Etaamb.openjustice.be
Koninklijk Besluit van 23 november 2000
gepubliceerd op 30 november 2000

Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, ten gunste van de artiesten

bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
numac
2000012912
pub.
30/11/2000
prom.
23/11/2000
ELI
eli/besluit/2000/11/23/2000012912/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

23 NOVEMBER 2000. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, ten gunste van de artiesten (1)


VERSLAG AAN DE KONING Sire, De bedoeling van het besluit dat aan Uw handtekening wordt voorgelegd, is het wijzigen van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering.

Het koninklijk besluit beoogt in essentie, en overeenkomstig het Regeringsakkoord van 30 april 1999 en de Regeringsverklaring van 14 juli 1999, in te spelen op de terugkerende moeilijkheden van de werklozen die een artistieke activiteit tijdens hun werkloosheid uitoefenen of wensen uit te oefenen.

Het biedt de mogelijkheid aan de volledig werklozen : - een bijkomende artistieke activiteit aan te vatten of voort te zetten tijdens de werkloosheid; - dit te kunnen doen tussen 7 uur en 18 uur (het verbod wordt afgeschaft); - de werkloosheidstoelagen integraal te blijven ontvangen gedurende het uitoefenen van de activiteit op voorwaarde dat deze geen netto belastbaar inkomen verschaft dat hoger is dan 130.668 frank (bedrag op 1.9.2000). Indien het inkomen hoger ligt, worden de toelagen in verhouding verlaagd.

Het nagestreefde doel is dubbel : + de regels verhelderen die van toepassing zijn op het grote aantal situaties waarin de werklozen kunnen verkeren die een artistieke activiteit uitoefenen en zodoende de juridische onzekerheid en de willekeurige interpretaties afschaffen. De werkloosheidsreglementering moet geen bron van uitsluiting zijn.

Voortaan, en op voorwaarde dat hij zijn activiteit aangeeft, zal de werkloze niet meer het voorwerp van een sanctie kunnen uitmaken.

Vermits hij van bij het begin beter ingelicht is, zal hij bovendien bepaalde terugbetalingen kunnen vermijden of verminderen die te wijten zijn aan een overschrijding van het geoorloofde bedrag van de inkomsten. + aan de werklozen een bijkomend instrument bezorgen voor hun inschakeling in de arbeidsmarkt, of ten minste toch het voortzetten of het ontwikkelen toelaten van een sociaal en cultureel leven tijdens de werkloosheid. Voor bepaalde disciplines gaat het eveneens om het eenvoudig toelaten van het onderhoud van een werktuig, dat bij gebrek aan dit onderhoud, onherroepelijk verloren zou gaan; het gaat bijgevolg over het toelaten van een training. De instap in de werkloosheidsverzekering moet geen aantasting van de beroepsvaardigheden met zich brengen en zo een werkloosheidsval gaan vormen.

Wanneer de bijkomende artistieke activiteit een hoofdbezigheid wordt (de inschatting van het hoofd- of bijkomende karakter gebeurt op grond van de gegenereerde inkomsten, van de tijd die aan deze activiteit wordt besteed), wordt een hindernis opgeworpen aan het toekennen van de werkloosheidstoelagen en de kunstenaar wordt onvergoedbaar met toepassing van de gewone regels.

Overigens blijft de werkloosheidsverzekering een verzekering tegen de onvrijwillige werkloosheid en de basisprincipes ervan (toelating op grond van de vroeger gesalarieerde arbeid, beschikbaarheid op de arbeidsmarkt, gemeentelijke controle) blijven volledig toepasbaar.

Naast de wijzigingen betreffende de artistieke activiteit maken twee andere artikelen het voorwerp uit van een aanpassing : de artikelen 42 en 48 van het koninklijk besluit. In zijn nieuwe formule zal artikel 42 de volledig werkloze toelaten meerdere keren te trachten een beroep uit te oefenen dat niet onderworpen is aan het stelsel van de loontrekkende werknemers, en dit gedurende meer dan drie jaar. Na zijn beroepservaring kan hij opnieuw zijn recht op werkloosheidsuitkeringen opnemen.

De voorwaarde bedoeld in artikel 48, § 1, eerste lid, 2°, wordt versoepeld in zoverre dat de periode van drie maanden verlengd wordt in twee veronderstellingen (tijdelijke werkloosheid en overmacht).

Bovendien wordt een nieuw lid ingevoerd (tweede lid); het vermeldt een vrijstelling van de voorwaarde onder het eerste lid, 2° .

