gepubliceerd op 15 oktober 2026
Koninklijk besluit tot uitvoering van artikel 109/1 van de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden inzake het afnemen van drugstesten in de gevangenis
22 SEPTEMBER 2026. - Koninklijk besluit tot uitvoering van artikel 109/1 van de basis wet van 12 januari 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 12/01/2005 pub. 01/02/2005 numac 2005009033 bron federale overheidsdienst justitie Basiswet betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden sluiten betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden inzake het afnemen van drugstesten in de gevangenis
VERSLAG AAN DE KONING Sire, Het koninklijk besluit dat U ter ondertekening wordt voorgelegd, strekt ertoe uitvoering te geven aan artikel 109/1 van de basis
wet van 12 januari 2005Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
12/01/2005
pub.
01/02/2005
numac
2005009033
bron
federale overheidsdienst justitie
Basiswet betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden
sluiten betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden (hierna: "de basiswet").
Overeenkomstig artikel 109/1, lid 8, van de basiswet stelt de Koning de nadere regels vast voor het afnemen van de test bedoeld in het eerste lid. Die regels betreffen in elk geval het herhalingsonderzoek en de vervolgcontrole. Voormelde regels maken het voorwerp uit van het voorliggend koninklijk besluit.
Het besluit omvat 7 hoofdstukken.
Het ontwerp van koninklijk besluit werd voor advies aan de Gegevensbeschermingsautoriteit (hierna: GBA) en de Raad van State voorgelegd. Op 30 april 2026 brachten zowel de GBA (nr. 86/2026), als de Raad van State (nr. 79.146/16) advies uit.
Ingevolge de opmerking van de Raad van State in zijn advies nr. 79.146/16 (nr. 3 van advies) werd het aan de voormelde adviezen van 30 april 2026 aangepast ontwerp opnieuw voor advies aan de Raad van State voorgelegd, ter inachtneming van het voorschrift van artikel 3, § 1, eerste lid, van de wetten op de Raad van State.
Op 1 september 2026 werd die adviesaanvraag van de rol afgevoerd, overeenkomstig artikel 84, § 5, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (advies Raad van State nr. 79.989/16-1/V).
In de aanhef van het besluit werden de door de Raad van State in zijn advies nr. 79.146/16 voorgestelde aanpassingen (zie nrs. 4-6 van advies) aangebracht. Bij de artikelsgewijze bespreking wordt verder toegelicht op welke punten het besluit werd aangepast ingevolge de opmerkingen en aanbevelingen van de Raad van State en de GBA. In zijn advies nr. 86/2026 merkte de GBA vooreerst, meer in het algemeen, op dat het artikel 109/1 van de basiswet bijkomend zou moeten worden gemotiveerd in het licht van de door de Centrale Toezichtsraad voor het Gevangeniswezen (hierna: CTRG) aangevoerde argumenten in zijn advies van 15 september 2025. De GBA benadrukt dat de legitimiteit van de nagestreefde finaliteit niet in twijfel wordt getrokken, maar stelt zich in het advies, onder verwijzing naar verschillende elementen van het advies van de CTRG, vragen bij de geschiktheid van het artikel 109/1 van de basiswet om de legitieme doelstelling te verwezenlijken.
Hierop kan echter niet worden geantwoord in een koninklijk besluit ter uitvoering van het reeds gestemde (en in werking getreden) artikel 109/1 van de basiswet. De wetgever meende dat het invoegen van het artikel 109/1 in de basiswet absoluut noodzakelijk was om de nagestreefde, door de GBA als legitiem erkende finaliteit te verwezenlijken op grond van de redenen vermeld in de memorie van toelichting. En de steller van dit besluit sluit zich daarbij aan.
Ten overvloede en voor de goede orde worden de argumenten die de invoering van drugstesten noodzakelijk maken nog op beknopte wijze in herinnering gebracht: - vroegtijdige detectie van druggebruik maakt het mogelijk om sneller begeleiding en hulpverlening op te starten en verdere problemen te voorkomen. Gevalideerde drugstesten zijn nodig voor een tijdige en effectieve reactie op verslavingsproblematiek tijdens detentie. - objectieve vaststelling van gebruik voorkomt discussies en ontkenning door gedetineerden, waardoor de focus kan verschuiven naar begeleiding en aanpak van de problematiek. - bescherming van het leefklimaat: druggebruik kan leiden tot druk, manipulatie, schulden en conflicten tussen gedetineerden; testen helpen dit tijdig op te sporen. - preventief en ontradend effect: de mogelijkheid van testing kan druggebruik ontmoedigen. - verhogen van veiligheid: druggebruik wordt gelinkt aan meer agressie-incidenten; detectie laat toe beschermend op te treden voor gedetineerden en personeel. - betere beleidsvoering: tests geven inzicht in de aard en omvang van het druggebruik en ondersteunen een gerichter preventie-, zorg- en veiligheidsbeleid. - onderbouwing van zorgnoden: objectieve gegevens maken de behoefte aan verslavingszorg en hulpverlening beter aantoonbaar. - niet-punitief doel: het testbeleid is gericht op het bewaken van een veilige leef- en werkomgeving en op het mogelijk maken van aangepaste medische en psychosociale opvolging. - bijdrage aan re-integratie en maatschappelijke veiligheid: het aanpakken van verslavingsproblemen tijdens detentie kan recidive en problemen bij reclassering helpen verminderen.
Artikelsgewijze bespreking
HOOFDSTUK 1 - Definities Artikel 1 Dit artikel omvat enkele definities in het kader van de toepassing van dit besluit, onder andere de omschrijving van de soorten drugstesten (urinetest en speekseltest) en het herhalingsonderzoek. De definitie van het herhalingsonderzoek is gewijzigd ten opzichte van de omschrijving in de memorie van toelichting bij het wetsontwerp. De definitie werd immers aangepast aan het testmateriaal dat zal worden gebruikt, waarbij is gekozen voor een meer gebruiksvriendelijke urinetest.
De regels van dit besluit zijn van toepassing voor de afname van drugstesten in de gevangenis. Het betreft zowel de klassieke gevangenissen als de detentiehuizen.
De punten 5° en 6° van dit artikel werden aangepast om tegemoet te komen aan de opmerkingen van de Raad van State inzake de terminologische eenvormigheid (nrs. 7-8 van advies). In het punt 8° wordt, zoals door de GBA geadviseerd (conclusie advies, punt 11), het laboratorium dat zal instaan voor het herhalingsonderzoek gedefinieerd als het Nationaal Instituut voor Criminologie en Criminalistiek (hierna: NICC), met vermelding van het normatief kader van deze instelling.
HOOFDSTUK 2 - Algemeen Art. 2.
Artikel 2 omschrijft de gevallen waarin getest kan worden. Wanneer er individuele aanwijzingen zijn van gebruik van verboden stoffen kan de directeur, om de orde of de veiligheid te handhaven, beslissen tot de afname van een drugstest. De gedetineerde kan, om de orde of de veiligheid te handhaven, eveneens worden onderworpen aan de afname van een drugstest op basis van een door de directeur besliste computergestuurde steekproef.
Dit artikel is, ingevolge het advies van de Raad van State (nr. 9 van advies), gewijzigd om de beide daarin voorziene hypothesen duidelijker te onderscheiden; het artikel wordt met het oog daarop ook opgedeeld in twee paragrafen.
