Etaamb.openjustice.be
Huishoudelijk Règlement
gepubliceerd op 15 mei 2007

Huishoudelijk reglement van het centrum voor voorlopige plaatsing van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen Artikel 1. § 1. Het huishoudelijk reglement bepaalt, met § 2. De bepalingen onder § 1 gelden op uniforme wijze voor alle in het centrum verblijven(...)

bron
federale overheidsdienst justitie
numac
2007009439
pub.
15/05/2007
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

Huishoudelijk reglement van het centrum voor voorlopige plaatsing van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen

Artikel 1.§ 1. Het huishoudelijk reglement bepaalt, met inachtneming van de onderscheiden missies van de federale overheid en van de gemeenschappen, de leefomstandigheden, de externe contacten, de rechtspositie, het tucht- en klachtenrecht van de in het centrum geplaatste jongeren. § 2. De bepalingen onder § 1 gelden op uniforme wijze voor alle in het centrum verblijvende jongeren.

Art. 2.Binnen de grenzen van haar veiligheidsopdracht voert de federale overheid een faciliterend beleid inzake de pedagogische missie van de gemeenschappen.

Het directiecomité bepaalt daarbij de coördinatie en planning van de diverse activiteiten van de leefgroepen en de externe contacten van de jongeren.

Art. 3.Het Directiecomité stelt een reglement op aangaande haar werking. HOOFDSTUK II. - Onthaal

Art. 4.Bij zijn aankomst wordt de jongere in het inschrijvingsregister opgenomen door het federaal personeel. Deze neemt nota van de identiteit van de advocaat van de jongere en meldt hem het recht op vrije communicatie met zijn advocaat en laat hem hiertoe een document ondertekenen. De jongere krijgt een exemplaar van dit document.

Art. 5.De jongere ontvangt bij zijn aankomst een onthaalbrochure in een door hem gekozen landstaal. Deze brochure dient minstens te bevatten : art. 37 en 40 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind, de leefregels van het centrum, zijn procedurele rechten, het adres en de bevoegdheden van de Kinderrechtencommissaris en de Délégué général aux droits de l'enfant en de wijze waarop deze kan gevat worden met het oog op een klacht inzake schending van de rechten van de jongere.

Art. 6.De jongere heeft recht op een gratis telefoon ter verwittiging van zijn aankomst in het centrum.

Art. 7.Het pedagogisch personeel verwittigt binnen de 24 uur en behoudens overmacht de ouders van de jongere van zijn aankomst in het Centrum. Indien onmogelijk worden de familieleden van de jongere van zijn aankomst in het centrum verwittigd. Het stelt eveneens de jongere in kennis van het feit dat binnen de vijf dagen een ontmoeting met de jeugdrechter georganiseerd zal worden om de verwachtingen van de partijen kenbaar te maken.

Art. 8.Elke jongere ontvangt bij zijn aankomst een basispakket met zeep, tandpasta en een tandenborstel.

Art. 9.De jongere wordt uiterlijk de dag volgend op zijn aankomst gezien door de desbetreffende pedagogische directeur of zijn gemachtigde en door de federale directeur of zijn gemachtigde.

Art. 10.Bij zijn aankomst worden de voorwerpen die op dat moment in het bezit zijn van de jongere gecontroleerd. Zijn identiteitsstukken worden in bewaring gehouden in zijn dossier op de griffie. Hij krijgt na controle de voorwerpen die op de kamer zijn toegelaten. De andere voorwerpen worden door het centrum in bewaring gehouden en meegegeven bij overbrenging of bij vrijlating. HOOFDSTUK III. - Externe contacten

Art. 11.§ 1. Behoudens andersluidende beperkingen van de jeugdrechter kan de jongere schrijven naar wie hij wil. § 2. De controle op de in- en uitgaande briefwisseling voor de jongeren gebeurt door het federaal personeel. De identiteit van de personen met wie geen briefwisseling mag gevoerd worden, dient daartoe in het dossier van de jongere op de griffie aanwezig te zijn. § 3. De controle op de inkomende briefwisseling door het federaal personeel heeft tot doel het in het centrum binnenbrengen van verboden voorwerpen te vermijden en behelst enkel het verifiëren van de materiële inhoud van de briefwisseling. De briefwisseling wordt vervolgens aan het pedagogisch personeel gegeven.