Onderzoek van de artikelen : Artikel 1 : Dit artikel voert in artikel 27 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 de definitie van de artistieke activiteit in.

Artikel 2 : Dit artikel laat voortaan toe, meerdere keren de verlenging van zes jaar toe te staan bedoeld in artikel 42, § 2, 3°.

Het gaat om de periode van vrijstelling van stage (periode van drie jaar tijdens welke de werknemer opnieuw tot de uitkering kan worden toegelaten) die wordt aangeboden aan de werknemer die zijn werkloosheid onderbreekt om een activiteit uit te oefenen die zijn onderwerping aan de sociale zekerheid van de loontrekkende werknemers niet met zich brengt.

Artikel 3 : Dit artikel voert in artikel 45 een afwijking in : het somt de drie soorten activiteiten op die geen arbeid zijn in de zin van de werkloosheidsreglementering. Daaruit volgt dat de uitoefening ervan geen hindernis vormt voor het ontvangen van werkloosheidsuitkeringen.

Artikel 4 : Dit artikel voert bepaalde versoepelingen in, in de voorwaarde van de drie maanden uitoefening van de bijkomende activiteit voorafgaand aan de werkloosheid en bijkomend bij de uitoefening van de activiteit.

Artikel 5 : Dit voert in de werkloosheidsreglementering een artikel 74bis in, dat zich bevindt in het hoofdstuk dat gewijd is aan de bijzondere stelsels. § 1 legt het toepassingsgebied van de bepaling vast : zij slaat op de artistieke activiteit die effectief geïntegreerd is in de loop van de economische omwisseling en het inkomen dat eruit voortvloeit. Bij de toepassing van de werkloosheidsreglementering betekent het inkomen de opbrengst van de artistieke activiteit die als beroep uitgeoefend wordt, dat alles omvat wat verkregen wordt of kan worden omwille van of ter gelegenheid van deze activiteit en dat niet zou verkregen worden zonder de uitoefening van deze activiteit. De modaliteiten of de schuldenaar van het inkomen zijn niet van belang. Het in beschouwing nemen van het inkomen wordt geregeld door artikel 7 van voorliggend besluit, tot wijziging van artikel 130 van het voornoemde koninklijk besluit van 25 november 1991. § 2 behandelt het stelsel dat van toepassing is op de scheppende artistieke activiteit. De activiteit moet niet worden uitgeoefend als hoofdberoep en moet aangegeven worden op het ogenblik van het verzoek om uitkeringen of later op het ogenblik van het begin van de activiteit gedurende een periode van werkloosheid of op het ogenblik dat hij inkomsten geniet van een vroegere artistieke activiteit.

De werkloze moet op zijn controlekaart geen inlichtingen verstrekken over zijn artistieke activiteiten, behalve in de veronderstellingen bedoeld in de leden 3 en 4. In dat geval haalt hij het vak van de overeenkomstige dag door en verliest hij de werkloosheidsuitkering voor die dag. § 3 slaat op de artistieke activiteit die wordt uitgeoefend in de hoedanigheid van vertolker. Men ontmoet dit soort activiteit bij verplichte repetities of voorstellingen. De werkloze is verplicht ze te vermelden op zijn controlekaart, wat het verlies met zich brengt van de werkloosheidsuitkering per dag prestatie. § 4 slaat op de veronderstelling dat de activiteit hoofdberoep is of wordt.

Artikel 6 : Dit artikel past de tekst van artikel 89 van hetzelfde besluit aan.

Artikel 7 : Dit artikel voorziet het in beschouwing nemen van het inkomen en de berekening van de vermindering van de uitkeringen. Met het inkomen dat voortvloeit uit de scheppende artistieke activiteit wordt jaarlijks rekening gehouden. Het gaat om het netto belastbaar inkomen (na aftrek van de beroepsonkosten), als dusdanig beschouwd door de fiscale administratie die als enige bevoegd is om dit begrip na te gaan. Indien het netto belastbaar inkomen het bedrag van 130.668 frank niet overschrijdt, blijft de werkloosheidsuitkering integraal behouden. Indien het dit bedrag overschrijdt, dan wordt de werkloosheidsuitkering verhoudingsgewijs verminderd. Rekening houdend met de regels die worden toegepast door de administratie der belastingen, kan het jaarinkomen slechts na een bepaalde periode worden vastgelegd (één, of zelfs twee jaar). Deze situatie heeft natuurlijk een weerslag op het vastleggen van het bedrag van de werkloosheidstoelage, die definitief zal bepaald worden, na de fiscale ingreep, en verhoogd of verlaagd zal worden. In dit laatste geval zou het bestaan van een niet-verschuldigd bedrag kunnen worden vastgesteld. Om deze situatie te vermijden kan de werkloze het bedrag van zijn uitkering ramen en in voorkomend geval spontaan aan de RVA een vermindering ervan vragen, op basis van het reeds geregistreerde inkomen. Met het inkomen dat ontvangen werd binnen een arbeidsovereenkomst of een statuut wordt geen rekening gehouden vermits er reeds een integraal verlies van de werkloosheidsuitkering is geweest voor de dagen die door dit loon zijn gedekt.

