← Terug naar "Uittreksel uit arrest nr. 170/2002 van 27 november 2002 Rolnummer 2301 In zake
: de prejudiciële vragen betreffende artikel 158 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 18 mei 1999
houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, ges Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters
L. Fra(...)"
Uittreksel uit arrest nr. 170/2002 van 27 november 2002 Rolnummer 2301 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 158 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, ges Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters L. Fra(...) | Uittreksel uit arrest nr. 170/2002 van 27 november 2002 Rolnummer 2301 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 158 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, ges Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters L. Fra(...) |
---|---|
ARBITRAGEHOF | ARBITRAGEHOF |
Uittreksel uit arrest nr. 170/2002 van 27 november 2002 | Uittreksel uit arrest nr. 170/2002 van 27 november 2002 |
Rolnummer 2301 | Rolnummer 2301 |
In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 158 van het | In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 158 van het |
decreet van het Vlaamse Gewest van 18 mei 1999 houdende de organisatie | decreet van het Vlaamse Gewest van 18 mei 1999 houdende de organisatie |
van de ruimtelijke ordening, gesteld door de Correctionele Rechtbank | van de ruimtelijke ordening, gesteld door de Correctionele Rechtbank |
te Gent. | te Gent. |
Het Arbitragehof, | Het Arbitragehof, |
samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters | samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters |
L. François, P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, L. Lavrysen, A. | L. François, P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, L. Lavrysen, A. |
Alen, J.-P. Snappe en E. Derycke, bijgestaan door de griffier P.-Y. | Alen, J.-P. Snappe en E. Derycke, bijgestaan door de griffier P.-Y. |
Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Arts, | Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Arts, |
wijst na beraad het volgende arrest : | wijst na beraad het volgende arrest : |
I. Onderwerp van de prejudiciële vragen | I. Onderwerp van de prejudiciële vragen |
Bij vonnis van 3 december 2001 in zake het openbaar ministerie tegen | Bij vonnis van 3 december 2001 in zake het openbaar ministerie tegen |
J. T'Jollyn en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het | J. T'Jollyn en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het |
Arbitragehof is ingekomen op 12 december 2001, heeft de Correctionele | Arbitragehof is ingekomen op 12 december 2001, heeft de Correctionele |
Rechtbank te Gent de volgende prejudiciële vragen gesteld : | Rechtbank te Gent de volgende prejudiciële vragen gesteld : |
« 1. Schendt artikel 158 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de | « 1. Schendt artikel 158 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de |
organisatie van de ruimtelijke ordening, door het invoeren van een | organisatie van de ruimtelijke ordening, door het invoeren van een |
vergelijk dat de strafvordering doet vervallen zonder tussenkomst van | vergelijk dat de strafvordering doet vervallen zonder tussenkomst van |
het openbaar ministerie, de regels die door of krachtens de Grondwet | het openbaar ministerie, de regels die door of krachtens de Grondwet |
zijn vastgelegd voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van | zijn vastgelegd voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van |
de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten ? | de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten ? |
2. Schendt artikel 158 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de | 2. Schendt artikel 158 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de |
organisatie van de ruimtelijke ordening de artikelen 10 en 11 van de | organisatie van de ruimtelijke ordening de artikelen 10 en 11 van de |
Grondwet door een verval van strafvervolging [...] mits het betalen | Grondwet door een verval van strafvervolging [...] mits het betalen |
van een geldsom enkel voor te behouden aan diegene die een | van een geldsom enkel voor te behouden aan diegene die een |
regularisatie-bouwvergunning verkrijgt, en niet aan personen die een | regularisatie-bouwvergunning verkrijgt, en niet aan personen die een |
bouwmisdrijf pleegden door het uitvoeren van werken die planologisch | bouwmisdrijf pleegden door het uitvoeren van werken die planologisch |
