Etaamb.openjustice.be
Koninklijk Besluit van 22 juni 2010
gepubliceerd op 30 juni 2010

Koninklijk besluit betreffende de bestrijding van het aardappelcysteaaltje en tot wijziging van het koninklijk besluit van 19 november 1987 betreffende de bestrijding van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organismen

bron
federaal agentschap voor de veiligheid van de voedselketen
numac
2010018243
pub.
30/06/2010
prom.
22/06/2010
ELI
eli/besluit/2010/06/22/2010018243/staatsblad
staatsblad
http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

22 JUNI 2010. - Koninklijk besluit betreffende de bestrijding van het aardappelcysteaaltje en tot wijziging van het koninklijk besluit van 19 november 1987 betreffende de bestrijding van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organismen


ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de Grondwet, artikel 108;

Gelet op de wet van 2 april 1971 betreffende de bestrijding van voor planten en plantaardige producten schadelijke organismen, artikel 2, § 1, 1., 4., 5., 6. en 7., en § 2 gewijzigd bij de wet van 5 februari 1999 en bij het koninklijk besluit van 22 februari 2001;

Gelet op de wet van 4 februari 2000, den artikelen 4, §§ 1 tot 3, en 5, lid 2, 7°;

Gelet op het koninklijk besluit van 19 november 1987 betreffende de bestrijding van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organismen;

Gelet op het overleg tussen de gewestregeringen en de federale overheid van 18 september 2009;

Gelet op het advies van het wetenschappelijk comité ingesteld bij het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen, gegeven op 13 november 2009;

Gelet op advies 47.815/3 van de Raad van State, gegeven op 23 maart 2010, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op de voordracht van de Minister van Landbouw, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : HOOFDSTUK I. - Onderwerp en definities

Artikel 1.Dit besluit voorziet in de omzetting van Richtlijn 2007/33/EG van de Raad van 11 juni 2007 betreffende de bestrijding van het aardappelcysteaaltje en houdende intrekking van Richtlijn 69/465/EEG.

Art. 2.Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder : 1° "Agentschap" : Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen;2° "officieel" : vastgesteld, toegestaan of uitgevoerd door het Agentschap;3° "resistent aardappelras" : ras waarvan de teelt de ontwikkeling van een bepaalde populatie aardappelcysteaaltje aanzienlijk remt;4° "aardappelcysteaaltjes" : Globodera rostochiensis (Wollenweber) Behrens en Globodera pallida (Stone) Behrens;5° "onderzoek" : methodische procedure om de aanwezigheid van aardappelcysteaaltjes op een veld vast te stellen;6° "survey" : methodische, gedurende een bepaalde periode gevolgde procedure om de spreiding van aardappelcysteaaltjes op het nationaal grondgebied in kaart te brengen;7° " veld" » : perceel grond, duidelijk gesitueerd en afgebakend binnen een plaats van productie, waarop planten werden, worden, of zullen worden geteeld die bestemd zijn om handelswaar te vormen en dat, wanneer het werd onderworpen aan een bemonstering in het kader van een officieel onderzoek of een officiële survey, een ondeelbaar geheel vormt;8° "productie-eenheid" : het functioneel samenhangend geheel van opslaginfrastructuur en gronden gelegen in de gemeente waar de activiteit door middel van een adres geïdentificeerd is, alsook in de aangrenzende gemeenten;9° " koninklijk besluit van 10 augustus 2005" : koninklijk besluit van 10 augustus 2005 betreffende de bestrijding van voor planten en plantaardige producten schadelijke organismen;10° "de Minister" : de Minister bevoegd voor de veiligheid van de voedselketen. HOOFDSTUK II. - Opsporing

Art. 3.§ 1. Een officieel onderzoek naar de aanwezigheid van het aardappelcysteaaltje wordt verricht op velden waar : 1° de in bijlage 1 vermelde planten die bestemd zijn voor het voortbrengen van planten bestemd voor opplant;2° of pootaardappelen bestemd voor de teelt van pootaardappelen zullen worden geplant of bewaard. § 2. Het in § 1 voorgeschreven officiële onderzoek wordt verricht in de periode tussen de oogst van de laatste teelt op het veld, en het planten van de in § 1 bedoelde planten of pootaardappelen.

