Etaamb.openjustice.be
Erratum van 07 december 2023
gepubliceerd op 29 maart 2024

Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot uitvoering van artikel 15, § 2 van de gezamenlijke decreten en ordonnanties van 16 mei 2019 betreffende de Brusselse ombudsman. - Erratum

bron
brussels hoofdstedelijk gewest
numac
2024003097
pub.
29/03/2024
prom.
07/12/2023
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST


7 DECEMBER 2023. - Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot uitvoering van artikel 15, § 2 van de gezamenlijke decreten en ordonnanties van 16 mei 2019 betreffende de Brusselse ombudsman. - Erratum


In het Belgisch Staatsblad van 21 december 2023, numac 2023/48163, blz. 120717, moet het volgende worden toegevoegd: Verslag aan de Brusselse Hoofdstedelijke Regering Betreft: ontwerpbesluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering houdende uitvoering van artikel 15, § 2 van gezamenlijk decreet en ordonnantie met betrekking tot de Brusselse ombudsman van 16 mei 2019 - Klokkenluiders.

I. Context Het gezamenlijk decreet en ordonnantie van 16 mei 2019 betreffende de Brusselse ombudsman belasten de Brusselse regering, voor wat haar diensten betreft, met de taak om de modaliteiten te bepalen met betrekking tot de oprichting, de organisatie en de werking van het interne luik van het systeem voor de melding van een vermoedelijke integriteitsschending(1).

De regering moet in het bijzonder de modaliteiten bepalen voor de communicatie, de verwerking en het onderzoek naar aanleiding van een interne melding, evenals de modaliteiten met betrekking tot de verantwoordelijkheden, bevoegdheden, rollen, functies en keuze van het interne luik van het systeem voor de melding van een vermoedelijke schending van de integriteit.

II. Samenvatting ? Art. 1: dit artikel herinnert aan het voorwerp van het besluit, dat, overeenkomstig het gezamenlijk decreet en ordonnantie van 16 mei 2019 betreffende de Brusselse ombudsman (DOC 2019), de modaliteiten beoogt te bepalen voor de communicatie, de verwerking en het onderzoek naar aanleiding van een interne melding, evenals de modaliteiten met betrekking tot de verantwoordelijkheden, bevoegdheden, rollen, functies en keuze van het interne luik van het systeem voor de melding van een vermoedelijke schending van de integriteit.

Het herinnert er tevens aan dat het om een gedeeltelijke omzetting van Richtlijn (EU) 2019/1937 gaat. ? Art. 2: dit artikel definieert het persoonlijke toepassingsgebied van het besluit.

Hieronder vallen de personeelsleden van de administratieve overheden en ministeriële kabinetten die onder het Brussels Gewest ressorteren, van de overheden die bevoegdheden uitoefenen die aan de Agglomeratie Brussel zijn toegekend, van de intercommunales waarop het Brussels Hoofdstedelijk Gewest toezicht houdt en de gemeenten (met uitzondering van de OCMW's, die onder de bevoegdheid van de GGC vallen) die in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest gelegen zijn, alsook elk orgaan dat specifiek is opgericht om een opdracht van algemeen belang te vervullen, dat rechtspersoonlijkheid heeft en waarvan de activiteit voor minstens 50% wordt gefinancierd door de andere hierboven vermelde organen of overheden, en ten slotte de verenigingen die zijn opgericht door een of meer van de hierboven vermelde organen.

Voor het begrip "personeelslid" verwijzen we naar de definities vermeld in artikel 15, § 1, lid 1 tot 3 van het DOC 2019. ? Art. 3: dit artikel heeft betrekking op de elementen van de definitie die noodzakelijk zijn voor een goed begrip van dit besluit. ? Art. 4: dit artikel bepaalt dat de integriteitsschending die wordt gemeld, kan hebben plaatsgevonden, aan het plaatsvinden is, of op het punt staat plaats te vinden en op een redelijk vermoeden moet berusten. ? Art. 5: dit artikel bepaalt dat een personeelslid dat overweegt een vermoedelijke integriteitsschending te melden, informatie en advies over de inhoud en toepassing van dit ontwerpbesluit kan krijgen van de vertrouwenspersoon integriteit die bevoegd is voor zijn instelling. ? Art. 6: dit artikel vertrouwt aan elke instantie die aan dit besluit onderworpen is de verantwoordelijkheid toe om wat haar betreft kanalen op te zetten voor het ontvangen van meldingen, die zodanig zijn ontworpen, opgebouwd en worden beheerd dat de vertrouwelijkheid van de identiteit van de melder en van elke in de melding vermelde derde gewaarborgd is en dat onbevoegden geen toegang hebben tot deze kanalen.

Deze kanalen voor het opvangen van signalen maken zowel schriftelijke als mondelinge meldingen mogelijk en garanderen de vertrouwelijkheid en, indien nodig, de anonimiteit van de persoon die de melding doet en van elke derde partij die in de melding wordt genoemd.

In dit opzicht en gelet op de beperkingen met betrekking tot het opzetten van deze kanalen wordt een deling van de kosten voor de ontwikkeling van deze kanalen tussen deze entiteiten aangemoedigd, met dien verstande dat elke entiteit inzake vrij mag kiezen en onafhankelijk is. ? Art. 7: dit artikel bepaalt dat personeelsleden een schending van de integriteit op basis van een redelijk vermoeden kunnen melden aan de interne actoren die bevoegd zijn voor de ontvangst van de meldingen voor hun instantie.

Als er gegronde vrees bestaat voor inertie of represailles, dan kan het personeelslid de vermoedelijke integriteitsschending melden bij de bevoegde dienst van de Brusselse ombudsman.

Er wordt eveneens aan herinnerd dat zowel de melder als elke andere betrokken persoon - met inbegrip van de personen die bevoegd zijn voor de ontvangst van de meldingen - bescherming tegen represailles zullen genieten zoals vastgelegd in het DOC 2019. ? Art. 8: dit artikel stelt dat meldingen schriftelijk en/of mondeling en anoniem kunnen worden gedaan.

Het bepaalt eveneens dat, als de melder hierom vraagt, er een persoonlijke ontmoeting georganiseerd wordt met de interne persoon die bevoegd is voor het ontvangen van de meldingen. Deze ontmoeting moet binnen de 15 dagen na het verzoek plaatsvinden.

Ze wordt zo georganiseerd dat de identiteit van de melder en van elke derde partij die in de melding wordt genoemd, vertrouwelijk blijft.