Ik heb de eer te zijn, Sire, van Uwe Majesteit, de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienares, De Minister van Werkgelegenheid, Mevr.L. ONKELINX

23 NOVEMBER 2000. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, ten gunste van de artiesten (1) ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, inzonderheid op artikel 7, gewijzigd bij de wetten van 14 juli 1951, 14 februari 1961, 16 april 1963, 11 januari 1967, 10 oktober 1967, de koninklijke besluiten nr. 13 van 11 oktober 1978 en nr. 28 van 24 maart 1982, de wetten van 22 januari 1985, 30 december 1988, 26 juni 1992 en 30 maart 1994, het koninklijk besluit van 14 november 1996 en de wetten van 13 maart 1997 en 13 februari 1998;

Gelet op het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, inzonderheid op de artikelen 27, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 21 december 1992, 12 augustus 1994 en 13 juni 1999, 42, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 25 mei 1993 en 22 november 1995, 45, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 31 december 1992, 29 januari 1993, 26 maart 1996, 10 juli 1998 en 25 maart 1999, 48, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 12 augustus 1994, 89, § 1, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 2 oktober 1992 en 22 november 1995, 116, § 5, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 9 november 1994, 117, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 22 november 1995 en 130, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 29 juni 1992 en 12 maart 1999;

Gelet op het advies van het beheerscomité van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening, gegeven op 6 januari 2000;

Gelet op het advies van de Inspecteur van Financïen, gegeven op 22 mei 2000;

Gelet op het akkoord van Onze Minister van Begroting, gegeven op 10 juli 2000;

Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven op 28 september 2000;

Op de voordracht van Onze Minister van Werkgelegenheid,Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.Artikel 27 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 21 december 1992, 12 augustus 1994 en 13 juni 1999, wordt aangevuld als volgt : « 10° artistieke activiteit : de creatie en vertolking van artistieke werken, inzonderheid op het vlak van de audiovisuele en beeldende kunsten, de muziek, de literatuur, het spektakelbedrijf, het decorontwerp en de choreografie. ».

Art. 2.Artikel 42, § 2, 3°, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 22 november 1995, wordt vervangen door de volgende bepaling : « 3° de uitoefening gedurende een periode van ten minste zes maanden van een beroep waardoor de werknemer niet onder de sociale zekerheid, sector werkloosheid, valt; die verlenging mag niet meer dan zes jaar bedragen. »

Art. 3.In artikel 45 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 31 december 1992, 29 januari 1993, 26 maart 1996, 10 juli 1998 en 25 maart 1999, wordt tussen het derde en het vierde lid het volgende lid ingevoegd : « Wordt inzonderheid, voor de toepassing van artikel 44, niet als arbeid beschouwd : 1° de niet bezoldigde activiteit in het kader van een artistieke vorming;2° de artistieke activiteit die als hobby wordt verricht;3° de aanwezigheid van de kunstenaar bij een publieke tentoonstelling van zijn artistieke creaties, niet bedoeld in artikel 74bis, § 2, derde lid.»

Art. 4.Artikel 48 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 12 augustus 1994, wordt vervangen door de volgende bepaling : «