zouden kunnen vergund worden, maar die niet vergund worden op basis | zouden kunnen vergund worden, maar die niet vergund worden op basis |
van de discretionaire appreciatie van de overheid over de | van de discretionaire appreciatie van de overheid over de |
verenigbaarheid van de werken met de goede plaatselijke ordening, en | verenigbaarheid van de werken met de goede plaatselijke ordening, en |
ook niet aan personen die een bouwmisdrijf pleegden dat niet | ook niet aan personen die een bouwmisdrijf pleegden dat niet |
vergunbaar is maar die vrijwillig tot herstel overgaan, en ook niet | vergunbaar is maar die vrijwillig tot herstel overgaan, en ook niet |
aan personen die een hinderlijke inrichting exploiteren zonder | aan personen die een hinderlijke inrichting exploiteren zonder |
vergunning, maar die naderhand een milieuvergunning verkrijgen ? » | vergunning, maar die naderhand een milieuvergunning verkrijgen ? » |
(...) | (...) |
IV. In rechte | IV. In rechte |
(...) | (...) |
B.1.1. De beklaagden voor de verwijzende rechter werpen op dat, gelet | B.1.1. De beklaagden voor de verwijzende rechter werpen op dat, gelet |
op het tot stand komen van een definitief geworden vergelijk, de | op het tot stand komen van een definitief geworden vergelijk, de |
strafvordering is vervallen, zodat de verwijzende rechter door het | strafvordering is vervallen, zodat de verwijzende rechter door het |
stellen van de prejudiciële vragen zijn bevoegdheid te buiten is | stellen van de prejudiciële vragen zijn bevoegdheid te buiten is |
gegaan. Vervolgens menen zij dat door de wijziging van de in het | gegaan. Vervolgens menen zij dat door de wijziging van de in het |
geding zijnde bepaling bij artikel 4 van het decreet van het Vlaamse | geding zijnde bepaling bij artikel 4 van het decreet van het Vlaamse |
Gewest van 8 maart 2002, de vraag zonder voorwerp is. | Gewest van 8 maart 2002, de vraag zonder voorwerp is. |
B.1.2. Het komt in de regel aan de verwijzende rechter toe te bepalen | B.1.2. Het komt in de regel aan de verwijzende rechter toe te bepalen |
welke rechtsregel van toepassing is op een zaak die voor hem aanhangig | welke rechtsregel van toepassing is op een zaak die voor hem aanhangig |
is en te beslissen of aangaande die norm een vraag aan het Hof dient | is en te beslissen of aangaande die norm een vraag aan het Hof dient |
te worden gesteld. De partijen voor het Hof vermogen niet de | te worden gesteld. De partijen voor het Hof vermogen niet de |
toepassing die de rechtscolleges aan artikel 26, § 2, van de | toepassing die de rechtscolleges aan artikel 26, § 2, van de |
bijzondere wet van 6 januari 1989 geven, in het geding te brengen. | bijzondere wet van 6 januari 1989 geven, in het geding te brengen. |
Het Hof onderzoekt de grondwettigheid van de in het geding zijnde | Het Hof onderzoekt de grondwettigheid van de in het geding zijnde |
bepaling in de versie die is aangehaald in het verwijzingsvonnis. Voor | bepaling in de versie die is aangehaald in het verwijzingsvonnis. Voor |
het beantwoorden van de gestelde vragen dient het Hof geen rekening te | het beantwoorden van de gestelde vragen dient het Hof geen rekening te |
houden met de wijzigingen aangebracht door artikel 4 van het decreet | houden met de wijzigingen aangebracht door artikel 4 van het decreet |
van het Vlaamse Gewest van 8 maart 2002. | van het Vlaamse Gewest van 8 maart 2002. |
De excepties worden verworpen. | De excepties worden verworpen. |
B.2.1. De prejudiciële vragen betreffen artikel 158 van het decreet | B.2.1. De prejudiciële vragen betreffen artikel 158 van het decreet |
van het Vlaamse Gewest van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de | van het Vlaamse Gewest van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de |
ruimtelijke ordening, zoals gewijzigd bij artikel 35 van het decreet | ruimtelijke ordening, zoals gewijzigd bij artikel 35 van het decreet |
van het Vlaamse Gewest van 26 april 2000, dat luidt : | van het Vlaamse Gewest van 26 april 2000, dat luidt : |
« § 1. Bestaat het in artikel 146 bedoelde misdrijf niet in het | « § 1. Bestaat het in artikel 146 bedoelde misdrijf niet in het |
uitvoeren van werken of het verrichten of voortzetten van handelingen | uitvoeren van werken of het verrichten of voortzetten van handelingen |
of wijzigingen die een inbreuk plegen op de ruimtelijke | of wijzigingen die een inbreuk plegen op de ruimtelijke |
