Etaamb.openjustice.be
Besluit Van De Vlaamse Regering van 29 oktober 1999
gepubliceerd op 10 december 1999

Besluit van de Vlaamse regering houdende organisatie van de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest en de regeling van de rechtspositie van het personeel

bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
numac
1999036425
pub.
10/12/1999
prom.
29/10/1999
ELI
eli/besluit/1999/10/29/1999036425/staatsblad
staatsblad
http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

MINISTERIE VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP


29 OKTOBER 1999. - Besluit van de Vlaamse regering houdende organisatie van de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest en de regeling van de rechtspositie van het personeel


De Vlaamse regering, Gelet op de richtlijn 92/85/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschap van 19 oktober 1992 inzake de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid op het werk van werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie;

Gelet op de richtlijn 96/34/EG van de Raad van de Europese Gemeenschap van 3 juni 1996 betreffende de door de UNICE, het CEEP en het EVV gesloten raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof;

Gelet op de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut, inzonderheid op artikel 11 § 1, gewijzigd bij de wet van 22 juli 1993;

Gelet op het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen, inzonderheid op artikel 38, gewijzigd bij decreet van 20 april 1994;

Gelet op het advies van de directieraad, gegeven op 8 oktober 1998;

Gelet op het akkoord van de minister bevoegd voor pensioenen, gegeven op 18 november 1994, 29 januari 1998 en 24 augustus 1998;

Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister bevoegd voor begroting, gegeven op 12 oktober 1998;

Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister bevoegd voor ambtenarenzaken, gegeven op 12 oktober 1998;

Gelet op het protocol nr. 78 van 12 januari 1995 en nr. 87/5 van 14 maart 1996 van het gemeenschappelijk comité voor alle overheidsdiensten;

Gelet op het protocol nr 106.280 van 20 oktober 1998, het protocol nr. 126.322 van 26 april 1999 en het protocol nr. 134.340 van 31 mei 1999 van het Sectorcomité XVIII Vlaamse Gemeenschap - Vlaamse Gewest;

Gelet op de beraadslaging van de Vlaamse regering, op 20 oktober 1998 betreffende de aanvraag om advies bij de Raad van State binnen een maand;

Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven op 15 juli 1999, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw;

Na beraadslaging, Besluit : DEEL I. - TOEPASSINGSGEBIED EN ALGEMENE BEPALINGEN HOOFDSTUK 1. - Toepassingsgebied Artikel I 1. Dit besluit is van toepassing op de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest en op het personeel ervan.

Het doet geen afbreuk aan andere wettelijke, decretale of reglementaire bepalingen die op specifieke categorieën van dit personeel van toepassing zijn.

HOOFDSTUK 2. - Algemene bepalingen Art. I 2. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder : 1° instelling :de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest;2° afdeling : organisatorische eenheid binnen de instelling;3° de regeling van de rechtspositie : het geheel van bepalingen waardoor de Vlaamse regering : a) de administratieve en geldelijke rechtstoestand van de ambtenaar en de stagiair vaststelt;b) de aanwerving en de toelatingsvoorwaarden evenals de arbeidsvoorwaarden van de contractuele personeelsleden vaststelt;4° personeel : de ambtenaren, de stagiairs en de contractuele personeelsleden van de instelling;5° personeelslid : elk lid van het personeel. Bij verwijzing naar een personeelslid wordt hierna de mannelijke vorm gebruikt; 6° ambtenaar : elk personeelslid dat in vast dienstverband benoemd is;7° stagiair : elk personeelslid dat toegelaten is tot een proeftijd met het oog op een vaste benoeming;8° contractueel personeelslid : elk personeelslid dat in dienst genomen is bij arbeidsovereenkomst overeenkomstig de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten; 9° A.P.-K.B. : het koninklijk besluit van 26 september 1994 tot bepaling van de algemene principes van het administratief en geldelijk statuut van de rijksambtenaren die van toepassing zijn op het personeel van de diensten van de Gemeenschaps- en de Gewestregeringen en van de Colleges van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en van de Franse Gemeenschapscommissie alsook op de publiekrechtelijke rechtspersonen die ervan afhangen; 10° de leidend ambtenaar : de administrateur-generaal;11° de adjunct-leidend ambtenaar : de adjunct-administrateur-generaal;12° afdelingshoofd : elke ambtenaar die belast is met de leiding van een afdeling;13° individueel personeelsbeheer : de toepassing van het beleid en van de bepalingen inzake ambtenarenzaken op het individuele personeelslid;14° de minister : het lid van de Vlaamse regering dat overeenkomstig de bevoegdheidsverdeling binnen deze regering belast is met het beheer van de instelling;15° Vlaams minister bevoegd voor ambtenarenzaken : het lid van de Vlaamse regering dat bevoegd is voor ambtenarenzaken;16° raadgever : een ambtenaar, in actieve dienst of gepensioneerd, een advocaat of een afgevaardigde van een erkende vakorganisatie. Art. I 3. § 1. Alle bij dit besluit toegewezen bevoegdheden worden eveneens uitgeoefend door de ambtenaar die met de waarneming van het ambt van de titularis is belast.

Bij tijdelijke afwezigheid of verhindering worden de toegewezen bevoegdheden uitgeoefend door de ambtenaar die de titularis vervangt overeenkomstig Deel II, Titel 4 van dit besluit. § 2. Behoudens andersluidende bepaling kan de leidend ambtenaar de bevoegdheden die hem bij dit besluit worden toegewezen, op algemene wijze delegeren aan de adjunct-leidend ambtenaar en aan de afdelingshoofden. De adjunct-leidend ambtenaar en de afdelingshoofden kunnen op hun beurt de hen gedelegeerde of de hen in dit besluit toegewezen bevoegdheden delegeren aan de onder hun gezag staande ambtenaren van niveau A. § 3. De delegaties vermeld in § 2 dienen bekendgemaakt te worden aan de personeelsleden en worden bij wijze van uittreksel gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.

Art. I 4. Aan de personeelsbehoeften van de instelling wordt voldaan door ambtenaren en stagiairs. Uitzonderlijk en enkel om de redenen, opgesomd in artikel XIV 2 kunnen contractuele personeelsleden worden ingezet.

Aan het statutair dienstverband van de ambtenaar kan slechts een einde worden gemaakt in de bij dit besluit bepaalde gevallen.

Art. I 5. Elke wijziging aan dit besluit wordt onderworpen aan het voorafgaand advies van de directieraad van de instelling. Het advies moet worden gegeven binnen de 30 kalenderdagen.

DEEL II. - ORGANISATIE EN WERKING VAN DE INSTELLING TITEL 1. - De Directieraad HOOFDSTUK 1. - Samenstelling Artikel II 1. In de instelling functioneert als bestuursorgaan een directieraad voorgezeten door de leidend ambtenaar en samengesteld uit : 1° de leidend ambtenaar;2° de adjunct-leidend ambtenaar;3° de afdelingshoofden. De werking van de directieraad wordt geregeld in artikel II 3.

HOOFDSTUK 2. - Bevoegdheden Art. II 2. Onverminderd zijn bevoegdheden voortvloeiend uit de regeling van de rechtspositie, beraadslaagt de directieraad over : 1° beleidsvoorstellen en problemen inzake beleidsuitvoering;2° bevoegdheidsgeschillen aangaande het bestuur binnen de instelling. De directieraad kan op eigen initiatief of op verzoek van een lid, ten allen tijde, deskundigen uitnodigen met het oog op een technische of inhoudelijke toelichting bij de bespreking van een specifiek probleem.

Art. II 3. § 1. De directieraad stelt een huishoudelijk reglement op dat ten minste bepaalt : 1° de frequentie van de vergaderingen;2° het vereiste quorum en de vereiste meerderheid voor de geldigheid van zijn beslissingen;3° de wijze van stemmen. § 2. Het huishoudelijk reglement van de directieraad wordt ter goedkeuring aan de minister voorgelegd en bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.

De voorzitter van de directieraad wijst een ambtenaar van niveau A aan die de functie van secretaris uitoefent. De secretaris is niet stemgerechtigd.

Art. II 4. Elke individuele beslissing betreffende personeelsleden wordt genomen bij geheime stemming over het gemotiveerd voorstel van de voorzitter, dat geformuleerd wordt na beraadslaging in de directieraad.

TITEL 2. - De raad van beroep Art. II 5. De raad van beroep, opgericht bij het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende oprichting en samenstelling van een raad van beroep voor sommige Vlaamse openbare instellingen, neemt kennis van alle beroepen die krachtens deze rechtspositieregeling a) een ambtenaar of een stagiair kan instellen tegen de uitspraak van een tuchtstraf of van de schorsing in het belang van de dienst.b) een stagiair kan instellen tegen een voorstel tot negatieve evaluatie van de stage en de ambtenaar tegen de evaluatie onvoldoende of tegen een vormgebrek tijdens de evaluatieprocedure.c) een ambtenaar kan instellen tegen de weigering van het verlof voor verminderde prestaties en van het gecontingenteerd verlof. TITEL 3. - De leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaar HOOFDSTUK 1. - Omkadering en bevoegdheden van algemene aard Art. II 6. De leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaar beschikken over een secretariaat.

Art. II 7. § 1 Onverminderd artikel II 6 kan de leidend ambtenaar bovendien één ambtenaar van rang A2 belasten met een staffunctie; deze ambtenaar kan niet tezelfdertijd afdelingshoofd zijn. § 2 Alleen de ambtenaren van rang A2 die over de generieke competenties van staflid beschikken kunnen met een staffunctie worden belast.

De lijst van de generieke competenties wordt vastgesteld door de directieraad. Deze competenties kunnen door een test worden beoordeeld. De directieraad bepaalt de voorwaarden waaraan deze test moet voldoen.

Art. II 8. § 1. De leidend ambtenaar is verantwoordelijk voor en beslist over de organisatie en het bestuur van de instelling. Hij coördineert de werkzaamheden en is belast met het toezicht op de werking ervan.

Hij draagt zorg voor de coördinatie en de integratie van het beleid binnen de instelling en voor de relatie tussen de ambtenaren enerzijds en de minister en andere bevoegde leden van de Vlaamse regering anderzijds. In dit verband : - leidt en coördineert hij het opmaken van de begrotingsvoorstellen en ziet hij toe op de uitvoering ervan; - coördineert hij de beleidsvoorbereiding en stimuleert hij daartoe de samenwerking van de afdelingen met elkaar; - legt hij de behandelde zaken voor aan de bevoegde leden van de Vlaamse regering en voegt er zo nodig zijn opmerkingen aan toe; - zendt hij de dossiers en de instructies van de bevoegde leden van de Vlaamse regering aan de betrokken afdelingen; - adviseert hij de bevoegde leden van de Vlaamse regering over de wijze waarop en de mate waarin uitvoering kan worden gegeven aan beleidsvoorstellen en -beslissingen; - doet hij uit eigen beweging elk nuttig voorstel aan de leden van de Vlaamse regering die bevoegd zijn voor de materies waarbij de instelling betrokken is; - waakt hij over de deontologie van zijn ambtenaren, onder meer in het kader van de openbaarheid van bestuur; - waakt hij erover dat de beslissingen van de Vlaamse regering die de instelling aanbelangen, worden uitgevoerd en neemt hij daartoe de nodige initiatieven, met respect voor de vertrouwelijke aard van de hem toevertrouwde documenten.

De leidend ambtenaar zit de directieraad voor en oordeelt over de opportuniteit van de behandeling van de in artikel II 2 bedoelde aangelegenheden. Hij oefent gezag uit over het personeel van de instelling en zorgt voor de tucht, de orde en de organisatie van de afdelingen.

Hij neemt de voor de instelling bestemde zendingen in ontvangst, onverminderd de eventuele delegatie en ondertekent de briefwisseling inzake het functioneren van de instelling die de Vlaamse regering of de minister niet bindt. § 2. Alle bevoegdheden en taken van inwendige orde en van dagelijks bestuur, met uitzondering van de hierna opgesomde handelingen, berusten bij de leidend ambtenaar. § 3. Volgende handelingen moeten aan de Vlaamse minister, ter voorafgaandelijke goedkeuring of ondertekening worden voorgelegd : 1° alle briefwisseling met federale ministers of staatssecretarissen en met ministers van gemeenschaps- of gewestregeringen 2° zendingsopdrachten van de leidend ambtenaar van méér dan 3 dagen naar het buitenland. Art. II 9. § 1. De graad van afdelingshoofd wordt uitsluitend bij wege van mandaat begeven. Tijdens de uitoefening van het mandaat van afdelingshoofd, beschikt de ambtenaar over alle prerogatieven verbonden aan de functie van afdelingshoofd.

Voor aanwijzing tot afdelingshoofd komen in aanmerking : 1° de ambtenaar van rang A2 en van rang A2L;2° de ambtenaar van rang A1 die de tweede salarisschaal in de functionele loopbaan van deze rang heeft bereikt en ten minste zes jaar graadanciënniteit telt. De ambtenaar van rang A2, die rechtstreeks in deze rang of als expert aangeworven wordt, dient 6 jaar graadanciënniteit te tellen vooraleer hij kan aangewezen worden tot afdelingshoofd. § 2. Het afdelingshoofd dat : 1° een verlof voor opdracht krijgt om een ambt uit te oefenen op het kabinet van een minister, een staatssecretaris, een gewestelijk staatssecretaris, een gouverneur van een Vlaamse provincie of de gouverneur of vice-gouverneur van het administratief arrondissement Brussel Hoofdstad of van een Europees Commissaris;2° in een hoger ambt wordt aangesteld;3° op vraag van de Vlaamse regering de functie van projectleider uitoefent;4° langdurig afwezig is wegens ziekte;5° een verlof voor opdracht krijgt om een leidinggevende functie uit te oefenen bij een erkende politieke groep of bij de voorzitter van een erkende politieke groep;6° ter beschikking wordt gesteld van de Koning, een Prins of een Prinses van België; behoudt zijn mandaat van afdelingshoofd en kan in voormelde situaties vervangen worden door een afdelingshoofd ad interim. § 3. Alleen de ambtenaar die zowel over de generieke als over de afdelingsspecifieke competenties voor het leiden van een afdeling beschikt, kan tot afdelingshoofd worden aangewezen. De directieraad stelt de lijst van de generieke competenties vast. De afdelingsspecifieke competenties worden vastgesteld door de leidend ambtenaar en bekrachtigd door de minister.

Art. II 9bis. De te begeven betrekkingen, de voorwaarden van aanwijzing in de betrekking van afdelingshoofd en de wijze waarop zij hun interesse kunnen kenbaar maken, worden meegedeeld aan alle in aanmerking komende ambtenaren.

De gegadigden voor een te begeven betrekking van afdelingshoofd dienen eveneens een nota in waarin ze hun beleidsvisie formuleren op de invulling van de te begeven betrekking.

Art. II 9ter § 1. De vereiste generieke competenties van de kandidaten voor de betrekking van afdelingshoofd worden beoordeeld door de directieraad.

Deze houdt bij de beoordeling rekening met : 1° de potentieelinschatting op basis van de intern beschikbare informatie over de loopbaan en de elementen die door de gegadigde werd aangereikt;en 2° de potentieelinschatting op basis van een gedragsgerichte test. De directieraad bepaalt de voorwaarden waaraan de test moet voldoen en doet voor deze test een beroep op een externe instantie. § 2. De ambtenaren van wie de directieraad heeft vastgesteld dat zij aan de generieke competenties voldoen, worden gedurende 7 jaar na de beëindiging ervan tenzij het beëindigd werd door een functioneringsevaluatie onvoldoende vrijgesteld van de test bedoeld in § 1, tweede lid, 2°. De ambtenaren mogen tijdens hun loopbaan maximaal 4 keer deelnemen aan de test.

De leidend ambtenaar die een functiewijziging heeft gekregen zonder functioneringsevaluatie « onvoldoende » wordt gedurende 7 jaar vanaf de functiewijziging vrijgesteld van de test bedoeld in § 1, tweede lid, 2°.

De test voor de generieke competenties, bedoeld in artikel VI 27, 2° afgelegd door de adjunct-leidend ambtenaar wordt gelijkgesteld met de test bedoeld in § 1, tweede lid, 2°.

Het afdelingshoofd wordt gedurende de uitoefening van zijn mandaat en gedurende 7 jaar na de beëindiging ervan tenzij het beëindigd werd door een functioneringsevaluatie onvoldoende vrijgesteld van de test bedoeld in § 1, tweede lid, 2°.

Art. II 9quater. De leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaar stellen per afdeling vast welke van de in aanmerking genomen gegadigden in aanmerking komen voor de betrekking van afdelingshoofd.

Zij houden daarbij inzonderheid rekening met de afdelingsspecifieke competenties en de mondelinge verdediging van de beleidsvisie.

Art. II 9quinquies. § 1. De leidend ambtenaar wijst in overleg met de adjunct-leidend ambtenaar uit de overeenkomstig het vorig artikel in aanmerking genomen gegadigden een ambtenaar aan voor de betrekking van afdelingshoofd. § 2. De leidend ambtenaar legt zijn beslissing tot aanwijzing voor aan de minister. De minister neemt de beslissing tot bekrachtiging of niet bekrachtiging binnen een termijn van twee maand na voorlegging van de aanwijzing. Zo niet is de aanwijzing van rechtswege bekrachtigd.

Indien de minister beslist om de aanwijzing niet te bekrachtigen, legt de leidend ambtenaar binnen de twee maand een nieuwe aanwijzing voor of start in voorkomend geval opnieuw de procedure tot aanwijzing.

Art. II 9sexies. Het afdelingshoofd behoudt gedurende zijn mandaat de functionele loopbaan in de graad waarin hij werd benoemd. De werkelijke diensten van de ambtenaar die als afdelingshoofd is aangesteld, worden in aanmerking genomen voor de vaststelling van de schaalanciënniteit in de functionele loopbaan.

De aanwijzing tot afdelingshoofd houdt tevens de dienstaanwijzing in voor de betrokken ambtenaar.

Art. II 9septies. De aanwijzing tot afdelingshoofd is een mandaat voor zes jaar, meermaals met dezelfde duur verlengbaar. De verlenging gebeurt stilzwijgend.

Het mandaat wordt ambtshalve beëindigd bij een functioneringsevaluatie die met onvoldoende wordt besloten.

De leidend ambtenaar kan in overleg met de adjunct-leidend ambtenaar een einde stellen aan het mandaat hetzij om functionele redenen hetzij op vraag van het afdelingshoofd zelf. Hij stelt de minister hiervan in kennis.

In dat geval wordt voor de betrokken ambtenaar een gepaste dienstaanwijzing vastgesteld door de bevoegde overheid.

Art II 9octies. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn eveneens van toepassing op de aanwijzing van het afdelingshoofd ad interim.

Art. II 10. De adjunct-leidend ambtenaar is, binnen zijn bevoegdheden, medeverantwoordelijk voor het bestuur van de instelling. Hij wordt belast met de algemene diensten, waarover hij de bevoegdheden van een afdelingshoofd uitoefent.

Hij rapporteert periodiek aan de leidend ambtenaar over het gebruik van de aan hem gedelegeerde bevoegdheden.

Art. II 11. Onder voorbehoud van de bepalingen van de artikelen II 8 en II 11 en bij ontstentenis van bijzondere bepalingen die vastgesteld zijn met betrekking tot een welbepaalde afdeling, is het afdelingshoofd voor zijn sector de hoogste ambtelijke autoriteit.

In dit verband en onverminderd de bevoegdheden hem toegewezen krachtens artikel I 3, § 2 : 1° draagt hij met betrekking tot de aangelegenheden die eigen zijn aan de hem toevertrouwde afdeling de volle verantwoordelijkheid voor de adviezen die zij geven en de voorstellen die zij doen, alsmede voor de beleidsuitvoering;2° neemt hij de leiding, de organisatie en de coördinatie van het geheel van de hem toevertrouwde afdeling op zich, rekening houdend met de voor de instelling vastgestelde regelingen;3° oefent hij zijn gezag uit over het personeel van zijn afdeling en zorgt hij voor de motivatie van de ambtenaren en voor orde en tucht;4° ondertekent hij de briefwisseling inzake de algemene werking van zijn afdeling. Hij is verantwoordelijk voor het dagelijks bestuur in zijn afdeling en signaleert elk probleem met betrekking tot het personeel, het functioneren, de organisatie of de huisvesting aan de leidend ambtenaar.