De afzender dient duidelijk en volledig (naam + adres) vermeld te zijn. Indien nodig kan voor identificatie van de afzender en enkel met het oog hierop, kennis genomen worden van de inhoud van de brief. Niet toegestane briefwisseling wordt via de pedagogische directie overgemaakt aan de jeugdrechter. § 4. Aangaande uitgaande briefwisseling kan in individuele gevallen om veiligheidsredenen beslist worden om de briefwisseling van de jongere ter beschikking van de jeugdrechter te houden. De jongere wordt ingelicht van deze maatregel, van de duur ervan en van de beweegredenen ertoe. § 5. De jongere kan ten allen tijde en zonder controle correspondentie voeren met de volgende instanties of personen : - de Koning en de Koningin; - de voorzitters van de Wetgevende Kamers, de voorzitter van het Vlaams Parlement, de voorzitter van de Franse Gemeenschapsraad, de voorzitter van de Waalse Gewestraad, de voorzitter van de Brusselse Hoofdstedelijke Raad en de voorzitter van de Raad van de Duitstalige Gemeenschap; - de Federale Ministers en Staatssecretarissen, de Ministers en Staatssecretarissen van de Gewesten en Gemeenschapsregeringen; - de Jeugdrechter en andere rechterlijke overheden; - de Sociale dienst bij de jeugdrechtbank; - de Kinderrechtencommissaris en de Délégué aux droits de l'enfant; - de advocaat - de leidende ambtenaren, vernoemd in art. 34 van het Samenwerkingsakkoord tussen de Federale Staat, de Duitstalige Gemeenschap, de Franse Gemeenschap en de Vlaamse Gemeenschap betreffende het gesloten centrum voor voorlopige plaatsing van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd; - de leden van het Directiecomité van het centrum; - de voorzitter van het Europees Comité ter voorkoming van foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing; - de federale ombudsman en de ombudsman van de onderscheiden gemeenschappen - de diplomatieke of consulaire ambtenaren van zijn land indien de jongere van vreemde nationaliteit is. § 6. Bij een fouille van de kamer van de jongere mag nog niet vertrokken en gesloten briefwisseling in aanwezigheid van de jongere geopend worden. § 7. Indien de jongere over geen geld op zijn rekening beschikt, worden de kosten voor het verzenden van de brief gedragen door de federale overheid.

Art. 12.§ 1. Behoudens de uitzonderingen bepaald in § 4 van dit artikel, krijgt iedereen bezoek aan tafel. Het bezoek aan tafel gaat door in de daartoe voorziene bezoekzaal. Het aantal bezoekers bedraagt maximaal vijf personen.

In individuele gevallen kan op vraag van de gemeenschappen en in overleg met de federale overheid een individueel familiebezoek georganiseerd worden in de bezoekzaal. § 2. De jongere heeft driemaal per week de mogelijkheid tot het krijgen van een uur bezoek. De tijdstippen van het bezoek in de inrichting worden vastgelegd door het Directiecomité en medegedeeld aan de jongere. Het bezoek van advocaten is niet gelimiteerd en is, binnen de openingsuren van het centrum, niet aan een vaste uurregeling gebonden. § 3. Behoudens andersluidende instructies van de jeugdrechter zijn zonder meer toegelaten de volgende personen van wie de verwantschap bewezen is : de ouders en grootouders, broers en zussen, ooms en tantes, voogd en provoogd. Zij dienen hun identiteitsbewijs voor te leggen.