uitvoeringsplannen of plannen van aanleg of op de uitvoering van de | uitvoeringsplannen of plannen van aanleg of op de uitvoering van de |
krachtens dit decreet vastgestelde verordeningen of op de | krachtens dit decreet vastgestelde verordeningen of op de |
voorschriften van een verkavelingsvergunning, en komen die werken, | voorschriften van een verkavelingsvergunning, en komen die werken, |
handelingen en wijzigingen in aanmerking voor de afgifte van de | handelingen en wijzigingen in aanmerking voor de afgifte van de |
vereiste vergunning, dan kan de stedenbouwkundige inspecteur, met | vereiste vergunning, dan kan de stedenbouwkundige inspecteur, met |
toestemming van de vergunningverlenende overheid, een vergelijk | toestemming van de vergunningverlenende overheid, een vergelijk |
treffen met de overtreder op voorwaarde dat hij een geldsom betaalt, | treffen met de overtreder op voorwaarde dat hij een geldsom betaalt, |
hierna transactiesom te noemen, en een regularisatievergunning | hierna transactiesom te noemen, en een regularisatievergunning |
aanvraagt. | aanvraagt. |
De regularisatievergunning moet worden aangevraagd binnen een termijn | De regularisatievergunning moet worden aangevraagd binnen een termijn |
van zes maanden na het voorstel van vergelijk. | van zes maanden na het voorstel van vergelijk. |
Het vergelijk wordt slechts definitief indien de overtreder de | Het vergelijk wordt slechts definitief indien de overtreder de |
regularisatievergunning, bedoeld in artikel 159, heeft verkregen en de | regularisatievergunning, bedoeld in artikel 159, heeft verkregen en de |
transactiesom heeft betaald. | transactiesom heeft betaald. |
Door het definitief geworden vergelijk vervallen de strafvordering en | Door het definitief geworden vergelijk vervallen de strafvordering en |
het recht van de overheid om herstel te vorderen. | het recht van de overheid om herstel te vorderen. |
§ 2. De Vlaamse regering bepaalt het bedrag van de transactiesom, | § 2. De Vlaamse regering bepaalt het bedrag van de transactiesom, |
alsook de wijze en de modaliteiten van betaling van de transactiesom. | alsook de wijze en de modaliteiten van betaling van de transactiesom. |
De rekenplichtige van het grondfonds geeft van de betaling | De rekenplichtige van het grondfonds geeft van de betaling |
onmiddellijk kennis aan de stedenbouwkundige inspecteur. Deze | onmiddellijk kennis aan de stedenbouwkundige inspecteur. Deze |
ambtenaar stelt vervolgens, op voorwaarde dat de | ambtenaar stelt vervolgens, op voorwaarde dat de |
regularisatievergunning werd aangevraagd en kan worden verleend zoals | regularisatievergunning werd aangevraagd en kan worden verleend zoals |
bepaald in § 1, een certificaat op waarin de betaling van de | bepaald in § 1, een certificaat op waarin de betaling van de |
transactiesom en de aanvraag van de regularisatievergunning bevestigd | transactiesom en de aanvraag van de regularisatievergunning bevestigd |
worden en bezorgt dit certificaat aan de overtreder, de | worden en bezorgt dit certificaat aan de overtreder, de |
vergunningverlenende overheid en de procureur des Konings. | vergunningverlenende overheid en de procureur des Konings. |
De stedenbouwkundige inspecteur licht hen ook onmiddellijk in over de | De stedenbouwkundige inspecteur licht hen ook onmiddellijk in over de |
weigering van het vergelijk of het verstrijken van de in § 1 bedoelde | weigering van het vergelijk of het verstrijken van de in § 1 bedoelde |
termijn. Een afschrift van het certificaat wordt eveneens bezorgd aan | termijn. Een afschrift van het certificaat wordt eveneens bezorgd aan |
de hypotheekbewaarder, bedoeld in artikel 160. » | de hypotheekbewaarder, bedoeld in artikel 160. » |
B.2.2. Opdat, volgens de in het geding zijnde bepaling, een vergelijk | B.2.2. Opdat, volgens de in het geding zijnde bepaling, een vergelijk |
kan worden getroffen, moet worden voldaan aan een aantal voorwaarden. | kan worden getroffen, moet worden voldaan aan een aantal voorwaarden. |
Ten eerste mag het misdrijf geen inbreuk vormen op de ruimtelijke | Ten eerste mag het misdrijf geen inbreuk vormen op de ruimtelijke |
uitvoeringsplannen of op de plannen van aanleg, noch op de | uitvoeringsplannen of op de plannen van aanleg, noch op de |
verordeningen genomen ter uitvoering van het betrokken decreet, noch | verordeningen genomen ter uitvoering van het betrokken decreet, noch |
op een verkavelingsvergunning en moeten de werken, handelingen of | op een verkavelingsvergunning en moeten de werken, handelingen of |
