Etaamb.openjustice.be
Meertalige weergave van Arrest van --
← Terug naar "Uittreksel uit arrest nr. 55/2001 van 8 mei 2001 Rolnummer 1873 In zake : de prejudiciële vraag over de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, gesteld door de Raad van Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters H. Boel en M. Melchior, de rechters L. Françoi(...)"
Uittreksel uit arrest nr. 55/2001 van 8 mei 2001 Rolnummer 1873 In zake : de prejudiciële vraag over de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, gesteld door de Raad van Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters H. Boel en M. Melchior, de rechters L. Françoi(...) Uittreksel uit arrest nr. 55/2001 van 8 mei 2001 Rolnummer 1873 In zake : de prejudiciële vraag over de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, gesteld door de Raad van Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters H. Boel en M. Melchior, de rechters L. Françoi(...)
ARBITRAGEHOF ARBITRAGEHOF
Uittreksel uit arrest nr. 55/2001 van 8 mei 2001 Uittreksel uit arrest nr. 55/2001 van 8 mei 2001
Rolnummer 1873 Rolnummer 1873
In zake : de prejudiciële vraag over de artikelen 2 en 3 van de wet In zake : de prejudiciële vraag over de artikelen 2 en 3 van de wet
van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de
bestuurshandelingen, gesteld door de Raad van State. bestuurshandelingen, gesteld door de Raad van State.
Het Arbitragehof, Het Arbitragehof,
samengesteld uit de voorzitters H. Boel en M. Melchior, de rechters L. samengesteld uit de voorzitters H. Boel en M. Melchior, de rechters L.
François, P. Martens, A. Arts, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot en François, P. Martens, A. Arts, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot en
L. Lavrysen, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet L. Lavrysen, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet
van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, emeritus voorzitter G. De van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, emeritus voorzitter G. De
Baets, ererechter J. Delruelle en emeritus rechter E. Cerexhe, Baets, ererechter J. Delruelle en emeritus rechter E. Cerexhe,
bijgestaan door de griffier L. Potoms, onder voorzitterschap van bijgestaan door de griffier L. Potoms, onder voorzitterschap van
emeritus voorzitter G. De Baets, emeritus voorzitter G. De Baets,
wijst na beraad het volgende arrest : wijst na beraad het volgende arrest :
I. Onderwerp van de prejudiciële vraag I. Onderwerp van de prejudiciële vraag
Bij arrest nr. 84.267 van 21 december 1999 in zake de n.v. Bij arrest nr. 84.267 van 21 december 1999 in zake de n.v.
Aannemingsmaatschappij C.F.E. en de n.v. Betonac-Beton tegen de Aannemingsmaatschappij C.F.E. en de n.v. Betonac-Beton tegen de
Vlaamse Milieumaatschappij en het Vlaamse Gewest, waarvan de expeditie Vlaamse Milieumaatschappij en het Vlaamse Gewest, waarvan de expeditie
ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 26 januari 2000, ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 26 januari 2000,
heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vraag gesteld : heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vraag gesteld :
« Heeft de nationale wetgever door het uitvaardigen van de wet van 29 « Heeft de nationale wetgever door het uitvaardigen van de wet van 29
juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de
bestuurshandelingen en meer bepaald van de artikelen 2 en 3 van deze bestuurshandelingen en meer bepaald van de artikelen 2 en 3 van deze
wet, de regels geschonden die door of krachtens de Grondwet zijn wet, de regels geschonden die door of krachtens de Grondwet zijn
vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de
Staat, Gemeenschappen en de Gewesten, in zoverre dit artikel 2 en 3 Staat, Gemeenschappen en de Gewesten, in zoverre dit artikel 2 en 3
van toepassing is op de bestuurshandelingen van de Gewesten en van toepassing is op de bestuurshandelingen van de Gewesten en
Gemeenschappen ?" Gemeenschappen ?"
(...) (...)
IV. In rechte IV. In rechte
(...) (...)
B.1.1. De relevante bepalingen van de wet van 29 juli 1991 betreffende B.1.1. De relevante bepalingen van de wet van 29 juli 1991 betreffende
de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen luiden : de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen luiden :
«