Art. 48.§ 1. De werkloze die op bijkomstige wijze een activiteit uitoefent in de zin van artikel 45, niet bedoeld in artikel 74bis, kan mits toepassing van artikel 130, uitkeringen genieten op voorwaarde dat : 1° hij daarvan aangifte doet bij zijn uitkeringsaanvraag;2° hij deze activiteit reeds uitoefende terwijl hij tewerkgesteld was als werknemer, en dit ten minste gedurende de drie maanden voorafgaand aan de uitkeringsaanvraag;deze periode wordt verlengd met de periodes van tijdelijke werkloosheid in het hoofdberoep en met de periodes van werkverhindering ingevolge overmacht; 3° hij deze activiteit voornamelijk verricht tussen 18 uur en 7 uur. Deze beperking geldt niet voor de zaterdagen en de zondagen, en voor de tijdelijk werkloze, evenmin voor de dagen waarop hij in zijn hoofdberoep gewoonlijk inactief is; 4° het geen activiteit betreft : a) in een beroep dat alleen na 18 uur wordt uitgeoefend;b) in een beroep dat valt onder het hotelbedrijf, met inbegrip van de restaurants en de drankgelegenheden, of onder de vermaakondernemingen, of het geen activiteit betreft als leurder, reiziger, verzekeringsagent of -makelaar, tenzij de activiteit van gering belang is;c) die, krachtens de wet van 6 april 1960 betreffende de uitvoering van bouwwerken, niet verricht mag worden. De werknemer wordt vrijgesteld van de in het eerste lid, 2°, vermelde voorwaarde indien hij, ten aanzien van dezelfde activiteit, reeds voldeed aan deze voorwaarde : 1° ter gelegenheid van een vorige uitkeringsaanvraag;2° of, in de periode die de vestiging als zelfstandige in hoofdberoep voorafging, indien de werknemer een uitkeringsaanvraag indient bij de stopzetting van dit hoofdberoep. Voor de volledig werkloze wordt bovendien geen uitkering verleend voor elke zaterdag waarop hij zijn activiteit uitoefent en wordt een uitkering in mindering gebracht voor elke zondag waarop hij zijn activiteit uitoefent.

Voor de tijdelijk werkloze wordt bovendien één uitkering in mindering gebracht voor elke zondag en voor elke gewone dag waarop hij gewoonlijk geen activiteit uitoefent in zijn hoofdberoep, tijdens dewelke hij zijn activiteit uitoefent. § 2. De verklaringen die de werkloze aflegt betreffende zijn activiteit, worden terzijde geschoven wanneer zij door ernstige, nauwkeurige en overeenstemmende vermoedens worden tegengesproken. § 3. Het recht op uitkeringen wordt ontzegd, zelfs voor de dagen waarop de werkloze geen activiteit verricht, indien de activiteit ingevolge het aantal arbeidsuren of het bedrag van de inkomsten, niet of niet langer het karakter heeft van een bijkomstige activiteit.

De beslissing bedoeld in het eerste lid gaat in : 1° vanaf de dag waarop de activiteit niet langer het karakter heeft van een bijkomstige activiteit, indien er nog geen geldige uitkeringskaart bestond die het recht op uitkeringen verleent voor de periode ingaand vanaf de aangifte of in geval van ontbreken van aangifte of onjuiste of onvolledige aangifte;2° vanaf de maandag volgend op de afgifte ter post van de brief waarbij de beslissing ter kennis wordt gebracht van de werkloze, in de andere gevallen.» Deze paragraaf is van toepassing zelfs indien de activiteit wordt uitgeoefend buiten de voorwaarden van § 1.

Art. 5.In hetzelfde besluit wordt een artikel 74bis ingevoegd, luidend als volgt : «

Art. 74bis.§ 1. De uitoefening van een artistieke activiteit in de zin van artikel 27, 10°, die ingeschakeld is in het economisch ruilverkeer, en het ontvangen van een inkomen in de zin van artikel 130, uit de uitoefening van een artistieke activiteit, geven aanleiding tot de toepassing van de volgende bepalingen. § 2. Artikel 130 is toepasselijk op het inkomen dat voortvloeit uit de artistieke activiteit, zoals bedoeld in § 1 indien de navermelde voorwaarden gelijktijdig vervuld zijn : 1° het gaat om een creatieve activiteit, 2° de activiteit wordt niet verricht als hoofdberoep;3° de werkloze doet aangifte van de activiteit op het tijdstip van de uitkeringsaanvraag of later, bij de aanvang van de activiteit tijdens de werkloosheid of bij de ontvangst van de inkomsten uit een voordien uitgeoefende artistieke activiteit; De in het eerste lid bedoelde activiteit wordt, in afwijking van artikel 71, niet op de controlekaart vermeld. Zij leidt niet tot het verlies van een uitkering voor de dagen van activiteit.

