Etaamb.openjustice.be
Koninklijk Besluit van 19 november 2009
gepubliceerd op 07 december 2009

Koninklijk besluit tot wijziging wat de erkenning van sommige beroepskwalificaties betreft, van de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen

bron
federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie
numac
2009011398
pub.
07/12/2009
prom.
19/11/2009
ELI
eli/besluit/2009/11/19/2009011398/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

19 NOVEMBER 2009. - Koninklijk besluit tot wijziging wat de erkenning van sommige beroepskwalificaties betreft, van de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen


ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen, artikel 62;

Gelet op de Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties;

Gelet op het advies van de Hoge Raad voor de Economische Beroepen van 2 juli 2008;

Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 30 maart 2009;

Gelet op advies 46.098/1 van de Raad van State, gegeven op 19 maart 2009, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten van de Raad van State;

Op de voordracht van de Minister van K.M.O.'s en Zelfstandigen en van de Minister voor Ondernemen, Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.In de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen wordt het opschrift van Titel I vervangen als volgt : « TITEL I. - Algemene bepalingen »

Art. 2.In titel I van dezelfde wet wordt een artikel 1/1 ingevoegd, luidende : «

Art. 1/1.In deze wet wordt verstaan onder « toegetreden staat », de lidstaten van de Europese Economische Ruimte (EER) en de landen buiten de EER vanaf het ogenblik dat de Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties, op deze landen van toepassing is. »

Art. 3.Artikel 3 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : «

Art. 3.Het Instituut heeft als opdracht toe te zien op de opleiding, en de permanente organisatie van een korps van specialisten te verzekeren die bekwaam zijn om de functies van accountant en belastingconsulent uit te oefenen, waarvan het Instituut de organisatie kan controleren en bijsturen, met alle noodzakelijke waarborgen qua bekwaamheid, onafhankelijkheid en professionele rechtschapenheid.

Het Instituut ziet er eveneens op toe dat de aan zijn leden en aan de personen die onderworpen zijn aan zijn toezicht en tuchtbevoegdheid, toevertrouwde opdrachten, behoorlijk worden uitgevoerd.

Het ziet er eveneens op toe dat de in artikel 37bis bedoelde personen, de modaliteiten en voorwaarden naleven van de tijdelijke en occasionele uitoefening van de activiteit van accountant in België.

Het Instituut is gemachtigd om van de bevoegde overheid in andere toegetreden staten, de informatie aan te vragen en te verkrijgen die nodig is voor de uitvoering van deze opdracht. Deze inlichtingen worden verwerkt en bewaard overeenkomstig de voorschriften van de wet van 8 december 1992 betreffende de bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens en de uitvoeringsbesluiten van deze wet.

Het Instituut is eveneens gemachtigd om, mits naleving van diezelfde bepalingen, informatie aan de bevoegde overheid van een andere toegetreden staat mede te delen, met betrekking tot zijn leden die nodig is voor de behandeling van hun aanvraag tot vestiging of de uitoefening van hun vrijheid van dienstlevering in deze toegetreden staat. »

Art. 4.In artikel 4 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het tweede lid worden de woorden « en de personen geviseerd door artikel 37bis » ingevoegd tussen de woorden « Stagiairs » en « zijn »;2° er wordt een derde lid toegevoegd, luidende als volgt : « Alle wettelijke en reglementaire bepalingen in verband met de plichtenleer, de uitoefening van de tuchtmacht door de bevoegde tuchtinstanties, de definitie en de uitoefening van het beroep, die van toepassing zijn op externe accountants, leden van het IAB, en die inzonderheid opgenomen zijn in : - deze wet en haar uitvoeringsbesluiten, inzonderheid het koninklijk besluit van 1 maart 1998 tot vaststelling van het reglement van plichtenleer van de accountants; - de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, en de uitvoeringsbesluiten van deze wet; - de technische en deontologische normen en aanbevelingen bedoeld bij artikel 27 van deze wet, zijn van toepassing op de onderdanen van een toegetreden staat die gemachtigd zijn om tijdelijk en occasioneel de activiteit van accountant in België uit te oefenen overeenkomstig artikel 37bis, gedurende hun aanwezigheid op het grondgebied van België, en voor alles dat betrekking heeft op de uitvoering van de diensten die in België worden geleverd. »

