Etaamb.openjustice.be
Meertalige weergave van Arrest van --
← Terug naar "Uittreksel uit arrest nr. 151/2021 van 21 oktober 2021 Rolnummer 7603 In zake : het beroep tot vernietiging van artikel XX.173, § 2, van het Wetboek van economisch recht, ingesteld door Marianne De Fre. Het Grondwettelijk Hof, same wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzo(...)"
Uittreksel uit arrest nr. 151/2021 van 21 oktober 2021 Rolnummer 7603 In zake : het beroep tot vernietiging van artikel XX.173, § 2, van het Wetboek van economisch recht, ingesteld door Marianne De Fre. Het Grondwettelijk Hof, same wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzo(...) Extrait de l'arrêt n° 151/2021 du 21 octobre 2021 Numéro du rôle : 7603 En cause : le recours en annulation de l'article XX.173, § 2, du Code de droit économique, introduit par Marianne De Fre. La Cour constitutionnelle, composée d après en avoir délibéré, rend l'arrêt suivant : I. Objet du recours et procédure Par requête(...)
GRONDWETTELIJK HOF COUR CONSTITUTIONNELLE
Uittreksel uit arrest nr. 151/2021 van 21 oktober 2021 Extrait de l'arrêt n° 151/2021 du 21 octobre 2021
Rolnummer 7603 Numéro du rôle : 7603
In zake : het beroep tot vernietiging van artikel XX.173, § 2, van het En cause : le recours en annulation de l'article XX.173, § 2, du Code
Wetboek van economisch recht, ingesteld door Marianne De Fre. de droit économique, introduit par Marianne De Fre.
Het Grondwettelijk Hof, La Cour constitutionnelle,
samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en P. Nihoul, de rechters composée des présidents L. Lavrysen et P. Nihoul, des juges J.-P.
J.-P. Moerman, R. Leysen, J. Moerman en Y. Kherbache, en, Moerman, R. Leysen, J. Moerman et Y. Kherbache, et, conformément à
overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 l'article 60bis de la loi spéciale du 6 janvier 1989 sur la Cour
op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter F. Daoût, bijgestaan constitutionnelle, du président émérite F. Daoût, assistée du greffier
door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter L. Lavrysen, F. Meersschaut, présidée par le président L. Lavrysen,
wijst na beraad het volgende arrest : après en avoir délibéré, rend l'arrêt suivant :
I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging I. Objet du recours et procédure
Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 15 juni 2021 Par requête adressée à la Cour par lettre recommandée à la poste le 15
ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 16 juni
2021, heeft Marianne De Fre, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. juin 2021 et parvenue au greffe le 16 juin 2021, Marianne De Fre,
D. Vantomme, advocaat bij de balie van West-Vlaanderen, beroep tot assistée et représentée par Me D. Vantomme, avocat au barreau de
vernietiging ingesteld van artikel XX.173, § 2, van het Wetboek van economisch recht. Flandre occidentale, a introduit un recours en annulation de l'article XX.173, § 2, du Code de droit économique.
Op 30 juni 2021 hebben de rechters-verslaggevers J. Moerman en J.-P. Le 30 juin 2021, en application de l'article 72, alinéa 1er, de la loi
Moerman, met toepassing van artikel 72, eerste lid, van de bijzondere
wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, het Hof ervan in spéciale du 6 janvier 1989 sur la Cour constitutionnelle, les
kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht voor te juges-rapporteurs J. Moerman et J.-P. Moerman ont informé la Cour
stellen het onderzoek van de zaak af te doen met een arrest gewezen op qu'ils pourraient être amenés à proposer de mettre fin à l'examen de
voorafgaande rechtspleging. l'affaire par un arrêt rendu sur procédure préliminaire.
(...) (...)
II. In rechte II. En droit
(...) (...)
B.1. De verzoekende partij vordert de vernietiging van artikel XX.173, B.1. La partie requérante demande l'annulation de l'article XX.173, §
§ 2, van het Wetboek van economisch recht. 2, du Code de droit économique.