Wordt echter wel op de controlekaart vermeld en leidt tot het verlies van een uitkering voor de dagen van activiteit en voor de dagen bedoeld in de artikelen 55, 7° of 109 : 1° de aanwezigheid van de kunstenaar bij een publieke tentoonstelling van zijn artistieke creaties, indien deze aanwezigheid vereist is op grond van een overeenkomst met een derde die de creatie commercialiseert of indien het een tentoonstelling betreft in lokalen die bestemd zijn voor verkoop van dergelijke creaties en de kunstenaar zelf instaat voor de verkoop;2° de activiteit van de kunstenaar op de dagen van de opname van audiovisuele werken of op de dagen waarop hij prestaties verricht tegen betaling van een loon;3° de in het eerste lid bedoelde activiteit, indien zij wordt verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst of een statutaire tewerkstelling. Wordt eveneens op de controlekaart vermeld en kan, voor zover de betrokkene beschouwd wordt als deeltijdse werknemer met behoud van rechten, leiden tot de toekenning van een inkomensgarantie-uitkering in toepassing van artikel 131bis, de in het eerste lid bedoelde activiteit, indien zij wordt verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst of een statutaire tewerkstelling met een deeltijdse arbeidsregeling.

Onverminderd de toepassing van § 4 en van artikel 153 wordt in geval van afwezigheid van aangifte of van onjuiste, onvolledige of laattijdige aangifte, toepassing gemaakt van het tweede en het derde lid en van artikel 130, § 3. § 3. Artikel 130, §§ 1 en 2, is toepasselijk op het inkomen dat voortvloeit uit de artistieke vertolkende activiteit.

Deze activiteit wordt op de controlekaart vermeld overeenkomstig artikel 71. Zij leidt tot het verlies van een uitkering voor de dagen van activiteit en voor de dagen bedoeld in de artikelen 55, 7° en 109.

Zij kan, voor zover de betrokkene beschouwd wordt als deeltijdse werknemer met behoud van rechten, leiden tot de toekenning van een inkomensgarantie-uitkering in toepassing van artikel 131bis. § 4. Het recht op uitkeringen wordt ontzegd, zelfs voor de dagen waarop de werkloze geen activiteit verricht, indien de activiteit van scheppend kunstenaar ingevolge het bedrag van de inkomsten of het aantal arbeidsuren het karakter heeft van een hoofdberoep.

De beslissing bedoeld in het eerste lid gaat in : 1° vanaf de dag waarop de activiteit het karakter heeft van een hoofdberoep indien er nog geen geldige uitkeringskaart werd afgeleverd die het recht op uitkeringen verleent voor de periode ingaand vanaf de aangifte of in geval van ontbreken van aangifte of onjuiste of onvolledige aangifte;2° vanaf de maandag volgend op de afgifte ter post van de brief waarbij de beslissing ter kennis wordt gebracht van de werkloze, in de andere gevallen. § 5. De verklaringen die de werkloze aflegt betreffende zijn activiteit en zijn inkomsten, worden terzijde geschoven wanneer zij door ernstige, nauwkeurige en overeenstemmende vermoedens worden tegengesproken.

Art. 6.In artikel 89, § 1, van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 22 november 1995, wordt de verwijzing « 48, § 1, 2° » vervangen door de verwijzing « 48, § 1, eerste lid, 2° ».

Art. 7.Artikel 130 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 29 juni 1992 en 12 maart 1999, wordt vervangen door de volgende bepaling : «

Art. 130.§ 1. Valt onder de toepassing van § 2, de werkloze die : 1° op bijkomstige wijze een activiteit uitoefent binnen de voorwaarden bedoeld in artikel 48, § 1;2° een mandaat uitoefent in de zin van artikel 49, of een onvolledig pensioen ingevolge de uitoefening van dergelijk mandaat geniet;3° een prestatie geniet wegens een arbeidsongeschiktheid of een invaliditeit in de zin van artikel 61, § 3;4° een pensioen geniet in de zin van artikel 65, § 2;5° gerechtigd is op de uittredingsvergoeding toegekend krachtens de wet van 3 mei 1971 tot bevordering van de sanering van de landbouw en van de tuinbouw;6° in de loop van het kalenderjaar inkomsten ontvang voortvloeiend uit de oefening van een scheppende of een vertolkende artistieke activiteit. § 2. Het dagbedrag van de uitkering wordt verminderd met het gedeelte van het dagbedrag van het inkomen bedoeld in § 1 dat 30 pct. van het maximum dagbedrag van de werkloosheidsuitkering van de werkloze met gezinslast, zoals vastgesteld overeenkomstig artikel 114, overschrijdt. Het aldus bekomen bedrag wordt op de hogere frank afgerond en mag in de gevallen bedoeld in § 1, 2° en 5°, niet minder bedragen dan 5 frank.