Hij rapporteert periodiek aan de leidend ambtenaar over het gebruik van de aan hem gedelegeerde bevoegdheden.

Hij is als lid van de directieraad en zonder afbreuk te doen aan de bevoegdheden ter zake van de leidend ambtenaar medeverantwoordelijk voor het bestuur van zijn afdeling.

HOOFDSTUK 2 Specifieke bevoegdheden van de leidend ambtenaar inzake de algemene werking van de instelling Art. II 12. De leidend ambtenaar is bevoegd om, in het kader van de algemene werking van de instelling, bestekken voor werken, leveringen of diensten of de bescheiden die ze vervangen goed te keuren, de wijze te kiezen waarop de opdrachten worden gegund, opdrachten voor de aanneming van werken, leveringen of diensten te gunnen en in te staan voor de uitvoering ervan. Deze machtiging geldt slechts binnen de perken van de geopende kredieten en van de volgende ramingen of bedragen : 1° maximum 10 miljoen F.in geval van een openbare aanbesteding of een algemene offerteaanvraag; 2° maximum 5 miljoen F.in geval van een beperkte aanbesteding of een beperkte offerteaanvraag; 3° maximum 1,250 miljoen F.in geval van een onderhandse opdracht.

Hij staat bovendien in voor de eenvoudige uitvoering van de opdrachten voor de aanneming van werken, leveringen of diensten die in het kader van het functioneren van de instelling werden gegund door de Vlaamse regering of het bevoegde lid ervan. Onder eenvoudige uitvoering dient te worden verstaan het treffen van alle maatregelen en beslissingen met het oog op de verwezenlijking van de opdracht binnen de perken van de aanneming, met uitzondering van de maatregelen en beslissingen die een beoordeling vanwege de gunnende overheid vereisen.

Hij is tevens bevoegd om : 1° met betrekking tot de in het eerste lid vermelde opdrachten : a) gemotiveerde afwijkingen toe te staan op de essentiële bepalingen en voorwaarden, overeenkomstig art.8 van het koninklijk besluit van 26 september 1996 tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten en van de concessies voor openbare werken; b) boeten kwijt te schelden;2° met betrekking tot de in het eerste en het tweede lid vermelde opdrachten : a) prijsherzieningen, voortvloeiend uit de betrokken overeenkomsten, goed te keuren zonder beperking van bedrag;b) verrekeningen, andere dan voormelde herzieningen, goed te keuren in zover hieruit geen bijkomende uitgaven van meer dan 25 % voortvloeien en ze 1,250 miljoen F.niet overschrijden; 3° uitgaven voor het functioneren van de instelling goed te keuren, die buiten de toepassing vallen van de wetgeving op de overheidsopdrachten : onbeperkt voor portkosten, telefoonrekeningen en voor de levering van water, gas en elektriciteit;beperkt tot een bedrag van maximum 1 miljoen F. per beslissing in andere gevallen.

Deze bevoegdheid geldt niet voor uitgaven die voortvloeien uit vonnissen of arresten, dadingen of schulderkenningen.

De in de vorige leden vermelde bedragen zijn exclusief de belasting over de toegevoegde waarde.

Art. II 13. Het gebruik van de in artikel II 14 bedoelde bevoegdheden wordt, behoudens wanneer het gaat om uitgaven die met geldvoorschotten worden betaald, trimestrieel aan de minister meegedeeld, via de directieraad.

TITEL 4. - De tijdelijke vervanging Art. II 14. De leidend ambtenaar die tijdelijk afwezig of verhinderd is, wordt ambtshalve vervangen door de adjunct-leidend ambtenaar.

Wanneer deze tijdelijk afwezig of verhinderd is, dan wordt de leidend ambtenaar vervangen door een ambtenaar van rang A2A, waarbij de volgende orde van voorrang wordt aangehouden: 1° de ambtenaar met de grootste graadanciënniteit;2° bij gelijke graadanciënniteit : diegene met de grootste niveauanciënniteit;3° bij gelijke niveauanciënniteit : diegene met de grootste dienstanciënniteit;4° bij gelijke dienstanciënniteit : de oudste. Art. II 15. De leidend ambtenaar kan kiezen uit de ambtenaren van de instelling om in een tijdelijke vervanging te voorzien van de afdelingshoofden.

TITEL 5. - De opdrachthouders Art. II 16. In de instelling kunnen onder de ambtenaren maximum 2 opdrachthouders aangewezen worden, belast met specifieke opdrachten.

Minimum één opdrachthouder wordt aangewezen ten behoeve van de vorming en/of het human resources management en de organisatieontwikkeling.

Art. II 17. § 1. De opdrachthouders worden aangewezen door de leidend ambtenaar. De beslissing tot aanwijzing omvat de omschrijving en de duur van de opdracht en de motivering van de aanwijzing. De aanwijzing wordt bekrachtigd door de minister. § 2. Enkel de ambtenaren van rang A1 met ten minste drie jaar niveauanciënniteit kunnen tot opdrachthouder aangewezen worden. Zij worden voor de duur van hun opdracht bezoldigd in de salarisschaal die overeenstemt met de bevorderingsgraad in rang A2 van hun graad.

In afwijking op het eerste lid en in uitzonderlijke gevallen kan mits er een uitdrukkelijke motivering gegeven wordt, een ambtenaar van rang A2 tot opdrachthouder worden aangewezen.

Art. II 18. § 1. De opdrachthouder die aangewezen wordt ten behoeve van de vorming dient op het tijdstip van de aanwijzing een geschiktheidsbrevet inzake vorming te bezitten dat wordt toegekend overeenkomstig de bepalingen van § 2.

De opdrachthouder die aangewezen wordt ten behoeve van het human resources management en de organisatieontwikkeling dient op het tijdstip van zijn aanwijzing houder te zijn van een geschiktheidsbrevet inzake human resources management en organisatieontwikkeling, toegekend overeenkomstig de bepalingen van § 2. § 2. De ambtenaar van rang A1 met 2 jaar en 6 maanden niveauanciënniteit kan zich kandidaat stellen om het geschikheidsbrevet te behalen. De directieraad vraagt de kandidaturen op aan de in aanmerking komende ambtenaren voor deelname aan een selectieproef die leidt tot een opleiding met het oog op het toekennen van het geschiktheidsbrevet inzake vorming of human resources management en organisatieontwikkeling.

De ambtenaren die na deze proef geselecteerd zijn volgen verplicht een opleiding. De selectieproef en de opleiding worden georganiseerd door de administratie Personeelsontwikkeling van het ministerie van de Vlaamse gemeenschap.

Na de vormingssessie evalueert de leidend ambtenaar van de administratie Personeelsontwikkeling van het ministerie de kandidaten.

Op basis van deze evaluatie doet hij een gemotiveerd voorstel aan de directieraad van de instelling.

Het voorstel van de leidend ambtenaar van de administratie Personeelsontwikkeling van het ministerie aan de directieraad van de instelling wordt meegedeeld aan de betrokken kandidaten.

De kandidaat die zich benadeeld acht kan binnen de 15 kalenderdagen een bezwaarschrift indienen bij de directieraad.

De directieraad neemt een gemotiveerde beslissing over de toekenning van het brevet. Het brevet heeft een geldigheidsduur van 8 jaar.

Art. II 19. De opdrachthouders worden voor een termijn van twee jaar aangewezen. Deze termijn kan verlengd worden met vier jaar.

De aanwijzing gaat in op de eerste van de maand volgend op de bekrachtiging door de minister.

Art. II 20. § 1. De opdrachthouder behoudt tijdens de duur van de opdracht zijn dienstaanwijzing, evenals het recht op salarisverhoging of op bevordering tot een hogere graad, op dezelfde wijze als wanneer hij niet met een opdracht was belast.

De beslissing tot loopbaanversnelling of -vertraging wordt voor de opdrachthouder genomen door de directieraad. § 2. De aanwijzing tot opdrachthouder vervalt van rechtswege door het verstrijken van de duur van het mandaat, na een ononderbroken afwezigheid van vier maanden of op de dag van de benoeming van de mandaathouder in een graad van rang A2 of hoger.

De aanwijzing kan, mits er een motivering gegeven wordt, voortijdig beëindigd worden door de de leidend ambtenaar hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek van de betrokkene zelf.

TITEL 6. - De preventieadviseur-coördinator en de preventieadviseurs van de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk Art. II 21. § 1. Voor de instelling is er één interne dienst voor Preventie en Bescherming op het werk, hierna te noemen interne dienst Preventie en Bescherming, die wordt toegevoegd aan de leidend ambtenaar. § 2. De interne dienst Preventie en Bescherming is samengesteld uit één of meer preventieadviseurs. Zijn er in de dienst meerdere voltijdse preventieadviseurs, dan wordt hij geleid door een preventieadviseur-coördinator. § 3. De interne dienst Preventie en Bescherming is onafhankelijk. De preventieadviseur-coördinator of de preventieadviseur rapporteert rechtstreeks aan de leidend ambtenaar.

Art. II 22. § 1 De graad van preventieadviseur-coördinator wordt uitsluitend bij wege van voltijds mandaat begeven. Voor aanwijzing tot preventieadviseur-coördinator komen zowel ambtenaren van rang A2 als van rang A1 in aanmerking. Zij dienen in het bezit te zijn van een getuigschrift veiligheid niveau 1 en te beschikken over de noodzakelijke competenties voor het uitoefenen van de functie. De directieraad stelt de lijst met de noodzakelijke competenties vast. § 2. De preventieadviseur-coördinator wordt aangewezen conform een procedure bepaald door de directieraad. In deze procedure wordt ten minste voorzien in een externe en / of intere potentieelinschatting als selectievoorwaarde. § 3 De aanwijzing tot preventieadviseur-coördinator is een mandaat voor zes jaar, meermaals met dezelfde duur verlengbaar. De verlenging gebeurt stilzwijgend. § 4 De preventieadviseur-coördinator behoudt gedurende zijn mandaat de functionele loopbaan in de graad waarin hij werd benoemd. De werkelijke diensten van de ambtenaar die als preventieadviseur-coördinator is aangewezen, worden in aanmerking genomen voor de vaststelling van de schaalanciënniteit in de functionele loopbaan.

De aanwijzing tot preventieadviseur-coördinator houdt tevens de dienstaanwijzing in voor de betrokken ambtenaar. § 5 De overheid bevoegd voor de aanwijzing kan, op voorwaarde dat er een motivering gegevens wordt, en na akkoord of op verzoek van het bevoegde overlegcomité, om functionele redenen of op verzoek van de mandaathouder zelf, een einde maken aan het mandaat.

Art. II 23. § 1. De functie van preventieadviseur staat open voor ambtenaren van rang A1 en van de niveaus B, C en D. Naargelang het functieprofiel dient de preventieadviseur houder te zijn van een getuigschrift veiligheid niveau 1 of van minimum een getuigschrift veiligheid niveau 2. § 2. De aanstelling in een functie van preventieadviseur gebeurt voltijds of deeltijds voor de duur van zes jaar en is meermaals met dezelfde duur verlengbaar. De verlenging gebeurt stilzwijgend.

De overheid bevoegd voor de aanstelling kan, op voorwaarde dat er een motivering gegeven wordt, en na akkoord of op verzoek van het bevoegde overlegcomité, om functionele redenen of op verzoek van de functiehouder zelf, een einde maken aan de aanstelling. § 3. De ambtenaren die worden aangesteld als preventieadviseur, zijn voor de duur van hun opdracht, onderworpen aan het hiërarchisch gezag van de preventieadviseur-coördinator, voor zover er een preventieadviseur-coördinator is.

Art. II 24. § 1. De leidend ambtenaar doet met het oog op de aanwijzing van een preventieadviseur-coördinator en de aanstelling van preventieadviseurs een oproep tot de ambtenaren van de instelling. De oproep omvat de toegangsvoorwaarden voor de betrekking, een functiebeschrijving en het gewenste profiel.

De directieraad draagt voor elke betrekking ten minste twee kandidaten, die aan de gestelde voorwaarden voldoen, voor aan het bevoegde overlegcomité van de instelling.

De leidend ambtenaar wijst op basis van een gemotiveerde beslissing de preventieadviseur-coördinator en de preventieadvisuers aan na voorafgaand akkoord van het bevoegde overlegcomité.

Indien er geen akkoord bereikt wordt in het bevoegde overlegcomité over de voorgestelde kandidaten wordt de beslissing genomen door de minister. § 2. Indien de preventieadviseur-coördinator zijn eerste aanwijzing in het mandaat of één van de preventieadviseurs zijn eerste aanwijzing voortijdig beëindigt, wordt hij vervangen. De vervanger wordt gekozen uit de ambtenaren die zich kandidaat hebben gesteld en door de directieraad werden voorgedragen, overeenkomstig de procedure bepaald in § 1. § 3. De beslissing tot het toekennen van een loopbaanversnelling of een loopbaanvertraging wordt voor de preventieadviseur-coördinator en voor de preventieadviseurs genomen door de directieraad.

TITEL 7. - De waarneming van een hoger ambt Art. II 25. § 1. Voor de toepassing van deze titel verstaat men onder hoger ambt, elk ambt dat overeenstemt met de in de personeelsformatie voorkomende betrekking van een graad van hogere rang dan waarvan de ambtenaar titularis is. § 2. Een ambtenaar kan worden aangesteld in een hoger ambt voor een betrekking van een graad die tijdelijk of definitief vacant is.

Art. II 26. § 1. Ongeacht het feit of een ambtenaar voldoet aan de statutaire vereisten inzake anciënniteit of algemene diplomavereisten om te worden benoemd in de graad die overeenstemt met het hoger ambt, kan de ambtenaar slechts het hoger ambt verkrijgen in de eerstvolgende rang. § 2. De ambtenaar die een tuchtstraf opgelopen heeft mag niet aangesteld worden voor het uitoefenen van een hoger ambt vooraleer zijn straf doorgehaald is.

Art. II 27. De uitoefening van het hoger ambt wordt toevertrouwd aan de ambtenaar die het meest geschikt bevonden wordt om in de onmiddellijke dienstbehoeften te voorzien.

Art. II 28. § 1. De Vlaamse regering beslist over de tijdelijke aanstelling in een betrekking van leidend ambtenaar en adjunct-leidend ambtenaar, op voorstel van de minister. § 2. De minister beslist over de tijdelijke aanstelling in een betrekking van rang A2, na advies van de leidend ambtenaar. § 3. De leidend ambtenaar beslist over de tijdelijke aanstelling in een betrekking van rang A1 en van niveau B, C en D, na advies van de directieraad.

Art. II 29. § 1. In een tijdelijk vacante betrekking kan de ambtenaar voor de duur van de afwezigheid aangesteld worden tot de titularis van de graad opnieuw zijn ambt opneemt. § 2. Een definitief vacante betrekking kan slechts voor ten hoogste één jaar via een tijdelijke aanstelling waargenomen worden op voorwaarde dat de procedure tot definitieve toekenning van die betrekking wordt ingezet. § 3. De duur van de aanstelling wordt bepaald volgens de dienstbehoeften.

Indien de inspecteur van financiën ongunstig advies uitbrengt, vraagt de bevoegde overheid het akkoord van de minister. § 4. De akte tot aanstelling vermeldt : 1° een omschrijving van het ambt dat definitief vacant is of dat tijdelijk vacant is, zijn laatste of huidige titularis en de reden van diens vertrek of afwezigheid;2° een verantwoording van de noodzaak om in de vacature een hoger ambt toe te kennen;3° een verantwoording van de keuze van de voorgestelde ambtenaar. Art. II 30. Een ambtenaar die met een hoger ambt is belast, beschikt over alle aan dat ambt verbonden prerogatieven.

DEEL III. - RECHTEN EN PLICHTEN Artikel III 1. De ambtenaar heeft het recht op vrijheid van meningsuiting ten aanzien van de feiten waarvan hij kennis heeft uit hoofde van zijn ambt.

Indien hij vastgesteld heeft dat het belang van de openbaarmaking niet opweegt tegen de bescherming van een van de volgende belangen is het hem enkel verboden feiten bekend te maken die betrekking hebben op - de veiligheid van het land; - de bescherming van de openbare orde; - de financiële belangen van de overheid; - maatregelen ter voorkoming en bestraffing van strafbare feiten; - het medisch geheim; - het vertrouwelijk karakter van commerciële, intellectuele en industriële gegevens, tenzij de betrokkene met de inzage, de uitleg of de mededeling in afschrift ervan heeft ingestemd; - de rechten en de vrijheden van de burger, en in het bijzonder het recht op eerbied voor het privé-leven, tenzij de betrokkene toestemming heeft verleend om op hem betrekking hebbende gegevens openbaar te maken, - het intern beraad dat voorafgaat aan elke beslissing, indien het bestuursdocumenten betreft waarvan de openbaarmaking aanleiding kan geven tot misvatting omdat het document niet af of onvolledig is; of indien het een advies of een mening betreft die uit vrije wil en vertrouwelijk aan de overheid is meegedeeld; of indien het een beraad betreft dat kennelijk onredelijk is of kennelijk te vaag geformuleerd is.

Dit artikel geldt eveneens voor de ambtenaar die zijn ambt heeft neergelegd.

Art. III 2. § 1. De ambtenaar heeft recht op informatie en voortgezette vorming zowel wat alle aspecten betreft die nuttig zijn voor de taakvervulling, als om te kunnen voldoen aan de evaluatiecriteria en bevorderingsvereisten.

De vorming moet hem worden verstrekt wanneer ze een bevorderingsvoorwaarde is of een onderdeel van de evaluatiecriteria uitmaakt.

De ambtenaar heeft recht op vorming voor persoonlijke vervolmaking voor zover dit kadert in de globale organisatorische doelstellingen van zijn dienst. § 2. De ambtenaar dient zich op de hoogte te houden van de evolutie van de technieken, reglementeringen en navorsingen in de materies waarmee hij beroepshalve belast is. § 3. De vorming is een plicht wanneer zij noodzakelijk blijkt voor een betere uitoefening van de functie of het functioneren van een afdeling of wanneer zij een onderdeel uitmaakt van een herstructurering, reorganisatie van een afdeling of een implementatie van nieuwe technieken en infrastructuur.

Voor de ambtenaar van niveau A kan deze vorming plaatsvinden buiten en bovenop de normale arbeidsprestaties, eventueel zonder compensatie.

De onkosten die inherent zijn aan de deelname aan deze vormingsactiviteiten worden gedragen door de instelling.

Art. III 3. Elke ambtenaar heeft het recht zijn persoonlijk dossier te raadplegen.

Het persoonlijk dossier van de ambtenaar bevat ten minste de administratieve stukken zoals bepaald in bijlage 1 bij dit besluit.

Aanbevelingen waaruit een levensbeschouwelijke, ideologische of politieke overtuiging blijkt mogen niet voorkomen in het administratief dossier.

Art. III 4. § 1. De ambtenaar oefent zijn ambt op loyale en integere wijze uit onder het gezag van zijn hiërarchische meerderen die verantwoordelijk zijn voor de gegeven opdrachten. Hij moet inzonderheid : 1° in zijn handelingen en gedragingen in de uitoefening van zijn taken, de van kracht zijnde wetten, decreten en reglementeringen, de richtlijnen van de overheid waarvan hij afhangt alsmede de billijkheids- en doelmatigheidsaspecten in acht nemen;2° zijn raadgevingen, adviezen, opties en verslagen formuleren op basis van een precieze, volledige en praktische voorstelling van de feiten;3° zorgvuldig, plichtsbewust en met inachtneming van de richtlijnen van de overheid waarvan hij afhangt, de beslissingen uitvoeren en de desbetreffende programma's verwezenlijken en zelf de nodige initiatieven aan de dag leggen;4° in de omgang met meerderen, collega's of ondergeschikten en in zijn contacten met het publiek, de persoonlijke waardigheid respecteren. § 2. De ambtenaar verleent zijn medewerking aan beleidsvoorbereidend werk en neemt actief deel aan teamwerk. § 3. De ambtenaar vervult zijn ambt met openheid en zonder enige discriminatie tegenover de gebruikers van zijn dienst.

