Etaamb.openjustice.be
Koninklijk Besluit van 17 februari 2002
gepubliceerd op 04 april 2002

Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 22 december 2000, gesloten in het Paritair Comité voor de zeevisserij, betreffende de invoering van een regeling van aanvullende vergoeding ten gunste van bejaarde werknemers in geval van ontslag

bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
numac
2002012296
pub.
04/04/2002
prom.
17/02/2002
ELI
eli/besluit/2002/02/17/2002012296/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

17 FEBRUARI 2002. - Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 22 december 2000, gesloten in het Paritair Comité voor de zeevisserij, betreffende de invoering van een regeling van aanvullende vergoeding ten gunste van bejaarde werknemers in geval van ontslag (1)


ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, inzonderheid op artikel 28;

Gelet op het koninklijk besluit van 7 december 1992 betreffende de toekenning van werkloosheidsuitkeringen ingeval van conventioneel brugpensioen;

Gelet op de collectieve arbeidsovereenkomst van 29 augustus 1986, gesloten in het Paritair Comité voor de zeevisserij tot oprichting van een fonds voor bestaanszekerheid, "Zeevissersfonds" genaamd, en tot vaststelling van zijn statuten, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 10 december 1986, inzonderheid op de artikelen 3 en 4 van de statuten;

Gelet op het verzoek van het Paritair Comité voor de zeevisserij;

Op de voordracht van Onze Minister van Werkgelegenheid, Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.Algemeen verbindend wordt verklaard de als bijlage overgenomen collectieve arbeidsovereenkomst van 22 december 2000, gesloten in het Paritair Comité voor de zeevisserij, betreffende de invoering van een regeling van aanvullende vergoeding ten gunste van bejaarde werknemers in geval van ontslag.

Art. 2.Onze Minister van Werkgelegenheid is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 17 februari 2002.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Werkgelegenheid, Mevr. L. ONKELINX _______ Nota (1) Verwijzingen naar het Belgisch Staatsblad : Wet van 5 december 1968, Belgisch Staatsblad van 15 januari 1969. Koninklijk besluit van 7 december 1992, Belgisch Staatsblad van 11 december 1992.

Koninklijk besluit van 10 december 1986, Belgisch Staatsblad van 25 december 1986.

Bijlage Paritair Comité voor de zeevisserij Collectieve arbeidsovereenkomst van 22 december 2000 Invoering van een regeling van aanvullende vergoeding ten gunste van bejaarde werknemers in geval van ontslag (Overeenkomst geregistreerd op 12 februari 2001 onder het nummer 56438/CO/143) HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied

Artikel 1.Deze collectieve arbeidsovereenkomst is van toepassing op de reders die ressorteren onder het Paritair Comité voor de zeevisserij en op sommige werknemers die zij tewerkstellen of tewerkgesteld hebben. HOOFDSTUK II. - Rechthebbenden

Art. 2.Hebben recht op een aanvullende vergoeding voor conventioneel brugpensioen ten laste van het "Zeevissersfonds" en onder de voorwaarden bepaald in artikel 3, de zeevissers die ontslagen worden, behalve wegens dringende redenen in de zin van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.

Het "Zeevissersfonds" waarborgt in alle gevallen de betaling van de aanvullende vergoeding voor conventioneel brugpensioen, behalve wanneer de wetgeving op de sluiting van ondernemingen van toepassing is.

Art. 3.§ 1. Komen in aanmerking voor het verkrijgen van het in artikel 2 voorziene recht, de zeevissers waarvan het ontslag werd betekend in de loop van de periode ingaande op 1 oktober 1986 en eindigend op 31 december 1994 en die : 1° in de loop van voormelde periode de leeftijd bereiken van 58 jaar; 2° 9.000 aangemonsterde dagen ter zeevisserij tellen; 3° recht hebben op de werkloosheidsuitkeringen. § 2. De leeftijd voorzien in § 1 moet zijn bereikt de dag waarop de afmonstering gebeurt.

Art. 4.§ 1. Op het ogenblik van de afmonstering zendt de werknemer in dubbel exemplaar aan het sociaal fonds de gegevens met betrekking tot de voorwaarden voorzien in artikel 3. § 2. Een in de schoot van het "Zeevissersfonds", overeenkomstig artikel 12 opgericht toezichtscomité doet uitspraak over de geldigheid van de ingezonden gegevens, voornamelijk in verband met artikel 3.

