Etaamb.openjustice.be
Meertalige weergave van Arrest Van Het Grondwettelijk Hof van --
← Terug naar "Arrest nr. 6/98 van 21 januari 1998 Rolnummer 1163 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 25, § 2, van de wet van 13 juli 1976 betreffende de getalsterkte aan officieren en de statuten van het personeel van de krijgsmacht en artike Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en L. De Grève en de rechters L. F(...)"
Arrest nr. 6/98 van 21 januari 1998 Rolnummer 1163 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 25, § 2, van de wet van 13 juli 1976 betreffende de getalsterkte aan officieren en de statuten van het personeel van de krijgsmacht en artike Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en L. De Grève en de rechters L. F(...) Arrest nr. 6/98 van 21 januari 1998 Rolnummer 1163 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 25, § 2, van de wet van 13 juli 1976 betreffende de getalsterkte aan officieren en de statuten van het personeel van de krijgsmacht en artike Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en L. De Grève en de rechters L. F(...)
ARBITRAGEHOF ARBITRAGEHOF
Arrest nr. 6/98 van 21 januari 1998 Arrest nr. 6/98 van 21 januari 1998
Rolnummer 1163 Rolnummer 1163
In zake : de prejudiciële vraag over artikel 25, § 2, van de wet van In zake : de prejudiciële vraag over artikel 25, § 2, van de wet van
13 juli 1976 betreffende de getalsterkte aan officieren en de statuten 13 juli 1976 betreffende de getalsterkte aan officieren en de statuten
van het personeel van de krijgsmacht en artikel 61 van de wet van 21 van het personeel van de krijgsmacht en artikel 61 van de wet van 21
december 1990 houdende statuut van de kandidaat-militairen van het december 1990 houdende statuut van de kandidaat-militairen van het
actief kader, gesteld door de Raad van State. actief kader, gesteld door de Raad van State.
Het Arbitragehof, Het Arbitragehof,
samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en L. De Grève en de samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en L. De Grève en de
rechters L. François, P. Martens, J. Delruelle, H. Coremans en M. rechters L. François, P. Martens, J. Delruelle, H. Coremans en M.
Bossuyt, bijgestaan door referendaris R. Moerenhout, waarnemend Bossuyt, bijgestaan door referendaris R. Moerenhout, waarnemend
griffier, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, griffier, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior,
wijst na beraad het volgende arrest : wijst na beraad het volgende arrest :
I. Onderwerp van de prejudiciële vraag I. Onderwerp van de prejudiciële vraag
Bij arrest nr. 68.270 van 24 september 1997 in zake Y. Devillers tegen Bij arrest nr. 68.270 van 24 september 1997 in zake Y. Devillers tegen
de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van
Landsverdediging, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is Landsverdediging, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is
ingekomen op 15 oktober 1997, heeft de Raad van State de volgende ingekomen op 15 oktober 1997, heeft de Raad van State de volgende
prejudiciële vraag gesteld : prejudiciële vraag gesteld :
« Schenden artikel 25, § 2, van de wet van 13 juli 1976 betreffende de « Schenden artikel 25, § 2, van de wet van 13 juli 1976 betreffende de
getalsterkte aan officieren en de statuten van het personeel van de getalsterkte aan officieren en de statuten van het personeel van de
krijgsmacht en artikel 61 van de wet van 21 december 1990 houdende krijgsmacht en artikel 61 van de wet van 21 december 1990 houdende
statuut van de kandidaat-militairen van het actief kader de artikelen statuut van de kandidaat-militairen van het actief kader de artikelen
10 en 11 van de Grondwet, doordat zij tot gevolg hebben dat de 10 en 11 van de Grondwet, doordat zij tot gevolg hebben dat de
officieren en de onderofficieren van het tijdelijk kader die zijn officieren en de onderofficieren van het tijdelijk kader die zijn
opgenomen in het beroepskader niet in de onmiddellijk hogere graad opgenomen in het beroepskader niet in de onmiddellijk hogere graad
kunnen worden benoemd dan één jaar na de beroepsmilitairen met kunnen worden benoemd dan één jaar na de beroepsmilitairen met
dezelfde graad en dezelfde anciënniteit in die graad ? » dezelfde graad en dezelfde anciënniteit in die graad ? »
II. De rechtspleging voor het Hof II. De rechtspleging voor het Hof
Bij beschikking van 15 oktober 1997 heeft de voorzitter in functie de Bij beschikking van 15 oktober 1997 heeft de voorzitter in functie de
rechters van de zetel aangewezen overeenkomstig de artikelen 58 en 59 rechters van de zetel aangewezen overeenkomstig de artikelen 58 en 59
van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof. van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof.
Op 12 november 1997 hebben de rechters-verslaggevers L. François en H. Op 12 november 1997 hebben de rechters-verslaggevers L. François en H.