Art. III 5. § 1. Buiten de uitoefening van zijn ambt moet de ambtenaar elke handelwijze vermijden die het vertrouwen van het publiek in zijn dienst kan aantasten. § 2. Zelfs buiten zijn ambt maar in verband ermee, mag de ambtenaar rechtstreeks of bij tussenpersoon, geen giften, beloningen of enig voordeel vragen, eisen of aannemen.

Art. III 6. De hoedanigheid van ambtenaar is onverenigbaar met elke activiteit die de ambtenaar zelf of via een tussenpersoon verricht en die : 1° verhindert dat hij zijn ambtsplichten vervult;2° met de waardigheid van het ambt in strijd is;3° zijn onafhankelijkheid in het gedrang brengt of;4° een strijdigheid van belangen tot gevolg heeft. De cumulatie van activiteiten binnen de beperkingen van het eerste lid wordt geregeld overeenkomstig deel IV van dit besluit.

De personeelsleden van de instelling volgen de deontologische code, zoals vastgesteld in bijlage 13 bij dit besluit. De minister kan de deontologische code aanvullen met bepalingen die specifiek zijn voor de instelling.

Art. III 7. De bepalingen van dit deel zijn eveneens van toepassing op de stagiairs.

DEEL IV. - CUMULATIE VAN BEROEPSACTIVITEITEN TITEL 1. - Definities Artikel IV 1. Voor de toepassing van dit deel wordt verstaan onder : 1° "beroepsactiviteit" : a) elke bezigheid waarvan de opbrengst als een bedrijfsinkomen belastbaar is overeenkomstig het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992;b) elke, zelfs onbezoldigde, opdracht of dienst in particuliere zaken met winstoogmerk. In afwijking van sub littera a) wordt een politiek mandaat of een ambt dat ermee gelijkgesteld kan worden niet beschouwd als een beroepsactiviteit. 2° "beroepsactiviteit inherent aan de uitoefening van het ambt" : a) elke opdracht die ingevolge een wettelijke, decretale of reglementaire bepaling verbonden is aan het ambt dat de ambtenaar uitoefent;b) elke opdracht waarvoor de ambtenaar wordt aangewezen door de overheid waaronder hij ressorteert.3° "diensturen" : de stamtijden, in de diensten waar de variabele werktijd wordt toegepast. In de andere diensten bepaalt de bevoegde overheid wat onder diensturen moet worden verstaan.

Voor de toepassing van dit deel worden de uren van afwezigheid waarvoor dienstvrijstelling werd verleend, als diensturen beschouwd.

TITEL 2. - Cumulatie van activiteiten buiten de diensturen Art. IV 2. Onverminderd artikel III 6 mag de ambtenaar activiteiten en beroepsactiviteiten buiten de diensturen cumuleren met de beroepsactiviteiten binnen de diensturen.

Art. IV 3. § 1. Onverminderd andersluidende reglementaire bepalingen mag de ambtenaar die toestemming kreeg zijn ambt met verminderde prestaties uit te oefenen of volledig afwezig te zijn, beroepsactiviteiten cumuleren inzover hij tijdens zijn afwezigheid : 1° geen salaris verkrijgt van de overheid waaronder hij ressorteert en 2° zich in een administratieve toestand bevindt waarin hij geen recht op bevordering en op bevordering tot een hogere salaris kan doen gelden. § 2. Indien aan de in § 1, 1° of 2° vermelde voorwaarden niet voldaan is, valt de cumulatiemachtiging onder de regeling van cumulatie van beroepsactiviteiten binnen de diensturen.

TITEL 3. - Cumulatie van beroepsactiviteiten binnen de diensturen Art. IV 4. De ambtenaar mag geen beroepsactiviteiten cumuleren binnen de diensturen.

Art. IV 5. Onverminderd andere meer beperkende bepalingen wordt in afwijking van artikel IV 4 de cumulatie van beroepsactiviteiten binnen de diensturen die inherent zijn aan de uitoefening van het ambt, van rechtswege uitgeoefend.

Art. IV 6. § 1. De cumulatie van beroepsactiviteiten binnen de diensturen die niet inherent zijn aan het ambt, kan, in afwijking van artikel IV 4 en onverminderd artikel III 6, toegestaan worden indien deze activiteiten zonder nadeel voor de dienst of voor het publiek uitgeoefend kunnen worden. § 2. De lijst van cumulaties bedoeld in § 1 zal jaarlijks bij omzendbrief bekendgemaakt worden.

TITEL 4. - De procedure Art. IV 7. Om de in artikel IV 6 bedoelde toestemming tot cumulatie te verkrijgen dient de ambtenaar aangetekend of tegen ontvangstbewijs een schriftelijke en voorafgaande aanvraag in bij de leidend ambtenaar volgens een modelformulier dat als bijlage 2 bij dit besluit is gevoegd en door zijn personeelsdienst wordt verstrekt.

Terzelfdertijd bezorgt de ambtenaar een afschrift van de aanvraag aan het afdelingshoofd.

Art. IV 8. De cumulatiemachtiging bedoeld in artikel IV 6 wordt verleend overeenkomstig de volgende procedure : 1° het afdelingshoofd brengt een schriftelijk gemotiveerd advies uit bij de leidend ambtenaar binnen de 15 kalenderdagen na ontvangst van het afschrift van de aanvraag, 2° indien de aanvraag volledig is, neemt de leidend ambtenaar een beslissing tot toestemming of weigering;binnen dertig kalenderdagen na de datum van de aanvraag; 3° de ambtenaar wordt binnen dertig kalenderdagen na de datum van zijn aanvraag in kennis gesteld van de gemotiveerde beslissing van de leidend ambtenaar tot toestemming of tot weigering. De termijn van dertig kalenderdagen, vermeld in het vorige lid, 2° en 3° gaat in op de datum van afgifte ter post van de aangetekende brief of op datum van het ontvangstbewijs, vermeld in artikel IV 7 eerste lid. Art. IV 9. Onverminderd de bepalingen van dit deel dienen de leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaar een aanvraag tot cumulatie van ambten in bij de minister; deze laatste staat de cumulatie toe of weigert binnen de 15 kalenderdagen ingaande op de datum van afgifte ter post van de aangetekende brief of op de datum van het ontvangstbewijs vermeld in artikel IV 7 eerste lid.

Art. IV 10. Indien de nodige inlichtingen in het dossier niet voorhanden zijn, wordt hierom gevraagd door de afdeling Personeel binnen een termijn van 15 kalenderdagen die begint op de datum van de afgifte ter post van de aangetekende brief of op de datum van het ontvangstbewijs vermeld in artikel IV 7 eerste lid.

De ambtenaar verstrekt de gevraagde inlichtingen binnen een termijn van 30 kalenderdagen, zo niet wordt de aanvraag als vervallen beschouwd.

De termijnen vermeld in het eerste en tweede lid schorten de in de artikelen IV 8 en IV 9 bepaalde termijnen op.

Art. IV 11. De toestemming kan worden herroepen. De beslissing tot toestemming, tot weigering en tot herroeping wordt met redenen omkleed.

Art. IV 12. De personeelsleden van de instelling volgen de deontologische code inzake cumulaties zoals vastgesteld in bijlage 13 bij dit besluit.

De minister kan de deontologische code aanvullen met bepalingen die specifiek zijn voor de instelling.

Art. IV 13. De bepalingen van dit deel zijn eveneens van toepassing op de stagiairs.

DEEL V. - HET DOELTREFFEND INZETTEN VAN HET PERSONEEL TITEL 1. - Algemene bepalingen Artikel V 1. § 1. Jaarlijks wordt er in de maand januari door de leidend ambtenaar een verslag opgemaakt over de personeelsbezetting in de instelling. Het verslag wordt voorgelegd aan de directieraad en wordt toegestuurd aan de minister. § 2. Op basis van het in § 1 vermelde verslag stelt de directieraad het tekort aan personeel en het overtallig personeel in de instelling vast en/of raamt het overtollig personeel.

Het personeel is overtallig wanneer de bezetting het formatiecijfer overtreft.

Het personeel is overtollig wanneer er teveel personeel is in relatie tot de behoeften of taken van de instelling.

Art. V 2. § 1. Onverminderd de mogelijkheid om de personeelsformatie aan te passen, wordt het personeel binnen de instelling in dienst gehouden. § 2. Het tekort aan personeel in de instelling wordt opgevuld via aanwervingsplannen opgesteld door de directieraad en goedgekeurd door de minister.

Art. V 3. Wanneer op verschillende wijzen in een vacante betrekking kan worden voorzien en er geen bepaling is die een bepaalde wijze voorschrijft, kiest de benoemende overheid, nl. de minister voor betrekkingen van rang A2 en de leidend ambtenaar voor de betrekkingen van rang A1 en van de niveaus B, C, D en E op gemotiveerde wijze hoe zij de betrekkingen in de instelling opvult. 1° een vacante betrekking in de begingraad van elk niveau : a) door bevordering van de geslaagden voor de vergelijkende overgangsexamens na oproep gericht tot de geslaagden van de instelling of b) door aanwerving of;c) door overplaatsing.2° een vacante betrekking in een hiërarchisch hogere graad dan de begingraad van elk niveau : a) door een interne oproep bij wijze van bevordering b) door aanwerving of c) door overplaatsing. Art. V 4. Onverminderd de bepalingen van deze titel kan de leidend ambtenaar na advies van de directieraad en mits motivering de dienstaanwijzing wijzigen van personeelsleden van niveau B, C, D en E en van rang A1.

TITEL 2. - De herplaatsing HOOFDSTUK 1. - Toepassingsgebied Art. V 5. Op herplaatsing kunnen, overeenkomstig de bepalingen van deze titel, aanspraak maken : 1° de ambtenaar die wegens enigerlei oorzaak, zoals een terugzetting in graad, het vernietigen of het intrekken van een bevordering, het vacantverklaren van zijn betrekking tijdens een langdurig verlof, moet worden aangewezen voor een andere dan zijn eigen betrekking;2° de ambtenaar die door de arbeidsgeneeskundige dienst voor de uitoefening van zijn ambt ongeschikt werd bevonden, maar die opnieuw kan geplaatst worden in een andere functie die verenigbaar is met zijn gezondheidstoestand, ongeacht of hij ziek was of het slachtoffer was van een arbeidsongeval of een beroepsziekte. HOOFDSTUK 2. - Nadere bepalingen inzake herplaatsing Art. V 6. De herplaatsing gebeurt met inachtneming van de bijzondere eisen voor het bekleden van het ambt, de functiebeschrijving van de vacature en het gewenste profiel van de kandidaat.

Art. V 7. De herplaatsing van een ambtenaar gebeurt in een vacante betrekking in zijn graad of in een graad van dezelfde rang of bij gebrek aan vacatures in overtal op die graad.

Hoe dan ook behoudt de ambtenaar zijn graad en de daaraan verbonden salarisschaal.

Art. V 8. De herplaatsing van de ambtenaar om medische redenen, in een andere functie die verenigbaar is met zijn gezondheidstoestand zoals bepaald in artikel V 5 - 2°, gebeurt in een graad van zijn rang of in een lagere rang.

In afwijking van artikel V 7 heeft deze herplaatsing de benoeming in de nieuwe graad tot gevolg. De ambtenaar wordt ingeschaald in de nieuwe salarisschaal overeenkomstig artikel XIII 19 § 2.

TITEL 3. - De overplaatsing Art. V 9. Voor de toepassing van deze titel wordt onder overplaatsing verstaan de overgang van een ambtenaar naar de instelling vanuit een andere instelling die over een gelijkaardig personeelsstatuut beschikt, zonder dat er een verandering van graad of een verhoging in graad mee gepaard gaat en nadat er een algemene oproep tot de kandidaten gedaan werd.

Art. V 10. De vacantverklaring van de betrekkingen die bij wijze van overplaatsing opgevuld worden gebeurt door de benoemende overheid en na advies van de directieraad.

Art. V 11. § 1. Het bericht dat een betrekking bij wijze van overplaatsing kan begeven worden, omvat inzake de te verlenen betrekking : 1° de graad;2° een functieomschrijving;3° het gewenste profiel. § 2. De kennisgeving van de vacature gebeurt door de publicatie van de oproep in het Belgisch Staatsblad. § 3. Om geldig te zijn moet de kandidaatstelling beantwoorden aan de voorschriften van het vacaturebericht en per aangetekende brief worden verzonden, binnen dertig kalenderdagen te rekenen vanaf de eerste werkdag na de datum van publicatie van het vacaturebericht in het Belgisch Staatsblad.

Voor de kandidaatstelling geldt de datum van de poststempel als indieningsdatum. De kandidaatstelling omvat een uiteenzetting van de aanspraken en wordt ingediend met het modelformulier dat als bijlage 3 bij dit besluit gevoegd is. § 4. De ambtenaar die zich kandidaat stelt voor een overplaatsing zendt een afschrift van zijn kandidaatstelling aan de leidend ambtenaar van de instelling waar hij is tewerkgesteld.

Art. V 12. § 1. De ambtenaar kan slechts een overplaatsing verkrijgen indien hij : 1° in dienst getreden is via een vergelijkend wervingsexamen georganiseerd door het Vast Wervingssecretariaat of de instelling;2° titularis is van de graad van de te verlenen betrekking;3° geen "onvoldoende" voor zijn functioneringsevaluatie heeft;4° zich in de administratieve toestand "dienstactiviteit" bevindt;5° voldoet aan de specifieke voorwaarden die overeenkomstig dit besluit voorgeschreven zijn om dat ambt uit te oefenen. § 2. De beslissing tot overplaatsing houdt rekening met : 1° de functiebeschrijving van de vacature en het gewenste profiel van de kandidaat;2° de functioneringsevaluatie;3° het advies bedoeld in artikel V 13. Art. V 13. De overplaatsing naar een betrekking van rang A2 en lager wordt verleend door de benoemende overheden, na advies van de directieraad van de ontvangende instelling.

Art. V 14. De overgeplaatste ambtenaar bekomt na zijn overplaatsing nooit een lagere wedde dan die welke hij op het tijdstip van zijn overplaatsing genoot. Hij behoudt zijn graad-, niveau-, dienst-, schaal- en geldelijke anciënniteit die hij op het tijdstip van zijn overplaatsing genoot.

DEEL VI. - DE AANWERVING TITEL 1. - De toelatingsvoorwaarden Artikel VI 1. § 1. Voor de toegang tot een ambt in de instelling gelden de volgende algemene toelatingsvoorwaarden : 1° een gedrag hebben dat in overeenstemming is met de eisen van de beoogde betrekking;2° de burgerlijke en politieke rechten genieten;3° aan de dienstplichtwetten voldoen; 4° de lichamelijke geschiktheid bezitten die vereist is voor het uit te oefenen ambt.;

De Sociaal-Medische Rijksdienst controleert de vereiste lichamelijke geschiktheid.

Het onderzoek wordt aangevraagd door de Vast Wervingssecretaris indien de aanwervingsprocedure via hem verloopt, of in het andere geval door de leidend ambtenaar. § 2. De ambten waarvoor in de functiebeschrijving en het profiel bepaald wordt dat zij een rechtstreekse of onrechtstreekse deelneming aan de uitoefening van het openbaar gezag inhouden of die werkzaamheden omvatten strekkende tot bescherming van de algemene belangen van de Vlaamse Gemeenschap worden voorbehouden voor Belgen.

TITEL 2. - De aanwerving HOOFDSTUK 1. - De aanwervingsvoorwaarden Art. VI 2. § 1. Als ambtenaar kan enkel worden aangeworven wie aan de volgende voorwaarden voldoet : 1° in het bezit zijn van een diploma of studiegetuigschrift, dat overeenkomt met het niveau van de te verlenen graad volgens de bij dit besluit gevoegde tabel als bijlage 4 en behalve de uitzonderingen bepaald door de Vast Wervingssecretaris; De diploma's of studiegetuigschriften die toegang verlenen tot een bepaald niveau kunnen in aanmerking worden genomen voor de toelating tot de graden van lagere niveaus voor zover dit uitdrukkelijk in de functiebeschrijving of het examenreglement wordt bepaald; 2° slagen voor het vergelijkend aanwervingsexamen georganiseerd door het Vast Wervingssecretariaat. § 2. De Vast Wervingssecretaris stelt bij het organiseren van een vergelijkend aanwervingsexamen de datum vast waarop de gegadigden moeten voldoen aan de algemene toelatingsvoorwaarden en de aanwervingsvoorwaarden, onverminderd de toepassing van artikel VI 3 § 2 wat het bezit van het vereiste diploma betreft. Hij staat in voor de controle van deze vereisten en voorwaarden met uitzondering van de lichamelijke geschiktheid.

Art. VI 3. In afwijking van artikel VI 2 - 2° worden ook de laatstejaarsscholieren tot het vergelijkend aanwervingsexamen toegelaten. De aldus toegelaten kandidaten kunnen slechts tot de stage worden toegelaten vanaf de dag waarop zij aan de Vast Wervingssecretaris het vereiste diploma of studiegetuigschrift hebben voorgelegd.

Art. VI 4. § 1. In overeenstemming met de aard van het ambt en op basis van de functiebeschrijving en het competentieprofiel kunnen na overleg met de Vast Wervingssecretaris, de volgende bijzondere aanwervingsvoorwaarden opgelegd worden : 1° een minimumleeftijd;2° bijzondere eisen inzake beroepsbekwaamheid en/of lichamelijke geschiktheid;3° het bezit van diploma's of studiegetuigschriften aan te wijzen onder die welke zijn opgesomd in de tabel als bijlage 4 bij dit besluit, of van bijzondere studie- of opleidingsdiploma's of getuigschriften. § 2. De Vast Wervingssecretaris stelt bij het organiseren van een vergelijkend aanwervingsexamen de datum vast waarop de gegadigden moeten voldoen aan de bijzondere aanwervingsvoorwaarden.

Hij staat in voor de controle van deze vereisten en voorwaarden met uitzondering van de bijzondere eisen inzake lichamelijke geschiktheid.

HOOFDSTUK 2. - De vergelijkende aanwervingsexamens Afdeling 1. - Algemene bepalingen Art. VI 5. De Vast Wervingssecretaris organiseert de vergelijkende aanwervingsexamens op aanvraag van de leidend ambtenaar van de instelling die hiertoe beslist binnen de perken van het door de minister, goedgekeurd aanwervingsplan.

De Vast Wervingssecretaris kondigt elk vergelijkend aanwervingsexamen ten minste aan in het Belgisch Staatsblad.

Art. VI 6. § 1. De Vast Wervingssecretaris bepaalt de modaliteiten van de vergelijkende aanwervingsexamens in overleg met de leidend ambtenaar.

Onder modaliteiten wordt verstaan : 1° de vaststelling van het huishoudelijk reglement betreffende de organisatie van de examens en de bekendmaking ervan;2° de vaststelling van het examenreglement waarin : a) de termijn waarbinnen de inschrijvingen kunnen worden aanvaard, wordt bepaald;b) het examenprogramma en de deelnemingsvoorwaarden worden vermeld en de datum wordt vastgesteld waarop aan deze voorwaarden moet worden voldaan;c) het aantal punten wordt bepaald dat aan het volledig examen, aan ieder examengedeelte en desgevallend aan de onderverdelingen ervan wordt toegekend;d) het minimum aantal punten wordt bepaald dat voor het volledig examen, voor ieder examengedeelte en eventueel voor de onderverdelingen ervan wordt vereist;3° de aanwijzing van de leden van de examencommissies;4° de bepaling van datum en plaats van het examen;5° de vaststelling van de lijst van de kandidaten;6° de oproeping van de kandidaten;7° het opmaken van het proces-verbaal dat de rangschikking van de geslaagden vaststelt;8° de kennisgeving aan de kandidaten van het behaalde resultaat. § 2. De Vast Wervingssecretaris bepaalt de samenstelling van de examencommissies.

Art. VI 7. § 1. De vergelijkende aanwervingsexamens worden georganiseerd voor benoeming in de graden van de laagste rang van elk niveau en eventueel in de graden van de andere rangen, opgenomen in bijlage 7 bij dit besluit. § 2. In afwijking van artikel VI 2, § 1 -2° mogen bij aanwerving in rang A2, de ambtenaren van de instelling van de onmiddellijk lagere rang meedingen indien geen specifiek universitair diploma vereist wordt en mits zij voldoen aan de andere gestelde voorwaarden.