wijzigingen in aanmerking komen voor een vergunning. Ten tweede moet | wijzigingen in aanmerking komen voor een vergunning. Ten tweede moet |
de vergunningverlenende overheid akkoord gaan met het vergelijk. Ten | de vergunningverlenende overheid akkoord gaan met het vergelijk. Ten |
derde moet de overtreder een geldsom betalen. Ten vierde moet hij een | derde moet de overtreder een geldsom betalen. Ten vierde moet hij een |
regularisatievergunning aanvragen binnen zes maanden na het voorstel | regularisatievergunning aanvragen binnen zes maanden na het voorstel |
van vergelijk (artikel 158, § 1, eerste en tweede lid). | van vergelijk (artikel 158, § 1, eerste en tweede lid). |
Het initiatief voor het treffen van het vergelijk berust uitsluitend | Het initiatief voor het treffen van het vergelijk berust uitsluitend |
bij de stedenbouwkundige inspecteur. Het vergelijk bestaat, enerzijds, | bij de stedenbouwkundige inspecteur. Het vergelijk bestaat, enerzijds, |
in het aanvragen van een regularisatievergunning en, anderzijds, in de | in het aanvragen van een regularisatievergunning en, anderzijds, in de |
betaling van een transactiesom binnen de door de stedenbouwkundige | betaling van een transactiesom binnen de door de stedenbouwkundige |
inspecteur gestelde termijn. De Vlaamse Regering bepaalt het bedrag | inspecteur gestelde termijn. De Vlaamse Regering bepaalt het bedrag |
van de transactiesom alsook de wijze en de modaliteiten van haar | van de transactiesom alsook de wijze en de modaliteiten van haar |
betaling (artikel 158, § 2, eerste lid, en artikel 6, § 2, van het | betaling (artikel 158, § 2, eerste lid, en artikel 6, § 2, van het |
besluit van de Vlaamse Regering van 5 mei 2000 betreffende de | besluit van de Vlaamse Regering van 5 mei 2000 betreffende de |
transactiesom inzake ruimtelijke ordening). | transactiesom inzake ruimtelijke ordening). |
Zodra de transactiesom is betaald en de regularisatievergunning is | Zodra de transactiesom is betaald en de regularisatievergunning is |
aangevraagd, stelt de stedenbouwkundige inspecteur een certificaat op, | aangevraagd, stelt de stedenbouwkundige inspecteur een certificaat op, |
dat nodig is om de regularisatievergunning te verkrijgen. Hierin | dat nodig is om de regularisatievergunning te verkrijgen. Hierin |
bevestigt hij de betaling van de transactiesom en de aanvraag van de | bevestigt hij de betaling van de transactiesom en de aanvraag van de |
regularisatievergunning. Hij deelt dat certificaat mede aan de | regularisatievergunning. Hij deelt dat certificaat mede aan de |
overtreder, de vergunningverlenende overheid en de procureur des | overtreder, de vergunningverlenende overheid en de procureur des |
Konings (artikel 158, § 2, tweede lid). | Konings (artikel 158, § 2, tweede lid). |
Wanneer aan de voorwaarden bedoeld in artikel 158, § 1, is voldaan en | Wanneer aan de voorwaarden bedoeld in artikel 158, § 1, is voldaan en |
het certificaat bedoeld in artikel 158, § 2, is opgesteld, kan een | het certificaat bedoeld in artikel 158, § 2, is opgesteld, kan een |
vergunning worden verleend volgens de vergunningsprocedure waarin het | vergunning worden verleend volgens de vergunningsprocedure waarin het |
decreet voorziet. Zonder voorafgaande betaling van de transactiesom | decreet voorziet. Zonder voorafgaande betaling van de transactiesom |
zal die vergunning evenwel niet verleend kunnen worden. | zal die vergunning evenwel niet verleend kunnen worden. |
Het vergelijk wordt slechts definitief indien de overtreder de | Het vergelijk wordt slechts definitief indien de overtreder de |
regularisatievergunning heeft verkregen en de transactiesom heeft | regularisatievergunning heeft verkregen en de transactiesom heeft |
betaald (artikel 158, § 1, derde lid). Door het definitief geworden | betaald (artikel 158, § 1, derde lid). Door het definitief geworden |
vergelijk vervallen de strafvordering en het recht van de overheid om | vergelijk vervallen de strafvordering en het recht van de overheid om |
herstel te vorderen (artikel 158, § 1, vierde lid). Wordt de | herstel te vorderen (artikel 158, § 1, vierde lid). Wordt de |
regularisatie geweigerd, dan wordt de transactiesom onmiddellijk | regularisatie geweigerd, dan wordt de transactiesom onmiddellijk |
terugbetaald (artikel 159, tweede lid). | terugbetaald (artikel 159, tweede lid). |
B.3.1. De eerste prejudiciële vraag strekt ertoe van het Hof te | B.3.1. De eerste prejudiciële vraag strekt ertoe van het Hof te |