Daarnaast verduidelijkt de eerste paragraaf aangaande de individuele beslissing van de directeur tot afname van een drugstest, nog dat de redenen van deze beslissing (in elk geval) mondeling aan de gedetineerde worden meegedeeld door een personeelslid voorafgaand aan de afname van de drugstest. De schriftelijke beslissing wordt zo snel mogelijk, en uiterlijk binnen vierentwintig uur nadat de drugstest is afgenomen, aan de gedetineerde meegedeeld. De Raad van State merkte op dat een urinetest zou toelaten om verboden stoffen gedurende een langere tijd te kunnen opsporen en aantonen, en stelt de vraag in welke gevallen het niet mogelijk is een schriftelijke motivering voor een drugstest te verschaffen. De Raad van State gaf in zijn advies (nr. 10 van advies) aan dat het past hierover duidelijkheid te scheppen in het verslag aan de Koning of de ontworpen bepaling te preciseren. In antwoord daarop verduidelijkt het verslag nog dat, voor zover mogelijk, de directeur de schriftelijke beslissing vooraf zal opmaken en dat die beslissing desgevallend op het moment van afname van de drugstest door het personeelslid ook aan de betrokken gedetineerde zal worden overhandigd. Evengoed zijn er echter situaties waarin dit niet mogelijk zal zijn, en waar men sneller moet kunnen handelen en dus onmiddellijk tot afname van een drugstest moet kunnen overgaan, indien de directeur oordeelt dat er individuele aanwijzingen zijn die dit rechtvaardigen. In die gevallen wordt de beslissing tot afname van een drugstest dus in elk geval steeds mondeling door de directeur genomen, en de redenen hiervoor worden door het personeelslid ook mondeling aan de gedetineerde meegedeeld bij aanvang van de test, maar de schriftelijke, individueel gemotiveerde beslissing zelf ontvangt de betrokkene vervolgens zo snel mogelijk, en uiterlijk binnen de 24 uur na afname van de test.
Hierbij dient rekening te worden gehouden met het detectievenster van de verschillende soorten drugs.
Het klopt dat de verboden stof THC gedurende een langere periode (tot 1 maand) in urine detecteerbaar is, maar voor de meeste drugs die slechts 1 tot 3 dagen in urine opspoorbaar zijn, moet zeer snel worden gehandeld om het gebruik via een drugstest te kunnen vaststellen.
Om tegemoet te komen aan de opmerking van de GBA (punt 6 van conclusie) wordt de eerste paragraaf nog aangevuld om te expliciteren dat een eerder afgelegde positieve drugstest op zichzelf geen afdoende individuele aanwijzing kan uitmaken om tot de afname van een drugstest over te gaan.
In de tweede paragraaf van dit artikel wordt op aanbeveling van de Raad van State (nr. 11 van advies) uitdrukkelijk opgenomen dat het een computergestuurde toevalssteekproef betreft.
Ingevolge het advies van de GBA (punten 7 en 8 van conclusie) wordt in de tweede paragraaf opgenomen dat de FOD Justitie de nodige monitoring en bijstand voorziet aan de directeur met het oog op de afname van drugstesten op basis van een computergestuurde toevalssteekproef, die billijk, onbeïnvloedbaar, transparant en auditeerbaar is.
De computergestuurde toevalssteekproef, die op technisch vlak beantwoordt aan de door de GBA gestelde vereisten, zal op aanvraag van de directeur door de centrale administratie worden aangemaakt.
Op basis van de aanvullende, relevante informatie over de uitvoering van het willekeurige geïnformatiseerd steekproefproces, die zal worden opgenomen in het individueel dossier van de gedetineerde, beschikken de gedetineerde en controle-instanties over alle nodige informatie om de toevalssteekproef ex post over te (laten) doen en te (laten) controleren dat het resultaat van de selectie willekeurig is.
In het besluit zijn geen maximale percentages bepaald van gedetineerden die in een steekproef kunnen worden opgenomen. In navolging van de opmerking van de GBA (punt 7 van conclusie) voorziet het besluit wel in de nodige monitoring door de FOD Justitie, die dan ook richtlijnen zal geven omtrent het maximumaantal steekproeven en het maximale percentage gedetineerden die er deel van mogen uitmaken om eventuele misbruiken tegen te gaan.
Zoals aanbevolen door de GBA (overweging nr. 35 van advies), zal een data protection impactanalyse worden uitgevoerd; de voorbereidingen daarvoor zijn reeds gestart.
Art 3.
Artikel 3 voorziet in de opleiding voor de personeelsleden om een correcte afname van drugstesten te verzekeren.
Dit artikel is aangepast zoals door de GBA aanbevolen (punt 20 van conclusie), en met de toevoeging dat het personeelslid de opleiding moet hebben gevolgd voorafgaand aan de afname van drugstesten.
Art 4.
Dit artikel verduidelijkt, naar analogie met artikel 108, § 3 van de basiswet inzake de fouillering op het lichaam, dat de toepassing van de controlemaatregel geen tergend karakter mag hebben en de menselijke waardigheid moet eerbiedigen.
HOOFDSTUK 3 - Procedure urinetest Art 5.
Artikel 5 stelt vooreerst dat het gebruik van een urinetest de standaardmethode is. Deze test is gekozen omdat het de meest gangbare en kwalitatieve methode is om een breed spectrum aan verboden stoffen te detecteren. Urine is de afvalvloeistof van het lichaam waarin drugs zeer geconcentreerd aanwezig zijn. Urinetesten stellen zowel directe intoxicatie vast, als recent gebruik en voor sommige drugs ook lange termijn gebruik.
Een speekseltest heeft een minder intrusief karakter, maar het gebruik ervan is beperkter omdat er op een geringer aantal verboden stoffen kan worden getest (slechts [00e2][0085][0093] van de drugs die kunnen worden opgespoord in urine), en deze stoffen minder lang aantoonbaar zijn in speeksel. Bovendien is bij speekseltesten de kans op interferentie met eventuele voorgeschreven medicatie groter dan bij de afname van urinetesten. Omwille van deze nadelen zal een speekseltest enkel gebruikt worden in uitzonderlijke omstandigheden zoals omschreven in artikel 9.
Zoals verder toegelicht in antwoord op een vraag van de GBA is urine meer stabiel dan speeksel voor zowel bewaring als voor de analyses die nadien in het laboratorium gebeuren. Urine geniet beleidsmatig de voorkeur boven speeksel vanwege de chemische robuustheid en de superieure stabiliteit van de analyten. Dit minimaliseert de kans op juridisch aanvechtbare resultaten en verhoogt de bewijskracht bij laboratoriumanalyses.
Urine fungeert als een fysiologisch reservoir waarin drugsmetabolieten zich in hoge concentraties accumuleren. De concentratie van stoffen in urine ligt vaak een factor 10 tot 100 hoger dan in speeksel. Hierdoor is het risico op fout-negatieve resultaten door degradatie tijdens transport of opslag significant lager.
De periode tussen afname en analyse in het laboratorium (het transport) is het meest kwetsbare moment in een controleprogramma.
Speeksel is een enzymatisch actieve matrix; stoffen zoals cocaïne kunnen in speeksel binnen enkele uren afbreken als er geen stabilisatoren worden toegevoegd. Urine is chemisch stabieler en minder gevoelig voor temperatuurschommelingen tijdens het verzendproces. Het logistieke proces is minder foutgevoelig.
Op basis van de wetenschappelijke literatuur inzake de materie, staat vast dat urineonderzoek (onder direct toezicht) de hoogste graad van procedurele zekerheid biedt. Urine is de enige matrix die een hoge analytische stabiliteit en fraudebestendigheid garandeert. Ook het NICC wijst op de voorkeur voor urinetesten ten opzichte van speekseltesten, en om deze laatste enkel in uitzonderlijke gevallen te gebruiken. Een positieve speekseltest kan in een labo moeilijker geconfirmeerd worden omdat speeksel minder stabiel is. In vergelijking met speeksel vertoont urine een superieure analytische stabiliteit.
Urine heeft de voorkeur op vele vlakken inclusief in kader van het herhalingsonderzoek, dat zich veel moeilijker laat realiseren op een speekselstaal.