Paragraaf 3, tweede lid van de tekst wordt geïntegreerd in artikel 6 van het project, aangezien het beter is dat artikel 9, § 1, a) van Richtlijn (EU) 2019/1937 omgezet wordt in een enkele bepaling (vroeger werd dit artikel zowel omgezet door artikel 8, § 3 van het ontwerp als door artikel 6 van het ontwerp). ? Art. 9: dit artikel legt de inhoud van de schriftelijke melding of van het schriftelijk bewijs van de mondelinge melding vast.

Het voorziet eveneens in de mogelijkheid, voor de interne actor die bevoegd is voor het ontvangen van de meldingen, om aan de melder te vragen deze melding aan te vullen binnen een door hem bepaalde termijn als er essentiële elementen ontbreken.

Deze mogelijkheid is niet van toepassing bij anonieme meldingen. ? Art. 10: dit artikel bepaalt dat de interne actor die bevoegd is voor de ontvangst van de meldingen beschikt over een termijn van zeven dagen na de schriftelijke melding of het bewijs van de mondelinge melding om de ontvangst ervan te bevestigen. Het bepaalt eveneens dat ook de voormelde beveiligde kanalen moeten toelaten de ontvangst te bevestigen.

De melding moet eveneens binnen de zeven dagen na de ontvangstbevestiging ingeschreven worden in een specifiek en beveiligd register door de vertrouwenspersonen integriteit of door de bevoegde interne auditdienst. ? Art. 11: als de interne actor die bevoegd is voor de ontvangst van de meldingen het nodig acht, kan hij de melder uitnodigen voor een onderhoud om uitleg te geven bij de elementen van de vermoedelijke schending en dit ten laatste de vijftiende dag volgend op het ontvangstbewijs van de melding.

Het bepaalt eveneens dat de melder kan vragen om schriftelijk uitleg te verstrekken binnen een termijn van 15 dagen die begint te lopen op de datum dat hij de uitnodiging voor het onderhoud ontvangt.

Dit artikels is niet van toepassing bij anonieme meldingen. ? Art. 12: de voor de ontvangst van de meldingen bevoegde interne actor die de melding in het bovengenoemde register heeft ingeschreven, geeft de melding vervolgens door aan een van de actoren bevoegd voor de verwerking van de melding.

In het artikel staat welke actoren bevoegd zijn voor het verwerken van de meldingen.

Het bepaalt eveneens dat er samenwerkingsprotocollen tussen verschillende instanties kunnen worden gesloten voor de verwerking van de meldingen. ? Art. 13: De actor die bevoegd is voor de verwerking van de melding voert een voorafgaand ontvankelijkheidsonderzoek uit en stelt uiterlijk binnen een termijn van drie maanden volgend op de ontvangstbevestiging een schriftelijk en gemotiveerd advies op over het gevolg dat moet worden gegeven aan de melding.

Aan de melding kan een van onderstaande gevolgen worden gegeven: 1° onontvankelijk verklaren: bij gebrek aan voldoende elementen om te spreken van een redelijk vermoeden van een integriteitsschending;2° de opening van een intern onderzoek;3° doorverwijzen naar de bevoegde dienst van de Brusselse ombudsman bij een vermoeden van een integriteitsschending die: a) onderzoeksmiddelen vereist die verder gaan dan die welke kunnen worden ingezet in het kader van een intern onderzoek;b) niet het voorwerp kan uitmaken van een intern onderzoek gezien het risico op belangenconflicten voor de door de bevoegde interne auditdienst gemachtigde onderzoekers of op inmenging van het personeelslid of de personeelsleden die bij de gemelde feiten betrokken zijn. ? Art. 14: dit artikel bepaalt dat het advies waarvan sprake in artikel 13 binnen de drie maanden na de ontvangstbevestiging meegedeeld wordt aan de melder.

De hoogste hiërarchisch verantwoordelijke van de betrokken instantie wordt binnen dezelfde termijn in kennis gesteld van de melding, behalve als er een redelijk vermoeden bestaat dat hij of zij betrokken is bij melding. In dit geval wordt ofwel de bevoegde minister of staatssecretaris ofwel het bevoegde beheersorgaan in kennis gesteld.

In geen van deze gevallen mag er enige informatie worden verstrekt die toelaat de melder rechtstreeks of onrechtstreeks de identificeren.

Daarnaast wordt ook de bevoegde dienst van de Brusselse ombudsman op de hoogte gebracht van de melding en het gevolg dat eraan gegeven wordt, wordt ingeschreven in het voormeld register. ? Art. 15: dit artikel bepaalt dat de melder te allen tijde contact kan opnemen met de bevoegde dienst van de Brusselse ombudsman als hij/zij van mening is dat de verwerking van deze melding kan worden bemoeilijkt door een gebrek aan vertrouwelijkheid of garanties van onafhankelijkheid. ? Art. 16: dit artikel bepaalt dat de verantwoordelijke van de bevoegde interne auditdienst een schriftelijke onderzoeksopdracht opstelt betreffende de integriteitsschending.

Deze bepaalt welke elementen minimaal in de onderzoeksopdracht moeten worden opgenomen.

Het onderzoek wordt binnen een termijn van drie maanden afgesloten.

Mits motivering in het onderzoeksrapport kan deze periode met nog eens maximaal negen maanden worden verlengd. ? Art. 17: dit artikel bepaalt dat het personeelslid of gewezen personeelslid dat het voorwerp uitmaakt van het onderzoek, schriftelijk op de hoogte wordt gebracht van het onderzoek door de bevoegde interne auditdienst.

Het bepaalt de minimale elementen die de kennisgeving moet bevatten. ? Art. 18: dit artikel bepaalt dat de onderzoekers gemachtigd door de bevoegde interne auditdienst elke persoon die zij geschikt achten kunnen uitnodigen om een individuele verklaring af te leggen. De personeelsleden van de in artikel 3 van het besluit bedoelde instanties moeten positief reageren op deze uitnodiging.

Hoewel het niet uitdrukkelijk vermeld wordt in de tekst, merken we op dat het recht om zichzelf niet te beschuldigen (dat gewaarborgd wordt door artikel 6 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden) natuurlijk van toepassing is.

Dit artikel legt de onderzoekers een aantal verplichtingen op met betrekking tot de behandelingswijzen van elke individuele aangifte die tijdens het interne onderzoek wordt verzameld, met name wat betreft de vrijheid van aangifte, objectiviteit en transparantie met betrekking tot de bevindingen van het onderzoek over de persoon die de verklaring heeft afgelegd.