Art. 5.In artikel 16 van dezelfde wet, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 februari 2003, worden de volgende leden toegevoegd, luidende : « De onderdanen van een andere toegetreden staat die gemachtigd zijn om tijdelijk en occasioneel de activiteit van accountant in België uit te oefenen in toepassing van artikel 37bis van deze wet, gebruiken uitsluitend de beroepstitel die hen werd verleend in hun land van oorsprong, en desgevallend de afkorting van deze titel, in de taal van deze Staat, of bij gebreke hieraan, hun wettige opleidingstitel, bedoeld bij het vorige lid.

Wanneer in de beroepstitel, in de taal van de Staat van oorsprong, de term accountant voorkomt, of wanneer deze beroepstitel verwarring kan scheppen met de titel van accountant, moet de titel worden gevolgd door de vermelding van de overheid of de beroepsorganisatie die deze titel heeft verleend. »

Art. 6.In artikel 19bis van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 25 februari 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt : « § 1.Ter ondersteuning van hun verzoek om verlening van de hoedanigheid van accountant en/of belastingconsulent, kunnen de onderdanen van een andere toegetreden staat één van de volgende diploma's of opleidingstitels doen gelden : a) de opleidingstitel voorgeschreven door een andere toegetreden staat om tot het beroep van accountant en/of belastingconsulent op zijn grondgebied te worden toegelaten, dan wel deze activiteit aldaar uit te oefenen. Wordt verstaan onder opleidingstitel ieder diploma, certificaat of andere titel : - die moet zijn afgegeven door een bevoegde autoriteit in een toegetreden staat die overeenkomstig de wettelijke, reglementaire of bestuursrechterlijke bepalingen van die toegetreden staat is aangewezen; - ter afsluiting van een overwegend in de Gemeenschap gevolgde beroepsopleiding, of afgegeven in een derde land, wanneer de betrokken opleidingstitel erkend werd door een toegetreden staat waarin de houder ervan in het betrokken beroep een beroepservaring van drie jaar heeft opgedaan in deze toegetreden staat, die door deze toegetreden staat wordt bevestigd, - en die blijk geven van een beroepskwalificatieniveau dat ten minste gelijkwaardig is aan een diploma ter afsluiting van een opleiding op het niveau van postsecundair onderwijs dat ten minste één jaar duurt of in geval van een deeltijdse opleiding, van een gelijkwaardige duur, waarvoor als een van de toelatingsvoorwaarden in de regel geldt dat men de studiecyclus van secundair onderwijs moet hebben voltooid die voor de toegang tot het universitair of hoger onderwijs vereist is, of een volledige equivalente schoolopleiding van secundair niveau, alsook de beroepsopleiding die eventueel als aanvulling op deze cyclus van postsecundair onderwijs vereist is. b) als de belanghebbende voltijds het beroep van accountant en/of belastingconsulent heeft uitgeoefend gedurende twee jaar tijdens de voorafgaande tien jaar in een andere toegetreden staat, waar het beroep niet gereglementeerd is, een opleidingstitel : - die moet zijn afgegeven door een bevoegde autoriteit in een toegetreden staat die overeenkomstig de wettelijke, reglementaire of bestuursrechtelijke bepalingen van die toegetreden staat is aangewezen; - ter afsluiting van een overwegend in de Gemeenschap gevolgde beroepsopleiding, of afgegeven in een derde land, wanneer de betrokken opleidingstitel erkend werd door een toegetreden staat waarin de houder ervan in het betrokken beroep een beroepservaring van drie jaar heeft opgedaan in deze toegetreden staat, die door deze toegetreden staat wordt bevestigd; - die blijk geven van een beroepskwalificatieniveau dat tenminste gelijkwaardig is aan een diploma ter afsluiting van een opleiding op het niveau van postsecundair onderwijs dat ten minste één jaar duurt of in geval van een deeltijdse opleiding, van een gelijkwaardige duur, waarvoor als een van de toelatingsvoorwaarden in de regel geldt dat men de studiecyclus van secundair onderwijs moet hebben voltooid die voor de toegang tot het universitair of hoger onderwijs vereist is, of een volledige equivalente schoolopleiding van secundair niveau, alsook de beroepsopleiding die eventueel als aanvulling op deze cyclus van postsecundair onderwijs vereist is, - en die moet aantonen dat de houder op de uitoefening van het beroep van accountant en/of belastingconsulent is voorbereid.