Het in het vorige lid bedoelde onderzoek kan evenwel eerder worden uitgevoerd, maar dan moet schriftelijk bewijs voorliggen van het resultaat van dat onderzoek, dat bevestigt : 1° dat er geen aardappelcysteaaltjes zijn gevonden;2° dat er geen aardappelen en geen van de in bijlage 1, 1.vermelde waardplanten ten tijde van het onderzoek aanwezig waren of nadien geteeld zijn. § 3. De resultaten van andere officiële onderzoeken dan de in § 1 bedoelde, die vóór 1 juli 2010 zijn verricht, mogen als bewijsstukken zoals bedoeld in § 2 worden beschouwd. § 4. Het officiële onderzoek bedoeld in § 1, is niet vereist indien er geen risico is van verspreiding.

Er is geen risico van verspreiding : 1° bij het planten van de in bijlage 1 vermelde planten, bestemd voor het voortbrengen van planten die bestemd zijn voor opplant die aan de volgende voorwaarden voldoen : a) ze worden uitsluitend gebruikt door degene die ze heeft voortgebracht;b) ze worden opgeslagen in een eigen infrastructuur en worden herplant op een perceel, die beide deel uitmaken van de productie-eenheid die ze heeft voortgebracht;2° bij het planten van pootaardappelen bestemd voor het voortbrengen van niet-gecertificeerde pootaardappelen die aan de volgende voorwaarden voldoen : a) ze worden uitsluitend gebruikt door degene die ze heeft voortgebracht;b) ze worden opgeslagen in een infrastructuur die toebehoort aan de in a) bedoelde producent die er als enige gebruik mag van maken en die deel uitmaakt van de productie-eenheid die ze heeft voortgebracht;c) ze worden herplant op een perceel dat deel uitmaakt van de productie-eenheid die ze heeft voortgebracht;3° bij het planten van de in bijlage 1, 2.bedoelde planten die bestemd zijn voor het voortbrengen van voor opplant bestemde planten, indien de geoogste planten onderworpen moeten worden aan de officieel vastgestelde maatregelen zoals bedoeld in bijlage 3, deel III, A. § 5. De resultaten van de in §§ 1 en 3 bedoelde onderzoeken worden officieel geregistreerd.

Art. 4.§ 1. Het in artikel 3, § 1 bedoelde officiële onderzoek van velden waar pootaardappelen of de in bijlage 1, 1. bedoelde planten bestemd voor het voortbrengen van planten bestemd voor opplant, moeten worden geplant of bewaard, omvat bemonstering en tests om de aanwezigheid van aardappelcysteaaltjes vast te stellen overeenkomstig bijlage 2. § 2. Het in artikel 3, § 1, bedoelde officiële onderzoek van velden waar de in bijlage 1, 2. vermelde planten die bestemd zijn voor het voortbrengen van planten bestemd voor opplant, moeten geplant of bewaard worden, omvat bemonstering en tests om de aanwezigheid van aardappelcysteaaltjes vast te stellen overeenkomstig bijlage 2, hetzij een verificatie overeenkomstig bijlage 3, deel I.

Art. 5.§ 1. Officiële surveys worden verricht op de velden die worden gebruikt voor het voortbrengen van aardappelen, andere dan degene die voor de teelt van pootaardappelen bestemd zijn, om de verspreiding van het aardappelcysteaaltje te bepalen. § 2. De officiële surveys omvatten bemonstering en tests om de aanwezigheid van aardappelcysteaaltjes vast te stellen overeenkomstig bijlage 2, 2., en worden verricht overeenkomstig bijlage 3, deel II.