Het beroep tot vernietiging wordt ingesteld op grond van artikel 4, Le recours en annulation a été introduit sur la base de l'article 4,
tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het alinéa 2, de la loi spéciale du 6 janvier 1989 sur la Cour
Grondwettelijk Hof, dat bepaalt dat voor onder meer iedere natuurlijke constitutionnelle, qui dispose qu'un nouveau délai de six mois est
persoon of rechtspersoon die doet blijken van een belang, een nieuwe ouvert pour l'introduction d'un recours en annulation d'une loi, d'un
termijn van zes maanden openstaat voor het instellen van een beroep décret ou d'une ordonnance notamment par toute personne physique ou
tot vernietiging tegen een wet, een decreet of een ordonnantie wanneer morale justifiant d'un intérêt, lorsque la Cour, statuant sur une
het Hof, uitspraak doende op een prejudiciële vraag, heeft verklaard question préjudicielle, a déclaré que cette loi, ce décret ou cette
dat die wet, dat decreet of die ordonnantie een van de in artikel 1 ordonnance viole une des règles ou un des articles de la Constitution
bedoelde regels of artikelen van de Grondwet schendt. visés à l'article 1er.
B.2. Bij zijn arrest nr. 62/2021 van 22 april 2021 heeft het Hof voor B.2. Par son arrêt n° 62/2021 du 22 avril 2021, la Cour a dit pour
recht gezegd : droit :
« Artikel XX.173, § 2, van het Wetboek van economisch recht schendt de « L'article XX.173, § 2, du Code de droit économique viole les
artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre de gefailleerde articles 10 et 11 de la Constitution en ce que le failli-personne
natuurlijke persoon die niet binnen de vervaltermijn van drie maanden physique qui n'introduit pas une requête en effacement du solde des
na de bekendmaking van het faillissementsvonnis een verzoek tot dettes dans le délai de forclusion de trois mois après la publication
kwijtschelding van restschulden indient, het recht op die du jugement de faillite perd irrévocablement le droit à cet effacement
kwijtschelding onherroepelijk verliest ». ».
De verzoekende partij is een natuurlijke persoon. Opdat haar beroep La partie requérante est une personne physique. Pour que le recours en
tot vernietiging dat is ingesteld op grond van artikel 4, tweede lid, annulation qu'elle a introduit sur la base de l'article 4, alinéa 2,
van de bijzondere wet van 6 januari 1989 ontvankelijk zou zijn, is de la loi spéciale du 6 janvier 1989 soit recevable, il est requis
vereist dat zij doet blijken van een belang. qu'elle justifie d'un intérêt.
De verzoekende partij voert aan dat de Ondernemingsrechtbank te Gent, La partie requérante fait valoir que le Tribunal de l'entreprise de
afdeling Kortrijk, bij vonnis van 17 maart 2020 haar verzoek tot Gand, division de Courtrai, par jugement du 17 mars 2020, a déclaré sa
kwijtschelding niet-ontvankelijk verklaarde op grond van de bestreden requête en effacement irrecevable sur la base de la disposition
bepaling. Zij doet aldus blijken van een belang bij de vernietiging attaquée. Elle justifie donc d'un intérêt à l'annulation de la
van de bestreden bepaling. disposition attaquée.