Voor elke individuele aangifte wordt een schriftelijk verslag opgesteld, ondertekend en gedateerd door alle aanwezigen na de individuele aangifte. Als een uitgenodigde persoon of, indien van toepassing, zijn raadsman echter weigert te tekenen, dan wordt deze weigering in de schriftelijke notulen opgenomen. ? Art. 19: dit artikel bepaalt dat de melder op elk moment tijdens het onderzoek, op eigen initiatief of op verzoek, uitleg kan verschaffen over de gemelde vermoedelijke integriteitsschending. ? Art. 20: om het onderzoek af te sluiten, moeten de onderzoekers die zijn gemachtigd door de bevoegde interne auditafdeling een verslag opstellen met hun bevindingen, hun beoordelingen en de maatregelen die zij aanbevelen om de vermoedelijke integriteitsschending aan te pakken.

Indien de bevoegde auditdienst meent dat het verslag van het onderzoek, bedoeld in § 1, voldoende elementen bevat om te besluiten dat de vermoedelijke integriteitsschending zich niet heeft voorgedaan, dan sluit de dienst het onderzoek af.

De bevoegde interne auditafdeling stuurt het schriftelijk rapport van het onderzoek door, zodat passende actie kan worden ondernomen: 1° naar de hoogste leidinggevende van één van de in artikel 3 bedoelde instanties waar de vermoedelijke integriteitsschending werd gemeld, of, indien er een redelijk vermoeden bestond dat de hoogste leidinggevende betrokken was bij de vermoedelijke integriteitsschending of wanneer de hoogste leidinggevende betrokken is bij de integriteitsschending, aan de bevoegde minister of staatssecretaris of het bevoegde bestuursorgaan;2° naar het Auditcomité;3° naar de bevoegde dienst van de Brusselse ombudsman. De bevoegde interne auditdienst stelt de melder en de personen die bij het onderzoek betrokken zijn, schriftelijk op de hoogte van het resultaat van het onderzoek.

Het artikel stelt dat in het geval van kennisneming van een misdrijf of delict artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering van toepassing is en de bevoegde interne auditdienst de procureur des Konings informeert.

Deze brengt ook schriftelijk de bevoegde dienst van de Brusselse ombudsman op de hoogte. ? Art. 21: dit artikel bepaalt dat elke betrokken instantie per taalrol een of meer vertrouwenspersonen integriteit moet hebben die meldingen kan/kunnen ontvangen.

Het bepaalt ook dat de in artikel 3 van het ontwerpbesluit bedoelde instanties gemeenschappelijke vertrouwenspersonen integriteit kunnen aanstellen en dat voor elke taalrol een wettelijk tweetalige kan worden aangesteld.

De vertrouwenspersoon integriteit wordt bij voorkeur aangesteld na een interne oproep tot kandidaatstelling. Het is pas indien na deze interne oproep geen enkele vertrouwenspersoon integriteit is aangesteld dat er een beroep gedaan zal worden op een vergelijkende selectie, die georganiseerd wordt in het kader van een aanwerving en in overeenstemming met de eigen statuten van elke betrokken instantie.

Het beschrijft de verschillende garanties en maatregelen die moeten worden ingevoerd om ervoor te zorgen dat de vertrouwenspersoon integriteit zijn taken onafhankelijk en efficiënt uitvoert.

Ten slotte bepaalt dit artikel de minimuminhoud van de basisopleiding voor vertrouwenspersonen integriteit, die minstens een module met betrekking tot het wettelijk kader betreffende de rol van de vertrouwenspersoon integriteit en zijn status bevat, alsook een module met betrekking tot de gesprekstechnieken.

Deze opleiding maakt het voorwerp uit van een voorafgaand overleg tussen de bevoegde interne auditdienst en de bevoegde dienst van de Brusselse ombudsman. ? Art. 22: dit artikel legt de voorwaarden voor de aanstelling van de vertrouwenspersoon integriteit vast (bijvoorbeeld: onverenigbaarheid, diploma, opleiding).

Als de basisopleiding niet binnen het jaar na zijn aanstelling gevolgd is, wordt de aanstelling van de vertrouwenspersoon integriteit van rechtswege beëindigd.

Daarnaast kan deze aanstelling ook in onderling overleg beëindigd worden, mits een overgangsperiode van zes maanden (die ingekort kan worden). ? Art. 23: dit artikel bepaalt dat de instantie die de melding ontvangt verantwoordelijk is voor de verwerking van de persoonsgegevens. ? Art. 24: openbaarmakingen op grond van de voornoemde afwijking zijn onderworpen aan passende waarborgen op grond van de toepasselijke regels van de Europese Unie en de Belgische toepasselijke regels. In het bijzonder worden de personen die de melding hebben gedaan op de hoogte gebracht voordat hun identiteit wordt bekendgemaakt, tenzij die informatie het onderzoek of de betrokken gerechtelijke procedures in gevaar kan brengen.

De bevoegde interne auditdienst die informatie ontvangt over integriteitsschendingen die verband houden met bedrijfsgeheimen, mag deze bedrijfsgeheimen niet gebruiken of openbaar maken voor andere doeleinden dan die welke noodzakelijk zijn om een passende opvolging te garanderen.

Eenieder die niet bevoegd is om kennis te nemen van een melding of van de daarin vervatte informatie en die niettemin een dergelijke melding ontvangt, is onderworpen aan de passende vrijwaringsmaatregelen krachtens de toepasselijke voorschriften van de Europese Unie en de Belgische toepasselijke regels. Deze persoon doet ook alle redelijke inspanningen om de melding in haar oorspronkelijke vorm door te geven aan het bevoegde interne of externe meldingskanaal. ? Art. 25: de verwerking van gegevens naar aanleiding van een melding heeft tot doel meldingen van integriteitsinbreuken te ontvangen en op te volgen om de juistheid van de beweringen in de melding of openbaarmaking te verifiëren en, indien nodig, de gemelde integriteitsinbreuk aan te pakken, onder meer door maatregelen zoals een intern vooronderzoek, een onderzoek, vervolging, een invorderingsprocedure van gelden of de beëindiging van de procedure. ? Art. 26: dit artikel bepaalt dat informatie met betrekking tot de inhoud en toepassing van dit besluit permanent beschikbaar moet zijn op een zichtbare en toegankelijke plaats. ? Art. 27 et 28: deze artikels bepalen de datum van inwerkingtreding van dit besluit en belast de verschillende ministers van de Regering met de uitvoering ervan.

III. Verloop van de behandeling van een melding - samenvatting Om elk personeelslid te laten beschikken over duidelijke informatie, kan de behandeling van een melding als volgt worden samengevat: Wat kan er gemeld worden? Elke vermoedelijke integriteitsschending: - die reeds heeft plaatsgevonden, die bezig is of op het punt staat plaats te vinden binnen een instantie bedoeld in het besluit, en; - die gebaseerd is op een redelijk vermoeden.

Aan wie kan er gemeld worden? Aan de vertrouwenspersoon integriteit aangesteld voor de instantie waartoe het personeelslid behoort of aan de voor deze instantie bevoegde interne auditdienst.