Art. 6.Indien op het einde van het in artikel 3, § 1, bedoelde officiële onderzoek en de andere, in artikel 3, § 3, bedoelde officiële onderzoeken geen aardappelcysteaaltjes worden aangetroffen, wordt deze informatie officieel geregistreerd.

Art. 7.§ 1. Indien bij het in artikel 3, § 1 bedoelde officiële onderzoek op een veld aardappelcysteaaltjes worden aangetroffen, wordt deze informatie officieel geregistreerd. § 2. Indien bij een officiële survey zoals bedoeld in artikel 5, § 1 op een veld aardappelcysteaaltjes worden aangetroffen, wordt deze informatie officieel geregistreerd. § 3. Aardappelen of in bijlage 1 vermelde planten die afkomstig zijn van een veld waarvoor de in §§ 1 en 2 bedoelde informaties officieel werden geregistreerd of die in contact zijn gekomen met grond waarin aardappelcysteaaltjes zijn aangetroffen, worden door het Agentschap officieel besmet verklaard. HOOFDSTUK III. - Bestrijdingsmaatregelen

Art. 8.Het is verboden om op hetzelfde veld meer dan één keer per drie jaar aardappelen of in bijlage 1, 1. vermelde planten te telen.

Het in het vorige lid bedoelde verbod geldt niet voor : 1° teelten onder glas;2° teelten van aardappelen die geoogst worden vóór de 20e juni volgend op de datum van het planten ervan.

Art. 9.§ 1. In de in artikel 7, §§ 1 en 2 bedoelde gevallen : 1° mogen geen aardappelen bestemd voor de teelt van pootaardappelen in het veld worden geplant;2° mogen geen in bijlage 1 vermelde planten bestemd voor herplanten in het veld worden geplant of bewaard. Echter, mogen de in bijlage 1, 2. vermelde planten wel op het veld worden geplant mits zij aan de onder bijlage 3, deel III, A. bedoelde officieel vastgestelde maatregelen worden onderworpen, zodat er geen aanwijsbaar risico van verspreiding van aardappelcysteaaltjes is. § 2. Velden die zullen worden gebruikt voor het planten van aardappelen die niet voor het voortbrengen van pootaardappelen bestemd zijn en waar de aanwezigheid van aardappelcysteaaltjes officieel geregistreerd is overeenkomstig artikel 7, §§ 1 en 2, zijn onderworpen aan een officieel bestrijdingsprogramma dat ten minste tot doel heeft de populatie aardappelcysteaaltjes in die velden terug te dringen.

Dit programma bevat ten minste één van de volgende maatregelen : 1° het gebruik van een resistent aardappelras met het hoogste resistentieniveau, overeenkomstig bijlage 4, deel I, de resistentiegraad van het aardappelras zoals gekwantificeerd overeenkomstig de standaardscore-notatietabel in bijlage 4, deel I en de resistentietest zoals verricht overeenkomstig het protocol vastgesteld in bijlage 4, deel II;2° het gebruik van een erkend nematicide; 3° teelt van een lokplantras of van een aardappelras als lokplant waarbij ten vroegste op 30 april wordt geplant en met volledige vernietiging door middel van een erkend herbicide dat de afwezigheid van opslag garandeert, voordat de cysten rijp zijn, d.w.z. uiterlijk 40 dagen na het planten en, in ieder geval, niet later dan 20 juni. § 3. De Minister kan aanvullende bestrijdingsmaatregelen vastleggen naast die bedoeld in § 2 teneinde het in § 1 bedoelde bestrijdingsprogramma aan te vullen.

Art. 10.De aardappelen of de in bijlage 1 vermelde planten die overeenkomstig artikel 7, § 3 besmet zijn verklaard, zijn onderworpen aan de volgende maatregelen : 1° aardappelen bestemd voor industriële verwerking of sortering, worden onderworpen aan officieel vastgestelde maatregelen overeenkomstig bijlage 3, deel III, B.; 2° de in bijlage 1, 2.vermelde planten worden niet geplant tenzij zij onderworpen zijn geweest aan de in bijlage 3, deel III, A. bedoelde officieel vastgestelde maatregelen, zodat zij niet langer besmet zijn.