Alleszins mag de twee jaar beroepservaring niet worden geëist wanneer de opleidingstitel van de aanvrager een gereglementeerde opleiding betreft, d.w.z. elke opleiding die specifiek op de uitoefening van het beroep van accountant en/of belastingconsulent gericht is en die uit een studiecyclus bestaat die eventueel met een beroepsopleiding, een beroepsstage of praktijkervaring wordt aangevuld, waarvan de structuur en het niveau in wettelijke, reglementaire of bestuursrechtelijke bepalingen van de betrokken toegetreden staat vastgesteld worden of het voorwerp vormen van een controle of erkenning van een daartoe aangewezen autoriteit. » 2° paragraaf 2 wordt vervangen als volgt : « § 2.De houders van een opleidingstitel opgenomen in § 1, a) en b), zijn vrijgesteld van stage.

Zij moeten zich evenwel onderwerpen aan een bekwaamheidsproef, georganiseerd door het Instituut van Accountants en Belastingconsulenten in de volgende gevallen : - wanneer de duur van de opleiding geviseerd door § 1, a) en b), twee jaar niet overschrijdt; - wanneer hun opleiding op het vlak van de boekhouding, fiscaliteit, vennootschapsrecht, deontologie en andere vakken waarvan de kennis noodzakelijk is voor de uitoefening van het beroep van accountant en/of belastingconsulent in België, belangrijke verschillen vertoont inzake duur of inhoud ten aanzien van de opleiding die bestreken is door de in België vereiste opleidingstitel.

De bekwaamheidsproef bestaat uit een controle, uitsluitend van de beroepskennis van de aanvrager, die tot doel heeft te beoordelen of deze de bekwaamheid bezit om het beroep van accountant en/of belastingconsulent uit te oefenen.

Bij de bekwaamheidsproef moet in aanmerking worden genomen dat de aanvrager in de Staat van oorsprong of herkomst een gekwalificeerde beroepsbeoefenaar is. De proef heeft betrekking op de vakgebieden die moeten worden gekozen uit die welke op de lijst staan van de vakgebieden die, op basis van een vergelijking tussen de vereiste opleiding en de opleiding die de aanvrager heeft ontvangen, niet bestreken worden door het diploma of de titel(s) die de aanvrager overlegt. De kennis van deze vakgebieden moet een noodzakelijke voorwaarde zijn om het beroep van accountant en/of belastingconsulent te kunnen uitoefenen. Deze proef kan ook betrekking hebben op de kennis van de deontologie die op die functies, van toepassing is.

De voorschriften betreffende de bekwaamheidsproef, de opstelling van de lijst van de leerstof en het statuut van de aanvrager die zich daarop wil voorbereiden, worden vastgelegd door de Raad van het Instituut, met inachtneming van de regels inzake gemeenschapsrecht.

Indien overwogen wordt om de aanvrager een bekwaamheidsproef te laten afleggen, wordt er eerst nagegaan of de kennis die de aanvrager tijdens zijn beroepservaring als accountant of als belastingconsulent in een toegetreden staat of derde land heeft verworven, van dien aard is, dat het wezenlijke verschil in de opleiding daardoor geheel of gedeeltelijk wordt ondervangen. »

Art. 7.In artikel 29 van dezelfde wet worden de volgende leden toegevoegd : « Indien de Raad kennis heeft van het feit dat een persoon, die gemachtigd is op grond van artikel 37bis om het beroep van accountant tijdelijk en occasioneel uit te oefenen, niet voldoet aan de voorwaarden en modaliteiten waaraan het tijdelijk en occasioneel uitoefenen van de activiteit van accountant onderworpen is, of ze niet naleeft, gelast hij de betrokkene zich hieraan te conformeren binnen de termijn die hij bepaalt.