Afdeling 2. - Het programma Art. VI 8. De leidend ambtenaar stelt de programma's van de vergelijkende aanwervingsexamens vast na overleg met de Vast Wervingssecretaris.

De programma's toetsen de vereiste geschiktheid van de kandidaten om de te verlenen functie uit te oefenen.

Voor een zelfde graad kunnen het programma van het vergelijkend aanwervingsexamen en dat van het vergelijkend examen voor overgang naar het andere niveau verschillend zijn.

Art. VI 9. De vergelijkende aanwervingsexamens bestaan uit drie gedeelten : 1° een gedeelte dat tot doel heeft de basisvaardigheden voor het uitoefenen van de te verlenen graad te evalueren;2° een gedeelte dat tot doel heeft de vaardigheden tot schriftelijke communicatie te evalueren;3° een gedeelte bestaande uit een interview dat tot doel heeft na te gaan of het profiel van de kandidaat overeenstemt met de specifieke vereisten van de functie. Alleen de kandidaten die geslaagd zijn voor de reeds georganiseerde gedeelten kunnen tot het volgende gedeelte worden toegelaten.

Wanneer de aard van de functies het wettigt, kan de leidend ambtenaar in overleg met de Vast Wervingssecretaris het vergelijkend aanwervingsexamen beperken tot één of twee gedeelten.

Art. VI 10. De Vast Wervingssecretaris bepaalt de duur en de volgorde van de verschillende examengedeelten.

Een mondeling examengedeelte wordt afgenomen in aanwezigheid van ten minste twee bijzitters.

Art. VI 11. Iedere gegadigde die voor een vergelijkend aanwervingsexamen inschrijft, ontvangt op aanvraag het reglement.

Afdeling 3. - Bijzondere bepalingen Art. VI 12. De leidend ambtenaar kan rekening houdend met de aanwervingsvooruitzichten gedurende de geldigheidstermijn van het examen, het maximum aantal kandidaten bepalen dat : - tot een volgend examengedeelte wordt toegelaten; - als geslaagd voor het volledig examen aanvaard kan worden.

Deze bepaling wordt opgenomen in het examenreglement.

Dit maximum wordt verminderd indien niet voldoende kandidaten het vastgestelde minimum aantal punten hebben behaald.

Het wordt verhoogd indien voor de laatste plaats meerdere kandidaten een gelijk aantal punten hebben behaald.

Art. VI 13. § 1. Indien de mogelijkheid in het examenreglement is voorzien, kan de leidend ambtenaar na het afsluiten van de inschrijvingen, wanneer hij oordeelt dat het aantal ingeschreven kandidaten dat rechtvaardigt, aan het programma van het vergelijkend aanwervingsexamen een voorselectie toevoegen. § 2. De examencommissie stelt op basis van de uitslagen van de voorselectie het aantal kandidaten vast dat tot het vergelijkend aanwervingsexamen kan worden toegelaten. § 3. Voor de rangschikking van de geslaagden voor het vergelijkend aanwervingsexamen wordt geen rekening gehouden met het resultaat van de voorselectie.

Art. VI 14. De Vast Wervingssecretaris stelt in het proces-verbaal van het examen de lijst van de geslaagden vast met vermelding van hun rangschikking. De eindrangschikking van het volledig examen wordt opgemaakt volgens het totaal aantal behaalde punten.

De geldigheidsduur van het examen begint te lopen vanaf de datum waarop het proces-verbaal voor het volledig examen wordt afgesloten.

De Vast Wervingssecretaris publiceert de uitslag van het vergelijkend aanwervingsexamen in het Belgisch Staatsblad.

Art. VI 15. § 1. Voor zover zulks in het examenreglement wordt bepaald, kan de leidend amb-tenaar beslissen dat de geslaagde kandidaten worden gerangschikt volgens de door hen behaalde uitslag in het eerst georganiseerde gedeelte van het examen. § 2. Voor het tweede gedeelte worden de geslaagden voor het eerste gedeelte, in de volgorde van hun rangschikking, opgedeeld in groepen.

Het tweede gedeelte wordt dan per groep afgenomen. De geslaagden behouden voor dit gedeelte de rangschikking die zij behaalden voor het eerste gedeelte. Alleen de kandidaten die slagen voor de eerste twee gedeelten worden in de aanwervingsreserve opgenomen. § 3. Een derde gedeelte wordt georganiseerd wanneer een aanwervingsaanvraag vergezeld is van een functiebeschrijving.

De betrekkingen met functiebeschrijving worden uitsluitend toegekend aan de kandidaten die na het derde gedeelte door de examencommissie aanvaard worden en dit in de volgorde van de rangschikking verkregen in het eerste gedeelte. Zij die niet aanvaard worden, blijven in de wervingsreserve bedoeld bij § 2. § 4. Na elk examengedeelte wordt een proces-verbaal opgemaakt.

De geldigheidsduur van het examen begint te lopen vanaf de datum waarop het proces-verbaal van het eerste gedeelte wordt afgesloten.

Art. VI 16. Indien voor een bepaalde betrekking bijzondere bijkomende vereisten worden gesteld, kunnen de in een bestaande reserve opgenomen kandidaten onderworpen worden aan een bijkomende selectietest.

De geslaagden voor deze test worden voor deze betrekking opgenomen in een bijkomende afzonderlijke rangschikking in volgorde van de door hen behaalde punten.

Art. VI 17. Wanneer vergelijkende aanwervingsexamens georganiseerd worden voor graden van een zelfde rang of van verschillende rangen volgens geheel of gedeeltelijk gelijke examenprogramma's kan de Vast Wervingssecretaris een aanwervingsexamen organiseren bestaande uit een gemeenschappelijk gedeelte en uit afzonderlijke gedeelten voor elk van de betrokken graden.

Wanneer het programma hetzelfde is voor verschillende graden wordt er slechts één rangschikking opgesteld.

Art. VI 18. Wanneer de Vast Wervingssecretaris in de loop van een examen vaststelt dat een kandidaat niet voldoet of niet zal kunnen voldoen aan één van de voorwaarden om tot een vacante betrekking te worden toegelaten, sluit hij hem uit het examen en deelt hij hem zijn gemotiveerde beslissing mee.

Art. VI 19. Na het afsluiten van het proces-verbaal van het vergelijkend aanwervingsexamen vergewist de Vast Wervingssecretaris zich ervan dat de geslaagden aan de gestelde vereisten voldoen. Zij die voldoen worden door hem toegelaten verklaard.

Wanneer hij van oordeel is dat een nader onderzoek moet uitmaken of een kandidaat al dan niet een gedrag heeft dat in overeenstemming is met de eisen van de te verlenen betrekking, wordt de kandidaat hiervan in kennis gesteld en voorlopig uitgesloten.

Art. VI 20. Na het afsluiten van het proces-verbaal van het vergelijkend examen worden de geslaagden die aan de gestelde eisen voldoen, in de orde van hun rangschikking, tot de stage toegelaten in de graad waarnaar zij hebben meegedongen.

De geslaagden die voorlopig werden geweerd doch naderhand aan de gestelde eisen voldoen, worden tot de stage toegelaten in de graad waarvoor zij hebben medegedongen. Zij die aan deze eisen niet voldoen, worden uitgesloten.

Art. VI 21. De toelaatbaar verklaarde geslaagde mag zijn voorkeur voor een bepaalde dienstaanwijzing laten kennen. Met zijn voorkeur wordt volgens de volgorde van zijn rangschikking rekening gehouden.

Diegene die zijn voorkeur voor één of meer betrekkingen laat kennen, verbindt er zich toe de betrekking die hem wordt toegewezen te aanvaarden. Hij die na deze aanvaarding weigert in dienst te treden, wordt van de lijst bedoeld in artikel VI 14, eerste lid, geschrapt.

Diegene die wegens persoonlijke redenen uitstel van keuze vraagt, verliest het voordeel van zijn plaats in de rangschikking. Na het intrekken van zijn uitstel neemt hij zijn oorspronkelijke plaats in de rangschikking opnieuw in.

Art. VI 22. De geslaagden voor een vergelijkend aanwervingsexamen behouden het voordeel van hun uitslag gedurende vier jaar te rekenen van de datum van het proces-verbaal van het vergelijkend examen, tenzij de leidend ambtenaar om dienstredenen een andere termijn bepaalt. Een kortere geldigheidsduur wordt uitdrukkelijk en vooraf vastgesteld in het examenreglement. De verlenging van de wervingsreserve is mogelijk om dienstredenen.

De beslissing om een andere termijn te bepalen of om de termijn te verlengen wordt gemotiveerd.

Onder geslaagden van twee of meer vergelijkende aanwervingsexamens, wordt voorrang verleend aan de geslaagden van het vergelijkend examen waarvan het proces-verbaal het vroegst is afgesloten.

TITEL 3. - De aanwerving van personen met een handicap Art. VI 23. Deze titel stelt de bepalingen inzake aanwerving vast die in afwijking van het statuut van de ambtenaar worden getroffen om de aanwerving van personen met een handicap bij de instelling te bevorderen.

Het is van toepassing op personen met een handicap die ingeschreven zijn bij het Vlaams Fonds voor Sociale Integratie van Personen met een Handicap, hierna te noemen het V.F.S.I.P.H. Art. VI 24. § 1. De gerechtigde op deze titel moet voldoen aan de aanwervingsvoorwaarden van de ambtenaar.

Evenwel worden bij de organisatie van het vergelijkend aanwervingsexamen in overleg met de Vast Wervingssecretaris de hinderpalen verbonden aan de handicap zoveel mogelijk weggewerkt door het aanbieden van aangepaste faciliteiten. § 2. In afwijking van § 1, eerste lid, wordt de ambtenaar die in aanmerking komt voor een betrekking van niveau D of E vrijgesteld van het vergelijkend aanwervingsexamen.

Art. VI 25. Het contingent personen met een handicap dat prioritair en op basis van de vacatures, binnen de niveaus D en E werk krijgt, bedraagt 2 procent van het aantal voor deze niveaus voorziene betrekkingen op de personeelsformatie.

Art. VI 26. § 1. Zolang het contingent niet bereikt is, onderzoekt de leidend ambtenaar in overleg met het V.F.S.I.P.H. en het Vast Wervingssecretariaat en op basis van de functiebeschrijving van de vacature en de profielvereisten van de kandidaat, welke personen met een handicap in aanmerking komen voor de vacatures. § 2. De namen van de geselecteerde personen met een handicap worden samen met een gemotiveerd verslag voor beslissing aan de leidend ambtenaar voorgelegd.

TITEL 4. - Bijzondere bepalingen met betrekking tot de aanwerving van de leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaar Art. VI 27. Als leidend ambtenaar en adjunct-leidend ambtenaar kan enkel worden aangeworven wie aan de volgende voorwaarden voldoet : 1° de in artikel VI 1 bepaalde toelatingsvoorwaarden vervullen. In afwijking van § 1 laatste lid van dit artikel wordt het onderzoek naar de lichamelijke geschiktheid aangevraagd door de minister in het geval van aanwerving van de leidend ambtenaar en door de leidend ambtenaar in het geval van aanwerving van de adjunct-leidend ambtenaar. 2° aan de hiernavolgende bijzondere aanwervingsvoorwaarden voldoen : - in het bezit zijn van een diploma dat toegang verleent tot niveau A volgens de bij dit besluit gevoegde tabel als bijlage 4 : - slagen voor een selectieproef waarbij zal worden nagegaan of de kandidaat over voldoende leidinggevende capaciteiten beschikt. Deze voorselectie kan uitgevoerd worden ofwel door een extern advieskantoor, ofwel door het Vast Wervingssecretariaat.

Art. VI 28. § 1. De vacantverklaring van de betrekkingen van leidend ambtenaar en adjunct-leidend ambtenaar gebeurt door de Vlaamse regering. § 2. De kennisgeving van de vacature gebeurt via de publicatie van de oproep in het Belgisch Staatsblad. § 3. Het vacaturebericht omvat inzake de te verlenen betrekkingen : 1° de toelatings- en aanwervingsvoorwaarden;2° een functiebeschrijving;3° het gewenste profiel;4° de salarisschalen;5° de termijn en de modaliteiten voor het indienen van de kandidaatstelling, overeenkomstig de bepalingen van § 4 en in voorkomend geval de voor te leggen stukken. § 4. Om geldig te zijn moet de kandidaatstelling beantwoorden aan de voorschriften van het vacaturebericht en per aangetekende brief worden ingediend binnen dertig dagen te rekenen vanaf de eerste werkdag na de datum van publicatie van het vacaturebericht in het Belgisch Staatsblad.

Voor de kandidaatstelling geldt de datum van de poststempel als indieningsdatum. De kandidaatstelling omvat een uiteenzetting van de aanspraken.

TITEL 5. - Overgangsbepalingen Art. VI 29. De geldigheidsduur van de volgende wervingsexamens die specifiek voor de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest werden georganiseerd worden verlengd als volgt : 1° met twee jaar voor wat betreft het examen voor ingenieur (scheikunde milieusanering) (AN.90103A); het examen voor industrieel ingenieur (mechanica, electromechanica, bouwkunde)(AN 91078 A D) en het examen voor tekenaar (AN 91077A); 2° met vier jaar voor wat betreft het examen voor ingenieur (AN 91099 A-D) en voor industrieel ingenieur (chemie landbouw) (AN 91079). DEEL VII. - DE STAGE EN DE BENOEMING TOT AMBTENAAR TITEL 1. - De stage HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen Artikel. VII 1. De geslaagde voor een vergelijkend aanwervingsexamen wordt door de Vast Wervingssecretaris, na controle van de toelatings- en aanwervingsvoorwaarden, toegelaten verklaard in de orde van zijn rangschikking.

Art. VII 2. De leidend ambtenaar 1° laat de toelaatbaar verklaarde geslaagde voor een vergelijkend aanwervingsexamen tot de stage toe;2° laat de geslaagde voor een vergelijkend examen voor overgang naar het andere niveau tot de stage toe in de orde van zijn rangschikking. De stagiair wordt geacht de graad te bezitten waarvoor hij zich kandidaat heeft gesteld.

De leidend ambtenaar geeft de stagiair een voorlopige dienstaanwijzing.

Art. VII 3. De geslaagde voor een vergelijkend aanwervingsexamen mag tot de stage toegelaten worden alvorens zijn lichamelijke geschiktheid is gecontroleerd.

Als hij nadien aan deze vereiste niet voldoet, wordt hij ambtshalve ontslagen.

Ten laatste op de datum van dit ontslag van ambtswege wordt met de betrokkene een arbeidsovereenkomst voor een bepaalde duur afgesloten.

Deze duur is gelijk aan de minimumduur die in zijn geval wordt opgelegd om het voordeel van de werkloosheidsuitkeringen te kunnen genieten. Wanneer hij op de datum waarop deze overeenkomst begint te lopen arbeidsongeschikt is of wanneer hij dat wordt tijdens de uitvoering ervan, wordt hem in het eerste geval een salaris uitbetaald gedurende zes maanden en in het tweede geval gedurende de periode nodig om de wachttijd te dekken voor de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, sector uitkeringen.

HOOFDSTUK 2. - Nadere bepalingen Art. VII 4. Het personeelslid dat geslaagd is voor een vergelijkend aanwervingsexamen wordt uiterlijk op de eerste dag van de derde maand volgend op die waarin de Vast Wervingssecretaris de geslaagden beschikbaar voor de instelling heeft gesteld, uitgenodigd om in dienst te treden. Hij wordt aangewezen voor een vacante betrekking op de personeelsformatie.

Wanneer het personeelslid een opzeggingsperiode moet volbrengen in toepassing van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, wordt de in het vorig lid vastgestelde termijn verlengd tot de eerste dag van de maand die volgt op de datum waarop de opzegging verstrijkt.

Voor zover er vacante betrekkingen zijn en de benoemende overheid heeft gekozen voor bevordering van geslaagden voor een vergelijkend overgangsexamen, wordt het personeelslid dat geslaagd is voor een vergelijkend overgangsexamen tot de stage toegelaten met ingang van de eerste van de maand volgend op de datum van het proces-verbaal van het examen.

Indien de vacature of de beslissing respectievelijk later ontstaan of genomen is dan de datum van het proces-verbaal, wordt het personeelslid tot de stage toegelaten met ingang van de eerste van de maand aansluitend bij het ontstaan van de vacature of de beslissing.

Art. VII 5. De stage van de stagiair verloopt onder leiding van de opdrachthouder voor de vorming.

Bij ontstentenis van een opdrachthouder voor de vorming in de instelling worden de taken die inzake stagebegeleiding aan de opdrachthouder voor de vorming toevertrouwd zijn, uitgeoefend door de vormingsverantwoordelijke.

De vormingsverantwoordelijke wordt onder de ambtenaren van de instelling aangeduid door de leidend ambtenaar.

Art. VII 6. De leidend ambtenaar kan, op eigen initiatief of op voorstel van de opdrachthouder voor de vorming of de vormingsverantwoordelijke de dienstaanwijzing tijdens de stage wijzigen.

HOOFDSTUK 3. - Duur van de stage Art. VII 7. De duur van de stage bedraagt : - in niveau A : 12 maanden; - in niveau B : 9 maanden; - in niveau C : 6 maanden; - in niveau D : 4 maanden; - in niveau E : 4 maanden.

Art. VII 8. § 1. Om de duur van de verrichte stage te berekenen worden alle perioden waarin de stagiair in actieve dienst is in aanmerking genomen. § 2. De stagiair beschikt over een bonus aan werkdagen afwezigheid die niet meetelt bij het berekenen van de duur van de stage, zoals hierna vermeld naast de stageduur : - 12 maanden : 25 werkdagen; - 9 maanden : 20 werkdagen; - 6 maanden : 15 werkdagen; - 4 maanden : 10 werkdagen.

Deze bonus kan in een keer of gefractioneerd gebruikt worden.

In deze bonus aan werkdagen wordt geen rekening gehouden met de jaarlijkse vakantie. § 3. Afwezigheid boven de in § 2 vermelde bonus, zelfs de afwezigheid die met dienstactiviteit gelijkgesteld wordt, heeft schorsing van de stage tot gevolg. § 4. Tijdens de schorsing van de stage behoudt de stagiair zijn hoedanigheid van stagiair; zijn administratieve toestand wordt vastgesteld overeenkomstig de bepalingen die op hem van toepassing zijn tijdens zijn afwezigheid. § 5. Tijdens de periode waarin de einddatum van de stage overschreden wordt, behoudt de stagiair zijn hoedanigheid van stagiair.

HOOFDSTUK 4. - Programma Afdeling 1. - Gemeenschappelijke bepalingen Art. VII 9. De opdrachthouder voor de vorming of de vormingsverantwoordelijke organiseert binnen de eerste maand na de begindatum van de stage, met uitzondering van de maand augustus, de ontvangst voor de stagiairs van alle niveaus; hij bepaalt in overleg met de leidend ambtenaar de inhoud en de nadere bepalingen van de ontvangst.

Art. VII 10. De vormingsactiviteiten voor de stagiair bestaan uit een verplicht en uit een vrij gedeelte.

De verplichte en de vrije activiteiten samen mogen maximum één vierde van de stageduur in beslag nemen.

Afdeling 2. - Stage niveau A Art. VII 11. § 1. Het verplichte vormingsgedeelte voor de stagiair van niveau A omvat : 1° cursussen op het gebied van administratief recht, voornamelijk de rechtspositie van de ambtenaar, financiën en begroting, informatica, communicatievaardigheden en veiligheid op het werk;deze cursussen worden aangepast aan de voorkennis en vooropleiding van de stagiair; 2° een opleiding in overheidsmanagement;3° het schrijven van een stagerapport;4° een introductie in de afdelingen van de instelling;5° een introductie in de materie van de instelling. § 2. De opdrachthouder voor de vorming of de vormingsverantwoordelijke bepaalt de nadere bepalingen van het programma bedoeld in § 1, 1° tot en met 5° in overleg met de leidend ambtenaar.

