Etaamb.openjustice.be
Koninklijk Besluit van 05 november 2002
gepubliceerd op 31 december 2002

Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 10 juli 2001, gesloten in het Paritair Subcomité voor de elektriciens- installatie en distributie, betreffende de flexibiliteit

bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
numac
2002013248
pub.
31/12/2002
prom.
05/11/2002
ELI
eli/besluit/2002/11/05/2002013248/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

5 NOVEMBER 2002. - Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 10 juli 2001, gesloten in het Paritair Subcomité voor de elektriciens- installatie en distributie, betreffende de flexibiliteit (1)


ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, inzonderheid op artikel 28;

Gelet op het verzoek van het Paritair Subcomité voor de elektriciens : installatie en distributie;

Op de voordracht van Onze Minister van Werkgelegenheid, Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.Algemeen verbindend wordt verklaard de als bijlage overgenomen collectieve arbeidsovereenkomst van 10 juli 2001, gesloten in het Paritair Subcomité voor de elektriciens : installatie en distributie, betreffende de flexibiliteit.

Art. 2.Onze Minister van Werkgelegenheid is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Châteauneuf-de-Grasse, 5 november 2002.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Werkgelegenheid, Mevr. L. ONKELINX _______ Nota (1) Verwijzing naar het Belgisch Staatsblad : Wet van 5 december 1968, Belgisch Staatsblad van 15 januari 1969. Bijlage Paritair Subcomité voor de elektriciens : installatie en distributie Collectieve arbeidsovereenkomst van 10 juli 2001 Flexibiliteit (Overeenkomst geregistreerd op 1 oktober 2001 onder het nummer 59076/CO/149.01) HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied

Artikel 1.Deze collectieve arbeidsovereenkomst is van toepassing op de werkgevers, werklieden en werksters van de ondernemingen die ressorteren onder het Paritair Subcomité voor de elektriciens : installatie en distributie.

Voor de toepassing van deze collectieve arbeidsovereenkomst, wordt onder « werklieden » verstaan : de werklieden en de werksters. HOOFDSTUK II. - Draagwijdte en toepassingssfeer van de overeenkomst

Art. 2.Het huidig akkoord wordt afgesloten in toepassing van artikel 20bis , § 1, van de arbeidswet van 16 maart 1971 (Belgisch Staatsblad van 30 maart 1971), gewijzigd door artikel 37 van hoofdstuk V van titel III van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot de preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen (Belgisch Staatsblad van 1 augustus 1996).

Dit impliceert dat het huidig akkoord de afwijkingen inzake arbeidstijd regelt voor de ondernemingen die onder de bevoegdheid van het Paritair Subcomité voor de elektriciens : installatie en distributie ressorteren. HOOFDSTUK III. - Toepassingsmodaliteiten Afdeling 1. - Voorwaarden inzake arbeidsregime

Art. 3.§ 1. De hiernavolgende afwijkingen inzake arbeidsduur zijn enkel van toepassing in het normale dagstelsel. § 2. De hierna volgende afwijkingen inzake arbeidsduur zijn niet van toepassing in geval van ploegenarbeid. Afdeling 2. - Grenzen inzake arbeidsduur

Art. 4.Ondernemingen kunnen een glijdende werkweek instellen zoals voorzien in artikel 20bis van de arbeidswet van 16 maart 1971 (Belgisch Staatsblad van 30 maart 1971), volgens de hierna vermelde modaliteiten, op voorwaarde dat zij, over een periode van één jaar, de conventionele gemiddelde wekelijkse arbeidsduur, vastgelegd bij de collectieve arbeidsovereenkomst van 23 september 1987, gesloten in het Paritair Subcomité voor de elektriciens : installatie en distributie en algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 29 juni 1988, niet overschrijden.

Art. 5.§ 1. Over een periode van één jaar welke overeenstemt met het kalenderjaar, bedraagt het te presteren aantal arbeidsuren, 52 maal de wekelijkse arbeidsduur voorzien in het arbeidsreglement van de onderneming.

De rustdagen bepaald bij de wet van 4 januari 1974 betreffende de feestdagen (Belgisch Staatsblad van 31 januari 1974) en de periodes van schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst vastgelegd bij de wet van 3 juli 1978, betreffende de arbeidsovereenkomsten (Belgisch Staatsblad van 22 augustus 1978) gelden als arbeidstijd voor de berekening van de arbeidsduur die over een jaar moet nageleefd worden. § 2. Het aantal uur dat gepresteerd mag worden beneden of boven het normaal dagrooster dat voorzien is in het arbeidsreglement, bedraagt maximum 2 uur per dag. Het maximum aantal te presteren uren mag evenwel nooit meer bedragen dan 9 uren per dag. § 3. Het aantal uur dat gepresteerd mag worden beneden of boven de bij de collectieve arbeidsovereenkomst van 23 september 1987 vastgelegde wekelijkse arbeidsduur, en zoals bepaald in het arbeidsreglement van de onderneming, bedraagt maximum 5 uur. Het maximum aantal te presteren uren mag evenwel nooit meer bedragen dan 45 uren per week. Afdeling 3. - Urenkrediet

Art. 6.§ 1. De volgens artikel 3 gepresteerde uren genereren een urenkrediet van maximum 45 uren per kalenderjaar. § 2. Elk uur dat het urenkrediet van 45 uren overschrijdt, wordt vergoed met de overurentoeslag. Afdeling 4. - Compensatie van het urenkrediet

Art. 7.§ 1. Het urenkrediet van 45 uren (artikel 6, § 1) alsook de overschrijding ervan (artikel 6, § 2) worden binnen het jaar en uiterlijk voor 31 maart van het volgend kalenderjaar, gecompenseerd. § 2. De compensatie gebeurt in halve of in hele dagen. HOOFDSTUK IV. - Uitzondering

Art. 8.Deze overeenkomst is niet van toepassing in ondernemingen waar er bij collectieve arbeidsovereenkomst reeds afwijkingen inzake de arbeidstijd werden vastgelegd. HOOFDSTUK V. - Bijkomende bepalingen

Art. 9.Op bedrijfsvlak moeten afspraken gemaakt worden inzake verwittigingstijd, uurrooster en specifieke regelingen. Op het einde van ieder kalenderjaar wordt een evaluatie gemaakt.

Art. 10.De invoering van de nieuwe arbeidsregeling moet een positieve weerslag hebben op de werkgelegenheid. Die positieve weerslag kan met name het gevolg zijn van een toename van het aantal tewerkgestelde werknemers, van een vermindering van het aantal dagen tijdelijke werkloosheid of van een vermindering van het aantal in uitzicht gestelde ontslagen in het raam van de procedure die voor collectief of meervoudig ontslag is vastgesteld. HOOFDSTUK VI. - Bijzondere bepaling

Art. 11.Indien deze collectieve arbeidsovereenkomst niet wordt verlengd, is het arbeidsreglement van voor 1 januari 1999 automatisch van toepassing. HOOFDSTUK VII. - Geldigheid

Art. 12.Deze collectieve arbeidsovereenkomst heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2001 tot en met 31 december 2002.

Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit van 5 november 2002.

De Minister van Werkgelegenheid, Mevr. L. ONKELINX

^