Art. 11.Indien na het nemen van de in bijlage 3, deel III, C. bedoelde officieel vastgestelde maatregelen de aanwezigheid van aardappelcysteaaltjes niet wordt bevestigd, wordt de informatie die officieel is geregistreerd overeenkomstig artikel 3, § 5, en artikel 7, § 1 of § 2, officieel bijgewerkt en trekt het Agentschap de beperkingen in die op het veld van toepassing zijn.

Art. 12.Onverminderd de artikelen 7 en 9 van het koninklijk besluit van 10 augustus 2005, kan het Agentschap toestaan dat voor proefnemingen, wetenschappelijke doeleinden of selectiewerkzaamheden wordt afgeweken van de bepalingen van de artikelen 9 en 10 van dit besluit, overeenkomstig het ministerieel besluit van 4 juli 1996 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder bepaalde schadelijke organismen, planten, plantaardige producten en andere materialen in de bijlagen I tot en met V bij het koninklijk besluit van 3 mei 1994 betreffende de bestrijding van voor planten en plantaardige produkten schadelijke organismen voor proefnemingen of wetenschappelijke doeleinden en voor selectiewerkzaamheden in de Gemeenschap of in bepaalde beschermde gebieden daarvan mogen worden binnengebracht of naar een andere plaats overgebracht. HOOFDSTUK IV. - Algemene bepalingen en slotbepalingen

Art. 13.De artikelen 16 tot 22 van het koninklijk besluit van 19 november 1987 betreffende de bestrijding van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organismen worden opgeheven.

Art. 14.Dit besluit treedt in werking op 1 juli 2010.

Art. 15.De Minister bevoegd voor de Veiligheid van de Voedselketen is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 22 juni 2010.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Landbouw, Mevr. S. LARUELLE

Bijlage 1 Lijst van planten De lijst van de planten bedoeld in artikel 3, §§ 1, 2 en 4, artikel 4, §§ 1 en 2, artikel 7, § 3, artikel 9, § 1, onder 2°, en artikel 10, is de volgende : 1. Waardplanten met wortels : Capsicum spp., Lycopersicon lycopersicum (L.) Karsten ex Farw., Solanum melongena L. 2. a) Andere planten met wortels : Allium porrum L., Beta vulgaris L., Brassica spp., Fragaria L., Asparagus officinalis L. b) In grond geteelde bollen, knollen en wortelstokken, die niet onder de officieel vastgestelde maatregelen zoals bedoeld in deel III, onder A, van bijlage 3 vallen en die bestemd zijn voor opplant, met uitzondering van diegene waarvoor op de verpakking of met andere middelen duidelijk wordt aangegeven dat ze bestemd zijn voor verkoop aan eindverbruikers die niet bij de professionele planten- of snijbloementeelt betrokken zijn, van : Allium ascalonicum L., Allium cepa L., Dahlia spp., Gladiolus Tourn.

Ex L., Hyacinthus spp., Iris spp., Lilium spp., Narcissus L., Tulipa L. Gezien om te worden gevoegd bij ons besluit van 22 juni 2010 betreffende de bestrijding van het aardappelcysteaaltje en tot wijziging van het koninklijk besluit van 19 november 1987 betreffende de bestrijding van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organismen.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Landbouw Mevr. S. LARUELLE