Het afdelingshoofd keurt het onderwerp van het rapport bedoeld in § 1, 3° goed. Art. VII 12. De opdrachthouder voor de vorming of de vormingsverantwoordelijke keurt, in overleg met de leidend ambtenaar, het vrije vormingsgedeelte voor de stagiair van niveau A goed na advies van het afdelingshoofd.

Afdeling 3. - Stage niveau B, C, D en E Art. VII 13. De opdrachthouder voor de vorming of de vormingsverantwoordelijke stelt de vormingsactiviteiten vast waaraan de stagiair van de niveaus B, C, D en E die onder zijn toezicht staat moet deelnemen.

Art. VII 14. Het verplichte vormingsgedeelte voor de stagiair van niveau B en C omvat een minimale opleiding in de domeinen vermeld in artikel VII 11, § 1- 1°.

Art. VII 15. Het verplichte vormingsgedeelte voor de stagiair van niveau D en E omvat een minimale opleiding inzake de rechtspositie van het personeel van de instelling en de veiligheid op het werk.

HOOFDSTUK 5. - Evaluatie van de stagiair Afdeling 1. - Evaluatiecriteria Art. VII 16. Elke stagiair wordt begeleid door een ambtenaar van zijn afdeling hierna te noemen de begeleidingsambtenaar.

Art. VII 17. Er wordt maandelijks voor de stagiair van niveau D en E en driemaandelijks voor de stagiair van niveau A, B en C, door de begeleidingsambtenaar na een gesprek met de stagiair, een verslag gemaakt van de wijze van functioneren volgens het model vastgesteld door de opdrachthouder voor de vorming of de vormingsverantwoordelijke.

Het maandelijks en het driemaandelijks verslag van de stagiair wordt ter kennisgeving toegestuurd aan de opdrachthouder voor de vorming of de vormingsverantwoordelijke en aan het afdelingshoofd, en wat de stagiair van niveau A betreft tevens aan de leidend ambtenaar.

Op het einde van de stage wordt, na een gesprek met de stagiair, een samenvattend eindverslag gemaakt door de begeleidingsambtenaar en de opdrachthouder voor de vorming of de vormingsverantwoordelijke en voor de stagiair van niveau A tevens door het afdelingshoofd.

In dit eindverslag wordt door de in het voorgaande lid vermelde ambtenaren geëvalueerd voor welke vacante betrekking de stagiair op basis van zijn capaciteiten het best wordt aangewezen.

Het eindverslag wordt opgemaakt binnen dertig kalenderdagen te rekenen vanaf de einddatum van de stage, zoniet wordt de stage geacht gunstig te zijn.

Dit eindverslag wordt toegestuurd aan de benoemende overheid.

Art. VII 18. Ieder verslag wordt onverwijld ter kennisgeving aan de stagiair toegestuurd die het viseert en er eventueel zijn opmerkingen aan toevoegt. Het wordt in zijn persoonlijk dossier opgenomen.

Afdeling 2. - Ongeschiktheid van de stagiair Art. VII 19. Indien het eindverslag niet gunstig is of indien de stagiair van niveau A verzuimt een stagerapport in te dienen, betekent de benoemende overheid aan de stagiair een gemotiveerd voorstel naargelang het geval tot afdanking of tot terugplaatsing in de vorige graad en betrekking.

Art. VII 20. De stagiair kan tegen het voorstel tot negatieve evaluatie van de stage dat afdanking of terugplaatsing omvat beroep aantekenen bij de Raad van Beroep.

Art. VII 21. De stagiair dient beroep in te stellen bij aangetekend schrijven binnen vijftien kalenderdagen nadat het voorstel tot afdanking of terugplaatsing in de vorige graad en betrekking hem meegedeeld werd.

Art. VII 22. De Raad van Beroep brengt binnen de dertig kalenderdagen nadat de zaak aanhangig gemaakt werd een met redenen omkleed advies uit bij de benoemende overheid.

Indien de raad verzuimt het in het vorige lid bepaalde te respecteren, behandelt men het beroep alsof er een gunstig advies werd gegeven.

Art. VII 23. De benoemende overheid beslist binnen de vijftien kalenderdagen na ontvangst van het advies van de raad.

Art. VII 24. Met ingang van de eerste werkdag volgend op het verstrijken van de termijn voor het instellen van beroep of op de beslissing tot afdanking of terugplaatsing door de benoemende overheid, wordt hetzij met de stagiair een arbeidsovereenkomst voor een bepaalde duur van drie maanden afgesloten die overeenstemt met een opzeggingstermijn van dezelfde duur of wordt de stagiair ambtshalve teruggeplaatst in zijn vorige graad en betrekking.

Art. VII 25. § 1. Voor elke zware fout begaan tijdens de stage kan de stagiair zonder opzegging worden afgedankt.

Een zware fout moet vastgesteld worden binnen drie werkdagen door een hiërarchische meerdere van niveau A. Deze laatste hoort, samen met de leidend ambtenaar, de stagiair binnen de in het vorige lid vermelde tijdspanne. De stagiair kan zich hierbij laten bijstaan door een raadgever. Van de verklaring van de stagiair wordt een verslag gemaakt. Behoudens in geval van aanmaning, motiveert de leidend ambtenaar binnen drie werkdagen na het horen van de stagiair, in een aangetekend verzonden brief het ontslag om dringende redenen. § 2. De afdanking wordt uitgesproken door de benoemende overheid.

TITEL 2. - De benoeming tot ambtenaar Art. VII 26. § 1. Tot ambtenaar kan enkel worden benoemd wie aan de volgende voorwaarden voldoet : 1° de voor de te verlenen betrekking bepaalde toelatingsvoorwaarden vervullen en aan de aanwervingsvoorwaarden voldaan hebben;2° met goed gevolg de stage volbracht hebben;3° lichamelijk geschikt bevonden zijn. § 2. In afwijking van § 1 kan de stagiair van wie de lichamelijke geschiktheid niet met zekerheid beoordeeld kon worden tijdens de stage, onder voorbehoud benoemd worden.

De totale duur van benoeming onder voorbehoud kan een termijn van vijf jaar, te rekenen vanaf de datum van het eerste geneeskundig onderzoek, niet overschrijden.

Gedurende deze periode van vijf jaar is de regeling inzake de lichamelijke ongeschiktheidsverklaring tijdens de stage, bedoeld in artikel VII 3 van toepassing. § 3. In afwijking van § 1, 2° doorlopen de leidend ambtenaar en de adjunct- leidend ambtenaar geen stage.

Art. VII 27. De tot benoemen bevoegde overheid is de minister voor de ambtenaar van rang A2 en de leidend ambtenaar voor de ambtenaar van rang A1 en van de niveaus B, C, D en E. De leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaar worden benoemd door de Vlaamse regering.

Art. VII 28. De bevoegde overheid benoemt de stagiair tot ambtenaar in de graad waarin hij tot de stage toegelaten werd op basis van het eindverslag bedoeld in artikel VII 17, derde lid of na advies van de Raad van Beroep.

Art. VII 29. Voor de berekening van zijn salarisanciënniteit en van de administratieve anciënniteiten wordt uitgegaan van de dag waarop de stagiair zijn stage is begonnen.

Art. VII 30. De stagiair legt, wanneer hij tot de stage wordt toegelaten, de eed af in handen van de leidend ambtenaar. De leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaar leggen de eed af in de handen van de minister.

Art. VII 31. De eed luidt als volgt : "Ik zweer getrouwheid aan de Koning, gehoorzaamheid aan de Grondwet en aan de wetten van het Belgische volk".

Art. VII 32. Indien de stagiair weigert de eed af te leggen is zijn aanstelling als stagiair van rechtswege nietig.

TITEL 3. - Overgangsbepalingen Art. VII 33. Het doorlopen van een stage is in afwijking van artikel VII 2, 2° niet van toepassing op de geslaagde voor een vergelijkend examen voor overgang naar het andere niveau, dat georganiseerd werd vóór 31 december 1994 en dat afgesloten werd vóór 31 december 1995.

Art. VII 34. De stagiair die tot de stage toegelaten werd vóór 1 januari 1995, zet zijn stage voort overeenkomstig de reglementaire bepalingen die van kracht waren op de datum van het begin van de stage, uitgezonderd wat betreft de terzake bevoegde organen en de te volgen procedureregels.

DEEL VIII. - DE ADMINISTRATIEVE LOOPBAAN TITEL 1. - De personeelsformatie en de hiërarchie van de graden Artikel VIII 1. De personeelsformatie is de lijst van het aantal betrekkingen die de instelling nodig heeft om de permanente taken die voortvloeien uit haar opdrachten uit te voeren.

Art. VIII 2. § 1. De personeelsformatie stelt het aantal betrekkingen vast per niveau en per rang en de overeenkomstige graadbenamingen. Ze wordt in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. § 2. Er wordt voor de instelling een organogram opgemaakt door de directieraad, waarover overleg gepleegd wordt in het bevoegde overlegcomité, en dat door de minister wordt bekrachtigd.

Art. VIII 3. De hiërarchie van de graden omvat vijf niveaus en twaalf rangen.

Art. VIII 4. De vijf niveaus overeenstemmend met het ernaast vermelde vereiste onderwijsniveau zijn : 1° niveau A : universitair onderwijs en hoger onderwijs van het lange type gelijkgesteld met universitair niveau;2° niveau B : hoger onderwijs van het korte type of daarmee gelijkgesteld onderwijs;3° niveau C : secundair onderwijs of daarmee gelijkgesteld onderwijs;4° niveau D : geen diploma;5° niveau E : geen diploma. De lijst van diploma's die toegang geven tot de verschillende niveaus gaat als bijlage 4 bij dit besluit.

Art. VIII 5. De rang bepaalt de betrekkelijke waarde van een graad binnen zijn niveau.

Elke rang wordt aangeduid met een letter en een cijfer. De letter geeft het niveau aan, het cijfer situeert de rang in zijn niveau.

De vijf niveaus omvatten het volgende aantal rangen : niveau A : vijf rangen, genummerd A1, A2, A2A, A2L, A3 niveau B : twee rangen, genummerd B1 en B2 niveau C : twee rangen, genummerd C1 en C2 niveau D : twee rangen, genummerd D1 en D2 niveau E : één rang, genummerd als E1.

Binnen elk niveau worden de rangen genummerd volgens hun plaats in de hiërarchie, waarbij de hoogste rang het hoogste cijfer toegewezen krijgt. Binnen niveau A is de rang A2L hoger dan de rang A2A en de rang A2A is hoger dan de rang A2.

Art. VIII 6. De graad is de titel die de ambtenaar in een rang situeert en hem machtigt tot het bekleden van een betrekking die met die graad overeenstemt.

Art. VIII 7. De graden worden over de verschillende niveaus en rangen verdeeld overeenkomstig de bijlage 5 bij dit besluit.

TITEL 2. - De functioneringsevaluatie HOOFDSTUK 1. - Definities en toepassingsgebied Art. VIII 8. « § 1. Voor de toepassing van deze titel en van dit besluit wordt verstaan onder : 1° de functioneringsevaluatie : het beoordelen van het functioneren van de functiehouder in de huidige functie ten opzichte van vooraf bepaalde verwachtingen. In het begin van de evaluatieperiode worden de verwachtingen ten aanzien van resultaten en functioneren bepaald (de planning). Na afloop van de evaluatieperiode worden de resultaten en het functioneren beoordeeld ten opzichte van deze verwachtingen (de vaststelling van de evaluatie). 2° de functiebeschrijving : de beschrijving van een aantal relatief permanente aspecten van een functie zoals het doel van de functie, de resultaatsgebieden en de functioneringscriteria. De resultaatsgebieden zijn de explicitering op welke domeinen welke resultaten verwacht worden in de functie (het « wat »).

De functioneringscriteria zijn de criteria die bepalend zijn voor het goed uitoefenen van een functie (het « hoe »).

De onderscheiden criteria worden opgenomen in een algemene lijst die als bijlage 12 bij dit besluit wordt gevoegd. 3°. de hiërarchische meerdere : enerzijds de leidend ambtenaar, de adjunct-leidend ambtenaar en de afdelingshoofden ten overstaan van de onder hun gezag staande personeelsleden en anderzijds de ambtenaar die is aangewezen door het afdelingshoofd, of bij ontstentenis door de leidend ambtenaar of adjunct-leidend ambtenaar, om gezag uit te oefenen over een aantal personeelsleden met een lagere rang dan de zijne.

De onmiddellijke hiërarchische meerdere is de hiërarchische meerdere die het dichtst in rang staat tot het onder zijn gezag staand personeel. Hij treedt op als eerste evaluator. » § 2. De functioneringsevaluatie is verplicht voor elke ambtenaar die zich in de administratieve toestand dienstactiviteit bevindt.

HOOFDSTUK 2. - Inhoud van de functioneringsevaluatie Art. VIII 9. De functioneringsevaluatie dient op een zorgvuldige wijze te gebeuren.

Art. VIII 10. §. 1. Een opleiding tot evaluator is verplicht voor alle ambtenaren die met functioneringsevaluatie belast zijn. Alleen de functioneringsevaluaties opgemaakt door ambtenaren die deze opleiding hebben gevolgd, zijn geldig.

De evaluatoren volgen de opleiding, georganiseerd door de administratie Personeelsontwikkeling van het ministerie van de Vlaamse gemeenschap of een gelijkwaardige opleiding. § 2. De evaluatoren worden geëvalueerd op de kwaliteit van de functioneringsevaluaties die zij opmaken. § 3. In het begin van elke evaluatieperiode bespreekt de geëvalueerde met een evaluator de concrete verwachtingen ten aanzien van de resultaten en het functioneren.

De formele vaststelling door de evaluatoren in onderlinge overeenstemming van deze verwachtingen qua resultaten en functioneren dient ook schriftelijk aan de geëvalueerde te worden toegestuurd.

Bij deze planning van de prestaties vertrekken de evaluatoren en de geëvalueerde van alle beschikbare informatie over de functie, zoals onder meer de resultaatsgebieden en de functioneringscriteria, de resultaten van voorbije evaluaties en de doelstellingen van de entiteit.

De geëvalueerde krijgt inzage in de functiebeschrijvingen en de doelstelling van de eerste evaluator van de naasthogere rang. § 4. Ingevolge onvoorziene wijzigingen in de doelstellingen of de organisatie van de werkzaamheden kunnen de verwachtingen qua resultaten en functioneren van de geëvalueerde aangepast worden. Deze aanpassing dient op dezelfde zorgvuldige manier te worden besproken en toegelicht als bij het begin van de evaluatieperiode. Zij dient ook schriftelijk aan de geëvalueerde te worden toegestuurd. § 5. Na afloop van elke evaluatieperiode wordt de geëvalueerde uitgenodigd voor een evaluatiegesprek. Tijdens dit evaluatiegesprek geeft de geëvalueerde ook zijn eigen visie weer op zijn functioneren tijdens de evaluatieperiode.

Het evaluatiegesprek wordt gevoerd tussen de geëvalueerde en één evaluator. Op verzoek van de geëvalueerde of één van zijn evaluatoren, gebeurt het evaluatiegesprek met de twee evaluatoren. § 6. Na het evaluatiegesprek wordt het definitieve beschrijvende evaluatieverslag opgesteld door de evaluatoren. Het beschrijvend evaluatieverslag omvat geen samenvattende waardering of einduitspraak over de geëvalueerde, behalve indien de evaluatoren oordelen dat hij de vermelding « onvoldoende » verdient.

De geëvalueerde kan zijn opmerkingen toevoegen aan het evaluatieverslag.

HOOFDSTUK 3. - Het evaluatiedossier Art. VIII 11. Over elke ambtenaar wordt een jaarlijks individueel evaluatiedossier aangelegd. Het omvat : 1. de functiebeschrijving als relatief permanente basis;2. de beschrijving van de verwachtingen ten aanzien van resultaten en functioneren in de evaluatieperiode, zoals geformuleerd in het begin van deze periode, en gedurende de periode zoals bedoeld in artikel VIII 10 § 4;3. de persoonlijke nota's bedoeld in art.VIII 14 en de opmerkingen die de ambtenaar erbij heeft geformuleerd; 4. de uitslagen die de belanghebbende ambtenaar tijdens dat jaar heeft behaald in de loopbaanexamens;5. de definitieve beschrijvende evaluatieverslagen en hun bijlagen zoals bedoeld in art.VIII 27 § 1; 6. de beslissingen in beroep, bedoeld in artikel VIII 28 en VIII 29;7. de staat van tuchtstraffen uitgesproken in het evaluatiejaar, vermeld in artikel IX 26. Het evaluatiedossier is ter beschikking van alle instanties bevoegd voor het individueel personeelsbeheer.

Art. VIII 12. Geen enkel document kan in het evaluatiedossier worden opgenomen zonder dat de belanghebbende ambtenaar voor kennisneming heeft getekend.

Art. VIII 13. Elke ambtenaar kan op elk ogenblik kennis nemen van zijn evaluatiedossier.

Art. VIII 14. De persoonlijke nota's bedoeld in artikel VIII 11, eerste lid, 3° handelen over de behaalde resultaten en/of over het functioneren. Zij handelen eventueel over gebeurtenissen of gedragingen buiten de dienst die de ambtsuitoefening kunnen beïnvloeden of in het gedrang brengen.

Deze persoonlijke nota's omvatten een nauwkeurig relaas van alle gunstige of ongunstige feiten die als evaluatiegrond kunnen dienen.

Telkens de evaluatoren dat nodig achten, of op gemotiveerd verzoek van de belanghebbende ambtenaar, stellen de evaluatoren een persoonlijke nota op over feiten die hoogstens één maand voor de ondertekening van de nota plaatshadden.

Een persoonlijke nota wordt eveneens opgemaakt telkens de ambtenaar, gedurende een door de evaluatoren voldoende significant geachte periode ter beschikking wordt gesteld van een project. De projectleider is verantwoordelijk voor het opstellen van de persoonlijke nota.

Elke persoonlijke nota wordt onmiddellijk aan de belanghebbende ambtenaar voorgelegd. Hij viseert dit document, krijgt er een afschrift van en beschikt over vijftien kalenderdagen om zijn eventuele opmerkingen te formuleren.

Indien de ambtenaar opmerkingen formuleert, dan worden deze aan de nota toegevoegd en opgenomen in het evaluatiedossier.

HOOFDSTUK 4. - De evaluatieperiode Art. VIII 15. De functioneringsevaluatie gebeurt jaarlijks. Voor elke ambtenaar loopt het evaluatiejaar van 1 januari tot en met 31 december.

De ambtenaar die tijdens het jaar slechts een gedeeltelijke periode in dienst is, wordt geëvalueerd voor de duur van deze periode.

De stagiair die in de loop van het jaar benoemd wordt tot ambtenaar, wordt geëvalueerd voor de periode vanaf de vaste benoeming tot het einde van het jaar.

Art. VIII 16. § 1. De evaluatie over het afgelopen evaluatiejaar heeft plaats in januari en februari van het volgend jaar. Het beschrijvend evaluatieverslag dient uiterlijk op 15 maart aan de geëvalueerde te worden toegestuurd. De planning voor het nieuwe evaluatiejaar dient eveneens op dat tijdstip te zijn gefinaliseerd. § 2. De evaluatie gaat door ook indien tijdens de maanden januari en februari : 1° de geëvalueerde niet beschikbaar is;2° de te bevragen ambtenaren of de minister bedoeld in artikel VIII 18 niet bereikbaar zijn. HOOFDSTUK 5. - De instanties bevoegd voor het opmaken van evaluaties en van persoonlijke nota's Afdeling 1. - De instanties bevoegd voor het opmaken van de evaluaties Art. VIII 17. Met uitzondering van de adjunct leidend ambtenaar worden alle ambtenaren van rang A2 en lager geëvalueerd door minstens twee hiërarchische meerderen. De evaluatoren behoren tot minstens twee verschillende rangen.

Art. VIII 18. De leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaar worden geëvalueerd door de Vlaamse regering, op basis van een verslag van een externe evaluatie-instantie die daartoe door haar wordt aangesteld. Ter voorbereiding van deze functioneringsevaluatie bevraagt deze externe evaluatie-instantie de minister. Daarnaast bevraagt zij ook de afdelingshoofden die onder het hiërarchisch gezag van de betrokken ambtenaar staan, alsook de leidend ambtenaar voor de evaluatie van de adjunct-leidend ambtenaar en omgekeerd.