vernemen of de in het geding zijnde bepaling de bevoegdheidverdelende | vernemen of de in het geding zijnde bepaling de bevoegdheidverdelende |
regels schendt in zoverre het vergelijk de strafvordering doet | regels schendt in zoverre het vergelijk de strafvordering doet |
vervallen zonder tussenkomst van het openbaar ministerie. | vervallen zonder tussenkomst van het openbaar ministerie. |
In de tweede prejudiciële vraag wordt het Hof verzocht te onderzoeken | In de tweede prejudiciële vraag wordt het Hof verzocht te onderzoeken |
of de artikelen 10 en 11 van de Grondwet worden geschonden doordat de | of de artikelen 10 en 11 van de Grondwet worden geschonden doordat de |
in het geding zijnde bepaling een verval van strafvervolging mits het | in het geding zijnde bepaling een verval van strafvervolging mits het |
betalen van een geldsom enkel voorbehoudt aan diegenen die een | betalen van een geldsom enkel voorbehoudt aan diegenen die een |
regularisatiebouwvergunning verkrijgen en niet aan bepaalde andere | regularisatiebouwvergunning verkrijgen en niet aan bepaalde andere |
personen. | personen. |
B.3.2. Het onderzoek van de overeenstemming van een wetskrachtige norm | B.3.2. Het onderzoek van de overeenstemming van een wetskrachtige norm |
met de bevoegdheidverdelende regels moet het onderzoek van de | met de bevoegdheidverdelende regels moet het onderzoek van de |
bestaanbaarheid ervan met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet | bestaanbaarheid ervan met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet |
voorafgaan. | voorafgaan. |
Wat de schending van de bevoegdheidverdelende regels betreft | Wat de schending van de bevoegdheidverdelende regels betreft |
B.4. Het Hof dient te onderzoeken of de gewesten bevoegd zijn om, in | B.4. Het Hof dient te onderzoeken of de gewesten bevoegd zijn om, in |
geval van een misdrijf inzake ruimtelijke ordening, te bepalen dat de | geval van een misdrijf inzake ruimtelijke ordening, te bepalen dat de |
stedenbouwkundige inspecteur aan de overtreder een vergelijk mag | stedenbouwkundige inspecteur aan de overtreder een vergelijk mag |
voorstellen, dat tot gevolg heeft dat de strafvordering vervalt zonder | voorstellen, dat tot gevolg heeft dat de strafvordering vervalt zonder |
tussenkomst van het openbaar ministerie en waarbij het vergelijk kan | tussenkomst van het openbaar ministerie en waarbij het vergelijk kan |
tot stand komen zolang de rechter geen uitspraak heeft gedaan. | tot stand komen zolang de rechter geen uitspraak heeft gedaan. |
B.5.1. Krachtens artikel 6, § 1, I, 1°, van de bijzondere wet van 8 | B.5.1. Krachtens artikel 6, § 1, I, 1°, van de bijzondere wet van 8 |
augustus 1980 tot hervorming der instellingen zijn de gewesten bevoegd | augustus 1980 tot hervorming der instellingen zijn de gewesten bevoegd |
voor stedenbouw en ruimtelijke ordening. | voor stedenbouw en ruimtelijke ordening. |
Voor zover zij er niet anders over hebben beschikt, hebben de | Voor zover zij er niet anders over hebben beschikt, hebben de |
Grondwetgever en de bijzondere wetgever aan de gemeenschappen en de | Grondwetgever en de bijzondere wetgever aan de gemeenschappen en de |
gewesten de volledige bevoegdheid toegekend tot het uitvaardigen van | gewesten de volledige bevoegdheid toegekend tot het uitvaardigen van |
regels die eigen zijn aan de hun toegewezen aangelegenheden. Behoudens | regels die eigen zijn aan de hun toegewezen aangelegenheden. Behoudens |
andersluidende bepalingen heeft de bijzondere wetgever het gehele | andersluidende bepalingen heeft de bijzondere wetgever het gehele |
beleid inzake de door hem toegewezen aangelegenheden aan de | beleid inzake de door hem toegewezen aangelegenheden aan de |
gemeenschappen en de gewesten overgedragen. | gemeenschappen en de gewesten overgedragen. |
B.5.2. Naar luid van artikel 11 van dezelfde bijzondere wet kunnen de | B.5.2. Naar luid van artikel 11 van dezelfde bijzondere wet kunnen de |
decreten de niet-naleving van hun bepalingen strafbaar stellen en de | decreten de niet-naleving van hun bepalingen strafbaar stellen en de |
straffen wegens die niet-naleving bepalen. De decreetgever is evenwel | straffen wegens die niet-naleving bepalen. De decreetgever is evenwel |
in beginsel niet bevoegd om de vorm van de vervolging te regelen, | in beginsel niet bevoegd om de vorm van de vervolging te regelen, |
