Etaamb.openjustice.be
Ministerieel Besluit van 14 oktober 2026
gepubliceerd op 30 oktober 2026

Ministerieel besluit tot wijziging van bijlage 1, 2, 3, 5, 6 en 19 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, wat betreft wijzigingen met betrekking tot milieueffectenrapportage, stikstof, windturbines en de Richtlijn Industriële Emissies

bron
vlaamse overheid
numac
2026008015
pub.
30/10/2026
prom.
14/10/2026
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

14 OKTOBER 2026. - Ministerieel besluit tot wijziging van bijlage 1, 2, 3, 5, 6 en 19 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 27/11/2015 pub. 23/02/2016 numac 2016035143 bron vlaamse overheid Besluit van de Vlaamse Regering tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning sluiten tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, wat betreft wijzigingen met betrekking tot milieueffectenrapportage, stikstof, windturbines en de Richtlijn Industriële Emissies

Omgeving


Rechtsgronden Dit besluit is gebaseerd op: - het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, artikel 18, tweede lid, artikel 37, tweede lid, en artikel 108; - het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 27/11/2015 pub. 23/02/2016 numac 2016035143 bron vlaamse overheid Besluit van de Vlaamse Regering tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning sluiten tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, artikel 15, § 1, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 maart 2018, en § 2, artikel 97, § 1, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 maart 2018, artikel 98, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 februari 2017, artikel 100, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 11 september 2020, artikel 133, artikel 136, § 1 en artikel 785.

DE VLAAMSE MINISTER VAN OMGEVING EN LANDBOUW BESLUIT:

Artikel 1.In bijlage 1 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 27/11/2015 pub. 23/02/2016 numac 2016035143 bron vlaamse overheid Besluit van de Vlaamse Regering tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning sluiten tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, vervangen bij het ministerieel besluit van 21 november 2025, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° vraag 6.2 wordt vervangen door wat volgt: 6.2 Werd het milieueffectrapport al goedgekeurd?  ja. Voeg het goedgekeurde milieueffectrapport en de goedkeuringsbeslissing als bijlage D1 bij dit formulier. Ga naar vraag 6.4.  nee. Voeg het ontwerp van milieueffectrapport als bijlage D2 bij dit formulier. Ga naar vraag 6.3 en 6.4.

Als u de vragen van onderdeel 7, en eventueel onderdeel 3, beantwoordt, kunt u verwijzen naar de specifieke analyse en evaluatie in het milieueffectrapport. Geef daarbij duidelijk aan welke milderende maatregelen uit het milieueffectrapport effectief uitgevoerd zullen worden. 2° in vraag 8.10 wordt de zin "Deze is van toepassing nadat ze is omgezet in Vlaamse regelgeving." vervangen door de zin "Het decreet van 6 maart 2026 tot wijziging van verschillende decreten van het beleidsdomein Omgeving, in het kader van de implementatie van Europese regelgeving over hernieuwbare energie, kritieke grondstoffen en nettonultechnologie is van toepassing op vergunningsaanvragen die zijn ingediend vanaf 6 april 2026.".

Art. 2.In bijlage 2 bij hetzelfde besluit, vervangen bij het ministerieel besluit van 16 januari 2017Relevante gevonden documenten type ministerieel besluit prom. 16/01/2017 pub. 06/02/2017 numac 2017010384 bron waalse overheidsdienst Ministerieel besluit tot vaststelling van de specificaties voor de berekening van het rendement van de elektrische warmtepompen bedoeld in bijlage A1, § 10.2.3.3, van het besluit van de Waalse Regering van 15 mei 2014 tot uitvoering van het decreet van 28 november 2013 betreffende de energieprestaties van gebouwen type ministerieel besluit prom. 16/01/2017 pub. 03/02/2017 numac 2017010421 bron vlaamse overheid Ministerieel besluit tot wijziging van een aantal formulieren naar aanleiding van de inwerkingtreding van de omgevingsvergunning sluiten en het laatst gewijzigd bij het ministerieel besluit van 21 november 2025, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in addendum E6 wordt in vraag 4 de rij  Het betreft de exploitatie van een veehouderij of mestverwerkingsinstallatie.De totale stikstofdeposities veroorzaakt door het project worden samen beoordeeld conform het beoordelingskader voor ammoniak van veehouderijen en mestverwerkingsinstallaties. Ga naar vraag 5, 8 en 10 vervangen door de rij  Het betreft de exploitatie van een veehouderij of mestverwerkingsinstallatie. De totale stikstofdeposities veroorzaakt door het project worden samen beoordeeld conform het beoordelingskader voor ammoniak van veehouderijen en mestverwerkingsinstallaties. Ga naar vraag 5, 7bis en 10 2° in addendum E6 worden tussen vragen 7 en 8 de vragen 7 bis en 7ter ingevoegd, die luiden als volgt: OS 7bis Voor welke termijn wordt de vergunning voor de veehouderij of mestverwerkingsinstallatie aangevraagd?  termijn tot en met 31 december 2030.Ga naar vraag 7ter.  termijn tot na 31 december 2030 of voor onbepaalde duur. Ga naar vraag 8.