Bezoektoelatingen voor andere personen gebeuren in onderling overleg met de diensten van de gemeenschappen. Indien het daarbij over meerderjarige personen gaat zullen deze een bewijs van goed gedrag en zeden dienen voor te leggen waarvan de bezoektoelating afhankelijk kan gesteld worden. Deze toelatingen maken deel uit van het administratief dossier van de jongere in kwestie dat zich op de griffie bevindt.

Dergelijke toelatingen zullen door de federale directeur of zijn gemachtigde ter uitvoering ter kennis gebracht worden aan de portier van het centrum. Specifieke bezoekregelingen - b.v. het verdelen van het aantal weekbezoeken om gescheiden ouders elk de kans te geven hun kind te bezoeken - zullen op vraag van de gemeenschappen op dezelfde bovenvermelde wijze uitgevoerd worden. § 4. In uitzonderlijke gevallen kan, indien enerzijds geoordeeld wordt dat bezoek aan tafel niet meer verantwoord is en anderzijds dat contact toch opportuun blijft, overgegaan worden tot het tijdelijk opleggen van bezoek achter glas. § 5. Na de ingangscontrole wachten de bezoekers op de aanvang van het bezoek in de wachtzaal. Zij worden door het federaal personeel uitgenodigd bij het begin van het bezoek. Het bezoek gaat door in de bezoekzaal. De bezoekers betreden de bezoekzaal via de daartoe voor hen voorziene ingang. De jongeren kunnen de bezoekzaal pas betreden wanneer de bezoekersdeur terug gesloten is. De bezoekers kunnen op hun beurt na het bezoek de bezoekzaal pas verlaten wanneer de jongeren de zaal verlaten hebben. § 6. Tijdens het bezoek is er federaal personeel aanwezig, maar elke auditieve controle wordt uitgesloten. De toegang tot de bezoekzaal van het personeel van de gemeenschappen m.o.o. het contact met de jongeren en hun bezoekers gebeurt via de voor de jongeren voorziene ingang indien deze reeds in de bezoekzaal aanwezig zijn. § 7. In de bezoekzaal mag er door de bezoekers aan de jongere niets overhandigd worden. Er zijn tegen betaling dranken en versnaperingen verkrijgbaar. Bezoekers die dat wensen kunnen voor de jongere die ze bezoeken toegelaten kledij, kranten, transparante cassettes of cd's meebrengen. Deze worden afgegeven bij de portier en na controle aan de jongere in kwestie overhandigd; kranten worden aan het pedagogisch personeel gegeven. Geld kan door de bezoekers aan de boekhouding afgegeven worden of gestort op de rekening van de jongere. § 8. Na het bezoek aan tafel vindt er een fouille plaats van elke jongere die bezoek had.

Art. 13.§ 1. Behoudens andersluidende onderrichtingen van de jeugdrechter is telefoneren toegestaan met : ouders, grootouders, broers en zussen, ooms en tantes, voogd, provoogd, de consulent van de sociale dienst bij de jeugdrechtbank, de délégué du service de protection judiciare en met de advocaat.

Het telefoneren met andere personen wordt in onderling overleg met de gemeenschappen geregeld. § 2. De jongere mag driemaal in de week telefoneren. § 3. Telefoneren naar GSM-nummers van personen die over de jongere het ouderlijk gezag uitoefenen, wordt gelijkgesteld met het gewone telefoonverkeer. Telefoneren naar andere GSM-nmmers wordt uitzonderlijk en op vraag toegestaan. § 4. De jongere kan in elk geval en gratis telefoneren naar zijn advocaat, de Délégué général aux droits de l'enfant, de Kinderrechtencommissaris en de jo-lijn. § 5. Inkomende telefoons voor jongeren worden niet aanvaard, tenzij om humanitaire redenen.