Coremans, met toepassing van artikel 72, eerste lid, van de organieke Coremans, met toepassing van artikel 72, eerste lid, van de organieke
wet, het Hof ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen wet, het Hof ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen
worden gebracht voor te stellen de zaak af te doen met een arrest van worden gebracht voor te stellen de zaak af te doen met een arrest van
onmiddellijk antwoord. onmiddellijk antwoord.
Overeenkomstig artikel 72, tweede lid, van de organieke wet is van de Overeenkomstig artikel 72, tweede lid, van de organieke wet is van de
conclusies van de rechters-verslaggevers aan de partijen in het conclusies van de rechters-verslaggevers aan de partijen in het
bodemgeschil kennisgegeven bij op 13 november 1997 ter post bodemgeschil kennisgegeven bij op 13 november 1997 ter post
aangetekende brieven. aangetekende brieven.
Y. Devillers, chemin des Haies 4, 4900 Spa, heeft een memorie met Y. Devillers, chemin des Haies 4, 4900 Spa, heeft een memorie met
verantwoording ingediend bij op 24 november 1997 ter post aangetekende verantwoording ingediend bij op 24 november 1997 ter post aangetekende
brief. brief.
De rechtspleging is gevoerd overeenkomstig de artikelen 62 en volgende De rechtspleging is gevoerd overeenkomstig de artikelen 62 en volgende
van de organieke wet, die betrekking hebben op het gebruik van de van de organieke wet, die betrekking hebben op het gebruik van de
talen voor het Hof. talen voor het Hof.
III. In rechte III. In rechte
- A - - A -
Memorie met verantwoording van de verzoeker voor de Raad van State Memorie met verantwoording van de verzoeker voor de Raad van State
A.1. De rechters-verslaggevers verwijzen naar het arrest nr. 3/96 van A.1. De rechters-verslaggevers verwijzen naar het arrest nr. 3/96 van
9 januari 1996, dat werd gewezen op prejudiciële vragen gesteld door 9 januari 1996, dat werd gewezen op prejudiciële vragen gesteld door
de Raad van State en geformuleerd in dezelfde bewoordingen als de de Raad van State en geformuleerd in dezelfde bewoordingen als de
vraag in deze zaak. Hun analyse, volgens welke een arrest van vraag in deze zaak. Hun analyse, volgens welke een arrest van
onmiddellijk antwoord zou kunnen worden gewezen - terwijl de Raad van onmiddellijk antwoord zou kunnen worden gewezen - terwijl de Raad van
State, nochtans vrijgesteld van de verplichting om een identieke State, nochtans vrijgesteld van de verplichting om een identieke
prejudiciële vraag te stellen, heel terecht heeft geoordeeld de vraag prejudiciële vraag te stellen, heel terecht heeft geoordeeld de vraag
in dezelfde bewoordingen te moeten stellen -, kan niet worden gedeeld. in dezelfde bewoordingen te moeten stellen -, kan niet worden gedeeld.
A.2. Enerzijds, omdat de concrete elementen van dit dossier en de A.2. Enerzijds, omdat de concrete elementen van dit dossier en de
elementen van de pleidooien niet identiek zijn met die welke werden elementen van de pleidooien niet identiek zijn met die welke werden
uiteengezet door de in het geding zijnde partijen in het arrest nr. uiteengezet door de in het geding zijnde partijen in het arrest nr.
3/96; de vergelijkingselementen die in de twee zaken in aanmerking 3/96; de vergelijkingselementen die in de twee zaken in aanmerking
werden genomen en aan de oorsprong liggen van de twee werden genomen en aan de oorsprong liggen van de twee
verwijzingsarresten, lopen fundamenteel uiteen. verwijzingsarresten, lopen fundamenteel uiteen.
Het debat beslecht in B.4, tweede alinea, van het arrest nr. 3/96 Het debat beslecht in B.4, tweede alinea, van het arrest nr. 3/96
(naar luid waarvan uit de bewoordingen van de door de Raad van State (naar luid waarvan uit de bewoordingen van de door de Raad van State
gestelde prejudiciële vragen alsook de motieven ervan blijkt dat gestelde prejudiciële vragen alsook de motieven ervan blijkt dat
artikel 61 van de wet van 21 december 1990 door de verwijzende rechter artikel 61 van de wet van 21 december 1990 door de verwijzende rechter
zo wordt geïnterpreteerd dat het de verwijzing naar artikel 25, § 2, zo wordt geïnterpreteerd dat het de verwijzing naar artikel 25, § 2,
van de wet van 13 juli 1976 insluit en naar luid waarvan noch de van de wet van 13 juli 1976 insluit en naar luid waarvan noch de
bewoordingen van het voormelde artikel 61, noch de parlementaire bewoordingen van het voormelde artikel 61, noch de parlementaire
voorbereiding van die bepaling het mogelijk maken de verwijzing naar voorbereiding van die bepaling het mogelijk maken de verwijzing naar
de wet van 13 juli 1976 in artikel 61 van de wet van 21 december 1990 de wet van 13 juli 1976 in artikel 61 van de wet van 21 december 1990
zo te interpreteren dat zij dit artikel 25, § 2, niet insluit) is zo te interpreteren dat zij dit artikel 25, § 2, niet insluit) is
immers niet afgerond, vermits de Raad van State van mening is dat immers niet afgerond, vermits de Raad van State van mening is dat
artikel 25, § 2, inderdaad is afgeschaft voor sommige officieren uit artikel 25, § 2, inderdaad is afgeschaft voor sommige officieren uit
het tijdelijk kader; in een verslag over een ander beroep tot het tijdelijk kader; in een verslag over een ander beroep tot
vernietiging - dat nadien door de Raad van State onontvankelijk is vernietiging - dat nadien door de Raad van State onontvankelijk is
geoordeeld - was de auditeur van mening dat geen enkele geoordeeld - was de auditeur van mening dat geen enkele
overgangsbepaling voorziet in het behoud van de toepassing van die overgangsbepaling voorziet in het behoud van de toepassing van die
bepaling. bepaling.