Art. VIII 19. Het afdelingshoofd en het staflid van rang A2 worden geëvalueerd door de leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaar.

Art. VIII 20. Behalve in de gevallen bedoeld in artikel VIII 24 worden de andere ambtenaren van rang A2 en de ambtenaren van rang A1, niveau B, C, D en E geëvalueerd door minstens twee evaluatoren die beantwoorden aan de voorwaarden van artikel VIII 17.

Art. VIII 21. § 1. De ambtenaar met verlof voor opdracht zoals bedoeld in Deel XI, titel 8 behoudt in afwijking van artikel VIII 8, § 2 zijn laatste functioneringsevaluatie die hem in de instelling gegeven werd vóór zijn opdracht.

Indien hij kandidaat is voor een hiërarchische bevordering wordt hem een nieuwe functioneringsevaluatie toegekend door de leidend ambtenaar en door de hiërarchische chef onder wie hij ressorteert tijdens zijn opdracht. De betrokken leidend ambtenaar wint daartoe alle nodige inlichtingen in bij de functioneel bevoegde instanties.

De functioneringsevaluatie betreft in dit geval de wijze van vervulling van de opdracht.

Indien de ambtenaar tijdens zijn opdracht kandidaat is voor een hiërarchische bevordering en hij over geen functioneringsevaluatie beschikt, wordt hem een functioneringsevaluatie gegeven overeenkomstig het tweede lid. § 2. De ambtenaar die tijdens een evaluatiejaar met verlof voor loopbaanonderbreking gaat, wordt geëvalueerd op het eerstvolgende evaluatietijdstip over de periode dat hij effectief in dienst was. In afwijking van artikel VIII 8, § 2 behoudt hij deze evaluatie voor de duur van zijn loopbaanonderbreking. § 3. De ambtenaar die in de loop van de evaluatieperiode of op het evaluatietijdstip onder het functioneel gezag van een andere hiërarchische meerdere respectievelijk heeft gestaan of staat dan de hem overeenkomstig zijn affectatie toegewezen evaluatoren wordt geëvalueerd door deze laatsten rekening houdend met artikel VIII 14, derde lid. § 4. De ambtenaar behorend tot het secretariaat van de leidend of de adjunct-leidend ambtenaar wordt geëvalueerd door de leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaar. § 5. De preventieadviseur-coördinator of bij ontstentenis van een preventieadviseur-coördinator, de preventieadviseur wordt geëvalueerd door de leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaar. Ingeval een preventieadviseur-coördinator werd aangeduid wordt de preventieadviseur geëvalueerd door de preventieadviseur-coördinator en de leidend ambtenaar.

De evaluatie betreft in beide gevallen de wijze van vervulling van de hun toegewezen opdrachten. § 6. De opdrachthouder, die gedurende de hele evaluatieperiode een mandaat vervuld heeft, wordt geëvalueerd door de leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaar. § 7. De ambtenaar die belast is met emancipatietaken wordt geëvalueerd door de leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaar.

Art. VIII 22. Indien op het evaluatietijdstip blijkt dat één van de evaluatoren ontbreekt of nog geen opleiding opgelegd door artikel VIII 9 gevolgd heeft, wordt hij vervangen door een andere hiërarchische meerdere, aangeduid door de leidend ambtenaar of door de leidend ambtenaar zelf, met dien verstande dat de vervangende evaluator niet van dezelfde rang mag zijn als de geëvalueerden waarover hij is aangeduid.

Afdeling 2. - De instantie bevoegd voor het opmaken van persoonlijke nota's Art. VIII 23. De hiërarchische meerderen bevoegd voor het opmaken van de persoonlijke nota's zoals vermeld in artikel VIII 14, zijn degenen die bevoegd zijn voor het opmaken van de evaluatie, onverminderd het derde lid van voormeld artikel.

HOOFDSTUK 6. - Procedurevoorschriften Afdeling 1. - Procedurevoorschriften in verband met de evaluatie Art. VIII 24. § 1.Het definitieve beschrijvende evaluatieverslag zoals bedoeld in artikel VIII 10 § 6 wordt door de evaluatoren in onderlinge overeenstemming opgesteld, gedateerd en ondertekend, en wordt binnen vijftien kalenderdagen na het evaluatiegesprek aan de geëvalueerde bezorgd. Indien in uitzonderlijke gevallen de evaluatoren geen consensus bereiken bezorgen zij terzelfdertijd de aparte verslagen aan de geëvalueerde.

De geëvalueerde tekent dit document voor kennisneming en krijgt er een afschrift van; hij voegt binnen de vijftien kalenderdagen na ontvangst zijn eventuele opmerkingen toe en stuurt die naar de evaluatoren.

De evaluatoren tekenen voor kennisneming en voegen de opmerkingen van de geëvalueerde op het evaluatieverslag aan het evaluatiedossier van de geëvalueerde toe.

Indien het beschrijvend evaluatieverslag wordt besloten met de vermelding "onvoldoende", dan kan de geëvalueerde daartegen beroep instellen binnen de vijftien kalenderdagen na het bezorgen van het beschrijvend evaluatieverslag overeenkomstig afdeling 2. De geëvalueerde heeft het recht om te worden gehoord en kan zich laten bijstaan door een persoon naar eigen keuze. § 2 Het beroep is opschortend.

Het beroepschrift wordt aangetekend verstuurd of tegen ontvangstbewijs ingediend.

Afdeling 2. - Beroep tegen de evaluatie Art. VIII 25. § 1. Een ambtenaar van rang A2A en lager, die er niet mee kan instemmen dat zijn beschrijvend evaluatieverslag wordt besloten met de vermelding « onvoldoende » of die meent dat er een vormgebrek kan worden ingeroepen, kan de zaak binnen de vijftien kalenderdagen na het bezorgen van het beschrijvend aanhangig maken bij de Raad van Beroep. § 2. De Raad van Beroep kan de betrokken evaluatoren horen en om uitleg vragen. § 3. De Raad van Beroep brengt een met redenen omkleed advies uit binnen dertig kalenderdagen na ontvangst van het beroepschrift. Indien er geen advies is binnen de vooropgestelde termijn, wordt het beroep behandeld alsof er een gunstig advies werd gegeven. § 4. Het dossier wordt vervolgens binnen de vijftien kalenderdagen voorgelegd aan de minister voor de ambtenaar van rang A2A en aan de directieraad voor de ambtenaar van rang A2 en lager die bevoegd zijn voor de definitieve beslissing over het al dan niet toekennen van de vermelding « onvoldoende ».

De als evaluator betrokken ambtenaar neemt in dit geval niet aan de beraadslaging deel.

Terzelfdertijd wordt het advies aan de verzoeker gestuurd.

De minister voor de ambtenaar van rang A2A en de directieraad voor de ambtenaar van rang A2 en lager beslist binnen de dertig kalenderdagen na ontvangst van het advies van de raad; zoniet gaat men ervan uit dat er een gunstige beslissing is.

Art. VIII 26. § 1 De leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaar, die er niet mee kunnen instemmen dat hun beschrijvend evaluatieverslag wordt besloten met de vermelding "onvoldoende" kunnen de zaak binnen de vijftien kalenderdagen na het bezorgen van het beschrijvend evaluatieverslag aanhangig maken bij de Vlaamse regering.

De Vlaamse regering kan de leidend ambtenaar wat de adjunct-leidend ambtenaar betreft en de adjunct-leidend ambtenaar wat de leidend ambtenaar betreft en de externe evaluatie-instantie evenals de leden en ambtenaren die zij geraadpleegd heeft horen en om uitleg vragen. De minister neemt in dit geval niet aan de beraadslaging deel.

De beslissing in beroep van de Vlaamse regering is bindend.

De Vlaamse regering beslist binnen dertig kalenderdagen; zoniet gaat men ervan uit dat er een gunstige beslissing is.

Art. VIII 27. De gemotiveerde beslissing in beroep wordt aan het evaluatiedossier van de geëvalueerde toegevoegd.

TITEL 3. - Anciënniteit en rangschikking Art. VIII 28. § 1. In hoofde van een ambtenaar bestaan volgende administratieve anciënniteiten : 1° de graadanciënniteit;2° de niveauanciënniteit;3° de dienstanciënniteit;4° de schaalanciënniteit. § 2. Voor de toepassing van de reglementaire bepalingen die uitgaan van de anciënniteit, wordt onder de ambtenaren van wie de anciënniteit moet worden vergeleken de voorrang als volgt bepaald : 1° de ambtenaar met de grootste graadanciënniteit;2° de ambtenaar met de grootste niveauanciënniteit : bij gelijke graadanciënniteit;3° de ambtenaar met de grootste dienstanciënniteit : bij gelijke niveauanciënniteit;4° de oudste ambtenaar : bij gelijke dienstanciënniteit. Art. VIII 29. § 1. De graadanciënniteit en de niveauanciënniteit bestaan uit de werkelijke diensten die de ambtenaar als stagiair en als vastbenoemde heeft verricht als lid van het personeel van de instelling en als titularis van een ambt met volledige prestaties. § 2. Voor de graadanciënniteit worden de in aanmerking komende diensten aangerekend vanaf de datum waarop de ambtenaar is benoemd in de graden die door de reglementering in aanmerking worden genomen voor toegang tot een andere graad. § 3. Voor de niveauanciënniteit worden de in aanmerking komende diensten aangerekend vanaf de datum waarop de ambtenaar is benoemd in een graad van het betreffende niveau.

Art. VIII 30. De dienstanciënniteit bestaat uit de werkelijke diensten die de ambtenaar in om het even welke hoedanigheid heeft verricht als lid van het personeel van de instelling en als titularis van een ambt met volledige prestaties.

Art. VIII 31. De schaalanciënniteit bestaat uit de werkelijke diensten die de ambtenaar als stagiair en als vastbenoemde heeft verricht in een bepaalde salarisschaal als lid van het personeel van de instelling en als titularis van een ambt met volledige prestaties; zij wordt opgebouwd overeenkomstig artikel VIII 72, § 2.

Art. VIII 32. § 1. De ambtenaar wordt geacht werkelijke diensten te verrichten, zolang hij zich bevindt in een administratieve toestand op grond waarvan hij, krachtens dit besluit, zijn salaris of bij gemis daarvan, zijn aanspraak op bevordering tot een hoger salaris behoudt. § 2. Volledig zijn de prestaties die gemiddeld 38 uren per week bedragen.

Art. VIII 33. De graad-, de niveau-, de dienst- en de schaalanciënniteit worden uitgedrukt in jaren en volle kalendermaanden. Zij beginnen op de eerste dag van een maand.

De gedeelten van maanden worden weggelaten en de anciënniteiten beginnen in dat geval op de eerste dag van de volgende maand.

Art. VIII 34. Voor de toepassing van artikel VIII 36 op ambtenaren die gemachtigd zijn hun ambt met verminderde prestaties uit te oefenen met pro rata non-activiteit voor de duur van de afwezigheid : 1° worden prestaties van 1976 uur deeltijdse arbeid geteld als twaalf volle kalendermaanden;2° worden prestaties van een twaalfde van 1976 uur deeltijdse arbeid geteld als één volle kalendermaand, waarbij elk uurgedeelte vervalt;3° vervallen de werkelijke diensten die niet de eerste dag van de maand begonnen zijn of die vóór de laatste dag van de maand beëindigd zijn. TITEL 4. - De hiërarchische loopbaan van de ambtenaar HOOFDSTUK 1. - Definities en algemene bepalingen Art. VIII 35. § 1. Bevordering is de benoeming van een ambtenaar tot een graad van een hogere rang. § 2. Er zijn twee soorten van bevordering : 1° de bevordering door verhoging in graad binnen een zelfde niveau;2° de bevordering door overgang naar een ander niveau. Art. VIII 36. § 1. De bevordering door verhoging in graad kan afhankelijk worden gesteld van het slagen voor een vergelijkend examen georganiseerd door het Vast Wervingssecretariaat of voor een vergelijkende bekwaamheidsproef. § 2. De bevordering door overgang naar een ander niveau wordt verleend bij wijze van een vergelijkend overgangsexamen georganiseerd door het Vast Wervingssecretariaat.

Art. VIII 37. § 1. De bevordering door verhoging in graad en de bevordering door overgang naar een ander niveau zijn alleen mogelijk wanneer een vaste betrekking van de toe te kennen graad vacant is.

Zij worden verleend volgens de bepalingen vastgesteld in dit besluit.

De vacantverklaring van de betrekkingen gebeurt door de benoemende overheid na advies van de directieraad. § 2. Het vacaturebericht omvat inzake de te verlenen betrekking : 1° een functiebeschrijving;2° het gewenste profiel;3° de salarisschalen;4° het adres waar de kandidatuur wordt ingediend. § 3. De kennisgeving van de vacatures gebeurt door hetzij een aangetekende brief tegen ontvangstbewijs aan de in aanmerking komende kandidaten, verzonden naar het door de betrokkene laatst opgegeven correspondentieadres; hetzij door afgifte in de dienst tegen ontvangstbewijs. § 4. Om geldig te zijn moet de kandidaatstelling beantwoorden aan de voorschriften van het vacaturebericht en hetzij per aangetekende brief worden verzonden, hetzij door middel van een afgegeven brief, waarvoor een bewijs van ontvangst wordt overhandigd, worden ingediend binnen vijftien kalenderdagen. Deze termijn van vijftien kalenderdagen gaat in op de eerste werkdag na de aftekening van het ontvangstbewijs van de kennisgeving van de vacature door de in aanmerking komende kandidaat.

De kandidaatstelling die door middel van een afgegeven brief wordt ingediend, dient op de laatste werkdag van de ontvangende dienst uiterlijk om 16.00 uur te worden overhandigd.

Voor de kandidaatstelling geldt de datum van de poststempel of van het ontvangstbewijs als indieningsdatum. De kandidaatstelling omvat een uiteenzetting van de aanspraken en wordt ingediend met het modelformulier dat als bijlage 6 bij dit besluit gevoegd is.

Art. VIII 38. De ambtenaren mogen vooraf, via een aangetekende brief een veralgemeende kandidaatstelling indienen voor alle betrekkingen die tijdens hun afwezigheid vacant zouden worden verklaard.

De geldigheid van deze kandidaatstelling is bepaald op maximaal dertig kalenderdagen.

De ambtenaar richt zijn kandidaatstelling aan de leidend ambtenaar.

Art. VIII 39. § 1. Om aan een vergelijkend examen voor verhoging in graad, aan een vergelijkende bekwaamheidsproef of aan een vergelijkend examen voor overgang naar een ander niveau deel te nemen, 1° moet de ambtenaar voldoen aan de anciënniteitsvoorwaarden op de door de Vast Wervingssecretaris bepaalde datum of op de datum vastgesteld door de leidend ambtenaar in geval van een vergelijkende bekwaamheidsproef;2° mag de ambtenaar geen functioneringsevaluatie hebben die besloten werd met "onvoldoende". § 2. Om een bevordering te verkrijgen, 1° moet de ambtenaar zich in een administratieve toestand bevinden waarin hij zijn aanspraken op bevordering kan doen gelden;2° mag de ambtenaar geen functioneringsevaluatie hebben die besloten werd met "onvoldoende". Art. VIII 40. § 1. De ambtenaar die zich kandidaat heeft gesteld voor bevordering door verhoging in graad of voor bevordering door overgang naar een ander niveau, en die in een vacante betrekking bevorderd werd, kan deze bevordering weigeren.

Hij kan nochtans deze bevordering slechts éénmaal weigeren in het geval van bevordering door verhoging in graad na examen of na bekwaamheidsproef of bevordering door overgang naar een ander niveau; indien hij een tweede maal weigert, verliest hij het voordeel van het slagen voor dit examen of deze proef. § 2. De bevordering door verhoging in graad of door overgang naar een ander niveau wordt ambtshalve ingetrokken indien de ambtenaar de betrekking waarin hij bevorderd werd niet opgenomen heeft op de eerste van de derde maand volgend op de betekening van het bevorderingsbesluit.

Nochtans mag de ambtenaar die op het tijdstip van de bevordering met verlof is gelijkgesteld met dienstactiviteit, het diensthoofd VGV en de adjuncten van het diensthoofd VGV, respectievelijk zijn verlof of hun mandaat verderzetten tot de einddatum waarvoor het is toegestaan. § 3. De ambtenaar die bevorderd werd door verhoging in graad of door overgang naar een ander niveau kan om functionele of persoonlijke redenen vragen teruggezet te worden in zijn vorige rang, graad en salarisschaal.

De diensten gepresteerd in zijn hogere graad worden in voorkomend geval in rekening gebracht bij de vaststelling van de schaalanciënniteit in zijn vorige rang, graad en salarisschaal waarin hij teruggezet wordt.

HOOFDSTUK 2 De vergelijkende examens voor overgang naar een ander niveau en de vergelijkende examens voor verhoging in graad Afdeling 1. - Algemene bepalingen Art. VIII 41. De vergelijkende examens voor overgang naar een ander niveau en de vergelijkende examens voor verhoging in graad worden loopbaanexamens genoemd.

Art. VIII 42. De Vast Wervingssecretaris organiseert de loopbaanexamens op aanvraag van de leidend ambtenaar voor de graden door hem aangewezen.

Deze laatste beslist hiertoe op basis van de bestaande of in het volgende jaar te verwachten vacatures.

Binnen de perken van het vorige lid worden de vergelijkende examens voor overgang naar een ander niveau en de vergelijkende examens voor verhoging in graad ten minste om de twee jaar georganiseerd.

Art. VIII 43. De Vast Wervingssecretaris stelt de nadere bepalingen van de loopbaanexamens en de samenstelling van de examencommissies vast.

Art. VIII 44. De leidend ambtenaar stelt de programma's van de loopbaanexamens vast na overleg met de Vast Wervingssecretaris.

Art. VIII 45. Indien een loopbaanexamen uit een algemeen en één of meer bijzondere gedeelten bestaat, worden de ambtenaren die geslaagd zijn voor het algemeen gedeelte op hun verzoek van dit gedeelte vrijgesteld wanneer zij later opnieuw deelnemen aan één of meer examens voor dezelfde of een gelijkwaardige graad, of voor een lagere graad van hetzelfde niveau.

Art. VIII 46. § 1. De ambtenaar die het minimum der punten heeft behaald, wordt geslaagd verklaard. § 2. De geslaagde behoudt onbeperkt het voordeel van zijn uitslag.

Afdeling 2. - De vergelijkende examens voor overgang naar een ander niveau Art. VIII 47. De vergelijkende examens voor overgang naar een ander niveau worden georganiseerd voor bevordering door overgang naar graden van rang D1, C1, B1 en A1.

Art. VIII 48. Het vergelijkend examen voor overgang naar een ander niveau staat open : 1° voor bevordering tot een graad van rang A1 : a) voor alle ambtenaren van niveau C van de instelling die ten minste vier jaar anciënniteit tellen in dat niveau;b) voor alle ambtenaren van niveau B van de instelling die ten minste drie jaar anciënniteit tellen in dat niveau;2° voor bevordering tot een graad van B1, voor de ambtenaren van niveau C van de instelling die in het bezit zijn van het vereiste diploma;3° voor bevordering tot een graad van rang C1, voor alle ambtenaren van niveau D van de instelling die ten minste twee jaar anciënniteit tellen in dat niveau;4° voor bevordering tot een graad van rang D1, voor alle ambtenaren van niveau E van de instelling. Art. VIII 49. De Vast Wervingssecretaris bepaalt de datum waarop aan de deelnemingsvoorwaarden moet worden voldaan.

Art. VIII 50. De vergelijkende examens voor overgang naar graden van niveau A omvatten de volgende gedeelten : 1° een eerste gedeelte dat schriftelijk wordt afgenomen en dat bestaat uit het samenvatten en het commentariëren van een tekst.Alleen de kandidaten die geslaagd zijn voor het eerste gedeelte worden tot het tweede gedeelte toegelaten; 2° een tweede gedeelte dat bestaat uit een ondervraging over vier door de leidend ambtenaar vast te stellen vakken;3° een derde gedeelte dat bestaat uit een praktische oefening, namelijk een schriftelijk verslag en een interview over een aangelegenheid die verband houdt met de functie. Alleen de kandidaten die voor de vier vakken zijn geslaagd, worden tot de praktische oefening toegelaten.