In de huidige `stand van de techniek' is de keuze voor urinetesten als standaardmethode gerechtvaardigd. De GBA bevestigde in zijn advies (overweging in nr. 23 van advies) dat het besluit terecht voorziet in urinetesten als standaardmethode, gezien de superieure kwaliteit. Er wordt wel aanbevolen om in het besluit eveneens te voorzien in een periodieke evaluatie, die ertoe zou dienen na te gaan of speekseltesten eenzelfde niveau van nauwkeurigheid en betrouwbaarheid zouden hebben bereikt en te garanderen dat de gemaakte keuzes proportioneel zijn in het licht van de `stand van de techniek'. Deze aanbeveling van de GBA (punt 4 van conclusie) wordt niet gevolgd, maar de aankoop van drugstesten gebeurt via een openbare aanbesteding en op dat ogenblik zal telkens worden onderzocht of er andere, minder intrusieve en even kwalitatieve testen op de markt beschikbaar zijn.
Art 6.
In artikel 6 worden de verschillende stappen van de procedure voor de afname van een urinetest omschreven.
Zoals door de GBA aanbevolen (punt 9 van conclusie) wordt in het derde lid van dit artikel aangevuld dat ook het uur van de testafname op de sticker op de testbeker wordt genoteerd.
De afname wordt uitgevoerd door een personeelslid van hetzelfde geslacht als de gedetineerde, in aanwezigheid van minimum een ander personeelslid van hetzelfde geslacht als de gedetineerde. Het gaat met name om een personeelslid dat de test uitvoert, en een ander personeelslid dat aanwezig is als getuige en observeert dat de procedure voor afname van de test correct verloopt.
Er is voorzien in een voorafgaand onderzoek aan de kledij om manipulatie van de test te vermijden. Vervolgens levert de gedetineerde, onder direct visueel toezicht van het personeelslid, een urinestaal af in de testbeker. Overeenkomstig de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM 11 oktober 2005, Young t. het Verenigd Koninkrijk, nr.60682/00; EHRM 9 september 1998, Galloway t. het Verenigd Koninkrijk, nr. 34199/96; EHRM 6 april 1991, Peters t. Nederland, nr. 21132/93) vormt een verplichte drugstest waarbij een gedetineerde een urinemonster moet afstaan, een inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven, in het bijzonder wat betreft het recht op fysieke integriteit, die moet worden getoetst aan artikel 8, lid 2 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens (EVRM). Uit de voormelde rechtspraak blijkt dat het voorzien in het verplicht afnemen van een urinetest om het gebruik van drugs na te gaan bij een gedetineerde, hetzij bij een vermoeden van drugsgebruik, hetzij willekeurig, ter voorkoming van onrust en het plegen van misdrijven in de gevangenis in beginsel geen schending uitmaakt van artikel 8 van het EVRM. Het verplicht afnemen van een urinetest bij gedetineerden vertoont ook niet de minimumvereiste ernst om te vallen onder de toepassing van artikel 3 van het EVRM dat het verbod op foltering, alsook het verbod om iemand te onderwerpen aan onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen omvat. In de zaken Galloway t. het Verenigd Koninkrijk en Peters t.Nederland, waarbij er eveneens was voorzien in toezicht tijdens het urineren, besliste het EHRM niet tot een schending van artikel 3 of 8 EVRM. Indien de gedetineerde niet onmiddellijk in staat is om een urinestaal af te leveren, wordt hij gedurende een periode van maximum 2 uur in de gelegenheid gesteld om alsnog, onder direct visueel toezicht van het personeelslid, een urinestaal af te leveren.
In navolging van het advies van de Raad van State (nr. 12 van advies) wordt het laatste lid van dit artikel nog aangevuld met de mogelijkheid voor de directie om uitzonderlijk te beslissen tot een redelijke verlenging van de periode van twee uur om een urinestaal af te leveren, indien medische redenen dit rechtvaardigen.
In antwoord op een vraag van de GBA werd de noodzaak van de directe visuele controle op de afname van een urinetest onder meer als volgt toegelicht: Bovenop het voorafgaand onderzoek aan de kledij overeenkomstig artikel 108, § 1, van de Basiswet, zoals die uitgevoerd wordt overeenkomstig de instructies in de collectieve brief n° 141 van 30 januari 2017, is directe, visuele controle (door personeelslid van hetzelfde geslacht als de gedetineerde) tijdens het urineren absoluut noodzakelijk om manipulatie van het urinestaal te vermijden en de betrouwbaarheid van de test te kunnen garanderen. Zonder deze directe, visuele controle tijdens het afleveren van het urinestaal in de voorziene testbeker, is de afname van een urinetest zinloos.
In het antwoord aan de GBA werd verwezen naar enkele referenties van wetenschappelijke publicaties en literatuur van het NICC (overgenomen in overweging nr. 19 van advies). Dat onderzoek toont aan dat staalmanipulatie realiteit is, zeker in een context waar negatieve gevolgen verbonden zijn aan een positieve test. Er komen niet alleen steeds meer producten op de markt om stalen te vervalsen, maar ook synthetische urine wordt geavanceerder door de toevoeging van levende bestanddelen. Indien de procedure geen rekening houdt met deze realiteit en niet voorziet in visuele controle, verliest de gehele opzet haar doelmatigheid. Bovendien beïnvloeden deze manipulatietechnieken niet enkel de veldtest in de gevangenis (immunoassay), maar kunnen ze ook de resultaten van de meer geavanceerde laboratoriumanalyses (chromatographic confirmation analysis) verstoren.
Ook in Nederland gebeurt de afname onder direct visueel toezicht: "De gedetineerde urineert onder direct visueel toezicht van een ambtenaar of medewerker in een daartoe aan hem verstrekte opvangbeker." (Regeling Urinecontrole penitentiaire inrichtingen) In het kader van sportmanifestaties dienen de betrokken personen op zo'n wijze te urineren dat het helder is voor de toezichthouder (die van hetzelfde geslacht is) dat de urine rechtstreeks van het lichaam in de beker vloeit. Betrokkenen verwijderen daarom de broek en het shirt op zo'n wijze dat direct toezicht mogelijk gemaakt wordt. Er is teveel risico op manipulatie, en daar staat of valt het hele systeem mee.
De GBA stelde in zijn advies (punt 3 van conclusie) dat deze analyse wordt bijgetreden. De motivering van de noodzakelijkheid van de directe visuele controle wordt hier dan ook hernomen. Het advies van de GBA, om de directe visuele controle in het artikel 109/1 van de basiswet zelf op te nemen, wordt echter niet gevolgd.
Wat betreft de reglementering rond de afname van dopingtests bij sportbeoefenaars bevat het Antidoping decreet van 25 mei 2012Relevante gevonden documenten type decreet prom. 25/05/2012 pub. 12/07/2012 numac 2012035749 bron vlaamse overheid Decreet betreffende de preventie en bestrijding van doping in de sport type decreet prom. 25/05/2012 pub. 28/06/2012 numac 2012203386 bron vlaamse overheid Decreet tot wijziging van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming met het oog op de omzetting van de Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (1) sluiten de algemene grondslag voor het uitvoeren van dopingcontroles en verleent het decreet aan erkende dopingcontroleurs de bevoegdheid om dopingtests uit te voeren en lichaamsmonsters af te nemen, maar het decreet zelf bevat geen regeling over de wijze waarop een urinemonster moet worden afgenomen.
