, ingevoerd bij de B.2.1. De procedure van collectieve schuldenregeling, ingevoerd bij de
wet van 5 juli 1998 betreffende de collectieve schuldenregeling en de wet van 5 juli 1998 betreffende de collectieve schuldenregeling en de
mogelijkheid van verkoop uit de hand van de in beslag genomen mogelijkheid van verkoop uit de hand van de in beslag genomen
onroerende goederen, heeft tot hoofddoel de financiële situatie te onroerende goederen, heeft tot hoofddoel de financiële situatie te
herstellen van een schuldenaar met overmatige schuldenlast door hem herstellen van een schuldenaar met overmatige schuldenlast door hem
met name ertoe in staat te stellen voor zover mogelijk zijn schulden met name ertoe in staat te stellen voor zover mogelijk zijn schulden
te betalen en tegelijkertijd te waarborgen dat hij zelf en zijn gezin te betalen en tegelijkertijd te waarborgen dat hij zelf en zijn gezin
een menswaardig leven kunnen leiden (artikel 1675/3, derde lid, van een menswaardig leven kunnen leiden (artikel 1675/3, derde lid, van
het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij artikel 2 van de voormelde wet het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij artikel 2 van de voormelde wet
van 5 juli 1998). De financiële situatie van de persoon met overmatige van 5 juli 1998). De financiële situatie van de persoon met overmatige
schuldenlast wordt in kaart gebracht en de ongecontroleerde druk van schuldenlast wordt in kaart gebracht en de ongecontroleerde druk van
de schuldeisers valt voor die persoon weg dankzij het optreden van een de schuldeisers valt voor die persoon weg dankzij het optreden van een
schuldbemiddelaar, die luidens het nieuwe artikel 1675/6 van hetzelfde schuldbemiddelaar, die luidens het nieuwe artikel 1675/6 van hetzelfde
Wetboek wordt aangewezen door de rechter die voorafgaandelijk Wetboek wordt aangewezen door de rechter die voorafgaandelijk
uitspraak zal hebben gedaan over de toelaatbaarheid van de vordering uitspraak zal hebben gedaan over de toelaatbaarheid van de vordering
tot collectieve schuldenregeling. De beschikking van toelaatbaarheid tot collectieve schuldenregeling. De beschikking van toelaatbaarheid
doet een toestand van samenloop ontstaan tussen de schuldeisers en doet een toestand van samenloop ontstaan tussen de schuldeisers en
heeft de opschorting van de loop van de intresten en de heeft de opschorting van de loop van de intresten en de
onbeschikbaarheid van het vermogen van de verzoeker tot gevolg onbeschikbaarheid van het vermogen van de verzoeker tot gevolg
(artikel 1675/7 van hetzelfde Wetboek). (artikel 1675/7 van hetzelfde Wetboek).
B.2.2. De schuldenaar stelt aan zijn schuldeisers voor een minnelijke B.2.2. De schuldenaar stelt aan zijn schuldeisers voor een minnelijke
collectieve aanzuiveringsregeling te treffen, onder toezicht van de collectieve aanzuiveringsregeling te treffen, onder toezicht van de
rechter; die kan een gerechtelijke aanzuiveringsregeling opleggen rechter; die kan een gerechtelijke aanzuiveringsregeling opleggen
indien geen akkoord wordt bereikt (artikel 1675/3). Die ontstentenis indien geen akkoord wordt bereikt (artikel 1675/3). Die ontstentenis
van akkoord wordt vastgesteld door de bemiddelaar (artikel 1675/11). van akkoord wordt vastgesteld door de bemiddelaar (artikel 1675/11).
