Etaamb.openjustice.be
Koninklijk Besluit van 27 april 2004
gepubliceerd op 24 juni 2004

Koninklijk besluit betreffende de werkzitplaatsen en rustzitplaatsen

bron
federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg
numac
2004200547
pub.
24/06/2004
prom.
27/04/2004
ELI
eli/besluit/2004/04/27/2004200547/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

27 APRIL 2004. - Koninklijk besluit betreffende de werkzitplaatsen en rustzitplaatsen (1)


ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, inzonderheid op artikel 4, § 1, eerste lid, gewijzigd bij de wet van 7 april 1999;

Gelet op het Algemeen reglement voor de arbeidsbescherming, goedgekeurd door de besluiten van de Regent van 11 februari 1946 en 27 september 1947, inzonderheid op titel II, hoofdstuk III, afdeling IIbis, omvattende de artikelen 171 tot 173, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 18 februari 1960 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 8 januari 1964 en 14 maart 1974;

Gelet op het advies van de Hoge Raad voor Preventie en Bescherming op het Werk, gegeven op 27 juni 2003;

Gelet op advies nr. 35.905/1 van de Raad van State, gegeven op 2 oktober 2003;

Op de voordracht van Onze Minister van Werk en Onze Staatssecretaris voor Arbeidsorganisatie en Welzijn op het werk, Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.Dit besluit is van toepassing op de werkgevers en op de werknemers, en op de daarmee gelijkgestelde personen, bedoeld in artikel 2 van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk.

Art. 2.§ 1. De werkgever is ertoe gehouden voor elke activiteit die staande wordt verricht, een risicoanalyse uit te voeren overeenkomstig artikel 8 van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende het beleid inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk.

Deze risicoanalyse houdt rekening met het feit of de activiteit aanhoudend of doorgaans staande wordt uitgeoefend, evenenals met de duur en de intensiteit van de blootstelling aan de statische belasting, teneinde elk risico voor het welzijn van de werknemers te beoordelen. § 2. Indien uit de resultaten van de risicoanalyse bedoeld in § 1, blijkt dat er een risico voor het welzijn van de werknemers bestaat, neemt de werkgever de nodige maatregelen om er voor te zorgen dat elke betrokken werknemer over een rustzitplaats beschikt waarop hij bij tussenpozen of na bepaalde tijdruimten kan gaan zitten.

Wanneer de aard van de activiteiten van de betrokken werknemer niet toelaat een rustzitplaats te gebruiken, organiseert de werkgever de activiteiten op dergelijke wijze dat deze werknemer bij tussenpozen of na bepaalde tijdruimten zittend kan werken op een werkzitplaats. § 3. De rusttijden of de zittende werktijden moeten ten minste een kwartier tijdens de eerste helft van de arbeidsdag en ten minste een kwartier tijdens de tweede helft van de arbeidsdag bereiken. Deze rusttijden of deze zittende werktijden moeten genomen worden ten vroegste na anderhalf uur en ten laatste na twee en een half uur prestaties.

Art. 3.Voor de werknemers die activiteiten uitoefenen waarvan de aard verenigbaar is met zittend werk, stelt de werkgever een werkzitplaats ter beschikking.

Art. 4.§ 1. De werkzitplaatsen en de rustzitplaatsen beantwoorden aan de comfort-en gezondheidseisen. Voorafgaandelijk aan hun keuze maken ze het voorwerp uit van een risicoanalyse overeenkomstig artikel 2, § 1, eerste lid, om het welzijn van de werknemers te waarborgen tijdens het gebruik ervan. § 2. De rustzitplaatsen zijn gemakkelijk bereikbaar, kunnen onmiddellijk gebruikt worden en mogen in geen geval een hindernis vormen voor de doorgang.

Art. 5.De werknemers worden ingelicht omtrent alle maatregelen die genomen worden in toepassing van dit besluit.

Art. 6.De afdeling IIbis van hoofdstuk III van titel II van het Algemeen reglement voor de arbeidsbescherming, goedgekeurd door de besluiten van de Regent van 11 februari 1946 en 27 september 1947, omvattende de artikelen 171 tot 173, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 18 februari 1960 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 8 januari 1964 en 14 maart 1974, wordt opgeheven.

Art. 7.De bepalingen van de artikelen 1 tot 5 vormen de afdeling IV van hoofdstuk II van titel VI van de Codex over het welzijn op het werk met volgende opschriften : 1° « Titel VI.- Arbeidsmiddelen »; 2° « Hoofdstuk II.- Specifieke bepalingen »; 3° « Afdeling IV.- Werkzitplaatsen en rustzitplaatsen ».

Art. 8.Onze Minister van Werk en Onze Staatssecretaris voor Arbeidsorganisatie en Welzijn op het werk, zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 27 april 2004.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Werk, F. VANDENBROUCKE De Staatssecretaris voor Arbeidsorganisatie en Welzijn op het werk, K. VAN BREMPT _______ Nota (1) Verwijzingen naar het Belgisch Staatsblad : Wet van 4 augustus 1996, Belgisch Staatsblad van 18 september 1996; Wet van 7 april 1999, Belgisch Staatsblad van 20 april 1999;

Besluit van de Regent van 11 februari 1946, Belgisch Staatsblad van 3 en 4 april 1946;

Besluit van de Regent van 27 september 1947, Belgisch Staatsblad van 3 en 4 oktober 1947;

Koninklijk besluit van 18 februari 1960, Belgisch Staatsblad van 24 maart 1960;

Koninklijk besluit van 8 januari 1964, Belgisch Staatsblad van 7 februari 1964;

Koninklijk besluit van 14 maart 1974, Belgisch Staatsblad van 30 maart 1974.

^