OS 7ter Wat geldt volgens het beoordelingskader voor ammoniak van veehouderijen en mestverwerkingsinstallaties? Gemengde veehouderijen met rundvee kunnen de tweede en derde optie samen aanduiden.  impactscore is kleiner of gelijk aan 0,025%  impactscore is groter dan 0,025% en het betreft een varkens- of pluimveehouderij die niet in overeenstemming is met de PAS-referentie 2030: de IIOA in kwestie is geen piekbelaster en veroorzaakt, ten opzichte van de vergunde situatie, geen stijging van de stikstofemissies of van de stikstofdeposities op de SBZ-H in kwestie  impactscore is groter dan 0,025% en het betreft een rundveehouderij die niet in overeenstemming is met de PAS-referentie 2030: de rundveehouderij geeft uitvoering aan artikel 8 van het decreet over de programmatische aanpak stikstof, de IIOA in kwestie is geen piekbelaster en veroorzaakt, ten opzichte van de vergunde situatie, geen stijging van de stikstofemissies of van de stikstofdeposities op de SBZ-H in kwestie  andere 3° in addendum E6 wordt vraag 8 vervangen door wat volgt: OS 8 Wat geldt volgens het beoordelingskader voor ammoniak van veehouderijen en mestverwerkingsinstallaties? B( impactscore is kleiner of gelijk aan 0,025% B( impactscore is groter dan 0,025%, maar kleiner dan 50%, het project voldoet aan de PAS-referentie 2030 en de stikstofdepositie stijgt niet ten opzichte van de vergunde situatie B( impactscore is groter dan 0,025%, maar kleiner dan 50% en de stikstofdepositie stijgt niet ten opzichte van de vergunde situatie B( impactscore is groter dan 0,025%, maar het project hypothekeert de gebiedsspecifieke neerwaartse depositietrend van ammoniak niet B( andere 4° in addendum R9 wordt in vraag 4 de volgende rij opgeheven: B( Nee, het betreft enkel rundvee of een gemengd (varkens, pluimvee, rundvee) bedrijf met rundvee en een verlenging van de vergunning tot en met 31 december 2025.Ga naar vraag 8. 5° in addendum R9 wordt vraag 6 vervangen door wat volgt: O3 6 Toon aan hoe u voldoet aan het beoordelingskader van het decreet over de programmatische aanpak stikstof. Zie hiervoor ook de vragen bij het deel `effect biodiversiteit'.

Beschrijf in het geval van een ammoniakemissiereducerende maatregel als vermeld in het decreet van 26 januari 2024Relevante gevonden documenten type decreet prom. 26/01/2024 pub. 22/02/2024 numac 2024001071 bron vlaamse overheid Decreet over de programmatische aanpak stikstof sluiten over de programmatische aanpak stikstof hoe voldaan is aan de vereisten voor die ammoniakemissiereducerende maatregel overeenkomstig het decreet van 19 april 2024 over ammoniakemissiereducerende maatregelen of het ministerieel besluit van 19 maart 2004 houdende vaststelling van de lijst van ammoniakemissiearme stalsystemen in uitvoering van artikel 1.1.2 en artikel 5.9.2.1bis van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne. Als er meerdere uitvoeringsvarianten mogelijk zijn geeft u aan welke variant(en) u gekozen hebt.

B( vermindering van aantal dierplaatsen B( verandering van diercategorie B( ammoniakemissiereducerende maatregel overeenkomstig het decreet van 26 januari 2024Relevante gevonden documenten type decreet prom. 26/01/2024 pub. 22/02/2024 numac 2024001071 bron vlaamse overheid Decreet over de programmatische aanpak stikstof sluiten over de programmatische aanpak stikstof B( andere 6° in addendum R9 worden vraag 7, 7bis en 7tris opgeheven; 7° in addendum R9A wordt in vraag 9 de rij vleesstieren en overig vleesvee 8 - 24 maanden vervangen door de rij vleesstieren en overig vleesvee 6 - 24 maanden 8° in addendum R20.1.6 worden vraag 1, 2, 3 en 4 vervangen door wat volgt: 3 1 Voeg bij het formulier een slagschaduwstudie als er zich een slagschaduwgevoelig object bevindt binnen de contour van vier uur verwachte slagschaduw per jaar van een windturbine.