Die procedure wordt wel uitgewerkt in artikel 35, § 1, derde lid van het Besluit van de Vlaamse Regering van 13 februari 2015Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 13/02/2015 pub. 26/03/2015 numac 2015035376 bron vlaamse overheid Besluit van de Vlaamse Regering houdende uitvoering van het Antidopingdecreet van 25 mei 2012 type besluit van de vlaamse regering prom. 13/02/2015 pub. 04/03/2015 numac 2015035251 bron vlaamse overheid Besluit van de Vlaamse Regering tot aanwijzing van de Vlaamse en provinciale projecten ter uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning sluiten houdende uitvoering van het Antidoping decreet van 25 mei 2012Relevante gevonden documenten type decreet prom. 25/05/2012 pub. 12/07/2012 numac 2012035749 bron vlaamse overheid Decreet betreffende de preventie en bestrijding van doping in de sport type decreet prom. 25/05/2012 pub. 28/06/2012 numac 2012203386 bron vlaamse overheid Decreet tot wijziging van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming met het oog op de omzetting van de Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (1) sluiten: "Het afleveren van een urinemonster gebeurt onder permanente begeleiding en rechtstreeks toezicht van de dopingcontroleur of een chaperon tot het volledige proces van de monsterneming is voltooid".
In de Nederlandse regelgeving is de directe visuele controle evenmin opgenomen in het artikel 30 van de penitentiaire beginselenwet, maar wordt dit vermeld in een ministeriële regeling.
Onder verwijzing naar voorgaande reglementering kan dan ook worden besloten dat het voor de directe visuele controle, die deel uitmaakt van de procedure tot afname van een urinetest in de gevangenissen, volstaat om dit in het uitvoeringsbesluit op te nemen.
Art 7.
Dit artikel voorziet dat na de afname van het staal, het resultaat van de urinetest door het personeelslid wordt geanalyseerd en genoteerd.
Uiterlijk 24 uur na testafname wordt de gedetineerde schriftelijk geïnformeerd van het resultaat en de interpretatie van de urinetest, alsook van de mogelijkheid om een herhalingsonderzoek te vragen. Het afgenomen staal wordt op koelkasttemperatuur in een vergrendelde koelruimte bewaard. Het staal wordt hetzij overgedragen aan het NICC indien de gedetineerde een herhalingsonderzoek aanvraagt, hetzij vernietigd na 14 dagen.
Een positief testresultaat wordt aan de medische dienst en de psychosociale dienst van de gevangenis meegedeeld.
Bij een positief testresultaat zal de verdere opvolging afhangen van meerdere factoren (o.a. hoe werkt de gedetineerde mee, welke is zijn houding, staat hij open voor bespreking en is er nood aan begeleiding of is dit éénmalig, enz.), die het verdere verloop zullen bepalen. Dit resultaat wordt meegenomen in de verdere opvolging gedurende het detentieverloop en op basis van de individuele noden en behoeften van de gedetineerde zal bepaald worden welke verdere stappen nodig of aangewezen zijn. De psychosociale dienst zal dit punt in ieder geval meenemen in het verdere dossierverloop, m.n. de beoordeling van de noden in het kader van de reclassering en het onderzoek naar tegenaanwijzingen met het oog op toekenning van strafuitvoeringsmodaliteiten. De medische dienst zal de nood aan begeleiding en opvolging in het hier en nu bekijken. Of de gedetineerde naar gespecialiseerde hulpverlening zal doorverwezen worden en hoe deze begeleiding er dan moet uitzien, zal afhangen van de concrete omstandigheden.
De drugswerking binnen de gevangenissen bestaat uit "projecten Drugs & Detentie" die door de FOD Volksgezondheid worden gefinancierd. De doelstelling van deze projecten is de screening en assessment van drughulpvragen en de ontwikkeling van een gedifferentieerd drughulpverleningsmodel.
Deze drugswerking wordt inhoudelijk door diensten voorzien die onder de Geestelijke Gezondheidszorg (GGZ) werking vallen en dus Gemeenschapsbevoegdheid zijn. Ook het ter beschikking stellen van externe eerstelijnsmedewerkers in verschillende gevangenissen, die ook rond verslavingsproblematieken kunnen werken, wordt door een samenwerking van Volksgezondheid met de GGZ diensten van de Gemeenschappen gedaan.
Naast die projecten bestaan er binnen een aantal gevangenissen ook drugsvrije afdelingen met een behandelprogramma gericht op totale abstinentie, en de Drugprogramma's Terugvalpreventie die gericht zijn op de reductie van het (problematisch) gebruik.
Art 8.
Artikel 8 verduidelijkt dat, indien de gedetineerde weigert een urinestaal af te leveren of indien hij na de voorziene periode van maximum twee uur, of desgevallend na een redelijke verlenging van de periode van twee uur door de directeur overeenkomstig artikel 6, laatste lid, niet in staat is om alsnog een urinestaal te produceren, hieraan de gevolgen zullen worden verbonden van een positieve test.
HOOFDSTUK 4 - Procedure speekseltest Art 9.
Artikel 9 bepaalt dat een speekseltest wordt afgenomen in uitzonderlijke omstandigheden van medische aard, die de afname van een urinetest onmogelijk maken. De directeur beslist hiertoe na medisch advies.
Dit artikel werd geherformuleerd in het licht van de opmerkingen in de adviezen van de Raad van State (nr. 13 van advies) en de GBA (punt 5 van conclusie). Er wordt verduidelijkt in welke uitzonderlijke omstandigheden zou kunnen worden beslist om beroep te doen op een speekseltest in de plaats van een urinetest. Het verslag aan de Koning werd in overeenstemming gebracht met de tekst van dit aangepaste artikel.
De afname van een speekseltest is de uitzondering. Indien een gedetineerde de afname van een urinetest weigert, wordt aan de medische dienst gevraagd of er medische tegenindicaties aanwezig zijn, die de afname van een urinetest onmogelijk maken. Indien een medische tegenindicatie in aanmerking wordt genomen, wordt beroep gedaan op een speekseltest. Indien geen medische tegenindicatie aanwezig is, worden aan de weigering de gevolgen van een positieve test gekoppeld.
Art 10.
Dit artikel schrijft voor dat de afname van een speekseltest gebeurt door twee personeelsleden, met name een personeelslid dat de test uitvoert en een ander personeelslid dat aanwezig is als getuige.
Zoals door de GBA aanbevolen (punt 9 van conclusie) wordt in het tweede lid van dit artikel aangevuld dat ook het uur van de testafname op de sticker op de speekseltest wordt genoteerd.
Art 11.
Artikel 11 voorziet inzake de analyse van het testresultaat, de kennisgeving aan de gedetineerde van het resultaat en de interpretatie van de speekseltest, en de bewaring van het staal in afwachting van een eventueel herhalingsonderzoek in dezelfde regels als het artikel 7 met betrekking tot de afname van een urinetest.
Art 12.
Indien de gedetineerde weigert een speekselstaal af te leveren, zullen hieraan overeenkomstig artikel 12 de gevolgen worden verbonden van een positieve test.
HOOFDSTUK 5 - Gevolgen drugstest Afdeling 1 - Algemene bepaling
Art 1 3.
Ingevolge het advies van de GBA (punt 10 van conclusie) wordt in dit artikel op algemene wijze bepaald dat in gevallen waarin de drugstest of het staal niet is uitgevoerd, behandeld of bewaard volgens de aangegeven procedure of gebruiksaanwijzing, of niet is uitgevoerd, behandeld of bewaard onder omstandigheden die de betrouwbaarheid ervan garanderen, de test als ongeldig wordt beschouwd.
Art 14.
Op advies van de GBA (punten 12 en 13 van conclusie) is nog een algemene bepaling ingevoegd.