In het geval bedoeld in § 1, 1°, wordt rekening gehouden met het globale inkomen, met inbegrip van datgene wat verworven wordt op de dagen waarvoor een uitkering in mindering wordt gebracht of waarvoor geen uitkering wordt verleend.

In het geval bedoeld in § 1, 6°, wordt geen rekening gehouden met het inkomen dat voortvloeit uit een activiteit als loontrekkende of een statutaire tewerkstelling.

Er wordt geen rekering gehouden met het inkomen voortvloeiend uit artistieke activiteiten die definitief beëindigd werden vóór het begin van een werkloosheidsperiode of reeds gedurende twee opeenvolgende kalenderjaren beëindigd werden.

Het dagbedrag van het inkomen bedoeld in § 1 wordt bekomen door het netto jaarinkomen te delen door 312. Wanneer het nochtans een activiteit betreft die niet in loondienst wordt uitgeoefend, wordt rekening gehouden met het netto belastbaar jaarinkomen. § 3. In afwijking van § 2, eerste lid, wordt voor de werkloze bedoeld in artikel 74bis, § 2, vijfde lid, het dagbedrag van de uitkering verminderd met het dagbedrag van het inkomen. ».

Art. 8.Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2001.

Art. 9.Onze Minister van Werkgelegenheid is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 23 november 2000.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Werkgelegenheid, Mevr. L. ONKELINX _______ Nota (1) Verwijzingen naar het Belgisch Staatsblad : Besluitwet van 28 december 1944, Belgisch Staatsblad van 30 december 1944; Wet van 14 juli 1951, Belgisch Staatsblad van 16 december 1951;

Wet van 14 februari 1961, Belgisch Staatsblad van 15 februari 1961;

Wet van 16 april 1963, Belgisch Staatsblad van 23 april 1963;

Wet van 11 januari 1967, Belgisch Staatsblad van 14 januari 1967;

Wet van 10 oktober 1967, Belgisch Staatsblad van 31 oktober 1967;

Koninklijk besluit nr. 13 van 11 oktober 1978, Belgisch Staatsblad van 31 oktober 1978;

Koninklijk besluit nr. 28 van 24 maart 1982, Belgisch Staatsblad van 26 maart 1982;

Wet van 22 januari 1985, Belgisch Staatsblad van 24 januari 1985;

Wet van 30 december 1988, Belgisch Staatsblad van 5 januari 1989;

Wet van 26 juni 1992, Belgisch Staatsblad van 30 juni 1992;

Wet van 30 maart 1994, Belgisch Staatsblad van 31 maart 1994;

Koninklijk besluit van 14 november 1996, Belgisch Staatsblad van 19 februari 1998;

Wet van 13 maart 1997, Belgisch Staatsblad van 10 juni 1997;

Wet van 13 februari 1998, Belgisch Staatsblad van 19 februari 1998;

Koninklijk besluit van 25 november 1991, Belgisch Staatsblad van 31 december 1991;

Koninklijk besluit van 29 juni 1992, Belgisch Staatsblad van 8 juli 1992;

Koninklijk besluit van 2 oktober 1992, Belgisch Staatsblad van 10 oktober 1992;

Koninklijk besluit van 21 december 1992, Belgisch Staatsblad van 30 december 1992;

Koninklijk besluit van 29 januari 1993, Belgisch Staatsblad van 13 februari 1993;

Koninklijk besluit van 25 mei 1993, Belgisch Staatsblad van 28 mei 1993;

Koninklijk besluit van 12 augustus 1994, Belgisch Staatsblad van 27 augustus 1994;

Koninklijk besluit van 9 november 1994, Belgisch Staatsblad van 22 november 1994;

Koninklijk besluit van 22 november 1995, Belgisch Staatsblad van 8 december 1995;

Koninklijk besluit van 26 maart 1996, Belgisch Staatsblad van 6 april 1996;

Koninklijk besluit van 10 juli 1998, Belgisch Staatsblad van 24 juli 1998;

Koninklijk besluit van 12 maart 1999, Belgisch Staatsblad van 24 maart 1999;

Koninklijk besluit van 25 maart 1999, Belgisch Staatsblad van 3 april 1999;

Koninklijk besluit van 13 juni 1999, Belgisch Staatsblad van 3 juli 1999.

^