Bijlage 2 Bemonstering en analyses 1. Wat de in artikel 4, §§ 1 en 2, bedoelde bemonstering en tests voor het officiële onderzoek betreft : a) wordt voor de bemonstering, volgens de voorschriften van het Agentschap, een bodemmonster gebruikt met een standaardvolume van ten minste 1500 ml grond/ha, dat wordt samengesteld uit ten minste 100 boormonsters/ha, bij voorkeur in een rechthoekig raster met een minimale breedte van 5 m en een maximale lengte van 20 m tussen de bemonsteringspunten, dat het hele veld omvat.Het volledige monster wordt gebruikt voor verder onderzoek, d.w.z. extractie van cysten, identificatie van de soort en, in voorkomend geval, bepaling van het pathotype of de virulentiegroep; b) worden de tests gebaseerd op de extractiemethoden voor aardappelcysteaaltjes beschreven in de desbetreffende Eppo-normen voor fytosanitaire procedures en diagnostische protocollen voor Globodera pallida en Globodera rostochiensis.2. Wat de in artikel 5, § 2, bedoelde bemonstering en tests voor de officiële survey betreft : a) bestaat de bemonstering uit : - de in punt 1 beschreven bemonstering, gebruikmakend van een bodemmonster met een volume van 500 ml grond/ha; of - een gerichte bemonstering van 500 ml grond na visueel onderzoek van wortels met zichtbare symptomen; of - een bemonstering van 500 ml grond, die na het oogsten aan de aardappelen hangt, mits het perceel waarop de aardappelen geteeld zijn, traceerbaar is; b) wordt getest zoals beschreven in punt 1.3. Bij wijze van afwijking mag het in punt 1 vermelde standaardvolume van het monster worden teruggebracht tot minimaal 500 ml grond/ha, mits : a) bewijs voorhanden is dat er op het veld gedurende de laatste zes jaar vóór het officiële onderzoek geen aardappelen of andere, in punt 1 van bijlage 1 vermelde waardplanten zijn geteeld of aanwezig waren; of b) gedurende de twee opeenvolgende recentste officiële onderzoeken geen aardappelcysteaaltjes zijn aangetroffen in monsters van 1500 ml grond/ha en er na het eerste officiële onderzoek geen aardappelen of andere, in punt 1 van bijlage 1 vermelde waardplanten zijn geteeld waarvoor een officieel onderzoek in de zin van artikel 3, § 1, is vereist; of c) bij het recentste officiële onderzoek geen aardappelcysteaaltjes noch cysten van het aardappelcysteaaltje zonder levende inhoud zijn aangetroffen, mits hierbij een monster van ten minste 1500 ml grond/ha is genomen en mits er sinds dat recentste officiële onderzoek geen aardappelen of andere, in punt 1 van bijlage 1 vermelde waardplanten zijn geteeld waarvoor een officieel onderzoek in de zin van artikel 3, § 1, is vereist. De resultaten van andere officiële onderzoeken die vóór 1 juli 2010 zijn verricht, mogen als officiële onderzoeken zoals bedoeld onder b) en c) worden beschouwd. 4. Bij wijze van afwijking mag voor velden groter dan 8 ha het in punt 1 bedoelde volume van de bemonstering worden teruggebracht.De standaardbemonstering voor de eerste 8 ha is die voorzien in dat punt 1, maar kan voor iedere bijkomende hectare verlaagd worden tot 500 ml grond/ha; 5. Tot er op het desbetreffende veld aardappelcysteaaltjes worden aangetroffen, mag het verlaagde monstervolume zoals bedoeld in de punten 3 en 4 ook bij de volgende officiële onderzoeken zoals bedoeld in artikel 3, § 1, worden aangehouden. Gezien om te worden gevoegd bij ons besluit van 22 juni 2010 betreffende de bestrijding van het aardappelcysteaaltje en tot wijziging van het koninklijk besluit van 19 november 1987 betreffende de bestrijding van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organismen.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Landbouw Mevr. S. LARUELLE

Bijlage 3 DEEL I. - Verificatie Overeenkomstig artikel 4, § 2, moet het in artikel 3, § 1, bedoelde officiële onderzoek, op basis van de door de betrokkene ingediende officiële documenten, staven dat op het moment van de verificatie aan een van de volgende criteria wordt voldaan : - gedurende de laatste twaalf jaar zijn bij geschikte, officieel goedgekeurde tests op het veld geen aardappelcysteaaltjes aangetroffen, of - het is bekend dat op het veld gedurende de laatste twaalf jaar geen aardappelen of andere, in punt 1 van bijlage 1 vermelde waardplanten zijn geteeld.