B.3. Het enige middel is afgeleid uit de schending, door de bestreden
bepaling, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.3. Le moyen unique est pris de la violation des articles 10 et 11 de
Bij zijn arrest nr. 62/2021 heeft het Hof geoordeeld : la Constitution par la disposition attaquée. Par son arrêt n° 62/2021, la Cour a jugé :
« B.1.2. De kwijtschelding van restschulden wordt geregeld in artikel XX.173 van het Wetboek van economisch recht, dat bepaalt : ' § 1. Indien de gefailleerde een natuurlijke persoon is, zal hij ten aanzien van de schuldeisers worden bevrijd van de restschulden, onverminderd de zakelijke zekerheden gesteld door de schuldenaar of derden. De kwijtschelding heeft gevolgen voor de onderhoudsschulden van de gefailleerde noch voor de schulden voortvloeiend uit de verplichting tot herstel van de schade verbonden aan het overlijden of aan de aantasting van de lichamelijke integriteit van een persoon waaraan de gefailleerde schuld heeft. § 2. De kwijtschelding wordt enkel toegekend door de rechtbank op verzoek van de gefailleerde, welk verzoekschrift hij dient te voegen bij zijn aangifte van het faillissement of dient neer te leggen in het register uiterlijk drie maanden na de bekendmaking van het faillissementsvonnis, zelfs indien het faillissement is afgesloten voor het verstrijken van die termijn. Het verzoekschrift wordt door de griffier ter kennis gebracht van de curator. Deze legt uiterlijk na één maand een verslag neer in het register over omstandigheden die kunnen aanleiding geven tot de vaststelling van kennelijk grove fouten, bedoeld in § 3. Zonder de sluiting van het faillissement af te wachten en van zodra de « B.1.2. L'effacement du solde des dettes est régi par l'article XX.173 du Code de droit économique, qui dispose : ' § 1er. Si le failli est une personne physique, il sera libéré envers les créanciers du solde des dettes, sans préjudice des sûretés réelles données par le failli ou un tiers. L'effacement est sans effet sur les dettes alimentaires du failli et celles qui résultent de l'obligation de réparer le dommage lié au décès ou à l'atteinte à l'intégrité physique d'une personne qu'il a causé par sa faute. § 2. L'effacement est uniquement octroyé par le tribunal à la requête du failli, requête qu'il doit ajouter à son aveu de faillite ou déposer dans le registre au plus tard trois mois après la publication du jugement de faillite, même si la faillite est clôturée avant l'expiration du délai. La requête est notifiée par le greffier au curateur. Au plus tard après un mois, celui-ci dépose un rapport dans le registre sur les circonstances pouvant donner lieu au constat de fautes graves et caractérisées visées au § 3.
termijn van zes maanden is verstreken, kan de gefailleerde de Sans attendre la clôture de la faillite et dès que le délai de six
rechtbank verzoeken uitspraak te doen over de kwijtschelding. Op mois est écoulé, le failli peut demander au tribunal de se prononcer
verzoek van de gefailleerde deelt de rechtbank aan deze laatste, via sur l'effacement. A la demande du failli, le tribunal communique à ce
het register, binnen een termijn van een jaar vanaf de opening van het dernier, par le biais du registre, dans un délai d'un an à partir de
faillissement, de redenen mee die rechtvaardigen waarom ze zich niet over de kwijtschelding heeft uitgesproken zonder dat deze mededeling vooruitloopt op de latere beslissing inzake de kwijtschelding. De rechtbank spreekt zich uit over het verzoek tot kwijtschelding uiterlijk bij de sluiting van het faillissement of, indien het verzoek bedoeld in het eerste lid nog niet is ingediend op het ogenblik van sluiting, binnen een maand na het verzoek. Het vonnis dat de kwijtschelding van de schuldenaar beveelt wordt door de griffier ter kennis gebracht van de curator en in het register neergelegd. Het wordt door de curator bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. § 3. Elke belanghebbende met inbegrip van de curator en het openbaar ministerie kan, bij verzoekschrift waarvan door de griffier wordt kennis gegeven aan de gefailleerde, vanaf de bekendmaking van het faillissementsvonnis vorderen dat de kwijtschelding slechts voor een deel wordt toegekend of volledig geweigerd bij gemotiveerde beslissing, indien de gefailleerde kennelijk grove fouten heeft begaan die hebben bijgedragen tot het faillissement. Dezelfde vordering kan worden ingesteld bij wijze van derdenverzet bij verzoekschrift uiterlijk drie maanden na de publicatie van het vonnis van kwijtschelding. Wanneer de gefailleerde beoefenaar is van een vrij beroep, dan stelt de griffier diens orde of instituut in kennis door een kopie te sturen van het vonnis waarin de kwijtschelding voor een deel wordt toegekend of volledig geweigerd '. l'ouverture de la faillite, les motifs qui justifient qu'il ne s'est pas prononcé sur l'effacement sans que cette communication ne préjuge de la décision qui sera rendue sur l'effacement. Le tribunal se prononce sur la demande d'effacement au plus tard lors de la clôture de la faillite ou, si la demande visée à l'alinéa 1er n'est pas encore introduite au moment de la clôture, dans un délai d'un mois après la demande. Le jugement ordonnant l'effacement du débiteur est communiqué par le greffier au curateur et est déposé au registre. Il est publié par extrait par les soins du curateur au Moniteur belge. § 3. Tout intéressé, en ce compris le curateur ou le ministère public peut, par requête communiquée au failli par le greffier, à partir de la publication du jugement de faillite, demander que l'effacement ne soit que accordé partiellement ou refusé totalement par décision motivée, si le débiteur a commis des fautes graves et caractérisées qui ont contribué à la faillite. La même demande peut être introduite par le biais d'une tierce opposition par requête au plus tard trois mois à compter de la publication du jugement accordant l'effacement. Lorsque le failli est un titulaire d'une profession libérale, le greffier notifie à l'ordre ou à l'institut une copie du jugement accordant partiellement ou refusant entièrement l'effacement '.