A.3. Anderzijds, omdat het arrest nr. 3/96 voorafgaat aan de A.3. Anderzijds, omdat het arrest nr. 3/96 voorafgaat aan de
rechtspraak van het arrest nr. 23/96, dat toestaat de schending van de rechtspraak van het arrest nr. 23/96, dat toestaat de schending van de
artikelen 10 en 11, in samenhang met artikel 182 van de Grondwet, af artikelen 10 en 11, in samenhang met artikel 182 van de Grondwet, af
te keuren. Nu heeft de wetgever beslist artikel 25 van de wet van 13 te keuren. Nu heeft de wetgever beslist artikel 25 van de wet van 13
juli 1976 (artikel 59, 5°, van de wet van 21 december 1990) op te juli 1976 (artikel 59, 5°, van de wet van 21 december 1990) op te
heffen voor sommige officieren uit het tijdelijk kader; hij heeft aan heffen voor sommige officieren uit het tijdelijk kader; hij heeft aan
de Koning de zorg overgelaten om te bepalen welke beroepsofficieren, de Koning de zorg overgelaten om te bepalen welke beroepsofficieren,
afkomstig uit dat kader, nog zouden worden onderworpen aan de afkomstig uit dat kader, nog zouden worden onderworpen aan de
vertraging van de bevordering bij de anciënniteitspromoties die hebben vertraging van de bevordering bij de anciënniteitspromoties die hebben
plaatsgehad in 1993 en 1994 (artikel 61, vierde lid, van de wet van 21 plaatsgehad in 1993 en 1994 (artikel 61, vierde lid, van de wet van 21
december 1990). Tussen die officieren wordt dus een verschil in december 1990). Tussen die officieren wordt dus een verschil in
behandeling ingesteld, dat voortvloeit uit het koninklijk besluit van behandeling ingesteld, dat voortvloeit uit het koninklijk besluit van
18 februari 1991 tot inwerkingstelling van sommige bepalingen van de 18 februari 1991 tot inwerkingstelling van sommige bepalingen van de
wet van 21 december 1990. De wetgever heeft aldus aan sommige wet van 21 december 1990. De wetgever heeft aldus aan sommige
officieren de grondwettelijke waarborg ontzegd die is bedoeld in officieren de grondwettelijke waarborg ontzegd die is bedoeld in
artikel 182 van de Grondwet, in samenhang met de artikelen 10 en 11 artikel 182 van de Grondwet, in samenhang met de artikelen 10 en 11
van de Grondwet. Het middel, waarvan de analyse bovendien de openbare van de Grondwet. Het middel, waarvan de analyse bovendien de openbare
orde raakt, is gegrond. orde raakt, is gegrond.
A.4. Een verschil in behandeling wordt ook gemaakt tussen tijdelijke A.4. Een verschil in behandeling wordt ook gemaakt tussen tijdelijke
officieren die naar het beroepskader zijn overgegaan naargelang die officieren die naar het beroepskader zijn overgegaan naargelang die
overgang vóór of na de afschaffing van het tijdelijk kader is gebeurd. overgang vóór of na de afschaffing van het tijdelijk kader is gebeurd.
- B - - B -
B.1.1. De prejudiciële vraag is identiek met de vragen waarop het Hof B.1.1. De prejudiciële vraag is identiek met de vragen waarop het Hof
heeft geantwoord in het arrest nr. 3/96 van 9 januari 1996. heeft geantwoord in het arrest nr. 3/96 van 9 januari 1996.
B.1.2. Vermits de door het Hof uitgeoefende toetsing tot de objectieve B.1.2. Vermits de door het Hof uitgeoefende toetsing tot de objectieve
geschillenbeslechting behoort, is het loutere feit dat de concrete geschillenbeslechting behoort, is het loutere feit dat de concrete
elementen van de zaak die aanleiding geeft tot de prejudiciële vraag elementen van de zaak die aanleiding geeft tot de prejudiciële vraag
die het onderwerp van dit arrest vormt, volgens de memorie met die het onderwerp van dit arrest vormt, volgens de memorie met
verantwoording verschillend zouden zijn van die van de zaak die verantwoording verschillend zouden zijn van die van de zaak die
aanleiding heeft gegeven tot het arrest nr. 3/96, niet voldoende om te aanleiding heeft gegeven tot het arrest nr. 3/96, niet voldoende om te
verantwoorden dat een verschillend antwoord op die vraag zou worden verantwoorden dat een verschillend antwoord op die vraag zou worden
gegeven. gegeven.