Art. 14.§ 1. De jongere heeft de mogelijkheid bezoek te ontvangen van bevoegde gemeenschapsdiensten. § 2. Bezoekers die om professionele redenen komen dienen geen bewijs van goed gedrag en zeden voor te leggen. Zij dienen hun hoedanigheid te kunnen bewijzen. § 3. Dergelijke bezoeken gaan door in een apart lokaal. De familie van de jongere kan in voorkomend geval aanwezig zijn. Het federaal personeel is niet aanwezig in het lokaal. HOOFDSTUK IV. - Sancties en plaatsing in de afzonderingsruimte

Art. 15.§ 1. Binnen een globale pedagogische benadering dient er ruimte te zijn om stil te staan bij de oorzaak en de betekenis van het probleemgedrag, bij eventueel herstel van geschonden relaties, bij preventie van het gestelde probleemgedrag en ook bij de consequenties van een herhaling van het gestelde probleemgedrag. De opgelegde sancties moeten het verder zetten van een aangepaste pedagogische omkadering mogelijk maken.

Het uitwerken van een conflictoplossing kan na overleg en akkoord met de sanctionerende overheid daarbij een stopzetten of afbouwen van de sanctie tot gevolg hebben. § 2. De gekozen benadering impliceert een expliciete keuze het rollenpatroon te vermijden waarbij de rol van het personeel van de federale overheid er uitsluitend uit zou bestaan het negatief gedrag van de jongere te sanctioneren en het exclusief de rol van het personeel van de gemeenschappen zou kunnen zijn het positief gedrag van de jongere te valoriseren.

Art. 16.§ 1. Elk negatief gedrag kan het voorwerp uitmaken van een sanctie. Een sanctie is het gevolg van een overtreding inzake een in het centrum gestelde leefregel. § 2. Onverminderd de specifieke bepalingen inzake de plaatsing in afzonderingsruimte, maken verdere algemene bepalingen inzake de sanctiemodaliteiten en de sanctiemaat voorwerp uit van overleg binnen de schoot van het directiecomité. Het directiecomité waakt erover dat de toepassing van die algemene bepalingen gebeurt met inachtname van de persoonlijkheid van de jongere.

Het directiecomité bewaakt de kwaliteit van het sanctiebeleid en maakt een lijst op van de sancties. Zodra door welke overheid ook een sanctie of een maatregel van plaatsing in de afzonderingsruimte genomen wordt, wordt deze opgevolgd door het directiecomité. Het sanctiebeleid dient met name eenduidig, transparant, consequent, gedragsgericht, voorspelbaar en proportioneel te zijn. Sancties mogen de grondrechten van de jongere, waaronder de volgende rechten van de jongere, niet in het gedrang brengen : het recht op verdediging, de rechten van de jongere inzake zijn geloofs- of levensbeschouwelijke overtuiging, het algemeen recht op externe contacten.

Art. 17.§ 1. Gelet op de in het samenwerkingsakkoord bepaalde opdrachten van de gemeenschappen en van de federale overheid kunnen de in dit hoofdstuk uitgewerkte maatregelen geen exclusieve bevoegdheid uitmaken van de federale overheid of van de gemeenschappen. § 2. Met respect voor de bepalingen in artikel 16, § 2, kunnen sancties en maatregelen opgelegd worden door de federale directeur of zijn gemachtigde in zoverre er een verband is tussen het gedrag van de jongere en de door de federale overheid in het centrum uit te voeren opdracht en in zoverre de jongere negatief gedrag stelt t.a.v. het personeel van de federale overheid.