De eerste paragraaf van dit artikel verduidelijkt dat indien, rekening houdend met de detectieperiode van de verschillende verboden stoffen, een positief testresultaat mogelijk slaat op drugsgebruik voorafgaand aan de opsluiting, of wanneer een positief testresultaat van een nieuwe drugstest mogelijk nog te verklaren is door het drugsgebruik dat reeds werd vastgesteld middels een eerder afgenomen drugstest, voor de gedetineerde geen gevolgen worden verbonden aan dit positief testresultaat.
De tweede paragraaf regelt de hypothese waarin een positief testresultaat mogelijk kan worden verklaard door de interferentie met bepaalde voorgeschreven medicatie. De medische dienst licht de directeur hiervan in. Dit positief testresultaat zal worden geregistreerd als `gerechtvaardigd omwille van medicatiegebruik (voor bepaalde verboden stof(fen))'. Voor de gedetineerde worden hieraan geen gevolgen verbonden.
In antwoord op de opmerking van de GBA (nr. 55 van het advies) bevestigt het verslag nog uitdrukkelijk dat er geen medicamenteuze behandeling bestaat die zou maken dat een gedetineerde ten onrechte positief test op sslle verboden stoffen van de drugstest. De hypothese, zoals door de GBA geschetst, doet zich bijgevolg niet voor.
Er wordt op meerdere verboden producten tegelijkertijd getest en niet alle van deze producten kunnen interfereren met voorgeschreven medicatie.
De drugstest wordt dan ook afgenomen zonder de medische dienst voorafgaandelijk te contacteren. In voorkomend geval licht de medische dienst de directeur in van een mogelijke interferentie met bepaalde voorgeschreven medicatie, nadat de medische dienst op de hoogte werd gebracht van een positief testresultaat, zoals voorzien in artikel 109/1, zesde lid van de basiswet.
Bij wijze van voorbeeld, zou een bepaalde pijnstiller zoals Tramadol een positief testresultaat voor opioïden kunnen verklaren, maar geen positieve test voor cocaïne. In dat geval zou het positief testresultaat voor opioïden, na bevestiging door de medische dienst, worden geregistreerd als `gerechtvaardigd omwille van medicatiegebruik', maar het positief testresultaat voor cocaïne (op dezelfde drugstest) zou dan wel wijzen op effectief gebruik en is niet gerechtvaardigd wegens voorgeschreven medicatie. Dit positief testresultaat brengt dan bijgevolg wel de voorziene gevolgen met zich mee. Afdeling 2 - Herhalingsonderzoek
Art 15.
Overeenkomstig dit artikel dient de gedetineerde uiterlijk binnen 24 uur na de schriftelijke kennisgeving van het testresultaat zijn aanvraag tot herhalingsonderzoek in bij de directeur. De kosten van het herhalingsonderzoek zijn voor rekening van de gedetineerde, tenzij het herhalingsonderzoek aantoont dat er geen verboden stoffen in het staal aanwezig zijn. Het geld voor dit herhalingsonderzoek wordt desgevallend op de individuele gevangenisrekening van de gedetineerde gereserveerd. Indien de gedetineerde niet over geld beschikt, kan hij wel een herhalingsonderzoek vragen maar ondertekent hij op het aanvraagformulier voor akkoord om het openstaand bedrag (kosten van het herhalingsonderzoek) in mindering te brengen van zodra er inkomsten op zijn individuele rekening beschikbaar zijn.
De gedetineerde wordt schriftelijk in kennis gesteld van het resultaat van het herhalingsonderzoek.
Bij weigering van een herhalingsonderzoek door de directeur, overeenkomstig artikel 109/1, vijfde lid van de basiswet, blijft het resultaat van de testafname behouden. De reden voor de weigering wordt door de directeur aan de gedetineerde meegedeeld.
In navolging van het advies van de Raad van State (nr. 14 van advies) wordt in het laatste lid van dit artikel uitdrukkelijk vermeld dat in die hypothese aan de positieve test evenwel uitsluitend het gevolg van een automatische vervolgcontrole in de zin van artikel 109/1, zevende lid, van de wet wordt gekoppeld, met uitsluiting van een tuchtsanctie. Afdeling 3 - Vervolgcontrole
Art 16.
Artikel 16 voorziet in een eenmalige vervolgcontrole die automatisch plaatsvindt indien een gedetineerde positief heeft getest. Die controle wordt ten vroegste uitgevoerd na het verstrijken van de detectieperiode van de verboden stoffen waarop positief werd getest en uiterlijk twee maanden na deze datum. Wanneer de gedetineerde een herhalingsonderzoek heeft aangevraagd, moet het resultaat hiervan worden afgewacht alvorens de vervolgcontrole kan plaatsvinden.
De gedetineerde wordt schriftelijk in kennis gesteld van het resultaat van de vervolgcontrole.
Na een positief testresultaat bij de automatische vervolgcontrole kan een nieuwe drugstest uitsluitend uitgevoerd worden overeenkomstig artikel 2.
HOOFDSTUK 6 - Verwerking van persoonsgegevens Art 1 7.
De eerste paragraaf van dit artikel omschrijft de doeleinden voor de verwerking van persoonsgegevens die voortvloeien uit de afname en de resultaten van drugstesten in de gevangenis.
In zijn advies (nr. 2.2.2. van advies) stelde de Raad van State dat er voldoende rechtsgrond aanwezig is voor de met de verwerking nagestreefde doelstellingen, zoals vermeld in dit artikel. Behoudens de verwerking voor statistische doeleinden en wetenschappelijk onderzoek, expliciteert dit artikel bovendien louter wat reeds uit artikel 109/1 van de basiswet volgt.
Het artikel van het besluit met betrekking tot de verwerking van de gegevens inzake de afname van drugstesten in een lokaal register werd geschrapt ingevolge de opmerking van de Raad van State over het gebrek aan rechtsgrond (ook in nr. 2.2.2. van advies). Bijgevolg zijn de opmerkingen van de GBA (punten 15 en 17 van conclusie) over de finaliteiten van gegevensverwerking inzake het lokaal register, zonder voorwerp geworden. Het doeleinde van het beoordelen en eventueel bijsturen van het detentieregime maakt eigenlijk deel uit van de doelstelling in 1° handhaving van de orde of de veiligheid, en is bijgevolg ten overvloede. Dit valt onder de handhaving van de orde of de veiligheid, en op basis daarvan neemt de directeur beslissingen overeenkomstig de bepalingen van basiswet.
Ingevolge het advies van de GBA (punt 16 van conclusie) is in dit artikel wel nog gepreciseerd dat geanonimiseerde statistieken over drugsgebruik in de gevangenis worden opgesteld, niet in het kader van beleidsevaluatie in het algemeen, maar met het oog op de voorbereiding en de evaluatie van het nationaal penitentiair drugsbeleid, en met het oog op wetenschappelijk onderzoek hieromtrent.
In de tweede paragraaf van artikel 17 wordt de FOD Justitie vermeld als de verantwoordelijke voor de verwerking van persoonsgegevens met betrekking tot het afnemen van drugstesten in de gevangenis.
In zijn advies (punt 18 van conclusie) merkte de GBA op dat de directeur verantwoordelijk is voor de verwerking van de persoonsgegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van artikel 109/1 van de basiswet en van het besluit. Volgens de GBA sluit dit evenwel niet uit dat bepaalde verantwoordelijkheden bij DG EPI kunnen liggen.