Art. 1.Voor de toepassing van deze wet moeten worden verstaan onder

«

Art. 1.Voor de toepassing van deze wet moeten worden verstaan onder

: :
- Bestuurshandelingen : de eenzijdige rechtshandeling met individuele - Bestuurshandelingen : de eenzijdige rechtshandeling met individuele
strekking die uitgaat van een bestuur en die betoogt rechtsgevolgen te strekking die uitgaat van een bestuur en die betoogt rechtsgevolgen te
hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur; hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur;
- Bestuur : de administratieve overheden als bedoeld in artikel 14 van - Bestuur : de administratieve overheden als bedoeld in artikel 14 van
de gecoördineerde wetten op de Raad van State; de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
- Bestuurde : elke natuurlijke of rechtspersoon in zijn betrekkingen - Bestuurde : elke natuurlijke of rechtspersoon in zijn betrekkingen
met het bestuur. met het bestuur.

Art. 2.De bestuurshandelingen van de besturen bedoeld in artikel 1

Art. 2.De bestuurshandelingen van de besturen bedoeld in artikel 1

moeten uitdrukkelijk worden gemotiveerd. moeten uitdrukkelijk worden gemotiveerd.

Art. 3.De opgelegde motivering moet in de akte de juridische en

Art. 3.De opgelegde motivering moet in de akte de juridische en

feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag
liggen. liggen.
Zij moet afdoende zijn. » Zij moet afdoende zijn. »
B.1.2. De Raad van State wenst van het Hof te vernemen of de nationale B.1.2. De Raad van State wenst van het Hof te vernemen of de nationale
wetgever door het uitvaardigen van de artikelen 2 en 3 van de wet van wetgever door het uitvaardigen van de artikelen 2 en 3 van de wet van
29 juli 1991 al dan niet de regels heeft geschonden die door of 29 juli 1991 al dan niet de regels heeft geschonden die door of
krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de
onderscheiden bevoegdheden van de Staat, de gemeenschappen en de onderscheiden bevoegdheden van de Staat, de gemeenschappen en de
gewesten, doordat de artikelen 2 en 3, ingevolge artikel 1 van gewesten, doordat de artikelen 2 en 3, ingevolge artikel 1 van
vermelde wet, van toepassing zijn op de bestuurshandelingen van de vermelde wet, van toepassing zijn op de bestuurshandelingen van de
gemeenschappen en de gewesten. gemeenschappen en de gewesten.
B.2. De in die bepalingen neergelegde uitdrukkelijke motiveringsplicht B.2. De in die bepalingen neergelegde uitdrukkelijke motiveringsplicht
heeft tot doel de bestuurde, zelfs wanneer een beslissing niet is heeft tot doel de bestuurde, zelfs wanneer een beslissing niet is
aangevochten, in kennis te stellen van de redenen waarom de aangevochten, in kennis te stellen van de redenen waarom de
administratieve overheid ze heeft genomen, zodat kan worden beoordeeld administratieve overheid ze heeft genomen, zodat kan worden beoordeeld
of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij
beschikt. beschikt.
B.3. De verplichting de bestuurshandelingen met individuele B.3. De verplichting de bestuurshandelingen met individuele
draagwijdte uitdrukkelijk te motiveren bestond voorheen reeds in draagwijdte uitdrukkelijk te motiveren bestond voorheen reeds in
bepaalde aangelegenheden, hetzij omdat erin voorzien werd door een bepaalde aangelegenheden, hetzij omdat erin voorzien werd door een
uitdrukkelijke tekst, hetzij omdat ze voortvloeide uit de aard zelf uitdrukkelijke tekst, hetzij omdat ze voortvloeide uit de aard zelf
van de handeling. van de handeling.
De wet van 29 juli 1991 heeft die verplichting veralgemeend en De wet van 29 juli 1991 heeft die verplichting veralgemeend en
beschouwt ze voortaan als een recht van de bestuurde, aan wie aldus beschouwt ze voortaan als een recht van de bestuurde, aan wie aldus
een bijkomende waarborg wordt geboden tegen bestuurshandelingen met een bijkomende waarborg wordt geboden tegen bestuurshandelingen met
individuele strekking die willekeurig zouden zijn. individuele strekking die willekeurig zouden zijn.