De slagschaduwstudie bevat een berekening van de verwachte slagschaduw en minstens de volgende gegevens: a) de maximale rotordiameter en de maximale tiphoogte van de geplaatste windturbinetypes;b) de plaatsing van de windturbines, weergegeven in Lambertcoördinaten;c) de hoogtelijnen van de site;d) de representatieve slagschaduwgevoelige objecten, weergegeven in Lambertcoördinaten, die binnen de contour van vier uur verwachte slagschaduw per jaar van de windturbine liggen;e) een weergave van de isocontouren voor verwachte slagschaduw van respectievelijk 4, 8, 16 en 32 uur per jaar op een topografische kaart en op een luchtfoto, conform de hieronder vermelde aannames: ? slagschaduw wordt berekend vanaf het moment dat de zon hoger staat dan een hoek van 3° ten opzichte van de horizon (het maaiveld); ? er bevinden zich geen obstakels tussen de turbine en slagschaduwgevoelige objecten; ? als slagschaduwreceptor wordt een standaardraam op 1 m boven het maaiveld met een breedte van 5 m en een hoogte van 2 m genomen of de reële situatie ter plaatse; ? een woning wordt beschouwd als een object dat licht ontvangt uit alle richtingen; ? er wordt gerekend met de klimatologische maandnormalen van het gemiddelde aantal uren zonneschijn, de gemiddelde windsnelheid en de overheersende windrichting; f) een slagschaduwkalender per windturbine op grafiek, waarin de astronomisch maximaal mogelijke slagschaduwduur voor de representatieve slagschaduwgevoelige objecten binnen de contour van vier uur verwachte slagschaduw per jaar wordt weergegeven;g) een slagschaduwkalender voor de representatieve slagschaduwgevoelige objecten binnen de contour van vier uur verwachte slagschaduw per jaar op grafiek, waarin de astronomisch maximaal mogelijke slagschaduwduur, veroorzaakt door elke windturbine, wordt weergegeven. U kunt hiervoor ook verwijzen naar de analyse en evaluatie in het (ontwerp van het) milieueffectrapport. 3 2 Voeg bij het formulier een veiligheidsstudie, waarin de veiligheidsaspecten worden verduidelijkt, conform de door de Vlaamse overheid aanvaarde methodiek en het door de Vlaamse overheid aanvaarde beoordelingskader.

U kunt hiervoor ook verwijzen naar de analyse en evaluatie in het (ontwerp van het) milieueffectrapport. 3 3 Voeg bij het formulier een geluidsstudie. Die bevat een immissieberekening volgens ISO 9613-2, uitgevoerd door een erkende milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen, deeldomein geluid.

U kunt hiervoor ook verwijzen naar de analyse en evaluatie in het (ontwerp van het) milieueffectrapport.

Het gebruik van internationaal gangbare softwarepakketten is toegestaan als ze een berekening uitvoeren conform de uitgebreide methode van de meest actuele versie van ISO 9613-2.

Voor de immissieberekening gelden de volgende randvoorwaarden: a) windturbines worden gemodelleerd als puntbronnen op masthoogte;b) het geluid wordt berekend in tertsbanden (of octaafbanden als die gegevens niet beschikbaar zijn) vanaf 50 Hz (of 63 Hz bij octaafbanden);c) de immissiehoogte van de ontvanger is 4 m, tenzij de specifieke situatie een andere hoogte vereist.In dat laatste geval wordt een motivering toegevoegd; d) gevelreflectie wordt niet berekend, tenzij dat aangewezen is vanwege de lokale situatie;e) standaardaannames voor atmosferische omstandigheden zijn temperatuur 10° C en luchtvochtigheid 70%.Voor elk immissiepunt wordt gerekend met de in de ISO ingebouwde lichte meewindvoorwaarden. f) binnen de ISO-9613-2-norm wordt gekozen voor de frequentieafhankelijke formule voor de bodemterm;g) het gebruik van een meteocorrectieterm (Cmeteo) is niet toegestaan (Cmeteo = 0 volgens de formules);h) de gehanteerde waarden voor parameters van het ISO 9613-2-model worden in het geluidsrapport vermeld;i) de bodemabsorptiefactor G wordt toegepast conform ISO 9613-2.Een kaart geeft weer welke bodemabsorptiefactor in welke zone van toepassing is; j) als bij de berekening ter hoogte van een woning een immissieniveau bereikt wordt dat minder dan 3 dB(A) verschilt van de geluidsnorm, worden de detailgegevens expliciet vermeld;k) de invloed van individuele woningen en andere gebouwen wordt niet meegerekend, tenzij er vermoed wordt dat ze een belangrijke invloed hebben.In dat geval wordt gerekend met reflecties van de eerste orde; l) de invloed van de aanwezigheid van bomen, struiken en andere gewassen wordt niet meegenomen;m) alleen als de hoogteverschillen relevant zijn ten opzichte van de bronhoogte, wordt dat aspect mee in rekening gebracht.Anders wordt er gerekend zonder diffractie op de hoogtelijnen; n) de eventuele tonaliteit wordt beschouwd conform titel II van het VLAREM;o) als verschillende types windturbines worden aangevraagd, gebeurt de berekening minstens voor de worstcasesituatie. Voor de bepaling van het brongeluid van windturbines, gemeten volgens de IEC-61400-11-norm, wordt een verslag van een geaccrediteerd bureau aanvaard.