Deze opmerking van de GBA wordt niet gevolgd. Met betrekking tot de willekeurige en geïnformatiseerde steekproefsgewijze drugstesten wordt immers een centrale rol gegeven aan DG EPI/FOD Justitie. Bovendien worden de gegevens die voortvloeien uit de afname en de resultaten van drugstesten verwerkt in het dossier van de gedetineerde in het detentiebeheersysteem, zoals bedoeld in artikel 3 van de wet van 5 mei 2019Relevante gevonden documenten type wet prom. 05/05/2019 pub. 19/06/2019 numac 2019041200 bron federale overheidsdienst justitie Wet houdende diverse bepalingen inzake informatisering van Justitie, modernisering van het statuut van rechters in ondernemingszaken en inzake de notariële aktebank sluiten houdende diverse bepalingen inzake informatisering van Justitie, modernisering van het statuut van rechters in ondernemingszaken en inzake de notariële aktebank. Het detentiebeheersysteem is de bij de FOD Justitie opgerichte geïnformatiseerde gegevensbank, waarin de gegevens worden verwerkt die nodig zijn voor de adequate uitoefening van de wettelijke opdrachten van de penitentiaire administratie.
Artikel 4 van diezelfde wet duidt de FOD Justitie aan als verwerkingsverantwoordelijke met betrekking tot de gegevensbank. Om de coherentie met voormelde wet van 5 mei 2019Relevante gevonden documenten type wet prom. 05/05/2019 pub. 19/06/2019 numac 2019041200 bron federale overheidsdienst justitie Wet houdende diverse bepalingen inzake informatisering van Justitie, modernisering van het statuut van rechters in ondernemingszaken en inzake de notariële aktebank sluiten te bewaren wordt in dit artikel dus de FOD Justitie als verwerkingsverantwoordelijke behouden.
De derde paragraaf van dit artikel verduidelijkt nog dat het NICC de verantwoordelijke is voor de verwerking van de geanonimiseerde persoonsgegevens in het kader van het herhalingsonderzoek en van de geanonimiseerde persoonsgegevens met het oog op het door het instituut uitgevoerde wetenschappelijk onderzoek. De verantwoordelijkheid van het NICC beperkt zich dus tot de verwerkingen die zij doen in het kader van het herhalingsonderzoek en het door hen uitgevoerde wetenschappelijk onderzoek, en doet bijgevolg geen afbreuk aan de verantwoordelijkheid van de FOD Justitie voor het opstellen van statistieken, zoals bedoeld in paragraaf 1, 3°, in zijn eigen beheer.
Art 18.
In zijn advies (nr. 2.2.2. van advies) stelde de Raad van State dat kan worden aangenomen dat de te verwerken gegevens "de interne rechtspositie van de gedetineerde, zijnde de gegevens die verband houden met het leven van de persoon in de inrichting en de op hem in dat kader van toepassing zijnde rechten en plichten" in de zin van artikel 5, § 1, 3°, van de wet van 5 mei 2019Relevante gevonden documenten type wet prom. 05/05/2019 pub. 19/06/2019 numac 2019041200 bron federale overheidsdienst justitie Wet houdende diverse bepalingen inzake informatisering van Justitie, modernisering van het statuut van rechters in ondernemingszaken en inzake de notariële aktebank sluiten `houdende diverse bepalingen inzake informatisering van Justitie, modernisering van het statuut van rechters in ondernemingszaken en inzake de notariële aktebank' betreffen. In uitvoering van artikel 5, § 6, van die wet heeft de Koning bij koninklijk besluit van 20 december 2019Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 20/12/2019 pub. 01/04/2020 numac 2019042978 bron federale overheidsdienst justitie Koninklijk besluit tot uitvoering van artikel 5, § 6, van de wet van 5 mei 2019 houdende diverse bepalingen inzake informatisering van Justitie en modernisering van het statuut van rechters in ondernemingszaken en inzake de notariële aktebank type koninklijk besluit prom. 20/12/2019 pub. 27/01/2020 numac 2019031161 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken en federale overheidsdienst justitie Koninklijk besluit tot wijziging van het Koninklijk besluit van 21 juli 2016 betreffende de gemeenschappelijke gegevensbank Terrorist Fighters en van het koninklijk besluit van 23 april 2018 betreffende de gemeenschappelijke gegevensbank Haatpropagandisten en tot uitvoering van sommige bepalingen van de afdeling 1bis 'Het informatiebeheer' van hoofdstuk IV van de wet op het politieambt sluiten, na advies van de GBA, hier nadere invulling aan gegeven. Voor de concretisering van de gegevens die in verband met de drugstesten in het dossier van de gedetineerde in het detentiebeheersysteem worden opgenomen, biedt die laatste bepaling dan ook rechtsgrond.
Voor de creatie van een lokaal register in elke gevangenis, waarin deze gegevens eveneens zouden worden opgenomen, met een eigen toegangsregeling, besloot de Raad van State echter tot een gebrek aan rechtsgrond. Volgens de Raad van State blijkt de noodzaak van een afzonderlijk lokaal register noch uit artikel 109/1 van de basiswet, noch uit de wet van 5 mei 2019Relevante gevonden documenten type wet prom. 05/05/2019 pub. 19/06/2019 numac 2019041200 bron federale overheidsdienst justitie Wet houdende diverse bepalingen inzake informatisering van Justitie, modernisering van het statuut van rechters in ondernemingszaken en inzake de notariële aktebank sluiten. Bij gebreke aan een andere, afdoende wettelijke bepaling, is in navolging van het advies van de Raad van State, het artikel van het besluit inzake het lokaal register geschrapt. De doelstellingen van dat register, erop gericht om zicht te hebben op het lokaal beleid van de gevangenis en toezicht door controle-instanties mogelijk te maken, kunnen via de registratie in het digitaal dossier van de gedetineerde worden gerealiseerd.
Artikel 18 bepaalt dat voor elke gedetineerde bij wie een drugstest is afgenomen de documenten inzake de afname van de test worden bewaard in het dossier van de gedetineerde. Daarnaast lijst het artikel ook de concrete gegevens op die uit de afname en de resultaten van drugstesten voortvloeien en in het dossier worden verwerkt. Ingevolge het advies van de GBA (punten 8 en 10 van conclusie) werden nog volgende gegevens toegevoegd: in voorkomend geval, de aanvullende relevante informatie over de uitvoering van het willekeurige geïnformatiseerd steekproefproces, en in voorkomend geval, de informatie waaruit blijkt dat de test als ongeldig wordt beschouwd overeenkomstig artikel 13.
De gegevens blijven beschikbaar en raadpleegbaar overeenkomstig artikel 9 van de wet van 5 mei 2019Relevante gevonden documenten type wet prom. 05/05/2019 pub. 19/06/2019 numac 2019041200 bron federale overheidsdienst justitie Wet houdende diverse bepalingen inzake informatisering van Justitie, modernisering van het statuut van rechters in ondernemingszaken en inzake de notariële aktebank sluiten houdende diverse bepalingen inzake informatisering van Justitie, modernisering van het statuut van rechters in ondernemingszaken en inzake de notariële aktebank.
Om tegemoet te komen aan de opmerking van de GBA (punt 19 van conclusie) over de bewaartermijnen van de gegevens in het dossier van de gedetineerde, wordt nog uitdrukkelijk bevestigd dat er geen andere bewaartermijnen worden vastgesteld. De bewaartermijnen van artikel 9 van de wet van 5 mei 2019Relevante gevonden documenten type wet prom. 05/05/2019 pub. 19/06/2019 numac 2019041200 bron federale overheidsdienst justitie Wet houdende diverse bepalingen inzake informatisering van Justitie, modernisering van het statuut van rechters in ondernemingszaken en inzake de notariële aktebank sluiten blijven behouden omdat ze passend zijn in het licht van de doelstellingen die worden nagestreefd met artikel 109/1 van de basiswet. Het is immers relevant om op basis van het dossier van de gedetineerde de evolutie te kennen inzake het drugsgebruik gedurende de detentie.
Ik heb de eer te zijn, Sire, Van Uwe Majesteit, de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaar, De Minister van Justitie, A. VERLINDEN
22 SEPTEMBER 2026. - Koninklijk besluit tot uitvoering van artikel 109/1 van de basis
wet van 12 januari 2005Relevante gevonden documenten
type
wet
prom.