De gerechtelijke aanzuiveringsregeling kan een aantal maatregelen De gerechtelijke aanzuiveringsregeling kan een aantal maatregelen
bevatten, zoals het uitstel of de herschikking van betaling van de bevatten, zoals het uitstel of de herschikking van betaling van de
schulden of de gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van de moratoire schulden of de gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van de moratoire
intresten, vergoedingen en kosten (artikel 1675/12) en, indien die intresten, vergoedingen en kosten (artikel 1675/12) en, indien die
maatregelen het niet mogelijk maken de financiële situatie van de maatregelen het niet mogelijk maken de financiële situatie van de
schuldenaar te herstellen, elke andere gedeeltelijke kwijtschelding schuldenaar te herstellen, elke andere gedeeltelijke kwijtschelding
van schulden, zelfs van kapitaal, op voorwaarde dat de in artikel van schulden, zelfs van kapitaal, op voorwaarde dat de in artikel
1675/13 vastgestelde voorwaarden in acht worden genomen. Uit de 1675/13 vastgestelde voorwaarden in acht worden genomen. Uit de
parlementaire voorbereiding van artikel 1675/13, § 1, van het parlementaire voorbereiding van artikel 1675/13, § 1, van het
Gerechtelijk Wetboek blijkt dat die paragraaf is opgevat en aangenomen Gerechtelijk Wetboek blijkt dat die paragraaf is opgevat en aangenomen
met de bedoeling rekening te houden met de realiteit van de overmatige met de bedoeling rekening te houden met de realiteit van de overmatige
schuldenlast : « schuldenaars zijn onvermogend en de economische schuldenlast : « schuldenaars zijn onvermogend en de economische
logica mag niet aanvaarden dat deze personen zich verschansen in de logica mag niet aanvaarden dat deze personen zich verschansen in de
ondergrondse economie en een gewicht voor de maatschappij blijven. Zij ondergrondse economie en een gewicht voor de maatschappij blijven. Zij
moeten opnieuw in het economisch en sociaal stelsel worden opgenomen moeten opnieuw in het economisch en sociaal stelsel worden opgenomen
door hen de mogelijkheid te geven een nieuwe start te nemen » (Parl. door hen de mogelijkheid te geven een nieuwe start te nemen » (Parl.
St. , Kamer, 1996-1997, nrs. 1073/1-1074/1, p. 45). St. , Kamer, 1996-1997, nrs. 1073/1-1074/1, p. 45).
B.2.3. Het door de verwijzende rechter aangevoerde criterium van B.2.3. Het door de verwijzende rechter aangevoerde criterium van
onderscheid is objectief, namelijk de mogelijkheid de schulden af te onderscheid is objectief, namelijk de mogelijkheid de schulden af te
betalen, zij het in bepaalde gevallen slechts symbolisch. betalen, zij het in bepaalde gevallen slechts symbolisch.
B.3.1. De verwijzende rechter is evenwel van mening dat die bepaling B.3.1. De verwijzende rechter is evenwel van mening dat die bepaling
tot gevolg heeft dat ze personen die totaal en definitief onvermogend tot gevolg heeft dat ze personen die totaal en definitief onvermogend
zijn de mogelijkheid om een gerechtelijke aanzuiveringsregeling te zijn de mogelijkheid om een gerechtelijke aanzuiveringsregeling te
verkrijgen, ontzegt. Met definitief wordt ongetwijfeld bedoeld dat de verkrijgen, ontzegt. Met definitief wordt ongetwijfeld bedoeld dat de
rechter uit de omstandigheden van de zaak redelijkerwijze moet rechter uit de omstandigheden van de zaak redelijkerwijze moet
afleiden dat de staat van onvermogen onomkeerbaar lijkt te zijn. afleiden dat de staat van onvermogen onomkeerbaar lijkt te zijn.
B.3.2. In die interpretatie roept artikel 1675/13 van het Gerechtelijk B.3.2. In die interpretatie roept artikel 1675/13 van het Gerechtelijk
Wetboek een verschil in behandeling in het leven tussen schuldenaars Wetboek een verschil in behandeling in het leven tussen schuldenaars
die totaal en definitief onvermogend lijken te zijn, en schuldenaars die totaal en definitief onvermogend lijken te zijn, en schuldenaars
die een minieme, vanuit het standpunt van de schuldeisers symbolische die een minieme, vanuit het standpunt van de schuldeisers symbolische
afbetaling van hun schulden kunnen doen, waarbij enkel laatstgenoemden afbetaling van hun schulden kunnen doen, waarbij enkel laatstgenoemden
een gerechtelijke aanzuiveringsregeling kunnen genieten. een gerechtelijke aanzuiveringsregeling kunnen genieten.
B.4.1. Het Hof dient na te gaan of de in het geding zijnde bepaling B.4.1. Het Hof dient na te gaan of de in het geding zijnde bepaling
geen onevenredige gevolgen meebrengt ten aanzien van de categorie van geen onevenredige gevolgen meebrengt ten aanzien van de categorie van
personen aan wie de mogelijkheid om een gerechtelijke personen aan wie de mogelijkheid om een gerechtelijke
aanzuiveringsregeling te verkrijgen, wordt ontzegd. aanzuiveringsregeling te verkrijgen, wordt ontzegd.