Met respect voor de bepalingen in artikel 16§ 2 kunnen sancties en maatregelen opgelegd worden door de pedagogische directie of de gemachtigde daarvan t.a.v. de jongere met een overeenstemmend taalregime in zoverre er een verband is tussen het gedrag van de jongere en de door de gemeenschappen in het centrum uit te voeren opdracht en in zoverre de jongere negatief gedrag stelt t.a.v. het personeel van de desbetreffende gemeenschap. Indien de gemeenschappen dit vragen, zullen de door hen opgelegde sancties door de federale overheid uitgevoerd worden. § 3. Alle maatregelen die voor de jongere een verwijdering uit de leefgroep tot gevolg hebben en waarvan de duur van de maatregel de tijd van de lopende activiteit overstijgt maken het voorwerp uit van overleg tussen de federale overheid en de betrokken gemeenschap en dit uiterlijk binnen de twee dagen. § 4. In het centrum wordt een sanctieregister gehouden. In dit register worden minimum de plaatsingen in de isolatieruimte en alle maatregelen die een substantiële wijziging uitmaken van het regime van de jongeren, ingeschreven. Deze inschrijving vermeldt de identiteit van de jongere, de opgelopen sanctie en de reden die aanleiding gaf tot deze sanctie. In geval van plaatsing in de isolatieruimte dienen in een apart register vermeld te worden : de datum en het uur van het begin en einde van de plaatsing in de isolatieruimte, de ontvangen bezoeken van het personeel, de ontwikkelde activiteiten en de gevolgde procedure in geval van verlenging van de plaatsing. Deze registers zijn ten allen tijde consulteerbaar door de toezichthoudende overheden.

Art. 18.§ 1. De maatregel van isolatie in de afzonderingsruimte is een uitzonderingsmaatregel. Hij kan enkel gebruikt worden in de volgende situaties : het in gevaar brengen van de eigen fysieke integriteit, van die van de andere jongeren, van bezoekers of van een personeelslid van het centrum. § 2. De geneesheer en de psychiaters van het centrum kunnen zich om medische redenen tegen de uitvoering van deze sanctie verzetten. De jongere in kwestie wordt dagelijks door de dokter van het centrum gezien. § 3. De bevoegde jeugdrechter wordt door de betrokken gemeenschap verwittigd van de plaatsing op afzonderingsruimte, van de beweegredenen ertoe, van de opheffing of de verlenging van de plaatsing op afzonderingsruimte en - in voorkomend geval - van de beweegredenen ertoe. § 4. De maatregel dient beperkt te zijn in de tijd en mag niet langer dan vijf dagen duren. Wanneer de jongere blijvend de eigen fysieke integriteit, die van andere jongeren of van het personeel in het gedrang brengt kan de maatregel hernieuwd worden, behoudens de verplichting tussen de nieuwe maatregel en de maatregel die nog niet verstreken is, een tijdruimte van ten minste één dag te laten. § 5. De jongere die in isolatie geplaatst is, ontvangt dagelijks het bezoek van de directeur van de federale overheid en van de directeur van de gemeenschappen of hun gemachtigden. Tussen 8 en 22 uur ontvangt hij minstens om de twee uur bezoek van een lid van de pedagogische equipe in de isolatieruimte. Indien de bevoegde pedagogische directeur dit noodzakelijk acht, vinden eventuele pedagogische activiteiten eveneens plaats in die ruimte. De jongere behoudt het recht op briefwisseling en art.13, § 4, blijft van toepassing. De dag volgend op de dag van de plaatsing in isolatie wordt het bezoek- en telefoonregime van de jongere inzake zijn ouders en daarmee gelijkgesteld voogd of provoogd en in voorkomend geval zijn vaste vriendin genormaliseerd. Aan de jongere wordt dagelijks de mogelijkheid geboden een douche te nemen. De jongere behoudt het recht op een beperkt aantal rookpauzes.