In onderschikte orde kan het personeelslid, als er gegronde vrees bestaat dat er geen nuttig gevolg gegeven zal worden aan de melding of dat hij of zij omwille van deze melding represailles riskeert, zich rechtstreeks richten tot de bevoegde dienst van de Brusselse ombudsman.

Hoe kan de melding gebeuren? Schriftelijk of mondeling, al dan niet anoniem.

Er worden beveiligde kanalen opgezet om deze meldingen mogelijk te maken.

Bovendien kan er op verzoek van de melder binnen de 15 dagen een ontmoeting georganiseerd worden zodat hij aanvullende informatie kan verstrekken.

Behandeling van de melding Binnen de zeven dagen na de schriftelijke melding of het bewijs van de mondelinge melding wordt een ontvangstbewijs overhandigd. Als de interne actor die bevoegd is voor de ontvangst van de meldingen het nodig acht, kan hij de melder ten laatste de vijftiende dag volgend op dit ontvangstbewijs uitnodigen voor een onderhoud om bijkomende informatie te verstrekken.

Deze laatste kan binnen dezelfde termijn vragen om deze informatie schriftelijk over te maken.

Van zodra deze stappen zijn uitgevoerd, wordt de melding overgemaakt aan de actor bevoegd voor de verwerking van de meldingen, die een voorafgaand ontvankelijkheidsonderzoek uitvoert dat ten laatste binnen de drie maanden na de ontvangstbevestiging van de melding moet afgesloten worden.

Als hij besluit een intern onderzoek te openen, moet dit binnen de drie maanden na de voorafgaande beslissing betreffende de ontvankelijkheid worden afgesloten. Deze termijn kan met maximaal 9 maanden worden vermeld omwille van naar behoren gemotiveerde redenen.

Om het onderzoek af te sluiten stellen de onderzoekers die zijn gemachtigd door de bevoegde interne auditafdeling een verslag op met hun bevindingen, hun beoordelingen om de feiten te bepalen en/of bewijselementen aan te voeren en de maatregelen die zij aanbevelen om de vermoedelijke schending van de integriteit aan te pakken.

S. GATZ _______ Nota (1) Artikel 15, § 2, van het gezamenlijk decreet en ordonnantie van 19 mei 2019 betreffende de Brusselse ombudsman. RAAD VAN STATE afdeling Wetgeving Advies 74.778/4 van 27 november 2023 over een ontwerp van besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering `tot uitvoering van artikel 15, § 2 van de gezamenlijke decreten en ordonnanties van 16 mei 2019 betreffende de Brusselse ombudsman, gewijzigd door het gezamenlijk decreet en ordonnantie van 27 april 2023 van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de Franse Gemeenschapscommissie' Op 27 oktober 2023 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Financiën, Begroting, Openbaar Ambt, de Promotie van Meertaligheid en van het Imago van Brussel verzocht binnen een termijn van dertig dagen een advies te verstrekken over een ontwerp van besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering `tot uitvoering van artikel 15, § 2 van de gezamenlijke decreten en ordonnanties van 16 mei 2019 betreffende de Brusselse ombudsman, gewijzigd door het gezamenlijk decreet en ordonnantie van 27 april 2023 van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de Franse Gemeenschapscommissie'.

Het ontwerp is door de vierde kamer onderzocht op 27 november 2023 .

De kamer was samengesteld uit Bernard Blero, kamervoorzitter, Géraldine Rosoux en Dimitri Yernault, staatsraden, Sébastien Van Drooghenbroeck en Marianne Dony, assessoren, en Anne-Catherine Van Geersdaele, griffier.

Het verslag is uitgebracht door Stéphane Tellier, eerste auditeur.

De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Bernard Blero .

Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 27 november 2023 .

Aangezien de adviesaanvraag is ingediend op basis van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten `op de Raad van State', gecoördineerd op 12 januari 1973, beperkt de afdeling Wetgeving overeenkomstig artikel 84, § 3, van de voornoemde gecoördineerde wetten haar onderzoek tot de rechtsgrond van het ontwerp, de bevoegdheid van de steller van de handeling en de te vervullen voorafgaande vormvereisten.

Wat die drie punten betreft, geeft het ontwerp aanleiding tot de volgende opmerkingen.

Voorafgaande vormvereisten In het vijftiende tot het zesentwintigste lid van de aanhef wordt melding gemaakt van "het ontbreken van een advies" van verschillende Brusselse diensten en instellingen van openbaar nut.

In zoverre de niet-verkregen adviezen verplichte voorafgaande vormvereisten vormen, staat het aan de steller van het ontwerp die adviezen in te winnen of aan te tonen op grond van welke bepaling hij kan voorbijgaan aan het feit dat geen advies is meegedeeld.

Voorts wijst de afdeling Wetgeving erop dat niet-verplichte vormvereisten niet in een aanhefverwijzing worden vermeld, maar wel in de vorm van een overweging kunnen worden vermeld.

De aanhef moet dienovereenkomstig worden herzien.

Voorafgaande opmerkingen 1. Het voorliggende ontwerp strekt tot gedeeltelijke omzetting van richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 `inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden'. Om te kunnen nagaan of een richtlijn juist en volledig is omgezet, dient een tabel te worden opgesteld die de overeenstemming tussen de artikelen van de richtlijn en de artikelen van de omzettingstekst in twee richtingen weergeeft. Die tabel dient ook het volgende te vermelden: - de artikelen van de richtlijn die eventueel al zijn omgezet, en de overeenstemmende internrechtelijke teksten en artikelen waarbij die artikelen zijn omgezet; - de artikelen van de richtlijn die nog moeten worden omgezet, hetzij door een andere regelgevende tekst van de overheid, hetzij door een andere overheid.

Om de doeltreffendheid van die controle te waarborgen, is het van belang dat die tabellen - die in alle opzichten juist moeten zijn - bij de aan de Raad van State gerichte adviesaanvraag worden gevoegd.

In casu had men er goed aan gedaan bij de adviesaanvraag correcte en volledige omzettingstabellen te voegen die in beide richtingen waren opgemaakt, zowel in het Nederlands als in het Frans.