Het brongeluid wordt bepaald bij 95% van het nominale vermogen van de windturbine. De technische fiche bevat ook de geluidsvermogens bij een lager productievermogen, alsook de gegevens in terts- en octaafbanden.

Bij de opgave van het geluidsvermogen wordt een tolerantieband vermeld. Standaard is de tolerantieband +1 dB(A). Als de constructeur zelf een grotere tolerantieband of onzekerheidsfactor aangeeft, zal die bij het vermelde brongeluid (95% nominaal vermogen) worden bijgeteld, verminderd met de tolerantieband van 1 dB(A).

Als men wil gebruikmaken van het achtergrondgeluid om een hogere norm te verkrijgen, bevat de geluidsstudie ook een uitgebreide toelichting met betrekking tot de meetcampagne voor de bepaling van het LA95 van het oorspronkelijke omgevingsgeluid. De duurtijd van de meetcampagne kan bepaald worden in overleg met de vergunningverlenende overheid. 4 Voeg bij het formulier een lokalisatienota.

U kunt hiervoor ook verwijzen naar de analyse en evaluatie in het (ontwerp van het) milieueffectrapport. 9° in addendum R28.3 worden vraag 4 en vraag 5 vervangen door wat volgt: O 4 Wenst u met deze aanvraag ook de tussentijdse inspanning overeenkomstig artikel 15 van het decreet van 26 januari 2024Relevante gevonden documenten type decreet prom. 26/01/2024 pub. 22/02/2024 numac 2024001071 bron vlaamse overheid Decreet over de programmatische aanpak stikstof sluiten over de programmatische aanpak stikstof te melden voor mestverwerkingsinstallaties, zoals vermeld in artikel 14 van het voormelde decreet? Dit is van toepassing voor een mestverwerkingsinstallatie als vermeld in rubriek 28.3, c), of 28.5 van de indelingslijst die opgenomen is in bijlage 1 bij titel II van het VLAREM, met een vergunde mestverwerkingscapaciteit van minstens 40.000 ton per jaar, die andere activiteiten op mest uitvoert dan uitsluitend mestscheiding of de biologische behandeling van de dunne fractie B( ja. Ga naar vraag 5.

B( nee. U hoeft geen verdere vragen in te vullen in dit addendum.

B( niet van toepassing. U hoeft geen verdere vragen in te vullen in dit addendum.

O 5 Wat is de genomen ammoniakemissiereducerende maatregel, zoals vermeld in het decreet van 26 januari 2024Relevante gevonden documenten type decreet prom. 26/01/2024 pub. 22/02/2024 numac 2024001071 bron vlaamse overheid Decreet over de programmatische aanpak stikstof sluiten over de programmatische aanpak stikstof? Beschrijf de maatregel (en geef de code) en geef aan op welk (deel)proces de maatregel van toepassing is. Geef aan hoeveel % reductie hiermee wordt gerealiseerd. 10° in addendum R53B wordt vraag 5 vervangen door wat volgt: 3 15 Geef een beschrijving van de lozing. Bespreek de effecten van de lozing op het ontvangende oppervlaktewater/riolering.

Tenzij anders bepaald in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit mag niet geloosd worden in de openbare riolering als via openbaar domein een kunstmatige afvoer voor hemelwater of oppervlaktewater bereikt kan worden door een leiding van maximaal 200 meter, te rekenen vanaf de locatie waar de bemalingspomp staat. Als u wilt gebruikmaken van de bijstellingsmogelijkheid van artikel 5.53.6.1.3, § 5, van titel II van VLAREM, moet een verzoek tot bijstelling van de sectorale voorwaarden als bijlage Q2 bij deze aanvraag of melding gevoegd worden.