Art. 19.§ 1. Een jongere kan om medische redenen door de dokter of door de psychiater in de isolatieruimte geplaatst worden. Dergelijke plaatsing maakt het voorwerp uit van een afzonderlijk medisch register. De jongere wordt dagelijks bezocht door de psychiater of de geneesheer van het centrum. § 2. Behoudens medisch-psychiatrische contra-indicaties is art.18, § 5, van toepassing. De jeugdrechter wordt door de betrokken gemeenschap verwittigd van de plaatsing in de isolatieruimte om medische redenen en van de opheffing ervan. HOOFDSTUK V. - Het dagelijks leven

Art. 20.§ 1. Het dagelijks leven van de jongere in het centrum is gebaseerd op de werking van de leefgroep. Het gevoerde regime in het centrum is een gemeenschapsregime. § 2. Individuele of collectieve verplaatsingen van de jongeren binnen het centrum worden al dan niet op vraag van de gemeenschappen georganiseerd en worden ten allen tijde begeleid door het personeel van de federale overheid. § 3. Op vaste momenten van de dag wordt door het personeel van de federale overheid een controle op de aanwezigheid van de jongeren gedaan. Het doen van deze controle na de dagelijkse opening en voor de dagelijkse sluiting impliceert niet het onderbreken van een activiteit. Tijdens deze controle kunnen echter geen nieuwe verplaatsingen georganiseerd worden. § 4. Binnen het directiecomité worden afspraken gemaakt over de tijdstippen waarop het bezoek van de jongeren in zaal en de per sectie gemeenschappelijke maaltijden georganiseerd worden. Deze activiteiten gebeuren voor iedere jongere op hetzelfde ogenblik.

Art. 21.Indien de jongere - met uitzondering van zijn zakgeld - geen geld op zijn rekening heeft, zal het centrum met de daartoe noodzakelijke regelmaat het pakket zoals gestipuleerd in art.8 aan de jongere blijven geven.

Art. 22.De jongere mag eigen kledij dragen binnen door het centrum te bepalen grenzen. Hij zal daarbij rekening dienen te houden met het feit dat de buitenruimte enkel betreden kan worden na een passage door de metaaldetector.

Art. 23.Er circuleert geen contant geld in het centrum. Elke jongere beschikt over een rekening bij de boekhoudkundige dienst. Met dit geld kan hij in de inrichting zaken kopen. Geld kan contant afgegeven worden bij de boekhouding of op zijn rekening worden gestort. Het via de gemeenschappen verkregen zakgeld wordt op de rekening van de jongere geplaatst.

In geval van moedwillige schade of verlies door een jongere kan een maximumbedrag van 5 euro van zijn wekelijks zakgeld afgehouden worden.

Art. 24.Buiten mag er gerookt worden. De rookpauzes worden bepaald in het dagrooster. HOOFDSTUK VI. - Veiligheidsbepalingen

Art. 25.Het sleutelbeheer gebeurt door de federale staat. De sleutels van de secties en de sleutels van alle deuren met een veiligheidsfunctie worden daarbij exclusief beheerd door het federaal personeel. Het personeel van de gemeenschappen krijgt sleutels in beheer van de aan hen toegewezen burelen. Een dubbel van deze sleutels bevindt zich in de sleutelkast bij de penitentiair assistent en wordt enkel gebruikt in geval van nood.

Art. 26.In het centrum bevinden zich sassen. Een sas is een groep van deuren waarbij, binnen deze groep, nooit meer dan één deur tegelijkertijd geopend mag zijn.

Art. 27.§ 1. Ieder personeelslid en iedere bezoeker aan het centrum, ongeacht de reden van dit bezoek, dient zich bij de toegang tot het centrum te onderwerpen aan de voorziene ingangscontrole door het federaal personeel. Dit omvat een registratie, een identificatie, een controle met metaaldetectie en RX-controle van de bagage.

De registratie omvat de verificatie van de identiteit van de persoon en het vastleggen van de datum en uur van aankomst en vertrek van personen met behulp van de computer.

De identificatie omvat het fotograferen van de persoon via een gedigitaliseerd fotosysteem. § 2. Bij de eerste aanmelding zullen de identiteitsgegevens alsmede de foto in de computer ingebracht worden. Bij elk later bezoek zal de bezoeker zich moeten legitimeren met een officieel identiteitsdocument en zal zijn identiteit in de computer gecontroleerd worden. Eenmaal de bezoeker ingeschreven, wordt het identiteitsbewijs door de portier in bewaring genomen en ontvangt de bezoeker een papieren fotobadge dewelke zichtbaar dient gedragen te worden.