DEEL II. - Surveys De in artikel 5, § 1, bedoelde officiële surveys worden verricht op ten minste 0,5 % van dat deel van het aardappelareaal van het betrokken jaar dat niet voor de teelt van pootaardappelen wordt gebruikt.

DEEL III. - Officiële maatregelen A. De in artikel 3, § 4, onder 3°, artikel 9, § 1, onder 1°, artikel 10, onder 2°, en in punt 2 b) van bijlage 1 bedoelde officieel vastgestelde maatregelen bestaan uit : 1. behandeling met geschikte methoden zodat er geen door het Agentschap aanwijsbaar risico van verspreiding van aardappelcysteaaltjes is;2. verwijdering van praktisch alle grond door wassen of afborstelen, zodat er geen door het Agentschap aanwijsbaar risico van verspreiding van aardappelcysteaaltjes is. B. De in artikel 10, onder 1°, bedoelde officieel vastgestelde maatregelen bestaan uit de levering van aardappelen aan een verwerkings- of sorteerbedrijf dat werkt met methoden waarvan het Agentschap vaststelt dat zij geen risico op verspreiding van aardappelcysteaaltjes inhouden.

C. De in artikel 11 bedoelde officieel vastgestelde maatregelen bestaan uit een officiële herbemonstering van het veld dat overeenkomstig artikel 7, § 1 of § 2, officieel besmet is verklaard, en uit tests volgens een van de in bijlage 2 vermelde methoden, die plaatsvinden na een periode van ten minste zes jaar na hetzij de laatste bevestiging van de aanwezigheid van aardappelcysteaaltjes, hetzij de laatste aardappelteelt. Deze periode mag worden beperkt tot minimaal drie jaar, mits de gepaste officieel vastgestelde bestrijdingsmaatregelen zijn genomen.

Gezien om te worden gevoegd bij ons besluit van 22 juni 2010 betreffende de bestrijding van het aardappelcysteaaltje en tot wijziging van het koninklijk besluit van 19 november 1987 betreffende de bestrijding van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organismen.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Landbouw Mevr. S. LARUELLE

Bijlage 4 DEEL I. - Resistentiegraad van aardappelrassen De graad van vatbaarheid van de aardappelen voor aardappelcysteaaltjes wordt gemeten volgens de volgende standaardscorenotatie, zoals bedoeld in artikel 9, lid 2.

Score 9 geeft het hoogste resistentieniveau aan.

Relatieve vatbaarheid (%)

Score

Sensibilité relative (%)