Men moet erop toezien dat in het vervolg aan die vereisten wordt voldaan zodra de afdeling Wetgeving wordt geadieerd. 2. Doordat de omzettingstabellen onvolledig zijn, zoals uit algemene opmerking 1 naar voren komt, kan de afdeling Wetgeving niet garanderen dat de tot stand gebrachte omzetting doelmatig is onderzocht.Uit het feit dat dit advies over bepaalde punten geen opmerkingen maakt, kan dan ook niets worden afgeleid. 3. Zoals zal blijken uit het hiernavolgende onderzoek van het ontwerp, zet de steller van het ontwerp richtlijn (EU) 2019/1937 niet systematisch om.Aangezien het ontwerp een beschermingsregeling invoert die essentieel is voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de richtlijn, is het raadzaam een verslag aan de Regering op te stellen waarin, onder meer aan de hand van voorbeelden, de strekking en de samenhang van de regels die het voorliggende ontwerp invoert, uitdrukkelijk worden geformuleerd. Op die manier zullen degenen die het nodig achten om een melding te doen, over duidelijke informatie beschikken over hoe ze te werk moeten gaan en hoe ze zullen worden beschermd.

Dat verslag aan de Regering moet samen met het besluit in het Belgisch Staatsblad worden bekendgemaakt. Ook dit advies moet daarbij worden gevoegd.

Algemene opmerkingen 1. Met betrekking tot de overgezonden omzettingstabellen merkt de afdeling Wetgeving, zonder exhaustief te zijn, het volgende op: De concordantietabellen moeten worden aangevuld zodat ze aangeven: - dat artikel 5 van het ontwerp artikel 20, lid 1, van richtlijn (EU) 2019/1937 omzet; - dat artikel 6 van het ontwerp artikel 9, lid 1, a), van richtlijn (EU) 2019/1937 omzet doordat het ervoor zorgt dat de identiteit van de persoon die de melding doet en van de in het meldingsrapport vermelde derden vertrouwelijk blijft; - dat artikel 7 van het ontwerp artikel 19 van richtlijn (EU) 2019/1937 omzet; - dat artikel 13 van het ontwerp ook artikel 9, lid 1, f), van richtlijn (EU) 2019/1937 omzet; - dat artikel 24 van het ontwerp artikel 16 van richtlijn (EU) 2019/1937 omzet.

Voorts moeten die omzettingstabellen worden aangepast, gelet op de hiernavolgende bijzondere opmerkingen waaruit blijkt dat er bepalingen van het voorliggende besluit moeten worden weggelaten, aangezien ze bepalingen van richtlijn (EU) 2019/1937 omzetten die reeds adequaat zijn omgezet in het gezamenlijk decreet en ordonnantie van 16 mei 2019 `met betrekking tot de Brusselse ombudsman' (hierna: het "gezamenlijk decreet en ordonnantie"). 2. Het voorliggende ontwerp voorziet in de verwerking van persoonsgegevens. Aangezien artikel 15, § 2, tweede lid, van het gezamenlijk decreet en ordonnantie de Brusselse Hoofdstedelijke Regering ertoe machtigt om, van haar kant, "inzonderheid de modaliteiten [te bepalen] voor de mededeling, de behandeling en het onderzoek na een interne melding, alsook de modaliteiten betreffende de verantwoordelijkheden, de bevoegdheden, de rollen, de functies en de selectie van de interne component van het systeem voor het melden van veronderstelde integriteitsschendingen", lijkt het een redelijke aanname dat de wetgever de verwerking van persoonsgegevens betreffende die interne meldingen heeft toegestaan.

Dat neemt niet weg dat het op grond van het recht op eerbiediging van het privéleven verplicht is in het ontwerp de essentiële elementen van die verwerkingen van persoonsgegevens te vermelden, aangezien die elementen niet reeds in een wetgevende tekst worden bepaald. Zoals de afdeling Wetgeving in haar advies 68.936/AV heeft opgemerkt, zijn de essentiële elementen van de verwerking van persoonsgegevens: "1° ) de categorie van verwerkte gegevens; 2° ) de categorie van betrokken personen; 3° ) de met de verwerking nagestreefde doelstelling; 4° ) de categorie van personen die toegang hebben tot de verwerkte gegevens; en 5° ) de maximumtermijn voor het bewaren van de gegevens".(1) Naar aanleiding van de vraag in welke bepaling van het ontwerp elk van de aldus onderscheiden essentiële elementen wordt vermeld, heeft de gemachtigde van de minister verwezen naar de volgende bepalingen: "- Finalité : Article 25, § 1er ; - Catégories de données : Article 23, § 1er et § 2 ; - catégories de personnes concernées : Article 23, § 2 ; - Catégories de personnes ayant accès aux données traitées : Article 23, § 1er et § 2 ; - Conservation : Article 26, § 4".

Uit de hiernavolgende bijzondere opmerkingen vloeit evenwel voort dat de artikelen 23, § 2, en 26, § 4, van het ontwerp moeten worden weggelaten, aangezien hun inhoud al is vervat in bepalingen van het gezamenlijk decreet en ordonnantie. Ze horen niet te worden herhaald in het voorliggende ontwerp.

Bijzondere opmerkingen Opschrift De woorden "gewijzigd door het gezamenlijk decreet en ordonnantie van 27 april 2023 van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de Franse Gemeenschapscommissie" moeten worden weggelaten.

Aanhef 1. Gelet op de opmerking over artikel 1, moet het eerste lid worden weggelaten.2. Het tweede lid moet worden weggelaten, aangezien de daar vermelde wetgevende teksten het voorliggende ontwerp geen rechtsgrond verlenen.3. In het derde lid moet nader worden bepaald dat het ontworpen besluit zijn rechtsgrond ontleent aan artikel 15, § 2, tweede lid, van het gezamenlijk decreet en ordonnantie, vervangen bij het gezamenlijk decreet en ordonnantie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de Franse Gemeenschapscommissie van 27 april 2023.4. De gemachtigde van de minister is het ermee eens dat het vijfde lid moet worden weggelaten.5. Het zesde lid moet worden weggelaten, aangezien het daarin vermelde besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering niet wordt gewijzigd of opgeheven bij het voorliggende ontwerp. Dispositief Artikel 1 Artikel 1 moet worden aangevuld met de vermelding dat het ontworpen besluit strekt tot gedeeltelijke omzetting van richtlijn (EU) 2019/1937.

Artikel 2 Artikel 15, § 1, eerste tot derde lid, van het gezamenlijk decreet en ordonnantie bepaalt het volgende: "Wanneer een personeelslid van een instelling bedoeld in artikel 2, 1°, een integriteitsschending vermoedt en dat wenst te melden, geniet hij een beschermings- en onderzoeksregeling die uit een interne en een externe component bestaat.