Vermeld de karakteristieken van het geloosde bemalingswater per lozingspunt. Baseer u daarvoor op analyses, als die bekend zijn, en op het vooronderzoek. Geef, indien relevant, een beschrijving van de zuiveringsinstallatie en vermeld, indien bekend, het verwijderingsrendement.

Gebruik dezelfde namen als in vraag 14.

Vermeld minstens de te verwachten concentraties aan gevaarlijke stoffen van bijlage 2C bij titel II van het VLAREM die worden geloosd, in concentraties die hoger zijn dan de toetsingswaarden, vermeld in artikel 4.2.9.1, § 3, 4°, van titel II van het VLAREM. Als er geen indelingscriteria gelden voor een gevaarlijke stof, wordt die gevaarlijke stof vermeld als ze relevant is voor het geloosde bemalingswater.

Als er bijzondere lozingsvoorwaarden noodzakelijk zijn, moet een verzoek tot bijstelling van de bijzondere milieuvoorwaarden als bijlage Q bij deze aanvraag gevoegd worden. Bereken de acute impact (toetsing MAC-MKN) op het oppervlaktewater met de Wezertool in de volgende gevallen: - bij lozingen van bemalingswater afkomstig van bemalingen ingedeeld in de rubriek 53.2 met een maximaal debiet van meer dan 2.500 m3/d; - bij klasse 1 of klasse 2 lozingen van bemalingswater afkomstig van bemalingen ingedeeld in de rubriek 53.5 met een maximaal debiet van meer dan 1000 m3/d.

Als in bovenstaande gevallen de bemaling langer dan 6 maanden duurt, wordt bijkomend ook de chronische impact (toetsing jaargemiddelde norm - JG-MKN) berekend met de Wezertool.

Als u een impactbeoordeling voor de lozing van het bemalingswater hebt uitgevoerd, voegt u de volgende documenten toe: - het resultaat van de ingevulde rekentool (zowel Excel- als pdf-bestand) https://vmm.vlaanderen.be/diensten-producten/impactbeoordeling-bedrijfsafvalwater.

Bij afwijking tussen de twee documenten geldt de pdf; - het databankrapport stroomopwaartse concentratie; - het databankrapport evaluatie halen doelstellingen einde waterlichaam indien van toepassing.

Bij de directe of indirecte lozing van bemalingswater, ingedeeld in klasse 1 of 2, die kan resulteren in een achteruitgang van de toestand van het ontvangende oppervlaktewaterlichaam, wordt aangetoond dat voldaan wordt aan de voorwaarden voor een toegestane achteruitgang van de toestand van het ontvangende oppervlaktewaterlichaam volgens artikel 1.7.2.5.4, § 4, van het decreet van 18 juli 2003Relevante gevonden documenten type decreet prom. 18/07/2003 pub. 14/11/2003 numac 2003201696 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende het integraal waterbeleid sluiten betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018 (waterwetboek). Voor meer info wordt verwezen naar de handleiding - Handelingskader voor de directe of indirecte lozing van bemalingswater in oppervlaktewater https://omgeving.vlaanderen.be/nl/lozen-van-bemalingswater-vlarem-ii-rubriek-38. 11° in addendum RX wordt in vraag 1 de zinsnede "de grondstoffen en hulpmaterialen, andere stoffen en energie die in de installatie worden gebruikt of door de installatie worden gegenereerd" vervangen door "de grondstoffen en hulpmaterialen, andere stoffen, energie en het water die in de installatie worden gebruikt of door de installatie worden gegenereerd";12° in addendum RX worden in vraag 1 de woorden "de emissiebronnen van de installatie" vervangen door de zinsnede "de emissiebronnen van de installatie, met inbegrip van geur";13° in addendum RX wordt in vraag 1 de zinsnede "de aard en omvang van de te voorziene emissies, van de installatie in elk milieucompartiment, met een overzicht van de significante milieueffecten van de emissies" vervangen door de zinsnede "de aard en omvang van de te voorziene emissies, met inbegrip van geur, van de installatie in elk milieucompartiment, met een overzicht van de significante milieueffecten van de emissies"; 14° in addendum RX worden aan vraag 2 de volgende zinnen toegevoegd: Voor een toets aan de BBT-conclusies die zijn gepubliceerd na 1 juli 2026 geldt bijkomend: 1) De toets wordt uitgevoerd aan de hand van de relevante documenten op de volgende website: https://omgeving.vlaanderen.be/nl/omgevingsvergunning/gpbv-installaties 2) Voor de vaststelling van emissiegrenswaarden binnen de BBT-GEN bandbreedte, voegt de exploitant een beoordeling van de volledige BBT-GEN-bandbreedte toe, met een analyse of het haalbaar is aan het strengste uiterste van de BBT-GEN-bandbreedte te voldoen en waarin de beste algehele prestaties worden aangetoond die de installatie kan behalen door de BBT's toe te passen, zoals beschreven in alle nieuwe of bijgewerkte BBT-conclusies, rekening houdend met mogelijke effecten op andere milieucompartimenten.15° in addendum Q3 wordt vraag 2 vervangen door wat volgt: 2 Beschrijf de technische redenen die de afwijking motiveren. Als het een afwijking voor het testen van een techniek in opkomst betreft, geeft u dat aan, beschrijft u de techniek en motiveert u waarom het een techniek in opkomst betreft. Een techniek in opkomst is een nieuwe techniek voor een industriële activiteit die, als ze commercieel wordt ontwikkeld, hetzij een hoger algemeen beschermingsniveau voor de menselijke gezondheid en het milieu hetzij ten minste hetzelfde beschermingsniveau voor de menselijke gezondheid en het milieu en grotere kostenbesparingen kan opleveren dan de bestaande beste beschikbare technieken. 16° in addendum Q3 wordt vraag 4 vervangen door wat volgt: 4 Toon aan dat de voorgestelde maatregelen beantwoorden aan de beste beschikbare technieken. Deze vraag geldt niet voor een techniek in opkomst. 17° het addendum Q6 wordt vervangen door wat volgt: Addendum Q6 Afwijking van de emissiegrenswaarden of van de milieupresentatiegrenswaarden bepaald in titel III van het VLAREM, waarbij niet voldaan wordt aan de met BBT geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN) of aan de met BBT geassocieerde milieuprestatieniveaus (BBT-GMPN) bepaald in de door de Europese Commissie aangenomen BBT-conclusies Voeg de gegevens als bijlage Q6 bij het formulier. 1 Als het een afwijking voor het testen van een techniek in opkomst betreft, geeft u dat aan, beschrijft u de techniek en motiveert u waarom het een techniek in opkomst betreft.