Bij aanvaarding van de gegevens zendt het "Zeevissersfonds" een exemplaar terug aan de werkgever die na verloop van de opzegtermijn, het bewijs van volledige werkloosheid overmaakt aan de betrokken werkman, die dit bewijs aanbiedt aan de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening om de voorziene werkloosheidsuitkering te bekomen.

Art. 5.Het conventioneel brugpensioen gaat in op het einde van de opzegtermijn voorzien bij de wet van 5 juni 1928 houdende regeling van de arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst en wordt verleend tot op de leeftijd van 65 jaar of 60 jaar, naar gelang het om mannen of vrouwen gaat, tenzij hun vóór die leeftijd, en ook op hun verzoek het wettelijk pensioen wordt toegekend.

Degenen die het conventioneel brugpensioen genieten worden voor de toepassing van de sociale wetgeving gelijkgesteld met de werklozen die werkloosheidsuitkeringen genieten.

Art. 6.Het conventioneel brugpensioen vervalt wanneer de gerechtigde een beroepsbedrijvigheid uitoefent, hetzij als zelfstandige, hetzij door het aannemen van werk, behalve datgene dat toegelaten is bij artikel 14 van het koninklijk besluit van 7 december 1992 betreffende de toekenning van werkloosheidsuitkeringen in geval van conventioneel brugpensioen. HOOFDSTUK III. - Bedrag en uitkering

Art. 7.Het bedrag van de aanvullende vergoeding wordt berekend zoals vastgesteld volgens de artikelen 5, 6 en 8 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 17, gesloten op 19 december 1974 in de Nationale Arbeidsraad tot invoering van een regeling van aanvullende vergoeding ten gunste van sommige bejaarde werknemers indien zij worden ontslagen, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 16 januari 1975, zoals zij achteraf werd gewijzigd door verscheidene collectieve arbeidsovereenkomsten.

Art. 8.Het conventioneel brugpensioen wordt uitgekeerd aan de gerechtigde in de loop van de eerste week volgend op de maand, waarop hij recht heeft op een werkloosheidsuitkering.

De uitkering geschiedt op voorlegging van een bewijskrachtig document waaruit blijkt dat de betrokkene de werkloosheidsvergoeding heeft ontvangen.

Art. 9.Het conventioneel brugpensioen mag niet gecumuleerd worden met andere vergoedingen of toelagen voortvloeiend uit de stopzetting van de bedrijvigheid, verleend krachtens wettelijke, conventionele of reglementaire bepalingen.

Het in vorig lid bepaald verbod van cumulatie is niet van toepassing op de sluitingsvergoedingen voorzien bij de wet van 28 juni 1966 betreffende de schadeloosstelling van de werknemers die ontslagen worden bij sluiting van de onderneming en de inkomsten voortvloeiend uit de uitoefening van een beroepsactiviteit zoals voorzien bij artikel 14 van het koninklijk besluit van 7 december 1992 betreffende de toekenning van werkloosheidsuitkeringen ingeval van conventioneel brugpensioen.

Art. 10.Tot de leeftijd van 65 jaar of 60 jaar, naargelang het mannen of vrouwen betreft, genieten de gerechtigden van het conventioneel brugpensioen, gedurende de periode dat hun het conventioneel brugpensioen wordt uitbetaald, de fiscale aftrek bedoeld in artikel 62bis, § 1, 3° van het wetboek van de inkomstenbelasting.

Art. 11.De financiële middelen voor uitbetaling van de aanvullende vergoedingen aan de zeevissers vermeld in artikel 3, worden geput uit het "Zeevissersfonds". HOOFDSTUK IV. - Toezicht

Art. 12.In de schoot van het "Zeevissersfonds" wordt een toezichtscomité opgericht, waarvan de leden door de raad van beheer van het fonds worden aangeduid.

Dit comité heeft tot taak : 1° uitspraak te doen overeenkomstig artikel 4, § 2 over de ingediende gegevens;2° uitspraak te doen over uitzonderlijke gevallen;3° verslag uit te brengen aan de raad van beheer van het fonds over de uitvoering van deze collectieve arbeidsovereenkomst. HOOFDSTUK V. - Geldigheid

Art. 13.Deze collectieve arbeidsovereenkomst treedt in werking op 1 januari 2001 en treedt buiten werking op 31 december 2001, uitgezonderd de bepalingen van de artikelen 5 en 6 die ophouden van kracht te zijn op de in deze artikelen voorziene ogenblikken.

Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit van 17 februari 2002.

De Minister van Werkgelegenheid, Mevr. L. ONKELINX

^