Onder `personeelslid' worden volgende personen begrepen: 1° werknemers en personen die, anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst, arbeid verrichten onder het gezag van een ander persoon, met inbegrip van de vakbondafgevaardigden;2° iedere persoon die werkt onder toezicht en leiding van aannemers, onderaannemers en leveranciers voor een instelling bedoeld in artikel 2, 1°, met inbegrip van de vakbondafgevaardigden;3° auteurs van een melding, wanneer zij een integriteitsschending vermoeden via informatie verkregen binnen een inmiddels beëindigde werkrelatie of tijdens de aanwervingsprocedure of andere precontractuele onderhandelingen. Worden gelijkgesteld met personeelsleden bedoeld in het vorige lid: 1° zelfstandigen en 2° aandeelhouders en personen die behoren tot het bestuurlijk, leidinggevend of toezichthoudend orgaan van een instelling bedoeld in artikel 2, 1°, met inbegrip van niet bij het dagelijks bestuur betrokken leden, alsook vrijwilligers en bezoldigde of onbezoldigde stagiairs." Op de vraag naar de bestaansreden van artikel 2, gelet op wat reeds in artikel 15, § 1, eerste tot derde lid, van het gezamenlijk decreet en ordonnantie wordt bepaald, heeft de gemachtigde van de minister het volgende geantwoord: "La définition de membre du personnel prévue dans le projet d'AGRBC est plus large que le champ d'application du DOC, dès lors que le choix a été fait de viser le plus de monde possible (par exemple les personnes dont l'exercice d'une activité professionnelle dépendent d'une autorisation de l'autorité visée par le projet d'AGRBC), et ce afin d'offrir la plus grande protection possible dans le cadre du mécanisme des lanceurs d'alerte." Termen die reeds worden gedefinieerd in het gezamenlijk decreet en ordonnantie waaraan het ontworpen besluit uitvoering geeft, horen niet te worden gedefinieerd, noch, a fortiori, een andere definitie te krijgen dan die welke in de wetgevende norm vervat is.(2)(3) Die werkwijze is in strijd met de rechtszekerheid en schendt het beginsel van de hiërarchie der normen.

Paragraaf 2 moet bijgevolg worden weggelaten.

Artikel 3 1. Artikel 5 van richtlijn (EU) 2019/1937 bevat een reeks definities waarvan er een aantal worden overgenomen in artikel 3. De correcte omzetting van een richtlijn impliceert dat wanneer begrippen die in de richtlijn zijn gedefinieerd, in de tekst tot omzetting van die richtlijn worden gebruikt of moeten worden gebruikt, de omzettingstekst die begrippen definieert en vervolgens ook gebruikt. In die zin moeten de begrippen "opvolging" en "feedback", gedefinieerd in artikel 5, 12) en 13), van richtlijn (EU) 2019/1937 en gebruikt in het ontwerp, in dat ontwerp worden gedefinieerd.

De steller van het ontwerp moet voorts nagaan of hij, zonder definities te herhalen die reeds in de artikelen 15, § 1, en 15/1 van het gezamenlijk decreet en ordonnantie vervat zijn, alle definities in aanmerking heeft genomen die nodig zijn om richtlijn (EU) 2019/1937 correct om te zetten. 2. In punt 5° moet meer bepaald worden verwezen naar de definitie vervat in artikel 15, § 1, vierde lid, van het gezamenlijk decreet en ordonnantie.3. Gelet op het begrip dat in punt 5° wordt gebruikt, moet het woord "integriteitsschendingen" in punt 6° worden vervangen door de woorden "vermoedelijke integriteitsschendingen".4. Gelet op de definitie in punt 1°, hoort in punt 8° geen melding meer te worden gemaakt van het volledige opschrift van het gezamenlijk decreet en ordonnantie.5. In punt 11° dient het begrip "Auditcomité" te worden gedefinieerd door te verwijzen naar het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 29 september 2022 `tot organisatie van de interne audit in de diensten van de Regering en de autonome bestuursinstellingen van eerste categorie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest', waarvan de artikelen 12 en volgende betrekking hebben op het Auditcomité. Artikel 4 In punt 1° moeten de woorden "van dit besluit" worden weggelaten.(4) Deze opmerking geldt voor het vervolg van het ontwerp.

Artikel 7 Wat paragraaf 3 betreft, vraagt de afdeling Wetgeving zich af hoe de ingevoerde regeling van bescherming tegen vergeldingsmaatregelen zich verhoudt tot de regeling die in artikel 15/1 van het gezamenlijk decreet en ordonnantie vervat is. Indien het enkel de bedoeling is de bij die bepaling ingevoerde regeling gedeeltelijk over te nemen, is de ontworpen bepaling nutteloos. Indien die paragraaf de regeling die bij de wetgevende norm wordt ingevoerd, wil uitbreiden, schendt hij het beginsel van de hiërarchie der normen. Paragraaf 3 moet bijgevolg worden weggelaten.

Artikel 8 1. In de Franse tekst van paragraaf 1, derde lid, dienen de woorden "ce dernier" te worden vervangen door de woorden "le signalement".2. Het zevende tot het negende lid van paragraaf 1 lijken artikel 18, lid 4, van richtlijn (EU) 2019/1937 om te zetten.Die omzetting is echter reeds verricht door artikel 15/3, § 4, van het gezamenlijk decreet en ordonnantie, dat op de interne meldingen van toepassing is.

Naar aanleiding van een vraag daarover heeft de gemachtigde van de minister het volgende gesteld: "Cette disposition, bien qu'effectivement déjà transposée par le DOC, a été insérée afin de pouvoir, pour les membres du personnel souhaitant utiliser le canal interne et pour les personnes habilitées à recevoir/traiter des signalements via le canal interne, disposer de l'ensemble des informations et instructions nécessaires, et ce sans devoir jongler entre différents textes juridiques." Dat antwoord kan niet rechtvaardigen dat een bepaling van de richtlijn die reeds bij een gezamenlijk decreet en ordonnantie is omgezet, opnieuw wordt omgezet bij een besluit.

Bijgevolg dient paragraaf 1, zevende tot negende lid, te worden weggelaten.

Dezelfde opmerking geldt voor artikel 23, §§ 2 en 3, van het ontwerp, waarin artikel 16, lid 1, van richtlijn (EU) 2019/1937 wordt omgezet, een bepaling die reeds is omgezet bij artikel 15, § 5, van het gezamenlijk decreet en ordonnantie. 3. Artikel 9, lid 1, a), van richtlijn (EU) 2019/1937 lijkt te worden omgezet door zowel artikel 6 als artikel 8, § 3, eerste lid, van het ontwerp. Artikel 9, lid 1, a), van de richtlijn mag door slechts een enkele bepaling worden omgezet, die dan ook de inhoud moet weergeven van artikel 8, § 3, tweede lid, van het ontwerp, waarin de anonimiteit van de melder wordt gewaarborgd.