B.4.2. Krachtens artikel 1675/2 van het Gerechtelijk Wetboek is de B.4.2. Krachtens artikel 1675/2 van het Gerechtelijk Wetboek is de
procedure van collectieve schuldenregeling toegankelijk voor elke procedure van collectieve schuldenregeling toegankelijk voor elke
natuurlijke persoon die op duurzame wijze niet in staat is om zijn natuurlijke persoon die op duurzame wijze niet in staat is om zijn
opeisbare of nog te vervallen schulden te betalen en die zijn opeisbare of nog te vervallen schulden te betalen en die zijn
onvermogen niet heeft bewerkstelligd. De doelstelling van de onvermogen niet heeft bewerkstelligd. De doelstelling van de
collectieve schuldenregeling bestaat erin « de financiële toestand van collectieve schuldenregeling bestaat erin « de financiële toestand van
het individu te herboetseren opdat hij en zijn familie een nieuwe het individu te herboetseren opdat hij en zijn familie een nieuwe
start in het leven zouden kunnen nemen » (Parl. St. , Kamer, start in het leven zouden kunnen nemen » (Parl. St. , Kamer,
1996-1997, nrs. 1073/1-1074/1, p. 12). 1996-1997, nrs. 1073/1-1074/1, p. 12).
B.4.3. De omstandigheid dat de schuldenaar totaal en definitief B.4.3. De omstandigheid dat de schuldenaar totaal en definitief
onvermogend lijkt te zijn, zal de rechter ertoe kunnen aanzetten zijn onvermogend lijkt te zijn, zal de rechter ertoe kunnen aanzetten zijn
vordering te verwerpen, indien hij van mening is dat er geen enkele vordering te verwerpen, indien hij van mening is dat er geen enkele
mogelijkheid bestaat om een aanzuiveringsregeling op te stellen. mogelijkheid bestaat om een aanzuiveringsregeling op te stellen.
Diezelfde omstandigheid neemt echter niet weg dat de schuldenaar zich Diezelfde omstandigheid neemt echter niet weg dat de schuldenaar zich
weer in het economisch stelsel zou kunnen integreren, voor zover hij weer in het economisch stelsel zou kunnen integreren, voor zover hij
de gehele kwijtschelding verkrijgt, waarbij de rechter hem de gehele kwijtschelding verkrijgt, waarbij de rechter hem
begeleidende maatregelen kan opleggen die met name kunnen bestaan in begeleidende maatregelen kan opleggen die met name kunnen bestaan in
een budgetbegeleiding, de tenlasteneming van die persoon door een een budgetbegeleiding, de tenlasteneming van die persoon door een
sociale dienst, de verplichting om een medische behandeling te volgen sociale dienst, de verplichting om een medische behandeling te volgen
of een budgetbegeleiding door een openbaar centrum voor of een budgetbegeleiding door een openbaar centrum voor
maatschappelijk welzijn (Parl. St. , Kamer, 1996-1997, nr. 1073/11, p. maatschappelijk welzijn (Parl. St. , Kamer, 1996-1997, nr. 1073/11, p.
72). Het is kennelijk onevenredig a priori elke persoon die totaal en 72). Het is kennelijk onevenredig a priori elke persoon die totaal en
definitief onvermogend lijkt te zijn te verbieden een gerechtelijke definitief onvermogend lijkt te zijn te verbieden een gerechtelijke
aanzuiveringsregeling aan te vragen, terwijl de wet precies ertoe aanzuiveringsregeling aan te vragen, terwijl de wet precies ertoe
strekt te vermijden dat een persoon met schulden in een blijvende strekt te vermijden dat een persoon met schulden in een blijvende
toestand van marginaliteit en uitsluiting terechtkomt. Aangezien die toestand van marginaliteit en uitsluiting terechtkomt. Aangezien die
personen diegenen zijn voor wie het gevaar van marginalisering het personen diegenen zijn voor wie het gevaar van marginalisering het
grootst is, is het niet verantwoord ze uit te sluiten van de grootst is, is het niet verantwoord ze uit te sluiten van de
mogelijkheid om een gerechtelijke aanzuiveringsregeling te verkrijgen mogelijkheid om een gerechtelijke aanzuiveringsregeling te verkrijgen
die op termijn de kwijtschelding van hun kapitaalschulden omvat. die op termijn de kwijtschelding van hun kapitaalschulden omvat.