12/01/2005
pub.
01/02/2005
numac
2005009033
bron
federale overheidsdienst justitie
Basiswet betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden
sluiten betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden inzake het afnemen van drugstesten in de gevangenis FILIP, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
Gelet op de basis wet van 12 januari 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 12/01/2005 pub. 01/02/2005 numac 2005009033 bron federale overheidsdienst justitie Basiswet betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden sluiten betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden, artikel 109/1, laatste lid, ingevoegd bij de wet van 19 december 2025;
Gelet op de wet van 5 mei 2019Relevante gevonden documenten type wet prom. 05/05/2019 pub. 19/06/2019 numac 2019041200 bron federale overheidsdienst justitie Wet houdende diverse bepalingen inzake informatisering van Justitie, modernisering van het statuut van rechters in ondernemingszaken en inzake de notariële aktebank sluiten houdende diverse bepalingen inzake informatisering van Justitie, modernisering van het statuut van rechters in ondernemingszaken en inzake de notariële aktebank, artikel 5, § 6;
Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 6 maart 2026;
Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting, gegeven op 31 maart 2026;
Gelet op het advies nr. 86/2026 van de Gegevensbeschermingsautoriteit, gegeven op 30 april 2026;
Gelet op het advies nr. 79.146/16 van de Raad van State, gegeven op 30 april 2026, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2° van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
Gelet op het advies nr. 79.989/16-1/V van de Raad van State, gegeven op 1 september 2026, overeenkomstig artikel 84, § 5, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
Op de voordracht van de Minister van Justitie,
Hebben Wij besloten en besluiten Wij :
HOOFDSTUK 1 - Definities
Artikel 1.Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder: 1° wet: de Basis wet van 12 januari 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 12/01/2005 pub. 01/02/2005 numac 2005009033 bron federale overheidsdienst justitie Basiswet betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden sluiten betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden;2° verboden stoffen: verboden stoffen overeenkomstig de wet van 24 februari 1921Relevante gevonden documenten type wet prom. 24/02/1921 pub. 17/12/2004 numac 2004000617 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen, verdovende middelen, ontsmettingsstoffen of antiseptica. - Duitse vertaling sluiten betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen en de uitvoeringsbesluiten ervan;3° personeelslid: een door de directeur aangewezen lid van het bewakingspersoneel dat bevoegd is om drugstesten af te nemen;4° drugstest: een urinetest of een speekseltest;5° urinetest: een test die erop gericht is om de aanwezigheid van bepaalde verboden stoffen en hun metabolieten in menselijke urine vast te stellen;6° speekseltest: een test die erop gericht is om de aanwezigheid van bepaalde verboden stoffen en hun metabolieten in menselijk speeksel vast te stellen;7° identificatienummer: het interne identificatienummer toegekend door de penitentiaire administratie;8° herhalingsonderzoek: een onderzoek dat door het Nationaal Instituut voor Criminologie en Criminalistiek, opgericht bij koninklijk besluit van 5 november 1971, wordt uitgevoerd op hetzelfde urinemonster of op hetzelfde speekselmonster. HOOFDSTUK 2 - Algemeen
Art. 2.§ 1. Wanneer er individuele aanwijzingen zijn van gebruik van verboden stoffen door een bepaalde gedetineerde kan de directeur, om de orde of de veiligheid te handhaven, beslissen tot de afname van een drugstest bij deze gedetineerde.
Een eerder afgelegde positieve drugstest kan op zichzelf geen afdoende individuele aanwijzing uitmaken om tot de afname van een drugstest over te gaan.
De beslissing van de directeur is gemotiveerd. De redenen van deze beslissing worden mondeling aan de gedetineerde meegedeeld door een personeelslid voorafgaand aan de afname van de drugstest. De schriftelijke beslissing wordt zo snel mogelijk, en uiterlijk binnen vierentwintig uur nadat de drugstest is afgenomen, aan de gedetineerde meegedeeld. § 2. Een gedetineerde kan, om de orde of de veiligheid te handhaven, eveneens worden onderworpen aan de afname van een drugstest op basis van een door de directeur besliste computergestuurde toevalssteekproef. Het personeelslid brengt de gedetineerde ter kennis dat hij behoort tot de willekeurig geselecteerde groep van gedetineerden bij wie een drugstest wordt afgenomen.
De FOD Justitie voorziet de nodige monitoring en bijstand aan de directeur met het oog op de afname van drugstesten op basis van een computergestuurde toevalssteekproef die billijk, onbeïnvloedbaar, transparant en auditeerbaar is.
Art. 3.In samenwerking met de Academie van de FOD Justitie wordt voor de personeelsleden de opleiding om de correcte afname van drugstesten te verzekeren georganiseerd.
Het personeelslid moet voorafgaand aan de afname van drugstesten de opleiding hebben gevolgd.
Art. 4.De toepassing van de in artikel 2 bedoelde controlemaatregel mag geen tergend karakter hebben en dient de menselijke waardigheid te eerbiedigen.
HOOFDSTUK 3 - Procedure urinetest
Art. 5.De urinetest is de standaardmethode voor de afname van drugstesten.
Art. 6.De afname van een urinetest vindt plaats in een gesloten ruimte bij afwezigheid van andere gedetineerden en wordt uitgevoerd door een personeelslid van hetzelfde geslacht als de gedetineerde, in aanwezigheid van minimum een ander personeelslid van hetzelfde geslacht als de gedetineerde.
De gedetineerde wordt ingelicht over de procedure voor de afname van deze test.
De verpakking van de gesloten testbeker wordt verwijderd. Het identificatienummer van de gedetineerde wordt op de sticker op de testbeker genoteerd, alsook de datum en het uur van afname van de test.
De gedetineerde wordt door het personeelslid aan de kledij onderzocht om manipulatie van de test te vermijden.
Onder direct visueel toezicht van het personeelslid levert de gedetineerde een urinestaal af, rechtstreeks in de voorziene testbeker. De testbeker moet ten minste gevuld zijn tot het aangegeven minimum volume. Vervolgens wordt de testbeker gesloten en verzegeld in het bijzijn van de gedetineerde.
Indien de gedetineerde niet onmiddellijk in staat is om een urinestaal af te leveren, wordt hij door het personeelslid begeleid naar een ruimte, die door het personeelslid wordt afgesloten. De gedetineerde wordt vervolgens, gedurende een periode van maximum twee uur, in de gelegenheid gesteld om alsnog, onder direct visueel toezicht van het personeelslid, een urinestaal af te leveren. Het personeelslid stelt een flesje water van een halve liter ter beschikking. Indien medische redenen dit rechtvaardigen, kan de directeur uitzonderlijk beslissen tot een redelijke verlenging van de periode van twee uur om een urinestaal af te leveren.
Art. 7.Na de afname van het staal wordt het resultaat van de urinetest door het personeelslid geanalyseerd en genoteerd.
Uiterlijk vierentwintig uur nadat de urinetest is afgenomen wordt de gedetineerde schriftelijk geïnformeerd van het resultaat en de interpretatie van de urinetest, alsook van de mogelijkheid om een herhalingsonderzoek te vragen.
Het van de gedetineerde afgenomen staal wordt op koelkasttemperatuur in een vergrendelde koelruimte bewaard. Het staal wordt hetzij overgedragen aan het Nationaal Instituut voor Criminologie en Criminalistiek indien de gedetineerde overeenkomstig het tweede lid een herhalingsonderzoek vraagt, hetzij vernietigd na veertien dagen.