[...] [...]
B.2.1. De verwijzende rechter vraagt het Hof of artikel XX.173, § 2, van het Wetboek van economisch recht, in de interpretatie dat de termijn van drie maanden vanaf de bekendmaking van het faillissementsvonnis om een verzoek tot kwijtschelding in te dienen, een vervaltermijn is, bestaanbaar is met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, in zoverre een gefailleerde natuurlijke persoon die binnen die termijn geen verzoek tot kwijtschelding van restschulden indient, zijn recht op kwijtschelding onherroepelijk verliest, terwijl een gefailleerde natuurlijke persoon die wel binnen die termijn een verzoek tot kwijtschelding indient, er nagenoeg zeker van kan zijn dat zijn restschulden zullen worden kwijtgescholden. B.2.1. Le juge a quo demande à la Cour si l'article XX.173, § 2, du Code de droit économique est compatible avec le principe d'égalité et de non-discrimination dans l'interprétation selon laquelle le délai de trois mois après la publication du jugement de faillite pour introduire une requête en effacement est un délai de forclusion, en ce qu'un failli-personne physique qui n'introduit pas une requête en effacement du solde des dettes dans ce délai perd irrévocablement le droit à l'effacement, alors qu'un failli-personne physique qui introduit une requête en effacement dans le respect de ce délai est pratiquement assuré que le solde de ses dettes sera effacé.
[...] [...]
B.3. In de interpretatie die de verwijzende rechter eraan geeft, B.3. Dans l'interprétation que lui donne le juge a quo, l'article
voorziet artikel XX.173, § 2, van het Wetboek van economisch recht in XX.173, § 2, du Code de droit économique prévoit un délai de
een vervaltermijn van drie maanden om een verzoek tot kwijtschelding in te dienen. forclusion de trois mois pour introduire une requête en effacement.
Het staat in de regel aan de verwijzende rechter om de bepalingen die Il appartient en règle au juge a quo d'interpréter les dispositions
hij van toepassing acht te interpreteren, onder voorbehoud van een qu'il estime applicables, sous réserve d'une lecture manifestement
kennelijk verkeerde lezing van de in het geding zijnde bepaling, wat erronée de la disposition en cause, ce qui n'est pas le cas en
te dezen niet het geval is. Hoewel de in het geding zijnde bepaling l'espèce. Bien que la disposition en cause ne l'indique pas
dit niet uitdrukkelijk vermeldt, dient de termijn van drie maanden na formellement, le délai de trois mois à compter de la publication du
de bekendmaking van het faillissementsvonnis om de kwijtschelding van jugement de faillite pour demander l'effacement du solde des dettes
restschulden te vorderen, als een vervaltermijn te worden beschouwd. doit être considéré comme un délai de forclusion. Il ressort en effet
Uit de parlementaire voorbereiding blijkt immers dat ' als zij niet des travaux préparatoires que si l'effacement n'est pas demandé ' dans
gevraagd is bij de aangifte van faillissement of binnen een zekere l'aveu de la faillite ou dans une période limitée dans le temps après
tijd erna, [...] de schuldenaar elk recht daarop [heeft] verloren ' la déclaration de faillite, le débiteur perdra son droit à
(ibid., p. 89). l'effacement de la dette ' (ibid., p. 89).