B.5. In de interpretatie volgens welke artikel 1675/13, § 1, van het B.5. In de interpretatie volgens welke artikel 1675/13, § 1, van het
Gerechtelijk Wetboek de rechter verbiedt een gerechtelijke Gerechtelijk Wetboek de rechter verbiedt een gerechtelijke
aanzuiveringsregeling op te stellen voor de schuldenaar die totaal en aanzuiveringsregeling op te stellen voor de schuldenaar die totaal en
definitief onvermogend lijkt te zijn, schendt die bepaling de definitief onvermogend lijkt te zijn, schendt die bepaling de
artikelen 10 en 11 van de Grondwet. artikelen 10 en 11 van de Grondwet.
B.6.1. Het Hof merkt op dat artikel 1675/13, § 1, niet afwijkt van de B.6.1. Het Hof merkt op dat artikel 1675/13, § 1, niet afwijkt van de
regel uitgedrukt in artikel 1675/2 van het Gerechtelijk Wetboek regel uitgedrukt in artikel 1675/2 van het Gerechtelijk Wetboek
volgens welke elke natuurlijke persoon met overmatige schuldenlast een volgens welke elke natuurlijke persoon met overmatige schuldenlast een
collectieve schuldenregeling kan aanvragen, waarbij enkel de personen collectieve schuldenregeling kan aanvragen, waarbij enkel de personen
worden uitgesloten die hun onvermogen hebben bewerkstelligd. worden uitgesloten die hun onvermogen hebben bewerkstelligd.
B.6.2. Niets in de parlementaire voorbereiding maakt het mogelijk uit B.6.2. Niets in de parlementaire voorbereiding maakt het mogelijk uit
de in het geding zijnde bepaling af te leiden dat zij tot gevolg zou de in het geding zijnde bepaling af te leiden dat zij tot gevolg zou
hebben in elk geval aan de persoon die totaal en definitief hebben in elk geval aan de persoon die totaal en definitief
onvermogend lijkt te zijn te verbieden een collectieve onvermogend lijkt te zijn te verbieden een collectieve
schuldenregeling aan te vragen. « In extreme situaties zal de rechter schuldenregeling aan te vragen. « In extreme situaties zal de rechter
een praktisch volledige kwijtschelding van de schulden moeten een praktisch volledige kwijtschelding van de schulden moeten
beslissen. In dit geval zal de regeling nog slechts een symbolische beslissen. In dit geval zal de regeling nog slechts een symbolische
aard hebben; enkel begeleidende maatregelen zullen hun volledige aard hebben; enkel begeleidende maatregelen zullen hun volledige
betekenis behouden. [...] De quasi-volledige kwijtschelding van de betekenis behouden. [...] De quasi-volledige kwijtschelding van de
schulden zal een ultieme oplossing zijn indien geen enkele andere schulden zal een ultieme oplossing zijn indien geen enkele andere
maatregel mogelijk is, indien enkel deze bepaling de waardigheid van maatregel mogelijk is, indien enkel deze bepaling de waardigheid van
de schuldenaar nog kan vrijwaren » (Parl. St. , Kamer, 1996-1997, nrs. de schuldenaar nog kan vrijwaren » (Parl. St. , Kamer, 1996-1997, nrs.
1073/1-1074/1, p. 44). « In bepaalde gevallen zal een collectieve 1073/1-1074/1, p. 44). « In bepaalde gevallen zal een collectieve
schuldenregeling slechts kunnen worden opgesteld op voorwaarde dat zij schuldenregeling slechts kunnen worden opgesteld op voorwaarde dat zij
samengaat met een volledige of gedeeltelijke kwijtschelding van samengaat met een volledige of gedeeltelijke kwijtschelding van
schulden » (Parl. St. , Kamer, 1996-1997, nr. 1073/11, p. 6). schulden » (Parl. St. , Kamer, 1996-1997, nr. 1073/11, p. 6).
De kwijtschelding van de schulden gebeurt pas op het einde van de De kwijtschelding van de schulden gebeurt pas op het einde van de
aanzuiveringsregeling, waarvan de duurtijd van drie tot vijf jaar kan aanzuiveringsregeling, waarvan de duurtijd van drie tot vijf jaar kan
bedragen, en uitsluitend op voorwaarde, enerzijds, dat alle door de bedragen, en uitsluitend op voorwaarde, enerzijds, dat alle door de
rechter opgelegde maatregelen in acht zijn genomen en, anderzijds, dat rechter opgelegde maatregelen in acht zijn genomen en, anderzijds, dat
de financiële situatie van de schuldenaar niet opnieuw is verbeterd. de financiële situatie van de schuldenaar niet opnieuw is verbeterd.