Indien betrokkene hieraan onvoldoende gevolg geeft binnen de gestelde termijn, kan de Raad hem verbieden bepaalde nieuwe opdrachten nog te aanvaarden of eisen dat hij, binnen de termijn die de Raad bepaalt, van bepaalde reeds aanvaarde opdrachten afziet tot aan de aanmaningen van de Raad gevolg is gegeven. Hoger beroep tegen de beslissing van de Raad wordt ingesteld bij de Commissie van beroep. »

Art. 8.In dezelfde wet wordt een artikel 37bis toegevoegd, luidende : «

Art. 37bis.De onderdanen van een andere toegetreden staat zijn gemachtigd om tijdelijk en occasioneel de activiteit van accountant uit te oefenen zonder de voorwaarden van artikel 19bis, § 1, a) en b), te moeten vervullen, indien zij op wettige wijze zijn gevestigd in deze toegetreden staat om er hetzelfde beroep uit te oefenen.

Als het beroep van accountant niet gereglementeerd is in deze toegetreden staat, moeten zij dit beroep gedurende ten minste twee jaar tijdens de tien jaar die hun vrije dienstverrichting voorafgaan hebben uitgeoefend.

Het tijdelijke en occasioneel karakter van de dienstverrichting wordt individueel beoordeeld door het Instituut, inzonderheid in functie van de duur, de frequentie, de periodiciteit en de continuïteit.

De in het eerste en tweede lid bedoelde personen moeten een voldoende kennis hebben van de officiële taal waarin de opdracht(en) dienen te worden uitgevoerd.

Voorafgaandelijk aan elke dienstverrichting in België, laten ze aan het Instituut een schriftelijke verklaring toekomen die onder andere gegevens bevatten betreffende verzekeringsdekking of soortgelijke individuele of collectieve vormen van bescherming inzake beroepsaansprakelijkheid.

Deze verklaring wordt eenmaal per jaar verlengd indien de dienstverrichter voornemens is gedurende dat jaar in België tijdelijke of occasionele diensten te verrichten.

De Koning bepaalt de vermeldingen die in deze verklaring verplicht moeten worden opgenomen, alsook de documenten die, voor de eerste dienstverrichting of in het geval er zich een wezenlijke verandering heeft voorgedaan ten opzichte van de huidige situatie, moeten worden bijgevoegd bij deze verklaring. »

Art. 9.Artikel 44 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : «

Art. 44.Het Beroepsinstituut heeft als opdracht toe te zien op de opleiding en de permanente organisatie van een korps van specialisten te verzekeren, die bekwaam zijn de in artikel 49 bepaalde werkzaamheden uit te voeren met alle vereiste waarborgen inzake bekwaamheid, onafhankelijkheid en professionele rechtschapenheid. Het Beroepsinstituut ziet er tevens op toe dat de aan zijn leden, en aan de personen die onderworpen zijn aan zijn toezicht en tuchtbevoegdheid, toevertrouwde opdrachten, behoorlijk worden uitgevoerd.

Het ziet er eveneens op toe dat de in artikel 52bis bedoelde personen, de modaliteiten en voorwaarden naleven van de tijdelijke en occasionele uitoefening van de activiteit van boekhouder(-fiscalist) in België.

Het Instituut is gemachtigd om van de bevoegde overheid in andere toegetreden staten, de informatie aan te vragen en te verkrijgen die nodig is voor de uitvoering van deze opdracht. Deze inlichtingen worden verwerkt en bewaard overeenkomstig de voorschriften van de wet van 8 december 1992 betreffende de bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens en de uitvoeringsbesluiten van deze wet.