Een techniek in opkomst is een nieuwe techniek voor een industriële activiteit die, als ze commercieel wordt ontwikkeld, hetzij een hoger algemeen beschermingsniveau voor de menselijke gezondheid en het milieu, hetzij ten minste hetzelfde beschermingsniveau voor de menselijke gezondheid en het milieu en grotere kostenbesparingen kan opleveren dan de bestaande beste beschikbare technieken.

Vraag 3, 4, 5 en 7 gelden niet voor afwijkingen voor het testen van een techniek in opkomst. 2 Vermeld de toepasselijke BREF, de toepasselijke BBT uit de BBT-conclusies, de artikelen uit titel III van het VLAREM waarvoor de bijstelling wordt aangevraagd en, voor zover dat van toepassing is, de overeenkomstige voorwaarden met betrekking tot emissiegrenswaarden. 3 Voor een afwijking van de BBT-GEN: toon aan dat het behalen van de BBT-GEN zou leiden tot buitensporig hogere kosten in verhouding tot de milieuvoordelen, als gevolg van een van de volgende oorzaken: a) de geografische ligging of de plaatselijke milieuomstandigheden van de installatie in kwestie;b) de technische kenmerken van de installatie in kwestie. Motiveer in eerste instantie grondig waarom uw GPBV-installatie afwijkt van de bepalingen in de BREF en de BBT-conclusies op basis van een of meer van de bovenstaande oorzaken. Hiermee moet u aantonen dat u niet kunt voldoen aan de BBT-GEN die zijn afgeleid in de BREF en die gelden voor dergelijke GPBV-installaties in Europa. Deze motivering vormt de basis van de afwijkingsaanvraag.