Art. VIII 51. § 1. Om te slagen voor het eerste gedeelte van een vergelijkend examen voor overgang naar een graad van rang A1 moet de kandidaat ten minste 60% van de punten behalen.

De kandidaat die geslaagd is voor het eerste gedeelte geniet het voordeel van de bepalingen van artikel VIII 45. § 2. Om te slagen voor het tweede gedeelte van het in § 1 vermelde examen moet de kandidaat voor elk van de vier vakken ten minste 50% van de punten behalen en 60 % over het geheel.

De kandidaat die geslaagd is voor het tweede gedeelte van dit examen wordt op zijn aanvraag van dit gedeelte vrijgesteld voor de volgende examens in dezelfde graad waaraan hij deelneemt.

De kandidaat die geen 60% van de punten over het geheel behaalt, wordt voor de volgende drie examens in dezelfde graad waaraan hij deelneemt vrijgesteld van de vakken waarvoor hij ten minste 65 % van de punten heeft behaald. § 3. De kandidaat die geslaagd is voor het tweede gedeelte van het examen wordt tot de praktische oefening toegelaten waarvoor hij eveneens ten minste 60 % van de punten moet behalen.

De geslaagden worden gerangschikt volgens de voor de praktische oefening behaalde punten.

Art. VIII 52. De vergelijkende examens voor overgang naar graden van niveau B en C bestaan uit twee examengedeelten, namelijk een algemeen examen en een bijzonder examen. Alleen de kandidaten die geslaagd zijn voor het algemeen gedeelte worden tot het bijzondere gedeelte toegelaten.

Het algemene gedeelte bestaat uit het samenvatten en commentariëren van een tekst, of uit het opstellen van een verslag over een aangelegenheid die verband houdt met de functie.

Het bijzondere gedeelte heeft tot doel te toetsen : hetzij de algemene vorming van de kandidaat, hetzij zijn kennis van bepaalde vakken, hetzij de vaardigheden vereist voor het uitoefenen van de functie, hetzij verschillende van deze elementen samen.

Art. VIII 53. De vergelijkende examens voor overgang naar graden van niveau D bestaan uit één ondervraging. De programma's zijn hoofdzakelijk afgestemd op de aard van de te verlenen graad.

Voor de technische of gespecialiseerde betrekkingen kan het examen nochtans uit meer dan één gedeelte bestaan.

Art. VIII 54. De geslaagden worden gerangschikt volgens de behaalde punten. Ingeval het examen is opgesplitst, worden zij gerangschikt volgens de punten behaald in de bijzondere gedeelten.

Afdeling 3. - De vergelijkende examens voor verhoging in graad Art. VIII 55. § 1. Aan een vergelijkend examen voor verhoging in graad mag de ambtenaar deelnemen van de onmiddellijk lagere rang met ten minste twee jaar graadanciënniteit. § 2. De vergelijkende examens voor verhoging in graad bestaan uit een ondervraging over administratieve of technische kennis overeenstemmend met de te verlenen graad.

HOOFDSTUK 3. - De vergelijkende bekwaamheidsproef Art. VIII 56. § 1. Voor de organisatie van de vergelijkende bekwaamheidsproef bedoeld in artikel VIII 36, § 1 en van de vergelijkende bekwaamheidsproeven bedoeld in artikel VIII 69, § 3 worden in de instelling één of meer commissies opgericht die belast zijn met de organisatie van de bekwaamheidsproeven.

De leidend ambtenaar regelt de organisatie van de proef, stelt het programma vast en bepaalt de samenstelling van de commissie. § 2. De proef heeft betrekking op de theoretische en/of praktische kennis, evenals op de bekwaamheden en geschiktheden, vereist voor de uitoefening van de functie. § 3. De geslaagde voor één van de vergelijkende bekwaamheidsproeven bedoeld in § 1, eerste lid behoudt onbeperkt het voordeel van zijn uitslag tenzij het examenreglement het anders bepaalt.

HOOFDSTUK 4. - De hiërarchische bevordering Afdeling 1. - Bevoegde overheid en procedurevoorschriften Art. VIII 57. De bevordering tot een graad van rang A2 wordt toegekend door de minister na gemotiveerd voorstel van de directieraad.

Art. VIII 58. De bevordering tot een graad van rang A1 wordt toegekend door de leidend ambtenaar.

Art. VIII 59. § 1. De bevordering tot een graad ingedeeld in de niveaus B, C en D wordt toegekend door de leidend ambtenaar. § 2. Vóór de bevordering door verhoging in graad binnen deze niveaus wordt een gemotiveerd voorstel gedaan door de directieraad.

Art. VIII 60. § 1 Van de voorstellen van de directieraad wordt kennis gegeven aan de ambtenaren die zich kandidaat hebben gesteld. § 2. De ambtenaar die zich benadeeld acht, kan binnen vijftien kalenderdagen na de kennisgeving bezwaar indienen bij de directieraad.

Hij wordt, op zijn verzoek, gehoord.

Afdeling 2. - Bevordering door overgang naar een ander niveau Art. VIII 61. § 1. De geslaagden worden in de volgorde van hun rangschikking bevorderd tot de graad waarnaar zij hebben meegedongen en worden voor een vacante betrekking van die graad aangewezen. § 2. Wanneer de geslaagden van verschillende examens kandidaat zijn voor dezelfde bevordering, worden zij gerangschikt volgens de datum van de processen-verbaal van afsluiting van de vergelijkende examens, te beginnen met het eerst afgesloten proces-verbaal, en, voor elk vergelijkend examen, in de volgorde van hun rangschikking. § 3. De dienstaanwijzing van de geslaagden die voor bevordering in aanmerking komen gebeurt binnen de perken van de vacatures en van het vergelijkend karakter van het examen op basis van de functiebeschrijving en het profiel van de geslaagde.

Afdeling 3. - Bevordering door verhoging in graad Onderafdeling 1. - Volgorde van de bevorderingen met examen of bekwaamheidsproef Art. VIII 62. De bevordering door verhoging in graad in een zelfde niveau waarvoor een examen of bekwaamheidsproef is voorgeschreven, wordt verleend in deze volgorde : 1° aan de geslaagde voor het vereiste examen of bekwaamheidsproef waarvan het proces-verbaal het eerst werd afgesloten;2° onder de geslaagden voor een zelfde examen of bekwaamheidsproef, in volgorde van de uitslag. De dienstaanwijzing van de geslaagden die voor bevordering in aanmerking komen gebeurt binnen de perken van de vacatures en van het vergelijkend karakter van het examen of de proef op basis van de functiebeschrijving en het profiel van de geslaagde.

Onderafdeling 2. - Volgorde van de bevorderingen zonder examen Art. VIII 63. De bevordering door verhoging in graad binnen alle niveaus, waarvoor geen examen is voorgeschreven, wordt verleend aan de voor een bepaalde betrekking meest geschikte kandidaat.

Deze geschiktheid wordt vastgesteld aan de hand van het profiel van de kandidaat ten overstaan van de profielvereisten en rekening houdend met de functiebeschrijving.

De in aanmerking komende kandidaten worden onderling vergeleken onder meer op basis van hun functioneringsevaluatie en kandidaatstelling.

De directieraad draagt de in aanmerking komende kandidaten via een gemotiveerd voorstel in orde van hun geschiktheid aan de benoemende overheid voor.

De benoemende overheid benoemt uit de door de directieraad voorgedragen kandidaten of benoemt niet.

Onderafdeling 3. - Voorwaarden van bevordering Art. VIII 64. Tot een graad van rang A2 kan worden bevorderd de ambtenaar met een graad van rang A1 die de tweede salarisschaal in de functionele loopbaan van deze rang bereikt heeft en ten minste zes jaar graadanciënniteit telt.

De voorwaarde van het bereiken van de tweede salarisschaal in de functionele loopbaan gesteld in het eerste lid, geldt niet voor de graden waaraan slechts één salarisschaal gekoppeld is.

Art. VIII 65. Tot een graad van rang B2 kan worden bevorderd de ambtenaar met een graad van rang B1 die de tweede salarisschaal in de functionele loopbaan van deze rang bereikt heeft.

Art. VIII 66. Tot een graad van rang C2 kan worden bevorderd de ambtenaar met een graad van rang C1 die de tweede salarisschaal in de functionele loopbaan van deze rang bereikt heeft.

Art. VIII 67. Tot een graad van rang D2 kan worden bevorderd de ambtenaar met een graad van rang D1 die de tweede salarisschaal in de functionele loopbaan van deze rang bereikt heeft.

Onderafdeling 4. - Quota voor bevordering Art. VIII 68. § 1.

Rang B2 omvat 20 % van het aantal betrekkingen van niveau B. Rang C2 omvat 20 % van het aantal betrekkingen van niveau C. Rang D2 omvat 36 % van het aantal betrekkingen van niveau D. Indien het resultaat geen geheel getal uitmaakt wordt het afgerond naar de naasthogere eenheid. § 2. Op basis van de functionele organisatie van de instelling kan van de percentages vastgesteld in § 1 afgeweken worden.

TITEL 5. - De functionele loopbaan van de ambtenaar Art. VIII 69. § 1. De functionele loopbaan bestaat in de opeenvolgende toekenning aan een ambtenaar van een steeds hogere salarisschaal binnen een zelfde rang op basis van schaalanciënniteit en zonder wijziging van graadbenaming. § 2. De schaalanciënniteit wordt jaarlijks opgebouwd op basis van de functioneringsevaluatie : 1° hetzij met normale snelheid, waarbij de in aanmerking komende diensten gelijk zijn aan de werkelijke diensten;2° hetzij versneld, waarbij de in aanmerking komende diensten gelijk zijn aan tweemaal de werkelijke diensten;3° hetzij vertraagd, waarbij de in aanmerking komende diensten : a) gelijk zijn aan de helft van de werkelijke diensten;b) vervallen indien de functioneringsevaluatie met "onvoldoende" besloten wordt. § 3. De toekenning van de hogere salarisschaal in de functionele loopbaan of van een andere functie kan afhankelijk worden gesteld van het behalen van brevetten of getuigschriften of van het slagen voor een vergelijkende bekwaamheidsproef zoals bepaald in de functiebeschrijving. § 4. In afwijking van § 2 kan de ambtenaar : 1° a) met verlof voor opdracht;b) met militaire dienst of burgerdienst;c) met vakbondsverlof als vaste afgevaardigde, zijn schaalanciënniteit enkel aan normale snelheid opbouwen. In afwijking van wat bepaald is in sub 1° a), is tot 1 januari 1997 § 2 van toepassing op de ambtenaar van de instelling met verlof om een ambt uit te oefenen bij een kabinet van een minister van de Vlaamse regering. 2° a) met verlof voor loopbaanonderbreking;b) met voltijds politiek verlof;c) tijdens een periode van tuchtschorsing bedoeld in artikel IX 7;d) tijdens de periode van verlof voor verminderde prestaties gelijkgesteld met non-activiteit bedoeld in artikel XI 40, § 2 geen schaalanciënniteit opbouwen. Art. VIII 70. De beslissing tot loopbaanversnelling of loopbaanvertraging wordt genomen : vóór 1 juli van het jaar volgend op het evaluatiejaar bedoeld in artikel VIII 15; zij heeft uitwerking op 1 juli van het jaar volgend op het evaluatiejaar en heeft effect op de daaropvolgende twaalf maanden.

De ambtenaar waarvoor een loopbaanvertraging wordt voorgesteld, wordt uitgenodigd om gehoord te worden door de directieraad vooraleer deze een beslissing neemt over de loopbaansnelheid. De ambtenaar kan zich laten bijstaan door een persoon naar eigen keuze.

De beslissing van de directieraad tot vertraagde opbouw van de schaalanciënniteit wordt gemotiveerd.

Van 1 juli tot 30 juni wordt overeenkomstig de beslissing van het eerste lid voor elke maand één maand bijgevoegd, een halve maand of een hele maand afgetrokken.

Indien de ambtenaar tussen 1 juli en 30 juni overgaat naar een volgende salarisschaal in de functionele loopbaan of naar een hogere hiërarchische graad, verkrijgt hij in zijn nieuwe salarisschaal of graad de normale loopbaansnelheid voor de resterende periode tot 30 juni.

Art. VIII 71 § 1. Er wordt een functionele loopbaan ingesteld binnen de hierna vermelde rangen voor overgang tussen de daaronder opgesomde salarisschalen en na het aantal jaren schaalanciënniteit dat ernaast vermeld wordt. 1° in rang A1 a) van de eerste naar de tweede salarisschaal na 6 jaar Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld § 2.In afwijking van artikel VIII 69 § 2, 2° kan op de anciënniteitsvoorwaarde van 10 jaar gesteld in artikel VIII 71 § 1, 2° geen versnelling toegepast worden voor de ambtenaar die afdelingshoofd is of een staffunctie heeft overeenkomstig artikel II 7 § 1.

Art. VIII 72. De leidend ambtenaar kan na advies van de directieraad aan een ambtenaar van rang A1 die onder hem ressorteert en vier jaar werkelijke prestaties in de salarisschaal A 113 of A 123 telt, op basis van zijn functioneringsevaluatie respectievelijk de salarisschaal A 114 of A 124 toekennen.

Art. VIII 73. De leidend ambtenaar kan na advies van de directieraad aan de ambtenaar van rang A2, die onder hem ressorteert en vier jaar werkelijke prestaties in de salarisschaal A 212 telt, op basis van zijn functioneringsevaluatie de salarisschaal A 213 toekennen.

Art. VIII 74. De ambtenaar van rang A2 die met toepassing van artikel II 7 een staffunctie heeft, kan bij zijn salaris jaarlijks een staftoelage ontvangen tussen 0 en 20 % van zijn salarisschaal wanneer hij de concrete doelstellingen voor zijn functie die hem bij het begin van de evaluatieperiode waren opgelegd, heeft bereikt en wanneer uit zijn functioneringsevaluatie blijkt dat hij tijdens de evaluatieperiode beter heeft gepresteerd in zijn functie dan normaliter kan worden verwacht.

Art. VIII 75. De leidend ambtenaar, de adjunct-leidend ambtenaar, en het afdelingshoofd kunnen bovenop hun salaris per jaar een managementstoelage ontvangen tussen 0 en 20 % van deze salarisschaal wanneer zij de concrete korte-termijndoelstellingen die hun bij het begin van de evaluatieperiode waren opgelegd, hebben bereikt, en wanneer uit hun functioneringsevaluatie blijkt dat zij tijdens de evaluatieperiode beter hebben gepresteerd in hun functie dan normaliter kon worden verwacht.

Art. VIII 76. De staftoelage en de managementstoelage worden uitbetaald vóór 1 juli van het jaar volgend op het evaluatiejaar.

De minister stelt jaarlijks het beschikbare bedrag vast voor de toekenning van de managementstoelage voor de leidend ambtenaar, de adjunct-leidend ambtenaar en de afdelingshoofden. De minister stelt tevens het totaal beschikbare bedrag vast voor de toekenning van de managementstoelage voor de afdelingshoofden en de staftoelage voor de ambtenaren die een staffunctie hebben.

Deze bedragen mogen nooit hoger zijn dan de helft van het bedrag dat verkregen wordt indien alle betrokkenen van de onderscheiden groepen de managementstoelage of de staftoelage van 20 % zouden verkrijgen.

Het percentage aan managementstoelage dat elke ambtenaar krijgt, wordt bepaald door de Vlaamse regering voor de leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaar en door de minister, op voorstel van de leidend ambtenaar, voor het afdelingshoofd.

Het percentage van staftoelage dat elke ambtenaar krijgt, wordt bepaald door de directieraad.

De toekenning van een managementstoelage of een staftoelage is mogelijk gedurende zes jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van de invoering van deze toelage. Deze periode kan verlengd worden.

Art. VIII 77. § 1. De minister stelt jaarlijks het beschikbare bedrag vast dat kan worden aangewend voor de versnelling van de ambtenaar in zijn functionele loopbaan.

Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen een bedrag bestemd voor de ambtenaren van de instelling enerzijds en tot de instelling behorende ambtenaren met verlof voor opdracht bij de kabinetten van de Vlaamse regering anderzijds. § 2. De directieraad beslist aan welke ambtenaren voor dat jaar een versnelling of vertraging in de functionele loopbaan toegekend wordt behalve voor de ambtenaren die afdelingshoofd zijn en de ambtenaar in staf die de beginsalarisschaal van de functionele loopbaan heeft.

Voor de ambtenaar die afdelingshoofd is en voor de ambtenaar in staf die de beginsalarisschaal van de functionele loopbaan heeft, wordt de beslissing tot vertraging genomen door de minister, op voorstel van de leidend ambtenaar.

Art. VIII 78. De hogere salarisschaal binnen de functionele loopbaan wordt toegekend door de leidend ambtenaar.

TITEL 6. - Bijzondere bepalingen met betrekking tot de administratieve loopbaan Art. VIII 79. Onverminderd de bepalingen van dit besluit inzake rang en anciënniteit wordt in bijlage 7 bij dit besluit voor alle graden de wijze vastgesteld waarop deze graden worden begeven met eventuele aanduiding van de aanvullende en bijzondere voorwaarden inzake beroepskwalificatie alsmede voor elke bevorderingsgraad de lijst van graden die er toegang toe verlenen.

TITEL 7. - Functiewijziging Art. VIII 80. De Vlaamse regering kan aan de leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaar, en met zijn instemming, met behoud van de organieke salarisschaal, binnen de instelling een andere gelijkwaardige betrekking aanbieden al dan niet in de vorm van een opdracht.

De minister kan aan de ambtenaar van rang A2, en met zijn instemming, met behoud van de organieke salarisschaal, binnen de instelling een andere gelijkwaardige betrekking aanbieden al dan niet in de vorm van een opdracht.

TITEL 8. - Naamlijst Art. VIII 81. Jaarlijks en uiterlijk op 1 september wordt een naamlijst van de ambtenaren gepubliceerd, ingedeeld per graad met vermelding van : - de universitaire of gelijkgestelde diploma's, wat de ambtenaar van niveau A betreft, of bij ontstentenis het hoogste diploma; - de diploma's van het hoger onderwijs van het korte type of gelijkgestelde diploma's en de hogere diploma's wat de ambtenaar van niveau B betreft, of bij ontstentenis het hoogste diploma; - de leeftijd; - de salarisschaal; - de graad-, niveau-, dienst- en schaalanciënniteit op 1 juli van dat jaar.

TITEL 9. - Overgangs- en opheffingsbepalingen HOOFDSTUK 1. - De functioneringsevaluatie Art. VIII 82 De ambtenaar behoudt voor de periode tussen 1 januari 1995 en de datum van toekenning van de eerste functioneringsevaluatie bedoeld in artikel VIII 15, zijn beoordeling die hem gegeven werd krachtens het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de beoordeling en loopbaan. Voor deze periode wordt de beoordeling slecht, toegekend krachtens voormeld koninklijk besluit, gelijkgesteld met de functioneringsevaluatie onvoldoende vermeld in dit besluit.

De eerste functioneringsevaluatie wordt op het voorziene tijdstip eveneens toegekend aan de afwezige ambtenaar die zich in de administratieve toestand non-activiteit of disponibiliteit bevindt.

HOOFDSTUK 2. - Anciënniteit en rangschikking Art. VIII 83. De anciënniteit die de ambtenaar van de instelling verworven heeft op de datum van inwerkingtreding van dit besluit, krachtens een reglementaire bepaling die op hem van toepassing was, blijft behouden.

HOOFDSTUK 3. - De hiërarchische loopbaan van de ambtenaar Art. VIII 84. § 1. De ambtenaar die op 1 januari 1995 of na deze datum wat betreft de examens gestart vóór 1 januari 1995 ooit werd vrijgesteld van een examengedeelte voor overgang naar een hoger niveau, behoudt op zijn aanvraag deze vrijstelling voor de twee eerstvolgende vergelijkende examens voor overgang naar hetzelfde niveau, waaraan hij deelneemt en die starten na 1 januari 1995. § 2. De ambtenaar die op 1 januari 1995 of na deze datum wat betreft de examens gestart vóór 1 januari 1995 bij een vergelijkend examen voor overgang naar een graad van niveau 1 ten minste 60% van de punten heeft behaald in één of meer van de vakken bedoeld in artikel VIII 50 wordt op zijn aanvraag van deze vakken vrijgesteld voor de twee eerstvolgende vergelijkende examens voor dezelfde graad waaraan hij deelneemt en die starten na 1 januari 1995.