B.1.3. De bijzondere wet van 6 januari 1989 verleent aan de partijen B.1.3. De bijzondere wet van 6 januari 1989 verleent aan de partijen
niet het recht om de aan het Hof gestelde vragen te wijzigen. niet het recht om de aan het Hof gestelde vragen te wijzigen.
De Raad van State stelt aan het Hof een vraag over een verschil in De Raad van State stelt aan het Hof een vraag over een verschil in
behandeling tussen beroepsonderofficieren of -officieren, met dezelfde behandeling tussen beroepsonderofficieren of -officieren, met dezelfde
graad en dezelfde anciënniteit in die graad, naargelang zij al dan graad en dezelfde anciënniteit in die graad, naargelang zij al dan
niet uit het tijdelijk kader komen. De verschillen in behandeling die, niet uit het tijdelijk kader komen. De verschillen in behandeling die,
zoals zij door de verzoeker voor de Raad van State in zijn memorie met zoals zij door de verzoeker voor de Raad van State in zijn memorie met
verantwoording zijn aangevoerd, tussen beroepsofficieren komende uit verantwoording zijn aangevoerd, tussen beroepsofficieren komende uit
het tijdelijk kader zouden bestaan doordat de wetgever, met schending het tijdelijk kader zouden bestaan doordat de wetgever, met schending
van artikel 182 van de Grondwet, de Koning zou hebben toegestaan voor van artikel 182 van de Grondwet, de Koning zou hebben toegestaan voor
sommigen onder hen de regel op te heffen die het onderwerp van de sommigen onder hen de regel op te heffen die het onderwerp van de
prejudiciële vraag vormt of naar gelang van de datum van hun overgang prejudiciële vraag vormt of naar gelang van de datum van hun overgang
naar het kader van de beroepsofficieren, zijn niet vervat in de naar het kader van de beroepsofficieren, zijn niet vervat in de
prejudiciële vraag. prejudiciële vraag.
B.1.4. Het Hof is van oordeel dat op de thans voorliggende vraag dient B.1.4. Het Hof is van oordeel dat op de thans voorliggende vraag dient
te worden geantwoord zoals is geantwoord op de vragen die het voorwerp te worden geantwoord zoals is geantwoord op de vragen die het voorwerp
uitmaakten van het arrest nr. 3/96. uitmaakten van het arrest nr. 3/96.
De prejudiciële vraag en de bepalingen in het geding De prejudiciële vraag en de bepalingen in het geding
B.2. De door de Raad van State gestelde prejudiciële vraag luidt : B.2. De door de Raad van State gestelde prejudiciële vraag luidt :
« Schenden artikel 25, § 2, van de wet van 13 juli 1976 betreffende de « Schenden artikel 25, § 2, van de wet van 13 juli 1976 betreffende de
getalsterkte aan officieren en de statuten van het personeel van de getalsterkte aan officieren en de statuten van het personeel van de
krijgsmacht en artikel 61 van de wet van 21 december 1990 houdende krijgsmacht en artikel 61 van de wet van 21 december 1990 houdende
statuut van de kandidaat-militairen van het actief kader de artikelen statuut van de kandidaat-militairen van het actief kader de artikelen
10 en 11 van de Grondwet, doordat zij tot gevolg hebben dat de 10 en 11 van de Grondwet, doordat zij tot gevolg hebben dat de
officieren en de onderofficieren van het tijdelijk kader die zijn officieren en de onderofficieren van het tijdelijk kader die zijn
opgenomen in het beroepskader niet in de onmiddellijk hogere graad opgenomen in het beroepskader niet in de onmiddellijk hogere graad
kunnen worden benoemd dan één jaar na de beroepsmilitairen met kunnen worden benoemd dan één jaar na de beroepsmilitairen met
dezelfde graad en dezelfde anciënniteit in die graad ? » dezelfde graad en dezelfde anciënniteit in die graad ? »
B.3.1. Artikel 25 van de wet van 13 juli 1976 betreffende de B.3.1. Artikel 25 van de wet van 13 juli 1976 betreffende de
getalsterkte aan officieren en de statuten van het personeel van de getalsterkte aan officieren en de statuten van het personeel van de
krijgsmacht - waarvan enkel paragraaf 2 in het geding is -, bepaalt : krijgsmacht - waarvan enkel paragraaf 2 in het geding is -, bepaalt :
« § 1. De leden van het militaire personeel van het tijdelijke kader « § 1. De leden van het militaire personeel van het tijdelijke kader
worden in het kader van het militaire beroepspersoneel opgenomen met worden in het kader van het militaire beroepspersoneel opgenomen met
hun graad en hun anciënniteit in die graad; zij worden gerangschikt na hun graad en hun anciënniteit in die graad; zij worden gerangschikt na
de beroepsmilitairen met dezelfde graad en dezelfde anciënniteit in de beroepsmilitairen met dezelfde graad en dezelfde anciënniteit in
die graad. die graad.