Voeg ten tweede een beoordeling toe waaruit blijkt dat het behalen van de BBT-GEN tot buitensporig hogere kosten zou leiden in verhouding tot de milieuvoordelen. De beoordeling bestaat minstens uit een kosten-batenanalyse. Daarbij weegt u de extra kosten die u zou moeten maken om te voldoen aan de BBT-GEN, af tegen de waarde van de milieuvoordelen die het behalen van de BBT-GEN met zich meebrengt. Op basis van de beoordeling moet u in staat zijn een gefundeerd voorstel voor de emissiegrenswaarden te doen. Bij deze beoordeling wordt gebruik gemaakt van de gevraagde informatie zoals vermeld in bijlage 2 bij titel III van het VLAREM. De bron van de kosten en de informatie over de milieuvoordelen en de methoden voor de berekening ervan wordt duidelijk aangegeven, met inbegrip van de discontovoet, vermeld in bijlage 2 bij titel III van het VLAREM en de raming van de onzekerheden in verband met de kostenevaluatie en de evaluatie van de milieuvoordelen. 4 Voor een afwijking van de BBT-GMPN: toon aan dat het behalen van de BBT-GMPN zal leiden tot aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu (waarbij wordt gelet op de effecten op andere milieucompartimenten) of aanzienlijke economische gevolgen vanwege: a) de geografische ligging of de plaatselijke milieuomstandigheden van de installatie in kwestie;b) de technische kenmerken van de installatie in kwestie. Motiveer in eerste instantie grondig waarom uw GPBV-installatie afwijkt van de bepalingen in de BREF en de BBT-conclusies op basis van een of meer van de bovenstaande oorzaken. Hiermee moet u aantonen dat u niet kunt voldoen aan de BBT-GMPN die zijn afgeleid in de BREF en die gelden voor dergelijke GPBV-installaties in Europa. Deze motivering vormt de basis van de afwijkingsaanvraag.

Voeg ten tweede een beoordeling toe waaruit blijkt dat het behalen van de BBT-GMPN zal leiden tot aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu, waarbij wordt gelet op de effecten op andere milieucompartimenten, of aanzienlijke economische gevolgen. 5 Geef een gefundeerd voorstel van emissiegrenswaarden of milieuprestatiegrenswaarden, waarbij in geval van emissiegrenswaarden wordt aangetoond dat ze niet hoger zijn dan de betreffende emissiegrenswaarden van titel II van het VLAREM, voor zover er niet in een afwijkingsmogelijkheid van titel II van het VLAREM is voorzien.

Neem een voorstel op voor elke aangevraagde parameter. Vermeld per parameter de eenheid en de referentieomstandigheden. Onderbouw het voorstel indien mogelijk met emissiemetingen. 6 Geef een voorstel van maatregelen die waarborgen dat er geen aanzienlijke verontreiniging (in geval van afwijking van de BBT-GEN) of aanzienlijke milieugevolgen (in geval van afwijking van de BBT-GMPN) worden veroorzaakt en dat een hoog niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel wordt bereikt. 7 In geval van afwijking van de BBT-GEN, geef een beoordeling van de impact van de afwijking op de concentratie van de betreffende verontreinigende stoffen in het ontvangende milieu. ".

Art. 3.In bijlage 3 bij het hetzelfde besluit, vervangen bij het ministerieel besluit van 21 november 2025, wordt vraag 3.2 vervangen door wat volgt: 3.2 Werd het milieueffectrapport al goedgekeurd? B( ja. Voeg het goedgekeurde milieueffectrapport en de goedkeuringsbeslissing als bijlage D1 bij dit formulier. Ga naar vraag 3.4.

B( nee. Voeg het ontwerp van milieueffectrapport als bijlage D2 bij dit formulier. Ga naar vraag 3.3 en 3.4.

Als u de vragen van onderdeel 4 beantwoordt, kunt u verwijzen naar de specifieke analyse en evaluatie in het milieueffectrapport. Geef daarbij duidelijk aan welke milderende maatregelen uit het milieueffectrapport effectief uitgevoerd zullen worden. ".

Art. 4.In bijlage 5 bij hetzelfde besluit, vervangen bij het ministerieel besluit van 13 oktober 2020Relevante gevonden documenten type ministerieel besluit prom. 13/10/2020 pub. 21/10/2020 numac 2020031547 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Ministerieel besluit tot wijziging van de lijst gevoegd bij het koninklijk besluit van 1 februari 2018 tot vaststelling van de procedures, termijnen en voorwaarden inzake de tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen in de kosten van farmaceutische specialiteiten type ministerieel besluit prom. 13/10/2020 pub. 21/10/2020 numac 2020031546 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Ministerieel besluit tot wijziging van de lijst gevoegd bij het koninklijk besluit van 1 februari 2018 tot vaststelling van de procedures, termijnen en voorwaarden inzake de tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen in de kosten van farmaceutische specialiteiten type ministerieel besluit prom. 13/10/2020 pub. 21/10/2020 numac 2020031548 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Ministerieel besluit tot wijziging van de lijst gevoegd bij het koninklijk besluit van 1 februari 2018 tot vaststelling van de procedures, termijnen en voorwaarden inzake de tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen in de kosten van farmaceutische specialiteiten type ministerieel besluit prom. 13/10/2020 pub. 20/10/2020 numac 2020015780 bron federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu Ministerieel besluit tot erkenning van de koepels van niet-gouvernementele milieuorganisaties voor wat betreft materies die behoren tot de bevoegdheid van de federale overheid voor de erkenningscyclus 2020-2024 sluiten en gewijzigd bij het ministerieel besluit van 9 augustus 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in vraag 2.11 wordt de rij B( een vraag tot afwijking van de emissiegrenswaarden bepaald in titel III van het VLAREM, waarbij niet voldaan wordt aan de met BBT geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN), bepaald in de door de Europese Commissie aangenomen BBT-conclusies.

