← Terug naar "Omzendbrief van 1 juli 2002 betreffende de uitreiking van de getuigschriften van goed zedelijk gedrag "
Omzendbrief van 1 juli 2002 betreffende de uitreiking van de getuigschriften van goed zedelijk gedrag | Circulaire du 1er juillet 2002 relative à la délivrance des certificats de bonnes conduite, vie et moeurs |
---|---|
FEDERALE OVERHEIDSDIENST BINNENLANDSE ZAKEN 21 FEBRUARI 2003. - Omzendbrief van 1 juli 2002 betreffende de uitreiking van de getuigschriften van goed zedelijk gedrag Aan Mevrouwen en de heren Burgemeesters en Schepenen Aan Mevrouwen en de heren Korpschefs van de lokale politie Ter informatie : aan Mevrouwen en de heren Provinciegouverneurs aan Mevrouw de Gouverneur van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad Mijnheer, Mevrouw, Ik ontken niet dat mijn voormelde omzendbrief talrijke vragen heeft opgeroepen bij de gemeentebesturen, meer in het bijzonder wanneer een getuigschrift van goed zedelijk gedrag gevraagd wordt met het oog op de uitoefening van een activiteit die onder begeleiding van minderjarigen valt (getuigschriften van model 2). Zoals u weet, moet de uitreiking van het getuigschrift van het zogenaamde model 2 verplicht voorafgegaan worden door het gemotiveerd advies van de Korpschef of van de gedelegeerde officier van politie. Een bepaald aantal burgers hebben terecht kritiek op de soms scherpe en op hun privéleven inbreuk makende vragen die hen bij de moraliteitsonderzoeken gesteld worden die de Korpschef of de gedelegeerde officier van politie soms noodzakelijk achten om hun gemotiveerd advies uit te brengen. Teneinde tegemoet te komen aan deze kritieken en vragen, hebben mijn Collega van Justitie en ikzelf besloten om, in nauwe samenwerking, een omzendbrief op te stellen die gemeenschappelijk is voor onze twee departementen en mijn voormelde omzendbrief van 1 juli 2002 aanvult. Deze aanvullende omzendbrief zal als doel hebben, enerzijds de modaliteiten te preciseren volgens welke het gemotiveerd advies van de Korpschef of van de gedelegeerde officier van politie moet worden uitgebracht, wanneer dit advies verplicht vereist is (wat het geval is voor de getuigschriften van goed zedelijk gedrag van model 2), en anderzijds het voeren van de moraliteitsonderzoeken die dit gemotiveerd advies voorafgaan, te objectiveren, wanneer een dergelijk onderzoek door de Korpschef noodzakelijk wordt geacht. In afwachting van de bekendmaking van deze aanvullende omzendbrief, raad ik de Korpschefs met aandrang aan enkel tot een dergelijk moraliteitsonderzoek over te gaan wanneer zij het, op basis van objectieve criteria, absoluut onontbeerlijk achten om hun gemotiveerd advies uit te brengen. Indien zij het voeren van een dergelijk onderzoek noodzakelijk achten, raad ik hen bovendien aan het onderwerp van hun vragen te beperken tot het enige doel dat ze voor ogen hebben en er daarbij in het bijzonder op toe te zien dat het privéleven van de ondervraagde personen niet aangetast wordt. De hierboven voorgestelde regeling moet als een overgangsregeling beschouwd worden. Ze zal beëindigd worden zodra de voormelde aanvullende omzendbrief zal zijn bekendgemaakt. | SERVICE PUBLIC FEDERAL INTERIEUR 21 FEVRIER 2003. - Circulaire du 1er juillet 2002 relative à la délivrance des certificats de bonnes conduite, vie et moeurs A Mesdames et Messieurs les Bourgmestres et Echevins A Mesdames et Messieurs les Chefs de Corps de la police locale Pour information : à Mesdames et Messieurs les Gouverneurs de province à Madame le Gouverneur de l'arrondissement administratif de Bruxelles-Capitale Mesdames, Messieurs, Je n'ignore pas que ma circulaire visée à l'objet suscite de nombreuses interrogations au sein des administrations communales, plus particulièrement lorsqu'un certificat de bonnes conduite, vie et moeurs est sollicité en vue de l'exercice d'une activité relevant de l'encadrement de mineurs d'âge (certificats du modèle 2). Comme vous le savez, l'avis motivé du Chef de corps ou de l'officier de police délégué doit obligatoirement précéder la délivrance du certificat dudit modèle 2. Un certain nombre de citoyens critiquent à raison le caractère de temps à autre inquisiteur et attentatoire à leur vie privée des questions qui leur sont posées lors des enquêtes de moralité auxquelles le Chef de corps ou l'officier de police délégué juge parfois nécessaire de procéder pour émettre son avis motivé. Afin de rencontrer ces critiques et interrogations, mon Collègue de la Justice et moi-même avons décidé d'élaborer en étroite concertation, une circulaire commune à nos deux départements, complémentaire à ma circulaire prérappelée du 1er juillet 2002. Cette circulaire complémentaire aura pour objet, d'une part, de préciser les modalités selon lesquelles l'avis motivé du Chef de corps ou de l'officier de police délégué doit être émis, lorsque cet avis est obligatoirement requis (ce qui est le cas pour les certificats de bonnes vie et moeurs du modèle 2), et d'autre part, d'objectiver la conduite des enquêtes de moralité qui précèdent cet avis motivé, lorsqu'une telle enquête est estimée nécessaire par le Chef de corps. En attendant que cette circulaire complémentaire soit publiée, je recommande instamment aux Chefs de corps de ne procéder à pareille enquête de moralité que lorsque, sur la base de critères objectifs, ils la jugent absolument indispensable pour pouvoir émettre leur avis motivé. Par ailleurs, s'ils estiment nécessaire de mener une telle enquête, je leur recommande de limiter l'objet de leurs questions au seul but qui est le leur et de veiller tout particulièrement, ce faisant, à ne pas porter atteinte à la vie privée des personnes qu'ils interrogent. Le régime exposé ci-dessus doit être considéré comme transitoire. Il y sera mis fin dès que la circulaire complémentaire que j'évoque ci-dessus aura été publiée. |
A. DUQUESNE | A. DUQUESNE |