§ 2. De tijdelijke officieren en onderofficieren die in het § 2. De tijdelijke officieren en onderofficieren die in het
beroepskader worden opgenomen kunnen niet in de onmiddellijk hogere beroepskader worden opgenomen kunnen niet in de onmiddellijk hogere
graad worden benoemd dan een jaar na de beroepsmilitairen met dezelfde graad worden benoemd dan een jaar na de beroepsmilitairen met dezelfde
graad en dezelfde anciënniteit in die graad. » graad en dezelfde anciënniteit in die graad. »
B.3.2. Dat artikel 25 werd, zoals andere bepalingen van de wet van 13 B.3.2. Dat artikel 25 werd, zoals andere bepalingen van de wet van 13
juli 1976, opgeheven bij artikel 59 van de wet van 21 december 1990 juli 1976, opgeheven bij artikel 59 van de wet van 21 december 1990
houdende statuut van de kandidaat-militairen van het actief kader. houdende statuut van de kandidaat-militairen van het actief kader.
Artikel 61 van die wet, dat voorkomt in hoofdstuk IX ervan, getiteld « Artikel 61 van die wet, dat voorkomt in hoofdstuk IX ervan, getiteld «
Overgangs- en slotbepalingen », bepaalt echter : Overgangs- en slotbepalingen », bepaalt echter :
« De militairen van het tijdelijk kader die in dienst zijn en op de « De militairen van het tijdelijk kader die in dienst zijn en op de
dag waarop deze wet in werking treedt minstens vier jaar dienst hebben dag waarop deze wet in werking treedt minstens vier jaar dienst hebben
in hun categorie van het tijdelijk kader, beëindigen de termijn van in hun categorie van het tijdelijk kader, beëindigen de termijn van
hun dienstneming of wederdienstneming. hun dienstneming of wederdienstneming.
Zij mogen nochtans een wederdienstneming aangaan voor de termijn, Zij mogen nochtans een wederdienstneming aangaan voor de termijn,
uitgedrukt in volle jaren, nodig om hen de gelegenheid te geven in uitgedrukt in volle jaren, nodig om hen de gelegenheid te geven in
1991 en 1992 zich kandidaat te stellen voor een overgang zonder dat 1991 en 1992 zich kandidaat te stellen voor een overgang zonder dat
zij evenwel de maximale duur van tien jaar dienst in hun zij evenwel de maximale duur van tien jaar dienst in hun
personeelscategorie mogen overschrijden. personeelscategorie mogen overschrijden.
De overgangen van de militairen die in dit artikel bedoeld zijn, De overgangen van de militairen die in dit artikel bedoeld zijn,
gebeuren volgens de regels en de procedure vastgesteld in de wet van gebeuren volgens de regels en de procedure vastgesteld in de wet van
13 juli 1976 betreffende de getalsterkte aan officieren en de statuten 13 juli 1976 betreffende de getalsterkte aan officieren en de statuten
van het personeel van de krijgsmacht en de uitvoeringsbesluiten ervan van het personeel van de krijgsmacht en de uitvoeringsbesluiten ervan
zonder dat de betrokken tijdelijke militairen moeten voldoen aan de zonder dat de betrokken tijdelijke militairen moeten voldoen aan de
voorwaarden van dienstanciënniteit zoals bepaald in de artikelen 22, voorwaarden van dienstanciënniteit zoals bepaald in de artikelen 22,
1°, 23, 1°, 24, 1°, 27, 1°, en 28, 1°, van de wet van 13 juli 1976 en 1°, 23, 1°, 24, 1°, 27, 1°, en 28, 1°, van de wet van 13 juli 1976 en
zonder dat er voor de rangschikking van de kandidaten rekening zonder dat er voor de rangschikking van de kandidaten rekening
gehouden wordt met hun dienstanciënniteit. gehouden wordt met hun dienstanciënniteit.