hetgeen door artikel 12, tweede lid, van de Grondwet aan de federale | hetgeen door artikel 12, tweede lid, van de Grondwet aan de federale |
wetgever is voorbehouden. | wetgever is voorbehouden. |
De bijzondere wet heeft aan de decreetgever, in de hem toegewezen | De bijzondere wet heeft aan de decreetgever, in de hem toegewezen |
aangelegenheden, een strafrechtelijke bevoegdheid toegekend. Zij staat | aangelegenheden, een strafrechtelijke bevoegdheid toegekend. Zij staat |
hem dienvolgens toe in die aangelegenheden te beslissen dat een | hem dienvolgens toe in die aangelegenheden te beslissen dat een |
gedraging de openbare orde verstoort. | gedraging de openbare orde verstoort. |
B.6.1. De bevoegdheid van de decreetgever om bepaalde handelingen | B.6.1. De bevoegdheid van de decreetgever om bepaalde handelingen |
strafbaar te stellen, impliceert de bevoegdheid om te oordelen over de | strafbaar te stellen, impliceert de bevoegdheid om te oordelen over de |
graad van de ernst van de verstoring van de openbare orde. | graad van de ernst van de verstoring van de openbare orde. |
Zoals de decreetgever vermag te oordelen dat het niet- nakomen van een | Zoals de decreetgever vermag te oordelen dat het niet- nakomen van een |
door hem voorgeschreven bepaling van die aard is dat die inbreuk | door hem voorgeschreven bepaling van die aard is dat die inbreuk |
hetzij een misdaad, hetzij een wanbedrijf, hetzij een overtreding | hetzij een misdaad, hetzij een wanbedrijf, hetzij een overtreding |
uitmaakt, heeft hij eveneens de bevoegdheid om te oordelen dat het | uitmaakt, heeft hij eveneens de bevoegdheid om te oordelen dat het |
niet-nakomen van bepaalde voorschriften van dermate relatieve aard is | niet-nakomen van bepaalde voorschriften van dermate relatieve aard is |
dat, ofschoon het in wezen een misdrijf betreft waarop correctionele | dat, ofschoon het in wezen een misdrijf betreft waarop correctionele |
straffen zijn bepaald, een dergelijke straf niet aangewezen is en een | straffen zijn bepaald, een dergelijke straf niet aangewezen is en een |
vorm van administratieve afhandeling van de strafvordering te | vorm van administratieve afhandeling van de strafvordering te |
verkiezen is, indien voldaan is aan de voorwaarden die hij bepaalt. | verkiezen is, indien voldaan is aan de voorwaarden die hij bepaalt. |
B.6.2. Ofschoon het vergelijk, bedoeld in de in het geding zijnde | B.6.2. Ofschoon het vergelijk, bedoeld in de in het geding zijnde |
bepaling, zich niet voordoet als een strafrechtelijke sanctie, betreft | bepaling, zich niet voordoet als een strafrechtelijke sanctie, betreft |
het een sanctie die tot doel heeft onwettig gedrag te voorkomen en te | het een sanctie die tot doel heeft onwettig gedrag te voorkomen en te |
bestraffen. Het definitief geworden vergelijk houdt in dat geen straf | bestraffen. Het definitief geworden vergelijk houdt in dat geen straf |
meer kan worden toegepast. Wanneer de overtreder niet ingaat op het | meer kan worden toegepast. Wanneer de overtreder niet ingaat op het |
vergelijk of niet voldoet aan de voorwaarden ervan, blijft de | vergelijk of niet voldoet aan de voorwaarden ervan, blijft de |
strafvordering bestaan. | strafvordering bestaan. |
B.6.3. Door aldus te voorzien in de mogelijkheid van een vergelijk, | B.6.3. Door aldus te voorzien in de mogelijkheid van een vergelijk, |
bepaalt de decreetgever, op grond van de machtiging in artikel 11 van | bepaalt de decreetgever, op grond van de machtiging in artikel 11 van |
de bijzondere wet van 8 augustus 1980, een aspect van « de gevallen | de bijzondere wet van 8 augustus 1980, een aspect van « de gevallen |
die de wet bepaalt » in de zin van artikel 12, tweede lid, van de | die de wet bepaalt » in de zin van artikel 12, tweede lid, van de |
Grondwet, waarin strafvervolgingen kunnen worden ingesteld. Zodoende | Grondwet, waarin strafvervolgingen kunnen worden ingesteld. Zodoende |
regelt de decreetgever niet de vorm van de vervolging in de zin van | regelt de decreetgever niet de vorm van de vervolging in de zin van |
die bepaling. | die bepaling. |
B.7. De eerste prejudiciële vraag dient ontkennend te worden | B.7. De eerste prejudiciële vraag dient ontkennend te worden |
beantwoord. | beantwoord. |
Wat de schending van het gelijkheidsbeginsel betreft | Wat de schending van het gelijkheidsbeginsel betreft |
B.8. In de tweede prejudiciële vraag wordt het Hof verzocht te | B.8. In de tweede prejudiciële vraag wordt het Hof verzocht te |