Het Hof onderzoekt de in het geding zijnde bepaling bijgevolg in de interpretatie die de verwijzende rechter heeft voorgelegd. B.4.1. Het recht op toegang tot de rechter, dat een onderdeel is van het recht op een eerlijk proces, kan eveneens worden onderworpen aan ontvankelijkheidsvoorwaarden, met name wat betreft het instellen van een rechtsmiddel. Die voorwaarden mogen echter niet ertoe leiden dat het recht op zodanige wijze wordt beperkt dat de kern ervan wordt aangetast. Dat zou het geval zijn wanneer de beperkingen geen wettig doel nastreven en indien er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel. De verenigbaarheid van die beperkingen met het recht op toegang tot een La Cour examine en conséquence la disposition en cause dans l'interprétation soumise par le juge a quo. B.4.1. Le droit d'accès au juge, qui constitue un aspect du droit à un procès équitable, peut également être soumis à des conditions de recevabilité, notamment en ce qui concerne l'introduction d'une voie de recours. Ces conditions ne peuvent cependant aboutir à restreindre le droit de manière telle que celui-ci s'en trouve atteint dans sa substance même. Tel serait le cas si les restrictions imposées ne tendaient pas vers un but légitime et s'il n'existait pas un rapport raisonnable de proportionnalité entre les moyens employés et le but
rechterlijke instantie hangt af van de bijzonderheden van de in het visé. La compatibilité de ces limitations avec le droit d'accès à un
geding zijnde procedure en wordt beoordeeld in het licht van het tribunal dépend des particularités de la procédure en cause et
proces in zijn geheel (EHRM, 24 februari 2009, L'Erablière t. België, s'apprécie au regard de l'ensemble du procès (CEDH, 24 février 2009,
L'Erablière A.S.B.L. c. Belgique, § 36; 29 mars 2011, RTBF c.
§ 36; 29 maart 2011, RTBF t. België, § 69; 18 oktober 2016, Miessen t. Belgique, § 69; 18 octobre 2016, Miessen c. Belgique, § 64; 17 juillet
België, § 64; 17 juli 2018, Ronald Vermeulen t. België, § 43). 2018, Ronald Vermeulen c. Belgique, § 43).
Meer in het bijzonder zijn de regels betreffende de vormvoorschriften Plus particulièrement, les règles relatives aux formalités et délais
en termijnen om beroep in te stellen gericht op een goede fixés pour former un recours visent à assurer une bonne administration
rechtsbedeling en het weren van de risico's van rechtsonzekerheid. Die de la justice et à écarter les risques d'insécurité juridique.
regels mogen de rechtzoekenden echter niet verhinderen de beschikbare Toutefois, ces règles ne peuvent empêcher les justiciables de se
rechtsmiddelen te doen gelden. prévaloir des voies de recours disponibles.
Bovendien ' dienen de rechtbanken, bij het toepassen van de De surcroît, ' les tribunaux doivent, en appliquant des règles de
procedureregels, zowel een overdreven formalisme dat afbreuk zou doen procédure, éviter à la fois un excès de formalisme qui porterait
aan het eerlijke karakter van de procedure, als een buitensporige atteinte à l'équité de la procédure, et une souplesse excessive qui
soepelheid die zou leiden tot het afschaffen van de bij de wet aboutirait à supprimer les conditions de procédure établies par les
vastgestelde procedurele vereisten, te vermijden ' (EHRM, 26 juli
2007, Walchli t. Frankrijk, § 29; 25 mei 2004, Kadlec en anderen t. lois ' (CEDH, 26 juillet 2007, Walchli c. France, § 29; 25 mai 2004,
Tsjechische Republiek, § 26). ' Het recht op toegang tot een rechter wordt immers aangetast wanneer de reglementering ervan niet langer de doelstellingen van de rechtszekerheid en de goede rechtsbedeling dient en een soort van hinderpaal vormt die de rechtzoekende verhindert zijn geschil ten gronde door het bevoegde rechtscollege beslecht te zien ' (EHRM, 24 mei 2011, Sabri Günes t. Turkije, § 58; 13 januari 2011, Evaggelou t. Griekenland, § 19; 18 oktober 2016, Miessen t. België, § 66). B.4.2. Inzake vervaltermijnen moet de wetgever over een ruime beoordelingsbevoegdheid kunnen beschikken. Het verschil in behandeling tussen personen die hun rechten binnen de toepasselijke vervaltermijn uitoefenen en personen die dat niet doen, houdt op zich geen discriminatie in. Van discriminatie zou slechts sprake zijn indien de toepassing van de vervaltermijn een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen met zich zou meebrengen. B.5.1. