gepubliceerd op 07 oktober 2026
Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten betreffende de fietsleasing
10 SEPTEMBER 2026. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 30 maart 2001Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 30/03/2001 pub. 31/03/2001 numac 2001000327 bron ministerie van binnenlandse zaken en ministerie van justitie Koninklijk besluit tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten sluiten tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten betreffende de fietsleasing
FILIP, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
Gelet op de wet van 7 december 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 07/12/1998 pub. 05/01/1999 numac 1998021488 bron diensten van de eerste minister Wet tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus sluiten tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, artikel 121, vervangen bij de wet van 26 april 2002;
Gelet op het koninklijk besluit van 30 maart 2001Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 30/03/2001 pub. 31/03/2001 numac 2001000327 bron ministerie van binnenlandse zaken en ministerie van justitie Koninklijk besluit tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten sluiten tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten ("RPPol");
Gelet op het protocol van onderhandelingen nr. 615/6 van het onderhandelingscomité voor de politiediensten, gesloten op 25 juni 2025;
Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 20 oktober 2025;
Gelet op het advies van de Raad van burgemeesters, gegeven op 20 februari 2026;
Gelet op de weigering van akkoordbevinding van de Minister van Begroting d.d. 17 februari 2026;
Gelet op het besluit van de Ministerraad van 13 mei 2026 om voorbij te gaan aan de weigering van akkoordbevinding van de Minister van Begroting;
Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Ambtenarenzaken, d.d. 30 januari 2026;
Gelet op het advies 79.529/2 van de Raad van State, gegeven op 6 juli 2026, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
Op de voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en van de Minister van Justitie en op het advies van de in Raad vergaderde Ministers,
Hebben Wij besloten en besluiten Wij :
Artikel 1.Artikel XI.III.4 RPPol, waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, wordt aangevuld met een paragraaf 2, luidende: " § 2. In afwijking van § 1, eerste lid, 4°, maakt het personeelslid de keuze, op basis van de eindejaarstoelage, om een theoretisch budget samen te stellen, binnen de grenzen waarin het kan kiezen voor duurzame maatschappelijke voordelen.
De keuze voor het theoretisch budget bedoeld in het eerste lid gebeurt vóór het begin van de referteperiode voor de vaststelling van de betrokken eindejaarstoelage. Door deze keuze ziet het personeelslid af van het recht op het geheel of een gedeelte van de eindejaarstoelage dat overeenstemt met de periode waarop de voordelen betrekking hebben.
Onverminderd het tweede lid, wordt, indien de omzetting van de eindejaarstoelage gedeeltelijk is of indien er een saldo overblijft van het theoretisch budget bedoeld in het eerste lid, het resterende saldo jaarlijks aan het personeelslid uitbetaald in de vorm van een toelage.
Art. 2.In deel XI, RPPol, wordt het opschrift van titel V vervangen door wat volgt: "TITEL V. - ALLERLEI BEZOLDIGINGEN, TEGEMOETKOMINGEN EN ANDERE VOORDELEN".
Art. 3.In het deel XI, titel V, RPPol, wordt een hoofdstuk III ingevoegd luidende: "HOOFDSTUK III. - Duurzame maatschappelijke voordelen. Art. XI.V.11. § 1. "Het personeelslid dat kiest voor de samenstelling van een theoretisch budget in toepassing van artikel XI.III.4, § 2, stelt voor de referteperiode van de eindejaarstoelage en volgens dezelfde modaliteiten, het theoretisch budget samen om de voordelen in het kader van fietsleasing te financieren. Elke soort fiets kan daarbij in aanmerking komen, ook elektrische exemplaren en speedpedelecs.
Worden uitgesloten van dit voordeel, personeelsleden niet onderworpen aan het regime van de Belgische sociale zekerheid, de aspiranten niet voortspruitend uit de sociale promotie, de personeelsleden van het administratief en logistiek kader tijdens hun stageperiode en de contractuele personeelsleden zonder arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur.
Voor het geval dat het bedrag van de fietsleasing hoger is dan het bedrag van de eindejaarstoelage berekend overeenkomstig het artikel XI.III.4, § 1, eerste lid, 4°, wordt het verschil ten laste van het personeelslid gelegd. § 2. In geval van verbreking van het leasingcontract door het personeelslid inzonderheid ingevolge een ontslag, een oppensioenstelling of een verandering van werkgever worden de eventuele kosten die eraan verbonden zijn door het personeelslid gedragen.
Art. XI.V.12. De nadere regels van de fietsleasing worden vastgesteld in een document houdende het fietsleasebeleid, dat wordt goedgekeurd door de Minister.".
Art. 4.De minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken en de minister bevoegd voor Justitie zijn, elk voor wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Brussel, 10 september 2026.
FILIP Van Koningswege : De Minister van Binnenlandse Zaken, B. QUINTIN De Minister van Justitie, A. VERLINDEN