onderzoeken of de in het geding zijnde bepaling de artikelen 10 en 11 | onderzoeken of de in het geding zijnde bepaling de artikelen 10 en 11 |
van de Grondwet schendt door een verval van strafvervolging mits het | van de Grondwet schendt door een verval van strafvervolging mits het |
betalen van een geldsom enkel voor te behouden aan diegene die een | betalen van een geldsom enkel voor te behouden aan diegene die een |
regularisatiebouwvergunning verkrijgt | regularisatiebouwvergunning verkrijgt |
- en niet aan personen die een bouwmisdrijf pleegden door het | - en niet aan personen die een bouwmisdrijf pleegden door het |
uitvoeren van werken die planologisch vergund zouden kunnen worden, | uitvoeren van werken die planologisch vergund zouden kunnen worden, |
maar dat niet worden op basis van de discretionaire appreciatie van de | maar dat niet worden op basis van de discretionaire appreciatie van de |
overheid over de verenigbaarheid van de werken met de goede | overheid over de verenigbaarheid van de werken met de goede |
plaatselijke ordening (eerste vergelijking), | plaatselijke ordening (eerste vergelijking), |
- en ook niet aan personen die een bouwmisdrijf pleegden dat niet « | - en ook niet aan personen die een bouwmisdrijf pleegden dat niet « |
vergunbaar » is maar die vrijwillig tot herstel overgaan (tweede | vergunbaar » is maar die vrijwillig tot herstel overgaan (tweede |
vergelijking), | vergelijking), |
- en evenmin aan personen die een hinderlijke inrichting exploiteren | - en evenmin aan personen die een hinderlijke inrichting exploiteren |
zonder vergunning, maar die naderhand een milieuvergunning verkrijgen | zonder vergunning, maar die naderhand een milieuvergunning verkrijgen |
(derde vergelijking). | (derde vergelijking). |
B.9.1. In zoverre de eerste vergelijking de categorie van overtreders | B.9.1. In zoverre de eerste vergelijking de categorie van overtreders |
betreft die planologisch wel in aanmerking zouden kunnen komen voor | betreft die planologisch wel in aanmerking zouden kunnen komen voor |
een vergunning maar er geen verkrijgen omdat de vergunningverlenende | een vergunning maar er geen verkrijgen omdat de vergunningverlenende |
overheid van oordeel is dat de werken niet verenigbaar zijn met de | overheid van oordeel is dat de werken niet verenigbaar zijn met de |
goede plaatselijke aanleg, bekritiseert ze in werkelijkheid één van de | goede plaatselijke aanleg, bekritiseert ze in werkelijkheid één van de |
toepassingsvoorwaarden van de in het geding zijnde bepaling, namelijk | toepassingsvoorwaarden van de in het geding zijnde bepaling, namelijk |
het feit dat het vergelijk slechts kan worden getroffen met | het feit dat het vergelijk slechts kan worden getroffen met |
toestemming van de vergunningverlenende overheid. Op deze laatste rust | toestemming van de vergunningverlenende overheid. Op deze laatste rust |
evenwel geen enkele verplichting om een vergelijk te sluiten : zij | evenwel geen enkele verplichting om een vergelijk te sluiten : zij |
oordeelt op grond van de vereisten van de goede plaatselijke | oordeelt op grond van de vereisten van de goede plaatselijke |
ruimtelijke ordening. | ruimtelijke ordening. |
Ten opzichte van het doel van de in het geding zijnde bepaling, zijnde | Ten opzichte van het doel van de in het geding zijnde bepaling, zijnde |
het bestraffen van inbreuken die slechts van relatief ernstige aard | het bestraffen van inbreuken die slechts van relatief ernstige aard |
zijn en waarvoor een correctionele straf buiten verhouding zou zijn | zijn en waarvoor een correctionele straf buiten verhouding zou zijn |
(zie de parlementaire voorbereiding van de vroegere regeling in de wet | (zie de parlementaire voorbereiding van de vroegere regeling in de wet |
van 22 december 1970, Parl. St ., Senaat, 1968-1969, nr. 559/1, p. | van 22 december 1970, Parl. St ., Senaat, 1968-1969, nr. 559/1, p. |
52), is het pertinent de beoordeling inzake de overeenstemming met de | 52), is het pertinent de beoordeling inzake de overeenstemming met de |
goede plaatselijke ruimtelijke ordening voor te behouden aan de | goede plaatselijke ruimtelijke ordening voor te behouden aan de |
vergunningverlenende overheid. Het is daarbij niet onredelijk dat, | vergunningverlenende overheid. Het is daarbij niet onredelijk dat, |
indien die overheid haar toestemming niet geeft, het vergelijk wordt | indien die overheid haar toestemming niet geeft, het vergelijk wordt |