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt niet waarom de wetgever ervoor heeft gekozen de uitspraak over de kwijtschelding van restschulden afhankelijk te maken van een uitdrukkelijk verzoek van de gefailleerde, noch waarom hij dat verzoek aan een vervaltermijn onderwerpt. Overigens houdt de wetgever er geen rekening mee dat de noodzaak van de kwijtschelding pas later tot uiting zou kunnen komen. B.5.2. Niettegenstaande de laagdrempelige manier waarop de kwijtschelding van restschulden door de gefailleerde kan worden gevraagd, legt de in het geding zijnde bepaling een vormvereiste op waaraan hij dient te voldoen, op straffe van verval, om voor die kwijtschelding in aanmerking te komen. Daaruit volgt dat, wanneer de gefailleerde nalaat tijdig een kwijtschelding van restschulden te vragen, de door de wetgever nagestreefde doelstelling het tweedekansondernemerschap te bevorderen, die als essentieel wordt beschouwd, in het gedrang komt als gevolg van de in het geding zijnde bepaling. B.5.3. Het tijdstip waarop de gefailleerde om die kwijtschelding verzoekt, heeft geen invloed op het beheer van de boedel, op de aangifte en de verificatie van de schuldvorderingen of op de vereffening van het faillissement. Ook het tijdstip waarop de schuldeisers, het openbaar ministerie of de curator krachtens artikel XX.173, § 3, van het Wetboek van economisch recht vorderen dat de kwijtschelding slechts voor een deel wordt toegekend of volledig wordt geweigerd, heeft daarop geen invloed. Die bepaling laat hun overigens toe die vordering al in te stellen vanaf de bekendmaking van het faillissementsvonnis, zelfs indien de gefailleerde op dat ogenblik nog niet om kwijtschelding heeft verzocht. Die bepaling onderwerpt hun vordering tijdens de faillissementsprocedure overigens niet aan enige vervaltermijn en laat hun zelfs toe haar bij wijze van derdenverzet in te stellen uiterlijk drie maanden na de bekendmaking van het vonnis van kwijtschelding. Hoewel het verzoek tot kwijtschelding krachtens de in het geding zijnde bepaling uitgaat van de gefailleerde, rust de bewijslast van de kennelijk grove fouten die hebben bijgedragen tot het faillissement overigens bij de partijen die zich tegen de volledige kwijtschelding verzetten. In die omstandigheden kan de in het geding zijnde vervaltermijn niet als een pertinente maatregel voor de spoedige afwikkeling van het faillissement worden beschouwd. B.5.4. Bovendien heeft het overschrijden van de in het geding zijnde vervaltermijn onevenredige gevolgen voor de gefailleerde natuurlijke persoon, die daardoor elke mogelijkheid verliest om een rechter over de kwijtschelding van zijn restschulden te laten oordelen en bijgevolg onherroepelijk met zijn ganse vermogen moet blijven instaan voor de schulden die niet zijn afgelost door de vereffening van de boedel. B.5.5. De in het geding zijnde bepaling heeft eveneens onevenredige gevolgen voor de echtgenoot, gewezen echtgenoot, wettelijk samenwonende of gewezen wettelijk samenwonende partner van de gefailleerde die persoonlijk verbonden is voor de schuld die de gefailleerde tijdens de duur van het huwelijk of de duur van de wettelijke samenwoning was aangegaan. B.6. De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord ». B.4. Om redenen die identiek zijn aan die welke vervat zijn in het voormelde arrest nr. 62/2021, is het enige middel gegrond. Om die redenen, het Hof vernietigt artikel XX.173, § 2, van het Wetboek van economisch recht in zoverre het bepaalt dat de gefailleerde natuurlijke persoon die niet binnen de vervaltermijn van drie maanden na de bekendmaking van het faillissementsvonnis een verzoek tot kwijtschelding van restschulden indient, het recht op die kwijtschelding onherroepelijk verliest. Aldus gewezen in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 21 oktober 2021. De griffier, F. Meersschaut De voorzitter, Kadlec et autres c. République tchèque, § 26). ' En effet, le droit d'accès à un tribunal se trouve atteint lorsque sa réglementation cesse de servir les buts de la sécurité juridique et de la bonne administration de la justice et constitue une sorte de barrière qui empêche le justiciable de voir son litige tranché au fond par la