Degré

< 1

9

< 1

9

1,1 - 3

8

1,1 - 3

8

3,1 - 5

7

3,1 - 5

7

5,1 - 10

6

5,1 - 10

6

10,1 - 15

5

10,1 - 15

5

15,1 - 25

4

15,1 - 25

4

25,1 - 50

3

25,1 - 50

3

50,1 - 100

2

50,1 - 100

2

> 100

1

> 100

1


DEEL II. - Protocol voor resistentietests 1. De tests worden verricht in een quarantaine-inrichting, hetzij buiten, hetzij in kassen, hetzij in ruimten met klimaatregeling.2. De tests worden verricht in potten die elk ten minste een liter grond (of een geschikt substraat) bevatten.3. Tijdens de test mag de grondtemperatuur niet meer dan 25 °C bedragen en moet voldoende water worden gegeven.4. Bij het planten van het test- of controleras wordt van elk test- of controleras een stuk aardappel gebruikt dat een oog bevat.Aanbevolen wordt om op één na alle stengels te verwijderen. 5. Bij elke test wordt het aardappelras « Désirée » als standaardvatbaar controleras gebruikt.Als interne controle mogen daarnaast volledig vatbare controlerassen van plaatselijk belang worden gebruikt. Indien uit onderzoek blijkt dat andere rassen geschikter zijn of gemakkelijker te verkrijgen zijn, mag een ander standaardvatbaar controleras worden gebruikt. 6. Voor de pathotypen Ro 1, Ro 5, Pa 1 en Pa 3 worden de volgende standaardpopulaties aardappelcysteaaltjes gebruikt : Ro 1 : populatie Ecosse, Ro 5 : populatie Harmerz, Pa 1 : populatie Scottish, Pa 3 : populatie Chavornay. Er mogen andere populaties aardappelcysteaaltjes van plaatselijk belang worden toegevoegd. 7. De identiteit van de standaardpopulatie wordt met geschikte methoden gecontroleerd.Aanbevolen wordt om voor de tests ten minste twee resistente rassen of twee differentiële standaardklonen met bekend resistentievermogen te gebruiken. 8. Het aardappelcysteaaltjesinoculum (Pi) bestaat uit in totaal vijf besmettelijke eitjes en jonge aaltjes per ml grond.Aanbevolen wordt om het aantal te inoculeren aardappelcysteaaltjes per ml grond te bepalen met broedtests. De aardappelcysteaaltjes mogen als cysten worden geïnoculeerd of als eitjes en jonge aaltjes in een suspensie worden samengevoegd. 9. De levensvatbaarheid van de inhoud van de aardappelcysteaaltjes die als inoculatiebron wordt gebruikt, moet ten minste 70 % bedragen. Aanbevolen wordt dat de cysten 6 à 24 maanden oud zijn en onmiddellijk vóór gebruik gedurende ten minste vier maanden bij 4 °C worden gehouden. 10. Per geteste combinatie van aardappelcysteaaltjespopulatie en aardappelras worden ten minste vier replicaten (potten) gebruikt. Aanbevolen wordt om voor het standaardvatbare controleras ten minste tien replicaten te gebruiken. 11. De test duurt ten minste drie maanden.Alvorens de test wordt beëindigd, wordt gecontroleerd of de zich ontwikkelende wijfjes volgroeid zijn. 12. De aardappelcysteaaltjes in de vier potten worden voor elke pot afzonderlijk verwijderd en geteld.13. De eindpopulatie (Pf) bij het standaardvatbare controleras aan het einde van de resistentietest wordt bepaald door alle cysten in alle replicaten en de eitjes en jonge aaltjes in ten minste vier replicaten te tellen.14. Bij het standaardvatbare controleras moet een vermenigvuldigingsfactor (Pf/Pi) van ten minste 20 worden bereikt.15. De variatiecoëfficiënt (CV) bij het standaardvatbare controleras mag niet meer dan 35 % bedragen.16. De relatieve vatbaarheid van het geteste aardappelras in verhouding tot het standaardvatbare controleras wordt bepaald en uitgedrukt als een percentage aan de hand van de volgende formule : Pftestras/Pfstandaardvatbaar controleras 100 %.17. Indien een getest aardappelras een relatieve vatbaarheid van meer dan 3 % heeft, volstaat het om de cysten te tellen.Indien de relatieve vatbaarheid minder dan 3 % bedraagt, worden naast de cysten ook de eitjes en jonge aaltjes geteld. 18. Indien uit de testresultaten van het eerste jaar blijkt dat een ras volledig vatbaar is voor een pathotype, hoeven deze tests niet in een tweede jaar te worden herhaald.19. De testresultaten moeten worden bevestigd door ten minste nog een proef in een ander jaar.Het rekenkundige gemiddelde van de relatieve vatbaarheid in de twee jaren wordt gebruikt om de score volgens de standaardscorenotatie te berekenen.

Gezien om te worden gevoegd bij ons besluit van 22 juni 2010 betreffende de bestrijding van het aardappelcysteaaltje en tot wijziging van het koninklijk besluit van 19 november 1987 betreffende de bestrijding van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organismen ALBERT Van Koningswege : De Minister van Landbouw, Mevr. S. LARUELLE

^