Artikel 10 1. Artikel 9, lid 1, b), van richtlijn (EU) 2019/1937, dat betrekking heeft op de procedure voor interne meldingen, bevat geen aanwijzing dat men zou kunnen afwijken van de verplichting om na een melding een bevestiging van ontvangst over te leggen.Op een vraag daarover heeft de gemachtigde van de minister het volgende geantwoord: "Bien que ce soit pour le canal externe, la directive UE2019/1937 prévoit une dérogation à cette obligation d'accuser réception (article 11, § 2, b). Le même principe a été repris dans le cadre de notre composante interne, sachant que les possibilités de ne pas accuser réception sont limitativement énumérées et qu'une obligation de motivation de cette décision est prévue." Er dient evenwel te worden vastgesteld dat richtlijn (EU) 2019/1937 niet uitdrukkelijk voorziet in een dergelijke afwijking wat de interne meldingen betreft. Met het oog op een getrouwe en volledige omzetting van de richtlijn dient paragraaf 1, eerste lid, derhalve inhoudelijk te worden herzien zodat daar geen afwijkingen meer worden bepaald, en moet dientengevolge het tweede lid worden weggelaten. 2. De Nederlandse en de Franse tekst van paragraaf 2 dienen op elkaar te worden afgestemd zodat ze allebei eenzelfde termijn bepalen waarbinnen een melding dient te worden opgenomen in het register van vermoedelijke schendingen van de integriteit.3. In diezelfde paragraaf 2 is niet duidelijk waarnaar de woorden "het doorgeven van het in paragraaf 2 bedoelde meldingsverslag" verwijzen. Die formulering moet worden herzien.

Artikel 11 De gemachtigde van de minister is het ermee eens dat, indien de interne actor die bevoegd is voor de ontvangst van een melding de melder uitnodigt voor een onderhoud op de laatste dag van de termijn bedoeld in het eerste lid, er dient te worden bepaald dat die melder mag vragen dat die uitleg schriftelijk wordt verstrekt, niet binnen dezelfde termijn maar binnen een termijn van vijftien dagen die aanvangt op de datum van ontvangst van de uitnodiging voor het onderhoud.

Het derde lid moet in die zin worden herzien.

Artikel 12 In paragraaf 1 dient te worden verwezen naar "het register beoogd in artikel 10, § 2,".

Artikel 13 1. In artikel 13 dienen de woorden "De interne auditdienst die bevoegd is voor de verwerking van de melding" te worden vervangen door de woorden "De bevoegde actor voor het behandelen van de meldingen", zodat de formulering overeenstemt met de definitie in artikel 3, 13°, van het ontwerp. Datzelfde begrip "bevoegde actor voor het behandelen van de meldingen" moet ook worden gebruikt in de artikelen 14 en 15 van het ontwerp. 2. Artikel 13 bepaalt het volgende: "De interne auditdienst die bevoegd is voor de verwerking van de melding voert een voorafgaand ontvankelijkheidsonderzoek uit en stelt een schriftelijk en gemotiveerd advies op over het gevolg dat moet worden gegeven aan de melding, uiterlijk binnen de termijn van drie maanden volgend op de ontvangstbevestiging bedoeld in artikel 10, § 1, of van zes maanden in naar behoren gerechtvaardigde gevallen.(...)." Artikel 9, lid 1, f), van richtlijn (EU) 2019/1937 voorziet evenwel niet in de mogelijkheid van zo'n verlenging, en beantwoordt aldus aan de zorgvuldigheidsverplichting waarvan sprake is in artikel 11, lid 2, c), van die richtlijn.

In dat verband heeft de gemachtigde van de minister het volgende gesteld: "La règle est effectivement qu'un retour doit être effectué dans un délai de 3 mois. Cependant et d'un point de vue pratique, et suite à des discussions en groupe de travail organisées par l'administration pilote de ce dossier, il s'est avéré que, dans un certain nombre de situations, ce délai serait trop juste que pour pouvoir être garanti 100% du temps. Raison pour laquelle une dérogation - pour autant qu'elle soit dument motivée - est prévue afin de pouvoir l'allonger à 6 mois.

Cela est par ailleurs prévu dans le cadre du canal externe. Sachant qu'un même signalement peut être traité soit en interne, soit en externe, il apparait cohérent que les deux canaux puissent présenter les mêmes garanties de traitement, notamment au niveau des délais (pour le délai du canal externe, voir article 11, § 2, d) de la Directive).

Cependant, nous adapterons le texte afin de ne pas déroger à la Directive et au DOC 2019." De gemachtigde van de minister stemt ermee in de bepaling dienovereenkomstig aan te passen.

Artikel 14 1. In paragraaf 1 dient men te schrijven "het schriftelijke en gemotiveerde advies beoogd in artikel 13".2. In artikel 7, § 2, van het ontwerp staat dat de melder zich rechtstreeks kan richten tot de bevoegde dienst bij de Brusselse ombudsman (externe melding), met inachtneming van de voorwaarden die daarin worden bepaald.Artikel 14, § 3, bepaalt voorts dat de bevoegde dienst bij de Brusselse ombudsman de interne melding op eigen initiatief kan behandelen. Op de vraag welke bepaling van richtlijn (EU) 2019/1937 die behandeling op eigen initiatief mogelijk zou maken terwijl de melder voor een interne melding heeft gekozen, heeft de gemachtigde van de minister het volgende geantwoord: "Ce n'est effectivement pas prévu par la Directive ni le DOC. Cette possibilité de saisine directe, proposée afin de garantir l'efficacité du traitement du signalement (en cas de craintes légitimes), peut effectivement être supprimée si nécessaire." Paragraaf 3, waarin wordt gesteld dat de Brusselse ombudsman "de melding kan behandelen", dient te worden weggelaten.

Artikel 17 1. Aangezien een gewezen personeelslid van een instantie valt onder de definitie van "personeelslid" als bedoeld in het gezamenlijk decreet en ordonnantie, dienen in het eerste lid de woorden "of gewezen personeelslid" te worden weggelaten.2. Met betrekking tot het derde lid rijzen er vragen over de samenhang tussen het ontworpen dispositief en hetgeen wordt bepaald in artikel 15, § 3, eerste lid, van het gezamenlijk decreet en ordonnantie. Artikel 18 Het spreekt vanzelf dat paragraaf 3 niet ten uitvoer kan worden gelegd wanneer het recht om zichzelf niet te beschuldigen, dat gewaarborgd is door artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, van toepassing is.(5) Artikel 21 1. In paragraaf 3, eerste lid, dient te worden geschreven: "aan de hoogste hiërarchisch geplaatste leidinggevende van de instantie bedoeld in artikel 2, § 1, waarbinnen hij of zij werkt". 2. De structuur van paragraaf 3 dient te worden herzien, teneinde te vermijden dat leden worden ingevoegd in een opsomming.(6) 3. In de Franse tekst van het laatste lid van paragraaf 3 dient men te schrijven "La formation contient (voorts zoals in het ontwerp)". Artikel 25 Artikel 25 legt aan de melder of aan de persoon op wie de melding betrekking heeft fundamentele beperkingen op van het recht op toegang tot de eigen gegevens. Gevraagd naar de wettelijke grondslag die de regering ertoe machtigt in dergelijke beperkingen te voorzien, heeft de gemachtigde van de minister het volgende geantwoord: "Bases légales : - Article 15, § 3, alinéa 1, du DOC 2019; - Article 38, § 2 de la loi du 30 juillet 2018 relative à la protection des personnes physiques à l'égard des traitements de données à caractère personnel." Hoewel artikel 15, § 3, van het gezamenlijk decreet en ordonnantie voorziet in beperkingen van het toegangsrecht, verleent het de Brusselse Hoofdstedelijke Regering geen machtiging om dergelijke beperkingen op te leggen.