Het Instituut is eveneens gemachtigd om, mits naleving van diezelfde bepalingen, informatie aan de bevoegde overheid van een andere toegetreden staat mede te delen, met betrekking tot zijn leden die nodig is voor de behandeling van hun aanvraag tot vestiging of de uitoefening van hun vrijheid van dienstlevering in deze toegetreden staat. »

Art. 10.Artikel 46 van dezelfde wet, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 februari 2003, wordt aangevuld met de volgende leden, luidende : « De onderdanen van een andere toegetreden staat die gemachtigd zijn om tijdelijk en occasioneel de activiteit van boekhouder(-fiscalist) in België uit te oefenen in toepassing van artikel 52bis van deze wet, gebruiken uitsluitend de beroepstitel die hen werd verleend in hun Staat van oorsprong, en desgevallend de afkorting van deze titel, in de taal van deze Staat, of bij gebreke hieraan, hun wettige opleidingstitel, bedoeld bij het vorige lid.

Wanneer in de beroepstitel, in de taal van het land van oorsprong, de term boekhouder(-fiscalist) voorkomt, of wanneer deze beroepstitel verwarring kan scheppen met de titel van boekhouder(-fiscalist), moet de titel worden gevolgd door de vermelding van de overheid of de beroepsorganisatie die deze titel heeft verleend.

Alle wettelijke en reglementaire bepalingen in verband met de plichtenleer, de uitoefening van de tuchtmacht door de bevoegde tuchtinstanties, de definitie en de uitoefening van het beroep, die van toepassing zijn op erkende boekhouders(-fiscalisten), leden van het BIBF, zijn van toepassing op de onderdanen van een andere toegetreden staat die gemachtigd zijn om tijdelijk en occasioneel de activiteit van boekhouder(-fiscalisten) in België uit te oefenen overeenkomstig artikel 52bis, gedurende hun aanwezigheid op het grondgebied van België, en voor alles dat betrekking heeft op de uitvoering van de diensten die in België worden uitgevoerd.

Indien de Uitvoerende Kamer kennis heeft van het feit dat een persoon, die gemachtigd is op grond van artikel 52bis om het beroep van boekhouder(-fiscalist) tijdelijk en occasioneel uit te oefenen, niet voldoet aan de voorwaarden en modaliteiten waaraan het tijdelijk en occasioneel uitoefenen van de activiteit van boekhouder(-fiscalist) onderworpen is, of ze niet naleeft, gelast hij de betrokkene zich hieraan te conformeren binnen de termijn die hij bepaalt.

Indien betrokkene hieraan onvoldoende gevolg geeft binnen de gestelde termijn, kan de Uitvoerende Kamer hem verbieden bepaalde nieuwe opdrachten nog te aanvaarden of eisen dat hij, binnen de termijn die de Uitvoerende Kamer bepaalt, van bepaalde reeds aanvaarde opdrachten afziet tot aan de aanmaningen van de Uitvoerende Kamer gevolg is gegeven. Hoger beroep tegen de beslissing van de Uitvoerende Kamer wordt ingesteld bij de Kamer van Beroep. »