De Koning bepaalt de overgangsmaatregelen die voor de toepassing van De Koning bepaalt de overgangsmaatregelen die voor de toepassing van
deze bepalingen zijn vereist. » deze bepalingen zijn vereist. »
B.3.3. Op dezelfde wijze behoudt artikel 89 van de wet van 20 mei 1994 B.3.3. Op dezelfde wijze behoudt artikel 89 van de wet van 20 mei 1994
inzake de rechtstoestanden van het militair personeel, dat met ingang inzake de rechtstoestanden van het militair personeel, dat met ingang
van 1 januari 1991 het voormelde artikel 61 vervangt, in zijn van 1 januari 1991 het voormelde artikel 61 vervangt, in zijn
paragraaf 3 de verwijzing naar de wet van 13 juli 1976; dat artikel 89 paragraaf 3 de verwijzing naar de wet van 13 juli 1976; dat artikel 89
bepaalt : bepaalt :
§ 3. De overgangen van de militairen die in dit artikel bedoeld zijn, § 3. De overgangen van de militairen die in dit artikel bedoeld zijn,
gebeuren volgens de regels en de procedure vastgelegd in de wet van 13 gebeuren volgens de regels en de procedure vastgelegd in de wet van 13
juli 1976 betreffende de getalsterkte aan officieren en de statuten juli 1976 betreffende de getalsterkte aan officieren en de statuten
van het personeel van de krijgsmacht en de uitvoeringsbesluiten ervan, van het personeel van de krijgsmacht en de uitvoeringsbesluiten ervan,
zonder dat de betrokken tijdelijke militairen moeten voldoen aan de zonder dat de betrokken tijdelijke militairen moeten voldoen aan de
voorwaarden van dienstanciënniteit zoals bepaald in de artikelen 22, voorwaarden van dienstanciënniteit zoals bepaald in de artikelen 22,
1°, 23, 1°, 24, 1°, 27, 1°, en 28, 1°, van de wet van 13 juli 1976 en 1°, 23, 1°, 24, 1°, 27, 1°, en 28, 1°, van de wet van 13 juli 1976 en
zonder dat er voor de rangschikking van de kandidaten rekening zonder dat er voor de rangschikking van de kandidaten rekening
gehouden wordt met hun dienstanciënniteit. gehouden wordt met hun dienstanciënniteit.
Ten aanzien van de interpretatie van artikel 61 van de wet van 21 Ten aanzien van de interpretatie van artikel 61 van de wet van 21
december 1990 december 1990
B.4. Uit de bewoordingen van de prejudiciële vraag en de motieven B.4. Uit de bewoordingen van de prejudiciële vraag en de motieven
ervan blijkt dat artikel 61 van de wet van 21 december 1990 door de ervan blijkt dat artikel 61 van de wet van 21 december 1990 door de
verwijzende rechter zo wordt geïnterpreteerd dat het de verwijzing verwijzende rechter zo wordt geïnterpreteerd dat het de verwijzing
naar artikel 25, § 2, van de wet van 13 juli 1976 insluit. De door de naar artikel 25, § 2, van de wet van 13 juli 1976 insluit. De door de
verzoeker voor de Raad van State in zijn memorie met verantwoording verzoeker voor de Raad van State in zijn memorie met verantwoording
uiteengezette overwegingen - volgens welke de auditeur in een verslag uiteengezette overwegingen - volgens welke de auditeur in een verslag
over een ander verzoekschrift tot vernietiging dan datgene dat over een ander verzoekschrift tot vernietiging dan datgene dat
aanleiding heeft gegeven tot de hier onderzochte prejudiciële vraag, aanleiding heeft gegeven tot de hier onderzochte prejudiciële vraag,
zou hebben geoordeeld dat artikel 25, § 2, van de wet van 13 juli 1976 zou hebben geoordeeld dat artikel 25, § 2, van de wet van 13 juli 1976
zou zijn afgeschaft voor sommige officieren uit het tijdelijk kader - zou zijn afgeschaft voor sommige officieren uit het tijdelijk kader -
zijn zonder pertinentie : de beslissing op grond waarvan aan het Hof zijn zonder pertinentie : de beslissing op grond waarvan aan het Hof
de vraag wordt gesteld, vermeldt immers dat « hoewel die bepaling bij de vraag wordt gesteld, vermeldt immers dat « hoewel die bepaling bij
artikel 59, 5°, van de wet van 21 december 1990 houdende statuut van artikel 59, 5°, van de wet van 21 december 1990 houdende statuut van
de kandidaat-militairen van het actief kader is opgeheven, zij de kandidaat-militairen van het actief kader is opgeheven, zij
niettemin op de verzoeker toepasselijk blijft door het effect van niettemin op de verzoeker toepasselijk blijft door het effect van
artikel 61 van die wet ». artikel 61 van die wet ».
Ten gronde Ten gronde
B.5. Het verschil in behandeling, waarvan aan het Hof wordt gevraagd B.5. Het verschil in behandeling, waarvan aan het Hof wordt gevraagd
de overeenstemming met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet te de overeenstemming met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet te
beoordelen, bestaat erin dat onder de beroepsonderofficieren en beoordelen, bestaat erin dat onder de beroepsonderofficieren en
-officieren met dezelfde graad en dezelfde anciënniteit in die graad, -officieren met dezelfde graad en dezelfde anciënniteit in die graad,
diegenen uit het tijdelijk kader niet in de onmiddellijk hogere graad diegenen uit het tijdelijk kader niet in de onmiddellijk hogere graad
kunnen worden benoemd dan met een vertraging van één jaar vergeleken kunnen worden benoemd dan met een vertraging van één jaar vergeleken
met hen die rechtstreeks in het beroepskader zijn benoemd. met hen die rechtstreeks in het beroepskader zijn benoemd.