Bagage die niet voor de jongere bestemd is kan de bezoeker in een bagagekast met slot opbergen.

Bij het vertrek zal de bezoeker zijn fotobadge bij de portier inruilen voor zijn identiteitsstuk en wordt zijn identiteit opnieuw gecontroleerd aan de hand van de op de fotobadge aanwezige barcode.

Het fouilleren van personen kan enkel gebeuren door de bevoegde politionele overheid. § 3. Elk personeelslid ontvangt een antennekaart met een uniek nummer, waardoor de identiteit door de computer kan worden herkend. Bij vertoon van deze kaart aan een leesknop bij de in- of uitgang van het centrum, verschijnen de foto en de gegevens van het personeelslid automatisch op het scherm van de portier. De identificatie wordt bij een druk op de knop automatisch gevolgd door de registratie.

Ieder personeelslid heeft een gekleurde badge waarop foto, naam en functie vermeld staan. Het dragen van deze badge is verplicht.

De antennekaart wordt enerzijds bij aankomst in de inrichting door het personeelslid na vertoon aan de leesknop opgeborgen in zijn sleutelkastje. De plastic badge wordt anderzijds bij het verlaten van de inrichting in het sleutelkastje opgeborgen. § 4. Het bezit en gebruik van een GSM-toestel binnen de inrichting is verboden. Bezit en gebruik van dergelijk toestel kan echter wel toegestaan worden door de Directeur-generaal van de federale overheid.

Ambtshalve wordt voor volgende personen het gebruik van de GSM in het centrum toegelaten : aangewezen personen van diensten van het Hoofdbestuur van de gemeenschappen en van de federale overheid waaronder het centrum ressorteert, die voor de uitoefening van hun dienst per GSM bereikbaar moeten blijven, magistraten en de personen die hen in de uitoefening van hun functie vergezellen, politiediensten mogen een GSM dragen onder dezelfde voorwaarden als waaronder ze hun dienstwapen mogen dragen binnen het centrum, de leden van het directiecomité, de geneesheer of de psychiater van het centrum of zijn vervanger.

Draagbare pc's, dictafoons en semafoons dienen te worden achtergelaten aan de ingang behalve draagbare pc's van politiediensten. De federale directeur kan een afwijking toestaan. HOOFDSTUK VII. - De kamers

Art. 28.§ 1. Jongeren hebben geen toegang tot elkanders kamer. § 2. De inrichting van de kamer dient dermate te zijn dat de buitenmuur en het raam vrij blijven. § 3. De raamstaven worden dagelijks gecontroleerd. Op regelmatige basis worden de kamers door het federaal personeel gefouilleerd. Deze fouilles mogen geen tergend of persoonsgebonden karakter hebben en dienen te gebeuren met respect voor het materiaal van de jongere. § 4. Roken op de kamer mag niet. HOOFDSTUK VIII. - Kantine

Art. 29.Het centrum beschikt over een kleine winkel waarin dranken, postzegels, rookwaren, telefoonkaarten, snoep, verzorgingsproducten en - in beperkte mate - eetwaren verkrijgbaar zijn. De jongere kan hier zaken kopen met het op zijn rekening beschikbare geld.

De oorsprong van het geld op zijn rekening kan drieërlei zijn : contant geld door bezoekers aan de boekhouding gegeven, geld gestort door familie/verwanten op zijn rekening, of eventueel verkregen zakgeld gestort door de diensten van de gemeenschappen op zijn rekening.