Art. 8.Indien de gedetineerde weigert een urinestaal af te leveren of indien hij na de voorziene periode van maximum twee uur, of desgevallend na een verlenging van de periode van twee uur door de directeur overeenkomstig artikel 6, laatste lid, niet in staat is om alsnog een urinestaal te produceren, zullen hieraan de gevolgen worden verbonden van een positieve test.
HOOFDSTUK 4 - Procedure speekseltest
Art. 9.In uitzonderlijke omstandigheden van medische aard, die de afname van een urinetest onmogelijk maken, wordt een speekseltest afgenomen. De directeur beslist hiertoe na medisch advies.
Art. 10.De afname van een speekseltest wordt uitgevoerd door twee personeelsleden. De gedetineerde wordt ingelicht over de procedure voor de afname van deze test.
De verpakking van de speekseltest wordt verwijderd. Het identificatienummer van de gedetineerde wordt op de sticker op de speekseltest genoteerd, alsook de datum en het uur van afname van de test. Het personeelslid neemt de speekseltest af.
Art. 11.Het resultaat van de speekseltest wordt door het personeelslid geanalyseerd en genoteerd.
Uiterlijk vierentwintig uur nadat de speekseltest is afgenomen wordt de gedetineerde schriftelijk geïnformeerd van het resultaat en de interpretatie van de speekseltest, alsook van de mogelijkheid om een herhalingsonderzoek te vragen.
Het van de gedetineerde afgenomen staal wordt op koelkasttemperatuur in een vergrendelde koelruimte bewaard. Het staal wordt hetzij overgedragen aan het Nationaal Instituut voor Criminologie en Criminalistiek indien de gedetineerde overeenkomstig het tweede lid een herhalingsonderzoek vraagt, hetzij vernietigd na veertien dagen.
Art. 12.Indien de gedetineerde weigert een speekselstaal af te leveren, zullen hieraan de gevolgen worden verbonden van een positieve test.
HOOFDSTUK 5 - Gevolgen drugstest Afdeling 1 - Algemene bepaling
Art. 13.In gevallen waarin de drugstest of het staal niet is uitgevoerd, behandeld of bewaard volgens de aangegeven procedure of gebruiksaanwijzing, of niet is uitgevoerd, behandeld of bewaard onder omstandigheden die de betrouwbaarheid ervan garanderen, wordt de test als ongeldig beschouwd.
Art. 14.§ 1. Indien, rekening houdend met de detectieperiode van de verschillende verboden stoffen, een positief testresultaat mogelijk slaat op drugsgebruik voorafgaand aan de opsluiting, of wanneer een positief testresultaat van een nieuwe drugstest mogelijk nog te verklaren is door het drugsgebruik dat reeds werd vastgesteld middels een eerder afgenomen drugstest, worden voor de gedetineerde geen gevolgen verbonden aan dit positief testresultaat. § 2. Indien een positief testresultaat mogelijk kan worden verklaard door de interferentie met bepaalde voorgeschreven medicatie, licht de medische dienst de directeur hiervan in. Aan dit positief testresultaat worden voor de gedetineerde geen gevolgen verbonden. Afdeling 2 - Herhalingsonderzoek
Art. 15.Uiterlijk binnen vierentwintig uur na de schriftelijke kennisgeving van het testresultaat dient de gedetineerde, via het in de gevangenis beschikbare formulier, zijn aanvraag tot herhalingsonderzoek in bij de directeur.
De gedetineerde wordt schriftelijk in kennis gesteld van het resultaat van het herhalingsonderzoek.
De kosten van het herhalingsonderzoek zijn voor rekening van de gedetineerde, tenzij het herhalingsonderzoek aantoont dat er geen verboden stoffen in het staal aanwezig zijn.
Bij weigering van een herhalingsonderzoek door de directeur, overeenkomstig artikel 109/1, vijfde lid, van de wet, blijft het resultaat van de testafname behouden. Aan de positieve test wordt evenwel uitsluitend het gevolg van een automatische vervolgcontrole in de zin van artikel 109/1, zevende lid, van de wet gekoppeld, met uitsluiting van een tuchtsanctie. Afdeling 3 - Vervolgcontrole
Art. 16.Indien een gedetineerde positief heeft getest, vindt automatisch een eenmalige vervolgcontrole plaats. Die controle wordt ten vroegste uitgevoerd na het verstrijken van de detectieperiode van de verboden stoffen waarop positief werd getest en uiterlijk twee maanden na deze datum.
Wanneer de gedetineerde een herhalingsonderzoek heeft aangevraagd, moet het resultaat hiervan worden afgewacht alvorens de vervolgcontrole kan plaatsvinden.
De gedetineerde wordt schriftelijk in kennis gesteld van het resultaat van de vervolgcontrole.
Na een positief testresultaat bij de automatische vervolgcontrole kan een nieuwe drugstest uitsluitend uitgevoerd worden overeenkomstig artikel 2.
HOOFDSTUK 6 - Verwerking van persoonsgegevens
Art. 17.§ 1. De persoonsgegevens die voortvloeien uit de afname en de resultaten van drugstesten in de gevangenis worden verwerkt voor de volgende doeleinden: 1° de handhaving van de orde of de veiligheid, met inbegrip van de preventie en opsporing van het gebruik van verboden stoffen in de gevangenis;2° het ondersteunen van de medische en psychosociale begeleiding van de gedetineerde, onder meer door het opsporen van gebruik van verboden stoffen, en het faciliteren van doorverwijzing naar passende hulp- en dienstverlening;3° het opstellen van geanonimiseerde statistieken over drugsgebruik in de gevangenis, met het oog op de voorbereiding en de evaluatie van het nationaal penitentiair drugsbeleid, en met het oog op wetenschappelijk onderzoek hieromtrent. § 2. De FOD Justitie is de verantwoordelijke voor de verwerking van persoonsgegevens met betrekking tot het afnemen van drugstesten in de gevangenis. § 3. Het Nationaal Instituut voor Criminologie en Criminalistiek is de verantwoordelijke voor de verwerking van de geanonimiseerde persoonsgegevens in het kader van het herhalingsonderzoek en van de geanonimiseerde persoonsgegevens met het oog op het door het instituut uitgevoerde wetenschappelijk onderzoek overeenkomstig § 1, 3°.
Art. 18.Voor elke gedetineerde bij wie een drugstest is afgenomen, worden de documenten inzake de afname van de test bewaard in het dossier van de gedetineerde.
Volgende gegevens die voortvloeien uit de afname en de resultaten van drugstesten worden in het dossier verwerkt: 1° identificatienummer van de gedetineerde;2° gegevens die toelaten de bij de testafname aanwezige personeelsleden te identificeren;3° individuele beslissing van de directeur, met opgave van de datum van de beslissing of vermelding van de willekeurige steekproef waar de gedetineerde deel van uitmaakt, met opgave van de datum;4° datum en uur van testafname;5° soort drugstest en unieke code van de test;6° resultaat van de test en opgave van de verboden stof(fen) waarop positief werd getest;7° in voorkomend geval, de informatie dat aan een positief resultaat geen of beperkte gevolgen worden verbonden;8° in voorkomend geval, resultaat van het uitgevoerde herhalingsonderzoek;9° in voorkomend geval, weigering van het herhalingsonderzoek;10° in voorkomend geval, resultaat van de vervolgcontrole;11° in voorkomend geval, de aanvullende relevante informatie over de uitvoering van het willekeurige geïnformatiseerd steekproefproces;12° in voorkomend geval, de informatie waaruit blijkt dat de test als ongeldig wordt beschouwd overeenkomstig artikel 13. HOOFDSTUK 7 - Slotbepalingen
Art. 19.Dit besluit treedt in werking op 1 december 2026.
Art. 20.De minister bevoegd voor Justitie is belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Brussel, 22 september 2026.
FILIP Van Koningswege : De Minister van Justitie, A. VERLINDEN