geweigerd en andere herstelmaatregelen zullen worden gevorderd. | geweigerd en andere herstelmaatregelen zullen worden gevorderd. |
B.9.2. Het verschil in behandeling tussen de in de tweede vergelijking | B.9.2. Het verschil in behandeling tussen de in de tweede vergelijking |
gemaakte categorieën van personen, berust op een objectief criterium, | gemaakte categorieën van personen, berust op een objectief criterium, |
namelijk het al dan niet regulariseerbaar karakter van het misdrijf. | namelijk het al dan niet regulariseerbaar karakter van het misdrijf. |
Ten opzichte van de in B.9.1 vermelde doelstelling is het pertinent | Ten opzichte van de in B.9.1 vermelde doelstelling is het pertinent |
enkel die werken, handelingen en wijzigingen in overweging te nemen | enkel die werken, handelingen en wijzigingen in overweging te nemen |
die voor een vergunning in aanmerking komen omdat zij niet strijdig | die voor een vergunning in aanmerking komen omdat zij niet strijdig |
zijn met de voorschriften van ruimtelijke uitvoeringsplannen of | zijn met de voorschriften van ruimtelijke uitvoeringsplannen of |
plannen van aanleg, verkavelingsvergunningen of andere vergunningen. | plannen van aanleg, verkavelingsvergunningen of andere vergunningen. |
De in het geding zijnde bepaling kan evenmin als onevenredig worden | De in het geding zijnde bepaling kan evenmin als onevenredig worden |
beschouwd. De decreetgever vermocht immers van oordeel te zijn dat wie | beschouwd. De decreetgever vermocht immers van oordeel te zijn dat wie |
« onvergunbare » en voor het algemeen belang schadelijke werken heeft | « onvergunbare » en voor het algemeen belang schadelijke werken heeft |
uitgevoerd gestraft moet worden, ook al heeft hij de schadelijke | uitgevoerd gestraft moet worden, ook al heeft hij de schadelijke |
gevolgen ervan vrijwillig doen ophouden. | gevolgen ervan vrijwillig doen ophouden. |
B.9.3. Op de derde plaats nodigt de tweede prejudiciële vraag het Hof | B.9.3. Op de derde plaats nodigt de tweede prejudiciële vraag het Hof |
uit categorieën van personen te vergelijken die niet voldoende | uit categorieën van personen te vergelijken die niet voldoende |
vergelijkbaar zijn ten aanzien van de artikelen 10 en 11 van de | vergelijkbaar zijn ten aanzien van de artikelen 10 en 11 van de |
Grondwet, namelijk, enerzijds, diegenen die een in artikel 146 van het | Grondwet, namelijk, enerzijds, diegenen die een in artikel 146 van het |
decreet van 18 mei 1999 bedoeld misdrijf pleegden en, anderzijds, | decreet van 18 mei 1999 bedoeld misdrijf pleegden en, anderzijds, |
diegenen die, in strijd met het milieuvergunningsdecreet van 28 juni | diegenen die, in strijd met het milieuvergunningsdecreet van 28 juni |
1985, een hinderlijke inrichting exploiteren maar naderhand een | 1985, een hinderlijke inrichting exploiteren maar naderhand een |
milieuvergunning krijgen. | milieuvergunning krijgen. |
B.10. De tweede prejudiciële vraag dient, in al haar onderdelen, | B.10. De tweede prejudiciële vraag dient, in al haar onderdelen, |
ontkennend te worden beantwoord. | ontkennend te worden beantwoord. |
Om die redenen, | Om die redenen, |
het Hof | het Hof |
zegt voor recht : | zegt voor recht : |
Artikel 158 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 18 mei 1999 | Artikel 158 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 18 mei 1999 |
houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, zoals gewijzigd | houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, zoals gewijzigd |
bij artikel 35 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 26 april | bij artikel 35 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 26 april |
2000, schendt niet de regels die de onderscheiden bevoegdheden van de | 2000, schendt niet de regels die de onderscheiden bevoegdheden van de |
Staat, de gemeenschappen en de gewesten bepalen, noch de artikelen 10 | Staat, de gemeenschappen en de gewesten bepalen, noch de artikelen 10 |
en 11 van de Grondwet. | en 11 van de Grondwet. |
Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig | Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig |
artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het | artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het |
Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 27 november 2002. | Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 27 november 2002. |
De griffier, | De griffier, |
P.-Y. Dutilleux | P.-Y. Dutilleux |
De voorzitter, | De voorzitter, |
A. Arts | A. Arts |