Etaamb.openjustice.be
Koninklijk Besluit van 20 mei 1997
gepubliceerd op 05 augustus 1997

Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 30 juni 1995, gesloten in het Paritair Comité voor de uitzendarbeid, tot wijziging van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 36bis, gesloten op 27 november 1981 in de Nationale Arbeidsraad, betreffende de oprichting van een Fonds voor bestaanszekerheid van de uitzendkrachten en vaststelling van zijn statuten

bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
numac
1997012259
pub.
05/08/1997
prom.
20/05/1997
ELI
eli/besluit/1997/05/20/1997012259/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

20 MEI 1997. Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 30 juni 1995, gesloten in het Paritair Comité voor de uitzendarbeid, tot wijziging van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 36bis, gesloten op 27 november 1981 in de Nationale Arbeidsraad, betreffende de oprichting van een Fonds voor bestaanszekerheid van de uitzendkrachten en vaststelling van zijn statuten (1)


ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, inzonderheid op artikel 28;

Gelet op de collectieve arbeidsovereenkomst nr 36bis, gesloten op 27 november 1981 in de Nationale Arbeidsraad, betreffende de oprichting van een Fonds voor bestaanszekerheid van de uitzendkrachten en vaststelling van zijn statuten, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 9 december 1981;

Gelet op het verzoek van het Paritair Comité voor de uitzendarbeid;

Op de voordracht van Onze Minister van Tewerkstelling en Arbeid, Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.Algemeen verbindend wordt verklaard de als bijlage overgenomen collectieve arbeidsovereenkomst van 30 juni 1995, gesloten in het Paritair Comité voor de uitzendarbeid, tot wijziging van de collectieve arbeidsovereenkomst nr 36bis, gesloten op 27 november 1981 in de Nationale Arbeidsraad, betreffende de oprichting van een Fonds voor bestaanszekerheid van de uitzendkrachten en vaststelling van zijn statuten.

Art. 2.Onze Minister van Tewerkstelling en Arbeid is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 20 mei 1997.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Tewerkstelling en Arbeid, Mevr. M. SMET. Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Bijlage Paritair Comité voor de uitzendarbeid Collectieve arbeidsovereenkomst van 30 juni 1995 Wijziging van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 36bis gesloten op 27 november 1981 in de Nationale Arbeidsraad, betreffende de oprichting van een Fonds voor bestaanszekerheid van de uitzendkrachten en vaststelling van zijn statuten (Overeenkomst geregistreerd op 21 november 1995 onder het nummer 39759/CO/322)

Artikel 1.Artikel 3 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 36 bis, gesloten op 27 november 1981 in de Nationale Arbeidsraad, betreffende de oprichting van een Fonds voor bestaanszekerheid van de uitzendkrachten en vaststelling van zijn statuten, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 9 december 1981 wordt aangevuld als volgt : « 8° initiatieven tot tewerkstelling van risicogroepen te bevorderen.

Het betreft de volgende risicogroepen : a) De langdurige werklozen Werkzoekenden die, gedurende de 6 maanden die aan hun indienstneming voorafgaan, zonder onderbreking werkloosheids- of wachtuitkeringen hebben genoten voor alle dagen van de week.b) De laaggeschoolde werklozen Werklozen, ouder dan 18 jaar, die minstens 1 dag werkloos zijn en geen houder zijn van : hetzij een diploma van universitair onderwijs; hetzij een diploma of een getuigschrift van het hoger onderwijs van het lange of korte type; hetzij een getuigschrift van het hoger algemeen of technisch secundair onderwijs. c) De gehandicapten Werkzoekenden mindervaliden die, op het ogenblik van hun indienstneming, bij het Rijksfonds voor de Sociale Reclassering van de Mindervaliden (of bij één van zijn rechtsopvolgers) zijn ingeschreven.d) De deeltijds leerplichtigen Werkzoekenden van minder dan 18 jaar die onderworpen zijn aan de deeltijdse leerplicht en het secundair onderwijs met volledig leerplan niet meer volgen.e) De herintreders Werkzoekenden die tegelijk aan volgende voorwaarden voldoen : 1° minstens 24 jaar zijn op 1 januari 1995;2° geen werkloosheids- of loopbaanonderbrekingsuitkeringen genoten hebben gedurende de periode van 3 jaar die de indienstneming voorafgaat;3° geen beroepsactiviteit verricht hebben gedurende de periode van 3 jaar die de indienstneming voorafgaat;4° voor de in 2) en 3) bedoelde periode van 3 jaar hun beroepsactiviteit onderbroken hebben ofwel nooit een dergelijke activiteit begonnen zijn.f) De bestaansminimumtrekkers Werkzoekenden die op het ogenblik van hun indienstneming sinds minstens 3 maanden zonder onderbreking het bestaansminimum ontvangen.g) Oudere werklozen Werkzoekenden, ouder dan 44 jaar, die minstens één dag werkloos zijn en geen houder zijn van : hetzij een diploma van het universitair onderwijs; hetzij een diploma of een getuigschrift van het hoger niet-universitair onderwijs van het korte of het lange type. »