Art. 11.In artikel 50bis van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 25 februari 2003 worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt : « § 1.Ter ondersteuning van hun verzoek om verlening van de hoedanigheid van boekhouder(-fiscalist), kunnen de onderdanen van een andere toegetreden staat één van de volgende diploma's of opleidingstitels doen gelden : a) de opleidingstitel voorgeschreven door een andere toegetreden staat om tot het beroep van boekhouder(-fiscalist) op zijn grondgebied te worden toegelaten, dan wel deze activiteit aldaar uit te oefenen. Wordt verstaan onder opleidingstitel ieder diploma, certificaat of andere titel : - die moet zijn afgegeven door een bevoegde autoriteit in een toegetreden staat die overeenkomstig de wettelijke, reglementaire of bestuursrechterlijke bepalingen van die toegetreden staat is aangewezen; - ter afsluiting van een overwegend in de Gemeenschap gevolgde beroepsopleiding, of afgegeven in een derde land, wanneer de betrokken opleidingstitel erkend werd door een toegetreden staat waarin de houder ervan in het betrokken beroep een beroepservaring van drie jaar heeft opgedaan in deze toegetreden staat, die door deze toegetreden staat wordt bevestigd, - en die blijk geven van een beroepskwalificatieniveau dat ten- minste gelijkwaardig is aan een diploma ter afsluiting van een opleiding op het niveau van postsecundair onderwijs dat ten minste één jaar duurt of in geval van een deeltijdse opleiding, van een gelijkwaardige duur, waarvoor als een van de toelatingsvoorwaarden in de regel geldt dat men de studiecyclus van secundair onderwijs moet hebben voltooid die voor de toegang tot het universitair of hoger onderwijs vereist is, of een volledige equivalente schoolopleiding van secundair niveau, alsook de beroepsopleiding die eventueel als aanvulling op deze cyclus van postsecundair onderwijs vereist is. b) als de belanghebbende voltijds het beroep van boekhouder (-fiscalist) heeft uitgeoefend gedurende twee jaar tijdens de voorafgaande tien jaar in een andere toegetreden staat, waar het beroep niet gereglementeerd is, een opleidingstitel : - die moet zijn afgegeven door een bevoegde autoriteit in een toegetreden staat die overeenkomstig de wettelijke, reglementaire of bestuursrechtelijke bepalingen van die toegetreden staat is aangewezen; - ter afsluiting van een overwegend in de Gemeenschap gevolgde beroepsopleiding, of afgegeven in een derde land, wanneer de betrokken opleidingstitel erkend werd door een toegetreden staat waarin de houder ervan in het betrokken beroep een beroepservaring van drie jaar heeft opgedaan in deze toegetreden staat, die door deze toegetreden staat wordt bevestigd; - die blijk geven van een beroepskwalificatieniveau dat ten minste gelijkwaardig is aan een diploma ter afsluiting van een opleiding op het niveau van postsecundair onderwijs dat ten minste één jaar duurt of in geval van een deeltijdse opleiding, van een gelijkwaardige duur, waarvoor als een van de toelatingsvoorwaarden in de regel geldt dat men de studiecyclus van secundair onderwijs moet hebben voltooid die voor de toegang tot het universitair of hoger onderwijs vereist is, of een volledige equivalente schoolopleiding van secundair niveau, alsook de beroepsopleiding die eventueel als aanvulling op deze cyclus van postsecundair onderwijs vereist is, - en die moet aantonen dat de houder op de uitoefening van het beroep van boekhouder(-fiscalist) is voorbereid.

Alleszins mag de twee jaar beroepservaring niet worden geëist wanneer de opleidingstitel van de aanvrager een gereglementeerde opleiding betreft, d.w.z. elke opleiding die specifiek op de uitoefening van het beroep van boekhouder(-fiscalist) gericht is en die uit een studiecyclus bestaat die eventueel met een beroepsopleiding, een beroepsstage of praktijkervaring wordt aangevuld, waarvan de structuur en het niveau in wettelijke, reglementaire of bestuursrechtelijke bepalingen van de betrokken toegetreden staat vastgesteld worden of het voorwerp vormen van een controle of erkenning van een daartoe aangewezen autoriteit. »; 2° paragraaf 2 wordt vervangen als volgt : « § 2.De houders van een opleidingstitel opgenomen in § 1, a) en b), zijn vrijgesteld van stage.

Zij moeten zich evenwel onderwerpen aan een bekwaamheidsproef, georganiseerd door het Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders en Fiscalisten, in de volgende gevallen : - wanneer de duur van de opleiding geviseerd door § 1, a) en b), twee jaar niet overschrijdt; - wanneer hun opleiding op het vlak van de boekhouding, fiscaliteit, vennootschapsrecht, deontologie en andere vakken waarvan de kennis noodzakelijk is voor de uitoefening van het beroep van boekhouder(-fiscalist) in België, belangrijke verschillen vertoont inzake duur of inhoud ten aanzien van de opleiding die gedekt is door de in België vereiste opleidingstitel.

De bekwaamheidsproef bestaat uit een controle, uitsluitend van de beroepskennis van de aanvrager, die tot doel heeft te beoordelen of deze de bekwaamheid bezit om het beroep van boekhouder(-fiscalist) uit te oefenen.