B.6. De grondwettelijke regels van de gelijkheid en de B.6. De grondwettelijke regels van de gelijkheid en de
niet-discriminatie sluiten niet uit dat een verschil in behandeling niet-discriminatie sluiten niet uit dat een verschil in behandeling
tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat
verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord
is. is.
Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld
rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel
en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het
gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat er geen gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat er geen
redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende
middelen en het beoogde doel. middelen en het beoogde doel.
B.7.1. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 13 juli 1976 B.7.1. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 13 juli 1976
blijkt dat de wetgever met artikel 25, § 2, voorrang wilde verlenen blijkt dat de wetgever met artikel 25, § 2, voorrang wilde verlenen
aan de rechtstreekse werving voor de benoeming in het beroepskader : « aan de rechtstreekse werving voor de benoeming in het beroepskader : «
Voortaan zullen de tijdelijke officieren even snel bevorderd kunnen Voortaan zullen de tijdelijke officieren even snel bevorderd kunnen
worden als hun collega's van het beroepskader. Nochtans mag de worden als hun collega's van het beroepskader. Nochtans mag de
overgang naar het beroepskader via het tijdelijk kader niet al te zeer overgang naar het beroepskader via het tijdelijk kader niet al te zeer
worden begunstigd, want dat zou ten koste gaan van de rechtstreekse worden begunstigd, want dat zou ten koste gaan van de rechtstreekse
werving voor dit kader » (Gedr. St., Senaat, 1975-1976, nr. 822-2, p. werving voor dit kader » (Gedr. St., Senaat, 1975-1976, nr. 822-2, p.
32). 32).
B.7.2. Aangezien het verantwoord is dat de wetgever de bedoeling had B.7.2. Aangezien het verantwoord is dat de wetgever de bedoeling had
om voorrang te verlenen aan de rechtstreekse benoeming van de om voorrang te verlenen aan de rechtstreekse benoeming van de
militairen in het beroepskader, komt de maatregel die erin bestaat de militairen in het beroepskader, komt de maatregel die erin bestaat de
bevordering van de onderofficieren en officieren uit het tijdelijk bevordering van de onderofficieren en officieren uit het tijdelijk
kader met één jaar te vertragen, als een pertinente maatregel voor. kader met één jaar te vertragen, als een pertinente maatregel voor.
B.8.1. Er is evenwel beweerd dat die doelstelling achterhaald is - en B.8.1. Er is evenwel beweerd dat die doelstelling achterhaald is - en
artikel 61 van de wet van 21 december 1990, in samenhang met artikel artikel 61 van de wet van 21 december 1990, in samenhang met artikel
25 van de wet van 13 juli 1976, dus niet kan verantwoorden -, 25 van de wet van 13 juli 1976, dus niet kan verantwoorden -,
aangezien de wet van 21 december 1990 met name tot doel heeft het aangezien de wet van 21 december 1990 met name tot doel heeft het
tijdelijk kader af te schaffen en het risico van concurrentie tussen tijdelijk kader af te schaffen en het risico van concurrentie tussen
beide modaliteiten van benoeming in het beroepskader aldus is beide modaliteiten van benoeming in het beroepskader aldus is
verdwenen. verdwenen.
B.8.2. De wet van 21 december 1990 heeft weliswaar met name tot doel B.8.2. De wet van 21 december 1990 heeft weliswaar met name tot doel
voor de toekomst het tijdelijk kader af te schaffen - bij artikel 59, voor de toekomst het tijdelijk kader af te schaffen - bij artikel 59,
5°, werd immers de wettelijke grondslag ervan opgeheven -, maar dat 5°, werd immers de wettelijke grondslag ervan opgeheven -, maar dat
neemt niet weg dat de wetgever het lot van het tijdelijk militair neemt niet weg dat de wetgever het lot van het tijdelijk militair
personeel dat nog in dienst was bij de inwerkingtreding van de personeel dat nog in dienst was bij de inwerkingtreding van de
voormelde wet heeft geregeld; aldus wordt bij de artikelen 61 en 62 voormelde wet heeft geregeld; aldus wordt bij de artikelen 61 en 62
van de wet van 21 december 1990 de overgang van dat tijdelijk van de wet van 21 december 1990 de overgang van dat tijdelijk
personeel, naargelang van het geval, naar het beroepskader of het personeel, naargelang van het geval, naar het beroepskader of het
aanvullingskader toegestaan. aanvullingskader toegestaan.