Artikel 38, § 2, van de wet van 30 juli 2018Relevante gevonden documenten type wet prom. 30/07/2018 pub. 05/09/2018 numac 2018040581 bron federale overheidsdienst justitie, federale overheidsdienst binnenlandse zaken en ministerie van landsverdediging 30 JULI 2018 - Wet betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens sluiten `betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens' luidt bovendien als volgt: "De wet, het decreet of de ordonnantie kan het recht op toegang van de betrokkene geheel of gedeeltelijk beperken, voor zover en zolang die volledige of gedeeltelijke beperking in een democratische samenleving, met inachtneming van de grondrechten en legitieme belangen van de natuurlijke persoon in kwestie, een noodzakelijke en evenredige maatregel is om: 1° belemmering van strafrechtelijke of andere gereglementeerde onderzoeken, opsporingen of procedures te voorkomen;2° nadelige gevolgen voor de voorkoming, de opsporing, het onderzoek en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen te voorkomen;3° de openbare veiligheid te beschermen;4° de nationale veiligheid te beschermen; 5° de rechten en vrijheden van anderen te beschermen." Uit die bepaling, in samenhang gelezen met het recht op eerbiediging van het privéleven dat verankerd is in artikel 22 van de Grondwet, vloeit voort dat het aan de wetgever staat, en niet aan de uitvoerende macht, om te voorzien in volledige of gedeeltelijke beperkingen van het recht op toegang.

Gelet op wat voorafgaat, dienen het tweede, het derde en het vierde lid te worden weggelaten.

Artikel 26 Artikel 26 vormt een omzetting van artikel 18 van richtlijn (EU) 2019/1937. Die laatste bepaling is evenwel al omgezet bij artikel 15/3 van het gezamenlijk decreet en ordonnantie. Op een vraag over die dubbele omzetting heeft de gemachtigde van de minister het volgende geantwoord: "Si une partie de cet article est effectivement identique à ce qui est prévu par l'article 15/3 du DOC, le projet d'AGRBC prévoit en plus certains délais de conservation en ce qui concerne les documents pertinents relatifs à une enquête ( § 4, al. 1).

Pour les données à caractère personnelles contenues dans ces documents, ça ne peut excéder 2 ans après la fin de l'enquête ( § 4, al. 2).

Sauf erreur, l'Ordonnance relative aux archives de la Région de Bruxelles-Capitale du 19 mars 2009 fonde la compétence du Gouvernement à légiférer sur ses propres archives." Artikel 18 van richtlijn (EU) 2019/1937 wordt reeds genoegzaam omgezet bij artikel 15/3 van het gezamenlijk decreet en ordonnantie, zodat de Brusselse Hoofdstedelijke Regering dit niet meer hoeft te doen.

Bovendien is de regering niet bevoegd om bewaringstermijnen van gegevens in te voeren die afwijken van hetgeen reeds in aangenomen wetgevende bepalingen is vastgelegd.

De ordonnantie van 19 maart 2009 `betreffende de archieven van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest', ten slotte, bevat geen bepaling die de regering ertoe machtigt de specifieke archivering van gegevens met betrekking tot interne meldingen te regelen, terwijl de Brusselse wetgever, via de goedkeuring van artikel 15/3 van het gezamenlijk decreet en ordonnantie, op dat vlak wetgevend is opgetreden.

Artikel 26 dient bijgevolg te worden weggelaten.

Artikelen 28 en 29 De artikelen 28 en 29 moeten onderling van plaats worden verwisseld.

De griffier, De voorzitter, Anne-Catherine VAN GEERSDAELE Bernard BLERO _______ Nota's (1) Advies 68.936/AV van 7 april 2021 over een voorontwerp dat heeft geleid tot de wet van 14 augustus 2021Relevante gevonden documenten type wet prom. 14/08/2021 pub. 20/08/2021 numac 2021021663 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tijdens een epidemische noodsituatie sluiten `betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tijdens een epidemische noodsituatie', Parl.St.

Kamer 2020-21, nr. 55-1951/001, 119, opmerking 101. Zie ook GwH 10 maart 2022, nr. 33/2022, B.13.1; GwH 22 september 2022, nr. 110/2022, B.11.2; GwH 1 juni 2023, nr. 84/2023, B.16.9. (2) Zie in die zin advies 74.062/4-2V van 13 september 2023 over een ontwerp van besluit van de Waalse Regering `relatif à l'octroi de subventions à l'audit ou à l'étude dans le secteur non résidentiel, pour l'amélioration de l'efficacité énergétique et la promotion d'une utilisation plus rationnelle et plus durable de l'énergie'; advies 74.505/4 van 18 oktober 2023 over een ontwerp van besluit van de Waalse Regering `relatif à la circulation routière des véhicules exceptionnels et fixant les modalités et conditions de délivrance d'autorisation pour le transport exceptionnel'. (3) Beginselen van de wetgevingstechniek - Handleiding voor het opstellen van wetgevende en reglementaire teksten, www.raadvst-consetat.be, tab "Wetgevingstechniek", aanbeveling 96. (4) Ibidem, aanbeveling 72. (5) Zie in die zin advies 70.259/4 van 3 november 2021 over een voorontwerp dat heeft geleid tot het decreet van het Waalse Gewest van 3 februari 2022 `tot wijziging van het Waalse Wetboek van Sociale Actie en Gezondheid wat betreft de preventie en de bevordering van de gezondheid', Parl. St. W. Parl. 2021-22, nr. 796/1, 40-52. (6) Beginselen van de wetgevingstechniek - Handleiding voor het opstellen van wetgevende en reglementaire teksten, www.raadvst-consetat.be, tab "Wetgevingstechniek", aanbeveling 60.

^