juridiction compétente ' (CEDH, 24 mai 2011, Sabri Günes c. Turquie, § 58; 13 janvier 2011, Evaggelou c. Grèce, § 19; 18 octobre 2016, Miessen c. Belgique, § 66). B.4.2. En matière de délais de forclusion, le législateur doit pouvoir disposer d'un large pouvoir d'appréciation. La différence de traitement entre les personnes qui exercent leurs droits dans le délai de forclusion applicable et celles qui ne le font pas n'est pas discriminatoire en soi. Il ne pourrait être question de discrimination que si l'application du délai de forclusion entraînait une limitation disproportionnée des droits des personnes concernées. B.5.1. Il ne ressort pas des travaux préparatoires pourquoi le législateur a choisi de subordonner à une demande expresse du failli la décision quant à l'effacement du solde des dettes, ni pourquoi il soumet cette demande à un délai de forclusion. En outre, le législateur ne tient pas compte de ce que la nécessité de cet effacement pourrait seulement apparaître plus tard. B.5.2. Nonobstant la facilité avec laquelle l'effacement du solde des dettes peut être demandé par le failli, la disposition en cause impose une formalité à laquelle le failli doit satisfaire, sous peine de déchéance pour bénéficier de cet effacement. Il s'ensuit que, dans l'hypothèse où le failli néglige de demander en temps utile l'effacement du solde des dettes, l'objectif du législateur, considéré comme essentiel, consistant à promouvoir l'entreprenariat de la seconde chance est compromis par la disposition en cause. B.5.3. Le moment auquel le failli demande l'effacement n'a aucune incidence sur la gestion de la masse, sur la déclaration et la vérification des créances, ou sur la liquidation de la faillite. Le moment auquel les créanciers, le ministère public ou le curateur demandent, en vertu de l'article XX.173, § 3, du Code de droit économique, de n'accorder l'effacement que partiellement ou de le refuser totalement est également indifférent. Cette disposition leur permet du reste d'introduire déjà cette demande dès la publication du jugement de faillite, même si le failli n'a pas encore demandé l'effacement à ce moment. Par ailleurs, cette disposition ne soumet pas leur demande au cours de la procédure de faillite à un quelconque délai de forclusion et leur permet même de l'introduire par le biais d'une tierce opposition au plus tard dans les trois mois de la publication du jugement d'effacement. Bien qu'en vertu de la disposition en cause, la demande d'effacement émane du failli, la charge de la preuve des fautes graves et caractérisées qui ont contribué à la faillite incombe par ailleurs aux parties qui s'opposent à l'effacement total. Dans ces circonstances, le délai de forclusion en cause ne saurait être considéré comme une mesure pertinente en vue du règlement rapide de la faillite. B.5.4. Par ailleurs, le dépassement du délai de forclusion en cause produit des effets disproportionnés pour le failli-personne physique qui perd de ce fait toute possibilité qu'un juge se prononce sur l'effacement du solde de ses dettes et qui doit dès lors irrévocablement continuer à supporter sur l'ensemble de son patrimoine les dettes qui n'ont pas été réglées par la liquidation de la masse. B.5.5. La disposition en cause a également des effets disproportionnés pour le conjoint, l'ex-conjoint, le cohabitant légal ou l'ex-cohabitant légal du failli qui est obligé personnellement à la dette contractée par le failli du temps du mariage ou de la cohabitation légale. B.6. La question préjudicielle appelle une réponse affirmative ». B.4. Pour des motifs identiques à ceux qui ont été exposés dans l'arrêt n° 62/2021 précité, le moyen unique est fondé. Par ces motifs, la Cour annule l'article XX.173, § 2, du Code de droit économique en ce qu'il prévoit que le failli-personne physique qui n'introduit pas une requête en effacement du solde des dettes dans le délai de forclusion de trois mois après la publication du jugement de faillite perd irrévocablement le droit à cet effacement. Ainsi rendu en langue néerlandaise, en langue française et en langue allemande, conformément à l'article 65 de la loi spéciale du 6 janvier 1989 sur la Cour constitutionnelle, le 21 octobre 2021. Le greffier, F. Meersschaut Le président,
L. Lavrysen L. Lavrysen
^