Wat het tijdelijk personeel betreft met een dienstanciënniteit van ten Wat het tijdelijk personeel betreft met een dienstanciënniteit van ten
minste vier jaar in zijn categorie van het tijdelijk kader, bepaalt minste vier jaar in zijn categorie van het tijdelijk kader, bepaalt
artikel 61 dat de eventuele overgang gebeurt volgens de regels en de artikel 61 dat de eventuele overgang gebeurt volgens de regels en de
procedure die bij de wet van 13 juli 1976 zijn vastgesteld. Aangezien procedure die bij de wet van 13 juli 1976 zijn vastgesteld. Aangezien
het erom gaat het lot te regelen van een personeelscategorie die onder het erom gaat het lot te regelen van een personeelscategorie die onder
een voor de toekomst afgeschaft statuut ressorteert, lijkt het in een voor de toekomst afgeschaft statuut ressorteert, lijkt het in
beginsel niet onredelijk de voorheen bestaande overgangsregels te beginsel niet onredelijk de voorheen bestaande overgangsregels te
behouden, en zulks ten voordele van zowel het betrokken personeel als behouden, en zulks ten voordele van zowel het betrokken personeel als
van de andere militairen. van de andere militairen.
B.8.3. Er dient echter te worden nagegaan of, rekening houdend met de B.8.3. Er dient echter te worden nagegaan of, rekening houdend met de
afschaffing van het tijdelijk kader, het behoud van het bij artikel afschaffing van het tijdelijk kader, het behoud van het bij artikel
25, § 2, van de wet van 13 juli 1976 ingestelde verschil in 25, § 2, van de wet van 13 juli 1976 ingestelde verschil in
behandeling in redelijkheid verantwoord is. behandeling in redelijkheid verantwoord is.
Hoewel het juist is dat de hoofddoelstelling die oorspronkelijk met Hoewel het juist is dat de hoofddoelstelling die oorspronkelijk met
die maatregel werd nagestreefd, verdwenen is en zij dus op zichzelf die maatregel werd nagestreefd, verdwenen is en zij dus op zichzelf
dat verschil in behandeling niet langer kan verantwoorden, blijft het dat verschil in behandeling niet langer kan verantwoorden, blijft het
weliswaar verantwoord. weliswaar verantwoord.
In het kader van een overgangsmaatregel lijkt het niet onredelijk voor In het kader van een overgangsmaatregel lijkt het niet onredelijk voor
de beroepsofficieren een voordeel te blijven waarborgen dat zij de beroepsofficieren een voordeel te blijven waarborgen dat zij
terecht konden beschouwen als zijnde een aspect van hun statuut. terecht konden beschouwen als zijnde een aspect van hun statuut.
Overigens blijkt dat de tijdelijke officieren, die de bij de wet Overigens blijkt dat de tijdelijke officieren, die de bij de wet
voorgeschreven overgangsmaatregelen zullen genieten, niet in die zin voorgeschreven overgangsmaatregelen zullen genieten, niet in die zin
kunnen worden aangezien dat hun te kort is gedaan in hun legitieme kunnen worden aangezien dat hun te kort is gedaan in hun legitieme
verwachtingen door het behoud van een maatregel die altijd op hen van verwachtingen door het behoud van een maatregel die altijd op hen van
toepassing is geweest en een element van hun statuut was. Ten slotte toepassing is geweest en een element van hun statuut was. Ten slotte
heeft het behoud van de in voormeld artikel 25, § 2, vervatte heeft het behoud van de in voormeld artikel 25, § 2, vervatte
maatregel tot gevolg niet het moeilijk te verantwoorden verschil in maatregel tot gevolg niet het moeilijk te verantwoorden verschil in
behandeling te doen ontstaan, dat de afschaffing ervan teweeg zou behandeling te doen ontstaan, dat de afschaffing ervan teweeg zou
hebben gebracht tussen de naar het beroepskader overgegane tijdelijke hebben gebracht tussen de naar het beroepskader overgegane tijdelijke
officieren, naargelang die overgang vóór of na de afschaffing van het officieren, naargelang die overgang vóór of na de afschaffing van het
tijdelijk kader zou hebben plaatsgevonden. tijdelijk kader zou hebben plaatsgevonden.
B.8.4. Het behoud van het bij het voormelde artikel 25, § 2, B.8.4. Het behoud van het bij het voormelde artikel 25, § 2,
ingestelde verschil in behandeling kan dus niet als klaarblijkelijk ingestelde verschil in behandeling kan dus niet als klaarblijkelijk
onredelijk worden beschouwd. onredelijk worden beschouwd.
Om die redenen, Om die redenen,
het Hof het Hof
zegt voor recht : zegt voor recht :
Artikel 25, § 2, van de wet van 13 juli 1976 betreffende de Artikel 25, § 2, van de wet van 13 juli 1976 betreffende de
getalsterkte aan officieren en de statuten van het personeel van de getalsterkte aan officieren en de statuten van het personeel van de
krijgsmacht en artikel 61 van de wet van 21 december 1990 houdende krijgsmacht en artikel 61 van de wet van 21 december 1990 houdende
statuut van de kandidaat-militairen van het actief kader schenden de statuut van de kandidaat-militairen van het actief kader schenden de
artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.
Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig
artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het
Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 21 januari 1998. Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 21 januari 1998.
De wnd. griffier, De wnd. griffier,
R. Moerenhout. R. Moerenhout.
De voorzitter, De voorzitter,
M. Melchior. M. Melchior.
^