B.4. Door de uitdrukkelijke motivering op te leggen, beoogt de wet B.4. Door de uitdrukkelijke motivering op te leggen, beoogt de wet
niet de organisatie en de werkwijze van het bestuur, maar de niet de organisatie en de werkwijze van het bestuur, maar de
bescherming van de bestuurde. Zij is van die aard dat zij de bescherming van de bestuurde. Zij is van die aard dat zij de
jurisdictionele toetsing van de bestuurshandelingen, die is verankerd jurisdictionele toetsing van de bestuurshandelingen, die is verankerd
in artikel 159 van de Grondwet en georganiseerd in artikel 14 van de in artikel 159 van de Grondwet en georganiseerd in artikel 14 van de
gecoördineerde wetten op de Raad van State, versterkt. Zij maakt geen gecoördineerde wetten op de Raad van State, versterkt. Zij maakt geen
deel uit van een aangelegenheid die is toegewezen aan de deel uit van een aangelegenheid die is toegewezen aan de
gemeenschappen en de gewesten. gemeenschappen en de gewesten.
B.5. De nationale wetgever - thans de federale wetgever - kon, B.5. De nationale wetgever - thans de federale wetgever - kon,
krachtens zijn residuaire bevoegdheid, een dergelijke regel ter krachtens zijn residuaire bevoegdheid, een dergelijke regel ter
bescherming van de bestuurde ten aanzien van de bestuurshandelingen bescherming van de bestuurde ten aanzien van de bestuurshandelingen
van alle besturen vaststellen. In zoverre de gemeenschappen en de van alle besturen vaststellen. In zoverre de gemeenschappen en de
gewesten en de van hen afhangende besturen onder de werkingssfeer van gewesten en de van hen afhangende besturen onder de werkingssfeer van
de wet vallen, kon de nationale wetgever evenwel een dergelijke de wet vallen, kon de nationale wetgever evenwel een dergelijke
regeling slechts treffen voor zover hij daarbij de uitoefening van de regeling slechts treffen voor zover hij daarbij de uitoefening van de
bevoegdheden van de gemeenschappen en de gewesten, inzonderheid inzake bevoegdheden van de gemeenschappen en de gewesten, inzonderheid inzake
de organisatie en de werking van de besturen, niet onmogelijk of de organisatie en de werking van de besturen, niet onmogelijk of
buitengewoon moeilijk maakte. Dit is te dezen niet het geval, vermits buitengewoon moeilijk maakte. Dit is te dezen niet het geval, vermits
de opgelegde verplichtingen zich beperken tot wat noodzakelijk kan de opgelegde verplichtingen zich beperken tot wat noodzakelijk kan
worden geacht met het oog op het bieden van een minimum aan worden geacht met het oog op het bieden van een minimum aan
bescherming aan elke bestuurde. De gemeenschappen en de gewesten bescherming aan elke bestuurde. De gemeenschappen en de gewesten
blijven vrij de door de in het geding zijnde federale wet geboden blijven vrij de door de in het geding zijnde federale wet geboden
bescherming aan te vullen of nader te preciseren. bescherming aan te vullen of nader te preciseren.
B.6. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. B.6. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.
Om die redenen, Om die redenen,
het Hof het Hof
zegt voor recht : zegt voor recht :
De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de
uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen schenden niet de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen schenden niet de
regels die de onderscheiden bevoegdheid van de Staat, de regels die de onderscheiden bevoegdheid van de Staat, de
gemeenschappen en de gewesten bepalen, doordat ze van toepassing zijn gemeenschappen en de gewesten bepalen, doordat ze van toepassing zijn
op de bestuurshandelingen van de gemeenschappen en de gewesten alsook op de bestuurshandelingen van de gemeenschappen en de gewesten alsook
van de van hen afhangende besturen. van de van hen afhangende besturen.
Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig
artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het
Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 8 mei 2001. Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 8 mei 2001.
De griffier, De griffier,
L. Potoms L. Potoms
De voorzitter, De voorzitter,
G. De Baets G. De Baets
^