Art. 2.Artikel 13, b) van dezelfde collectieve arbeidsovereenkomst wordt vervangen door de volgende bepaling : « b) Vanaf 1 juli 1995 bedraagt de bijdrage 8,5 pct. van de brutolonen van de uitzendkrachten voor elk van de vier kwartalen van het jaar. »

Art. 3.In dezelfde collectieve arbeidsovereenkomst wordt een artikel 13bis ingevoegd, luidend als volgt : «

Art. 13bis.- Voor de verwezenlijking van artikel 3, 8° wordt de bijdrage die door de werkgevers, bedoeld bij artikel 5, a) aan het fonds verschuldigd is, vastgesteld voor 1995 op 0,15 pct. en voor 1996 op 0,20 pct. van de brutolonen van de uitzendkrachten. De bijdrage is verschuldigd voor elk van de vier kwartalen van het jaar.

Voor de vier kwartalen van 1995 worden de bijdragen rechtstreeks door het fonds geïnd volgens de modaliteiten, welke door de raad van beheer worden bepaald. »

Art. 4.In de dezelfde collectieve arbeidsovereenkomst wordt een artikel 14bis ingevoerd, luidend als volgt : «

Art. 14bis.De bijdragen, bedoeld bij artikel 13bis, worden vanaf het eerste kwartaal van 1996 ingevorderd en geïnd zoals bepaald bij artikel 14. »

Art. 5.In dezelfde collectieve arbeidsovereenkomst wordt een artikel 19bis ingevoerd, luidend als volgt : «

Art. 19bis.Voor de verwezenlijking van artikel 3, 8° kan de raad van beheer, onder meer, binnen de perken van de financiële middelen, die voortvloeien uit de toepassing van artikel 13bis : cursussen organiseren; tussenkomsten in opleidingsprogramma's en in de kosten van didactisch materiaal; gedurende de opleidingsprogramma's de lonen en sociale lasten van de uitzendkrachten ten laste nemen; tegemoetkomingen verlenen in de lonen en sociale lasten met het oog op de tewerkstelling van de uitzendkrachten die tot de risicogroepen, bedoeld in artikel 3, 8° behoren.

De raad van beheer bepaalt : de toekenningsmodaliteiten voor de tegemoetkomingen en de nodige bewijsstukken die bij de aanvragen voor tussenkomst gevoegd moeten worden; de data waarbinnen de aanvragen ingediend moeten worden en de data waarbinnen de raad over de ingediende aanvragen een beslissing neemt; de terugstorting van eventueel ten onrechte uitgekeerde tegemoetkomingen wanneer niet of niet langer aan de toekenningsmodaliteiten is voldaan.

Commentaar : De bij het laatste lid van artikel 19bis bedoelde terugsstorting van eventueel ten onrechte uitgekeerde tegemoetkomingen, zou bijvoorbeeld moeten gebeuren wanneer een uitzendkracht de opleiding voortijdig beëindigt. »

Art. 6.In dezelfde collectieve arbeidsovereenkomst wordt een artikel 21bis ingevoegd, luidend als volgt : «

Art. 21bis.De artikelen 3, 8°, 13bis, 14bis en 19bis treden in werking op 1 januari 1995 en houden op van kracht te zijn op 31 december 1996. »

Art. 7.Deze collectieve arbeidsovereenkomst treedt in werking op 1 januari 1995 en is gesloten voor onbepaalde duur.

Zij kan mits een opzeggingstermijn van drie maanden door elk van de partijen worden opgezegd bij een ter post aangetekende brief gericht aan de Voorzitter van het Paritair Comité voor de uitzendarbeid.

Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit van20 mei 1997.

De Minister van Tewerkstelling en Arbeid, Mevr. M. SMET

^