Vul addendum Q6 in en voeg het als bijlage Q6 bij dit formulier. vervangen door de rij B( een vraag tot afwijking van de emissiegrenswaarden of van de milieuprestatiegrenswaarden bepaald in titel III van het VLAREM, waarbij niet voldaan wordt aan de met BBT geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN) of aan de met BBT geassocieerde milieuprestatieniveaus (BBT-GMPN) bepaald in de door de Europese Commissie aangenomen BBT-conclusies.

Vul addendum Q6 in en voeg het als bijlage Q6 bij dit formulier. 2° in onderdeel 3 wordt de kop 3.U dient een verzoek tot bijstelling van de bijzondere milieuvoorwaarden in voor een ingedeelde inrichting of activiteit waarvan u niet de exploitant bent vervangen door de kop 3. U dient een verzoek tot bijstelling van de bijzondere milieuvoorwaarden in voor een ingedeelde inrichting of activiteit waarvan u niet de exploitant bent of u dient als Vlaamse Milieumaatschappij een verzoek tot bijstelling van het voorwerp en de duur van de vergunning in 3° vraag 3.9 wordt toegevoegd, die luidt als volgt: 3.9 (Enkel voor Vlaamse Milieumaatschappij) Geef een omschrijving van de bijstelling van het voorwerp of de duur van de vergunning om de doelstelling van de Kaderrichtlijn Water te verwezenlijken.

Motiveer waarom de vergunning moet worden bijgesteld overeenkomstig artikel 83, paragraaf 2/1, van het Omgevingsvergunningendecreet. 4° in vraag 5.1 wordt de rij B( bijlage Q6: afwijking van de emissiegrenswaarden bepaald in titel III van het VLAREM, waarbij niet voldaan wordt aan de met BBT geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN), bepaald in de door de Europese Commissie aangenomen BBT-conclusies vervangen door de rij B( bijlage Q6: afwijking van de emissiegrenswaarden of van de milieuprestatiegrenswaarden bepaald in titel III van het VLAREM, waarbij niet voldaan wordt aan de met BBT geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN) of aan de met BBT geassocieerde milieuprestatieniveaus (BBT-GMPN) bepaald in de door de Europese Commissie aangenomen BBT-conclusies. ".

Art. 5.In bijlage 6 bij hetzelfde besluit, vervangen bij het ministerieel besluit van 21 november 2025, wordt vraag 3.2 vervangen door wat volgt: 3.2 Werd het milieueffectrapport al goedgekeurd? B( ja. Voeg het goedgekeurde milieueffectrapport en de goedkeuringsbeslissing als bijlage D1 bij dit formulier. Ga naar vraag 3.4.

B( nee. Voeg het ontwerp van milieueffectrapport als bijlage D2 bij dit formulier. Ga naar vraag 3.3 en 3.4.

Als u de vragen van onderdeel 4 beantwoordt, kunt u verwijzen naar de specifieke analyse en evaluatie in het milieueffectrapport. Geef daarbij duidelijk aan welke milderende maatregelen uit het milieueffectrapport effectief uitgevoerd zullen worden. ".

Art. 6.In bijlage 19 bij hetzelfde besluit, vervangen bij het ministerieel besluit van 21 november 2025, wordt vraag 3.2 vervangen door wat volgt: 3.2 Werd het milieueffectrapport al goedgekeurd? B( ja. Voeg het goedgekeurde milieueffectrapport en de goedkeuringsbeslissing als bijlage D1 bij dit formulier. Ga naar vraag 3.4.

B( nee. Voeg het ontwerp van milieueffectrapport als bijlage D2 bij dit formulier. Ga naar vraag 3.3 en 3.4.

Als u de vragen van onderdeel 4 beantwoordt, kunt u verwijzen naar de specifieke analyse en evaluatie in het milieueffectrapport. Geef daarbij duidelijk aan welke milderende maatregelen uit het milieueffectrapport effectief uitgevoerd zullen worden. ".

Art. 7.Dit besluit treedt in werking op 3 november 2026.

Brussel, 14 oktober 2026.

De Vlaamse minister van Omgeving en Landbouw, J. BROUNS


^