De rechten van de schuldeisers zijn dus, rekening houdend met de De rechten van de schuldeisers zijn dus, rekening houdend met de
situatie van de schuldenaar bij zijn aanvraag tot collectieve situatie van de schuldenaar bij zijn aanvraag tot collectieve
schuldenregeling, zoveel mogelijk gewaarborgd, door de schuldenregeling, zoveel mogelijk gewaarborgd, door de
inwerkingstelling van de regeling en door de inspanningen die aan de inwerkingstelling van de regeling en door de inspanningen die aan de
schuldenaar worden opgelegd. schuldenaar worden opgelegd.
B.6.3. Het Hof stelt bijgevolg vast dat de in het geding zijnde B.6.3. Het Hof stelt bijgevolg vast dat de in het geding zijnde
bepaling zo kan worden geïnterpreteerd dat zij de rechter niet bepaling zo kan worden geïnterpreteerd dat zij de rechter niet
verbiedt een gerechtelijke aanzuiveringsregeling toe te staan aan een verbiedt een gerechtelijke aanzuiveringsregeling toe te staan aan een
schuldenaar die totaal en definitief onvermogend lijkt te zijn. schuldenaar die totaal en definitief onvermogend lijkt te zijn.
B.7. In die interpretatie roept artikel 1675/13, § 1, niet het in het B.7. In die interpretatie roept artikel 1675/13, § 1, niet het in het
prejudiciële vraag beoogde verschil in behandeling in het leven. prejudiciële vraag beoogde verschil in behandeling in het leven.
Wat de schending van artikel 23 van de Grondwet betreft Wat de schending van artikel 23 van de Grondwet betreft
B.8.1. De prejudiciële vraag voert nog de schending aan van de B.8.1. De prejudiciële vraag voert nog de schending aan van de
artikelen 10 en 11, gelezen in samenhang met artikel 23, van de artikelen 10 en 11, gelezen in samenhang met artikel 23, van de
Grondwet. Grondwet.
B.8.2. Het Hof stelt vast dat het onderzoek naar de mogelijke B.8.2. Het Hof stelt vast dat het onderzoek naar de mogelijke
schending van de artikelen 10 en 11, gelezen in samenhang met artikel schending van de artikelen 10 en 11, gelezen in samenhang met artikel
23, van de Grondwet, te dezen niet tot een ander besluit leidt. 23, van de Grondwet, te dezen niet tot een ander besluit leidt.
Om die redenen, Om die redenen,
het Hof het Hof
zegt voor recht : zegt voor recht :
- Artikel 1675/13, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek, in de - Artikel 1675/13, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek, in de
interpretatie dat het de mogelijkheid om een gerechtelijke interpretatie dat het de mogelijkheid om een gerechtelijke
aanzuiveringsregeling te genieten ontzegt aan de persoon die totaal en aanzuiveringsregeling te genieten ontzegt aan de persoon die totaal en
definitief onvermogend lijkt te zijn, schendt de artikelen 10 en 11, definitief onvermogend lijkt te zijn, schendt de artikelen 10 en 11,
al dan niet gelezen in samenhang met artikel 23, van de Grondwet. al dan niet gelezen in samenhang met artikel 23, van de Grondwet.
- Artikel 1675/13, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek, in de - Artikel 1675/13, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek, in de
interpretatie dat het de mogelijkheid om een gerechtelijke interpretatie dat het de mogelijkheid om een gerechtelijke
aanzuiveringsregeling te genieten niet ontzegt aan de persoon die aanzuiveringsregeling te genieten niet ontzegt aan de persoon die
totaal en definitief onvermogend lijkt te zijn, schendt niet de totaal en definitief onvermogend lijkt te zijn, schendt niet de
artikelen 10 en 11, al dan niet gelezen in samenhang met artikel 23, artikelen 10 en 11, al dan niet gelezen in samenhang met artikel 23,
van de Grondwet. van de Grondwet.
Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig
artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het
Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 30 januari 2003, door Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 30 januari 2003, door
de voormelde zetel, waarin rechter J.-P. Snappe, wettig verhinderd, de voormelde zetel, waarin rechter J.-P. Snappe, wettig verhinderd,
voor de uitspraak is vervangen door rechter P. Martens, overeenkomstig voor de uitspraak is vervangen door rechter P. Martens, overeenkomstig
artikel 110 van dezelfde wet. artikel 110 van dezelfde wet.
De griffier, De griffier,
P.-Y. Dutilleux. P.-Y. Dutilleux.
De voorzitter, De voorzitter,
A. Arts. A. Arts.
^