De openingsuren van de winkel zullen in onderling overleg met de gemeenschappen bepaald worden. De winkel mag geen winst maken. HOOFDSTUK IX. - Uitoefening van de eredienst en zedelijke bijstand

Art. 30.§ 1. Elke jongere heeft recht op de bijstand van een bedienaar van een erkende eredienst of een moreel consulent die een niet confessionele overtuiging vertegenwoordigt. § 2. In het centrum kunnen erediensten ingericht worden. § 3. De voeding van de jongere is conform zijn overtuiging van een erkende godsdienst. HOOFDSTUK X. - Geneeskundige dienst

Art. 31.§ 1. Bij zijn aankomst wordt de jongere uiterlijk de daaropvolgende dag onderzocht door een dokter. § 2. De jongere kan iedere dag het doktersconsult aanvragen. § 3. De jongere kan zich op zijn verzoek en op zijn kosten laten onderzoeken door een niet aan het centrum verbonden dokter naar eigen keuze. HOOFDSTUK XI. - Buitenactiviteiten

Art. 32.§ 1. Elke jongere heeft recht op minimum één uur buitenactiviteit per dag. § 2. De buitenactiviteiten zijn activiteiten die op één of meer jongeren betrekking hebben en doorgaan binnen het centrum, buiten de leefeenheden. Hun programmering door de Gemeenschappen dient te gebeuren in overleg met het federale personeel en dient rekening te houden met diens organisatorische imperatieven. § 3. De buitenactiviteiten gaan gepaard met een aantal veiligheidsmaatregelen. Ze worden voorafgegaan door zowel een inspectie, door het federaal personeel, van de ruimte waar de buitenactiviteit doorgaat, als door een bezetting van de post buitenbewaking door het federaal personeel.

Bovendien dienen de jongere, voor het benutten van de buitenkoer, een passage door de metaaldetector maken. Indien het apparaat reageert, dient de jongere de kledij of accessoires af te leggen die metaal bevatten (schoenen, rits, broeksriem,...). In voorkomend geval kan de manuele metaaldetector gebruikt worden. Indien het gebruik van deze handdetector niet voor uitsluitstel kan zorgen, kan de jongere opgelegd worden gebruik te maken van instellingskledij. HOOFDSTUK XII. - Klachten en bezwaren

Art. 33.De jongere dient steeds in de mogelijkheid te zijn om zich, inzake aangelegenheden die hem aanbelangen, te beklagen bij de instanties zoals omschreven in art. 11 aangaande briefwisseling van het huishoudelijk reglement.

De jongere beschikt in voorkomend geval over dezelfde mogelijkheden in het kader van het bezoek en het toezicht op het Centrum, dit laatste geregeld in art. 32 van het samenwerkingsakkoord.

Art. 34.Onverminderd de mogelijkheden die de jongere geboden worden in het kader van de briefwisseling, het bezoek en het toezicht op het Centrum, dient de minderjarige steeds in de gelegenheid gesteld te worden zich te wenden tot de federale directeur of zijn gemachtigde of de bevoegde pedagogisch directeur of zijn gemachtigde inzake aangelegenheden die hem aanbelangen.

De jongere heeft daarbij recht op een gemotiveerd antwoord binnen een redelijke termijn.

Art. 35.Onverminderd de mogelijkheden die de jongere geboden worden in art.1 en art. 2 dient het voor de jongere steeds mogelijk te zijn het directiecomité aan te schrijven in een aangelegenheid die hem aanbelangt. Het Directiecomité oefent daarbij haar taak uit zoals voorzien in art.14§ 2 van het samenwerkingsakkoord.

De jongere heeft daarbij recht op een gemotiveerd antwoord van het directiecomité binnen een redelijke termijn.

De Minister van Justitie, Mevr. L. ONKELINX Vlaams Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, Mevr. I. VERVOTTE De Minister van Kinderwelzijn, Hulpverlening aan de Jeugd en Gezondheid van de Franse Gemeenschap, Mevr. C. FONCK De Minister van Vorming, Tewerkstelling, Sociale Zaken en Toerisme van de Duitstalige Gemeenschap, B. GENTGES

^