Bij de bekwaamheidsproef moet in aanmerking worden genomen dat de aanvrager in de Staat van oorsprong of herkomst een gekwalificeerde beroepsbeoefenaar is. De proef heeft betrekking op de vakgebieden die moeten worden gekozen uit die welke op de lijst staan van de vakgebieden die, op basis van een vergelijking tussen de vereiste opleiding en de opleiding die de aanvrager heeft ontvangen, niet bestreken worden door het diploma of de titel(s) die de aanvrager overlegt. De kennis van deze vakgebieden moet een noodzakelijke voorwaarde zijn om het beroep van boekhouder(-fiscalist) te kunnen uitoefenen. Deze proef kan ook betrekking hebben op de kennis van de deontologie die op die functies, van toepassing is.

De voorschriften betreffende de bekwaamheidsproef, de opstelling van de lijst van de leerstof en het statuut van de aanvrager die zich daarop wil voorbereiden, worden door de Nationale Raad van het Instituut vastgelegd met inachtneming van het gemeenschapsrecht.

Indien overwogen wordt om de aanvrager een bekwaamheidsproef te laten afleggen, wordt er eerst nagegaan of de kennis die de aanvrager tijdens zijn beroepservaring als boekhouder(-fiscalist) in een toegetreden staat of derde land heeft verworven, van dien aard is, dat het wezenlijke verschil in de opleiding daardoor geheel of gedeeltelijk wordt ondervangen. »; 3° in paragraaf 3, worden de woorden « artikel 8, § 5 » vervangen door de woorden « artikel 8, § 5bis ».

Art. 12.In artikel 52, paragraaf 3 van dezelfde wet worden de woorden « eensluidend verklaard » opgeheven.

Art. 13.Aan dezelfde wet wordt een artikel 52bis toegevoegd, luidende als volgt : «

Art. 52bis.De onderdanen van een andere toegetreden staat zijn gemachtigd om tijdelijk en occasioneel de activiteit van boekhouder (-fiscalist) uit te oefenen zonder de voorwaarden van artikel 50bis, § 1, a) en b) te moeten vervullen, indien zij op wettige wijze zijn gevestigd in deze toegetreden staat om er hetzelfde beroep uit te oefenen.

Als het beroep van boekhouder(-fiscalist) niet gereglementeerd is in deze toegetreden staat, moeten zij dit gedurende ten minste twee jaar tijdens de tien jaar die hun vrije dienstverrichting voorafgaan hebben uitgeoefend.

Het tijdelijke en occasioneel karakter van de dienstverrichting wordt individueel beoordeeld door het Beroepsinstituut, inzonderheid in functie van de duur, de frequentie, de periodiciteit en de continuïteit.

De in het eerste en tweede lid bedoelde personen moeten een voldoende kennis hebben van de officiële taal waarin de opdracht(en) dienen te worden uitgevoerd.

Voorafgaandelijk aan elke dienstverrichting in België, laten ze aan het Instituut een schriftelijke verklaring toekomen die onder andere gegevens bevatten betreffende verzekeringsdekking of soortgelijke individuele of collectieve vormen van bescherming inzake beroepsaansprakelijkheid.

Deze verklaring wordt eenmaal per jaar verlengd indien de dienstverrichter voornemens is gedurende dat jaar in België tijdelijke en occasionele diensten te verrichten.

De Koning bepaalt de vermeldingen die in deze verklaring verplicht moeten worden opgenomen alsook de documenten die, voor de eerste dienstverrichting, of in het geval er zich een wezenlijke verandering heeft voorgedaan ten opzichte van de huidige situatie, moeten worden bijgevoegd bij deze verklaring. »

Art. 14.Artikel 58 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 23 december 2005, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid, 1°, worden de woorden « , 29, derde en vierde lid, » ingevoegd tussen het cijfer « 18 » en de woorden « en 37 »;2° het vierde lid wordt aangevuld met de woorden « alsook de personen zoals bedoeld in de artikelen 37bis en 52bis ».

Art. 15.De Minister bevoegd voor Middenstand en de Minister bevoegd voor Economie, zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 19 november 2009.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van K.M.O.'s en Zelfstandigen, Mevr. S. LARUELLE De Minister voor Ondernemen, V. VAN QUICKENBORNE

^