Art. VIII 85. De programmeurs 2e klasse die op 1 januari 1995 in dienst waren bij de instelling en ambtshalve benoemd zijn in de graad van technicus kunnen mits zij slagen voor een bijzonder vergelijkend overgangsexamen, waaraan zij tweemaal mogen deelnemen, benoemd worden in de graad van programmeur.

Art. VIII 86. Het bijzonder vergelijkend overgangsexamen bedoeld in artikel VIII 85 bestaat uit twee examengedeelten, namelijk een algemeen examen en een bijzonder examen. Alleen de kandidaten die geslaagd zijn voor het algemene gedeelte worden tot het bijzondere gedeelte toegelaten.

Het algemene gedeelte bestaat uit het samenvatten en commentariëren van een tekst, of uit het opstellen van een verslag over een aangelegenheid die verband houdt met de functie.

Het bijzondere gedeelte heeft tot doel te toetsen : hetzij de algemene vorming van de kandidaat, hetzij zijn kennis van bepaalde vakken, hetzij de vaardigheden vereist voor het uitoefenen van de functie, hetzij verschillende van deze elementen samen.

Art. VIII 87. De ambtenaren met de vroegere graad van bestuursdirecteur en inspecteur-generaal mogen de titel bestuursdirecteur of inspecteur-generaal blijven dragen.

Art. VIII 88. De benoemings- en bevorderingsprocedures die in uitvoering zijn op de datum van het inwerkingtreden van dit besluit worden voortgezet en afgehandeld overeenkomstig de van kracht zijnde bepalingen bij de vacantverklaring, uitgezonderd wat betreft de terzake bevoegde organen en de te volgen procedureregels.

DEEL IX. - TUCHTREGELING TITEL 1. - Tuchtstraffen Artikel IX 1. De ambtenaar kan onderworpen worden aan een tuchtprocedure 1° bij tekortkoming aan zijn plichten bepaald in deel III;2° bij inbreuken op de bepalingen van deel IV - Cumulatie van activiteiten;3° na strafrechtelijke veroordeling. Art. IX 2. De volgende tuchtstraffen kunnen worden uitgesproken : 1° blaam;2° inhouding van salaris;3° tuchtschorsing;4° terugzetting in graad;5° afzetting. Art. IX 3. De inhouding van salaris wordt toegepast gedurende ten hoogste drie maanden en mag niet meer dan één vijfde van de nettobezoldiging bedragen zoals bepaald in artikel 23, tweede lid van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers.

Art. IX 4. § 1. De tuchtschorsing wordt uitgesproken ten hoogste voor drie maanden en kan aanleiding geven tot een inhouding van salaris die niet hoger mag liggen dan één vijfde van de nettobezoldiging zoals bedoeld is bij artikel 23, tweede lid van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers. § 2. Tijdens de tuchtschorsing bevindt de ambtenaar zich in de administratieve toestand non-activiteit; hij heeft geen recht op bevordering in graad en op verhoging in salaris en salarisschaal.

Art. IX 5. De terugzetting in graad bestaat in de toekenning van een graad van een lagere rang die binnen hetzelfde of binnen een lager niveau is ingedeeld of van een lagere salarisschaal binnen dezelfde graad.

De terugzetting in graad heeft tot gevolg dat de salarisschaal wordt toegekend die verbonden is aan het ambt dat definitief wordt toegewezen door de terugzetting.

De ambtenaar neemt in de nieuwe graad of salarisschaal rang in op de datum waarop de in het eerste lid bedoelde toekenning van een graad of salarisschaal uitwerking heeft.

Art. IX 6. In geval van afzetting wordt de ambtenaar onmiddellijk, zonder opzeggingstermijn en zonder verbrekingsvergoeding ontslagen.

Voor zover aan de voorwaarden van de desbetreffende reglementering is voldaan, stort de instelling in dit geval bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid de werkgevers- en werknemersbijdragen die verschuldigd zijn voor de opname van de afgezette ambtenaar in het stelsel van de werkloosheid, de ziekteverzekering - sector uitkeringen en de moederschapsverzekering.

TITEL 2. - De tuchtprocedure HOOFDSTUK 1. - De bevoegde overheid Art. IX 7. De overheid die de tuchtstraf voorstelt of uitspreekt zoals bepaald in de artikelen IX 8, IX 9 en IX 10, kan deze bevoegdheid niet delegeren.

De overheid die de tuchtstraf uitspreekt, mag niet dezelfde zijn als die welke haar voorstelt.

Art. IX 8. De tuchtstraf wordt voorgesteld 1° voor de ambtenaar tot en met rang A2A door een hiërarchische meerdere van niveau A van de ambtenaar;2° voor de leidend ambtenaar en voor de adjunct-leidend ambtenaar, door de minister. Art. IX 9. De tuchtstraf wordt uitgesproken : 1° door de leidend ambtenaar voor de ambtenaar tot en met rang A1;2° door de minister voor de ambtenaar van rang A2 en A2A en voor de ambtenaar voor wie de leidend ambtenaar de eerste hiërarchische meerdere is en voor wie hij zelf het voorstel heeft gedaan, en 3° door de Vlaamse regering voor de leidend ambtenaar en voor de adjunct-leidend ambtenaar. Art. IX 10. Indien beroep ingesteld wordt bij de Raad van Beroep wordt de tuchtstraf, na het advies van de Raad van Beroep, definitief uitgesproken : 1° door de directieraad voor de ambtenaar tot en met rang A1;2° door de Vlaamse regering voor de ambtenaar van rang A2 en A2A en voor de ambtenaar voor wie de leidend ambtenaar de eerste hiërarchische meerdere is, 3° en opnieuw door de Vlaamse regering, voor de leidend ambtenaar en voor de adjunct-leidend ambtenaar. De leidend ambtenaar of de minister die de tuchtstraf in eerste instantie uitspreekt zoals vermeld in artikel IX 9, neemt geen deel aan de beraadslaging over de definitieve uitspraak door de directieraad, respectievelijk de Vlaamse regering vermeld in het vorige lid.

Uit de notulen moet blijken dat deze regel werd in acht genomen.

HOOFDSTUK 2. - Het voorstel en de uitspraak Art. IX 11. Het voorstel dat ertoe strekt een tuchtstraf op te leggen wordt schriftelijk geformuleerd, met redenen omkleed en meegedeeld aan de betrokken ambtenaar die een afschrift ontvangt.

De ambtenaar die bevoegd is om het voorstel te doen, stuurt terzelfder tijd het voorstel aan de bevoegde overheid voor uitspraak.

Art. IX 12. De overheid die bevoegd is voor het uitspreken van de tuchtstraf roept, binnen vijftien kalenderdagen volgend op de datum van het voorstel, de ambtenaar op om gehoord te worden in zijn verdediging.

Art. IX 13. § 1. De oproeping van de ambtenaar om in zijn verdediging gehoord te worden, wordt meegedeeld via een aangetekende brief.

De oproeping dient melding te maken van : 1° de ten laste gelegde feiten;2° het feit dat een tuchtstraf wordt gevraagd;3° de plaats, de dag en het uur van het verhoor;4° het recht van de betrokkene om zich te laten bijstaan door een raadgever of zich te laten vertegenwoordigen door een raadgever bij gewettigde verhindering;5° de plaats waar en de termijn waarbinnen het tuchtdossier kan worden ingezien en het recht om gratis fotokopieën te maken. § 2. De belanghebbende en zijn raadgever mogen het tuchtdossier op hun verzoek raadplegen voordat de verdediging plaats heeft. Zij beschikken voor de inzage van het dossier over een termijn van ten minste vijftien kalenderdagen na ontvangst van de oproepingsbrief.

Art. IX 14. Van de zitting wordt er een proces-verbaal gemaakt waarvan de betrokkene of de raadgever een kopie kan krijgen. De ambtenaar of de raadgever kan op straf van nietigheid binnen twee werkdagen na de mondelinge verdediging schriftelijk de middelen ter verdediging uiteenzetten. Het verweerschrift wordt bij het dossier gevoegd.

Art. IX 15. De overheid spreekt de tuchtstraf uit binnen vijftien kalenderdagen na het horen van de ambtenaar in zijn verdediging.Zij kan geen zwaardere straf uitspreken dan die welke krachtens artikel IX 11 werd voorgesteld De beslissing waarbij de tuchtstraf wordt opgelegd, wordt met redenen omkleed.

De tuchtstraf wordt aangezegd bij aangetekend schrijven binnen twee werkdagen na de uitspraak, en gaat in op de derde werkdag volgend op de datum van het aangetekend schrijven.

Art. IX 16. De tuchtstraf is definitief de dag na het verstrijken van de termijn voor instelling van het beroep of nadat de bevoegde overheid na advies van de Raad van Beroep haar beslissing heeft meegedeeld via een aangetekende brief.

HOOFDSTUK 3. - Het beroep en de definitieve uitspraak Art. IX 17. De ambtenaar tegen wie een tuchtstraf uitgesproken wordt, kan hiertegen gemotiveerd beroep instellen bij de Raad van Beroep binnen vijftien kalenderdagen, ingaande de dag volgend op de mededeling via een aangetekende brief van de uitspraak.

Art. IX 18. De Raad van Beroep beraadslaagt binnen de dertig kalenderdagen na ontvangst van het beroepschrift.

Art. IX 19. Binnen vijftien kalenderdagen na het uitbrengen van het gemotiveerd advies stuurt de Raad van Beroep het dossier aan de overheid bevoegd voor het definitief uitspreken van de tuchtstraf. Hij vermeldt met hoeveel stemmen voor of tegen de stemming over het advies werd verkregen. De stemming is geheim.

Terzelfder tijd wordt het advies aan de verzoeker betekend.

Art. IX 20. De bevoegde overheid voor de definitieve uitspraak neemt binnen vijftien kalenderdagen na ontvangst van het advies van de Raad van Beroep een gemotiveerde beslissing.

Zij kan geen andere feiten ter sprake brengen dan de feiten die als motief gediend hebben voor het advies van de Raad van Beroep. Zij kan geen zwaardere straf opleggen dan die welke vóór het beroep werd uitgesproken krachtens artikel IX 15.

De beslissing van de bevoegde overheid wordt binnen twee werkdagen aangetekend verstuurd aan de betrokken ambtenaar en meegedeeld ter informatie aan de griffier van de Raad van Beroep.

HOOFDSTUK 4. - Algemene kenmerken van de tuchtprocedure Art. IX 21. Wanneer meer dan één feit ten laste van de ambtenaar gelegd wordt, kan dit niettemin slechts aanleiding geven tot één procedure en tot het uitspreken van één tuchtstraf.

Wanneer in de loop van een tuchtprocedure een nieuw feit ten laste van de ambtenaar wordt gelegd, kan dit tot een nieuwe procedure aanleiding geven zonder dat de lopende procedure onderbroken wordt.

Art. IX 22. Behoudens nieuwe elementen die de heropening van het dossier rechtvaardigen, kan niemand het voorwerp zijn van een tuchtvordering voor reeds gesanctioneerde feiten.

Art. IX 23. De tuchtoverheid kan geen zwaardere tuchtstraf uitspreken dan de straf die uitgesproken is vóór beroep.

Zij mag slechts de feiten in aanmerking nemen die de tuchtprocedure gerechtvaardigd hebben.

Een tuchtstraf kan geen uitwerking hebben over een periode vóór de uitspraak.

Art. IX 24. De strafvordering schorst de tuchtprocedure en de tuchtuitspraak.

Ongeacht het resultaat van de strafvordering oordeelt alleen de administratieve overheid of in voorkomend geval de minister of de Vlaamse regering over de gepastheid om een tuchtstraf uit te spreken.

Art. IX 25. De tuchtvordering mag alleen betrekking hebben op feiten die zich hebben voorgedaan binnen een termijn van zes maanden voorafgaande aan de datum waarop de vordering wordt ingesteld.

Bij de beoordeling van de strafmaat mogen evenwel relevante vermeldingen die in het persoonlijk dossier opgetekend werden, in aanmerking genomen worden.

In geval van strafrechtelijke vervolging voor dezelfde feiten, begint deze termijn te lopen de dag dat de tuchtoverheid door de gerechtelijke overheid ervan in kennis wordt gesteld dat er een onherroepelijke beslissing uitgesproken is of dat de strafrechtelijke procedure niet wordt voortgezet.

Art. IX 26. Elke tuchtstraf wordt vermeld op een in het evaluatiedossier te voegen staat en wordt in het personeelsdossier opgenomen.

Art. IX 27. De in deze titel vastgestelde termijnen worden opgeschort in de maand augustus.

TITEL 3. - De doorhaling van de tuchtstraffen Art. IX 28. § 1. Elke tuchtstraf behalve de afzetting wordt in het persoonlijk dossier van de ambtenaar doorgehaald onder de in § 2 bepaalde voorwaarden en uit het personeelsdossier verwijderd.

Onverminderd de uitvoering van de straf heeft de doorhaling tot gevolg dat met de doorgehaalde tuchtstraf op geen enkele wijze meer rekening mag worden gehouden. § 2. De doorhaling van de tuchtstraffen gebeurt van rechtswege na een termijn waarvan de duur is vastgesteld op : - één jaar voor de blaam; - vier jaar voor de inhouding van salaris; - zes jaar voor de tuchtschorsing; - acht jaar voor de terugzetting in graad.

De termijn loopt vanaf de datum van de eindbeslissing in de tuchtprocedure.

Art. IX 29. Dit deel is tevens van toepassing op de stagiairs.

DEEL X. - DE SCHORSING IN HET BELANG VAN DE DIENST TITEL 1. - De procedure Artikel X 1. De ambtenaar in effectieve dienst kan onder de in dit deel bepaalde voorwaarden in zijn ambt worden geschorst, wanneer het belang van de dienst dat vereist.

Art. X 2. § 1. De schorsing in het belang van de dienst wordt uitgesproken door de overheid die bevoegd is voor het uitspreken van de tuchtstraffen zoals bepaald in artikel IX 9 eventueel op voorstel van de overheid die bevoegd is om deze tuchtstraffen voor te stellen. § 2. De in § 1 bedoelde overheid kan deze bevoegdheid niet delegeren.

Indien er een voorstel is mag de overheid, die de schorsing in het belang van de dienst uitspreekt, niet dezelfde zijn als die welke haar voorstelt.

Art. X 3. De overheid bevoegd voor het uitspreken van de schorsing in het belang van de dienst kan aan de in artikel X 1 bedoelde ambtenaar het recht ontzeggen om zijn aanspraken op bevordering en op verhoging in salaris en salarisschaal te doen gelden en zijn salaris kan worden verminderd in de volgende gevallen : 1° wanneer hij strafrechtelijk vervolgd wordt;2° wanneer hij tuchtrechtelijk vervolgd wordt wegens een ernstig vergrijp waarbij hij op heterdaad is betrapt of waarvoor er afdoende aanwijzingen zijn. De inhouding van salaris mag niet meer bedragen dan één vijfde van de nettobezoldiging zoals bepaald in artikel 23, tweede lid van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers.

Art. X 4. De ambtenaar wordt vooraf in zijn verdediging gehoord over de feiten die hem ten laste worden gelegd en hij mag zich laten bijstaan door een persoon naar eigen keuze, raadgever te noemen.

De redenen om over te gaan tot schorsing in het belang van de dienst worden ten laatste drie werkdagen voorafgaand aan het verhoor schriftelijk meegedeeld aan de ambtenaar.

De ambtenaar wordt verzocht de voorstellen en beslissingen tot schorsing in het belang van de dienst te viseren. Weigert de ambtenaar dit te doen, dan wordt daarvan ter plaatse proces-verbaal opgemaakt door de overheid die de schorsing uitspreekt.

De schorsing in het belang van de dienst wordt aan de ambtenaar meegedeeld via een aangetekende brief; zij gaat in de dag na het aanbieden van die aangetekende brief bij de post.

Art. X 5. De ambtenaar kan binnen de 15 kalenderdagen na de dag dat de schorsing in het belang van de dienst uitwerking gekregen heeft, beroep instellen bij de Raad van Beroep.

Nadat de Raad van Beroep advies heeft uitgebracht beslist de overheid die bevoegd is om de tuchtstraffen definitief uit te spreken, zoals bepaald in artikel IX 10.

Art. X 6. De ambtenaar kan, op voorwaarde dat hij nieuwe feiten inroept, beroep instellen na telkens drie maanden nadat een beslissing tot handhaving van de schorsing in het belang van de dienst is genomen.

Art. X 7. Behoudens, strafrechtelijk onderzoek of strafrechtelijke vervolging mag de schorsing in het belang van de dienst ten hoogste zes maanden bedragen.

Bij strafrechtelijk onderzoek en/of strafrechtelijke vervolging mag de schorsing in het belang van de dienst maximum voor de duur van het onderzoek en/of de vervolging gelden.

Art. X 8. Indien de overheid in kennis wordt gesteld van de strafrechtelijke uitspraak, de minnelijke schikking of seponering, beslist zij om de schorsing in het belang van de dienst op te heffen of te behouden voor de duur van de tuchtprocedure.

Art. X 9. Aan de schorsing in het belang van de dienst komt van rechtswege een einde bij het definitief worden van de tuchtrechtelijke uitspraak over dezelfde feiten waarvoor het personeelslid in het belang van de dienst werd geschorst, behalve in geval van afzetting.

Art. X 10. Indien de ambtenaar buiten vervolging wordt gesteld, zijn dossier geseponeerd wordt of wanneer een strafrechtelijke of tuchtrechtelijke vrijspraak volgt die kracht van gewijsde gekregen heeft, worden de beslissingen genomen krachtens artikel X 3 inzake inhouding van salaris en ontzeggen van de aanspraken op verhoging in salaris en salarisschaal, ongedaan gemaakt.

Art. X 11. De beslissing waarbij de ambtenaar geschorst wordt in het belang van de dienst kan geen uitwerking hebben over een periode vóór de datum waarop de schorsing is uitgesproken.

Art. X 12. Indien de ambtenaar na afloop van het tuchtonderzoek een schorsing als tuchtstraf wordt opgelegd, vindt die schorsing plaats met terugwerkende kracht in afwijking van de bepaling dat een straf geen gevolg heeft dat voorafgaat aan het uitspreken ervan, maar gaat niet verder terug dan de dag waarop de bij toepassing van artikel X 3 getroffen maatregelen uitwerking hebben gehad.

In dit geval wordt de duur van de schorsing in het belang van de dienst, tot de nodige termijn, op de duur van de tuchtschorsing aangerekend.

Art. X 13. Dit deel is tevens van toepassing op de stagiairs.

DEEL XI. - HET VERLOF EN DE ADMINISTRATIEVE TOESTAND TIJDENS VERLOF TITEL 1. - Algemene bepalingen Artikel XI 1. De ambtenaar bevindt zich geheel of gedeeltelijk in een van de volgende administratieve toestanden : 1° dienstactiviteit;2° non-activiteit. Art. XI 2. De ambtenaar in dienstactiviteit heeft recht op bevordering in graad, in salarisschaal en in salaris.

Hij heeft recht op salaris tenzij anders bepaald.

Art. XI 3. § 1. De ambtenaar in non-activiteit heeft geen recht op salaris, onder voorbehoud van wat bepaald is inzake tuchtschorsing.

Hij heeft evenmin recht op bevordering in graad, salarisschaal en salaris tenzij anders bepaald. § 2. De ambtenaar kan niet in non-activiteit gesteld of gehouden worden als hij aan de voorwaarden voldoet om gepensioneerd te worden.

Art. XI 4. De ambtenaar wordt voor de vaststelling van zijn administratieve toestand altijd geacht in dienstactiviteit te zijn behoudens uitdrukkelijke bepaling die hem van rechtswege of bij beslissing van de bevoegde overheid in non-activiteit plaatst.

Art. XI 5. Voor de toepassing van dit deel betekent : - "werkdag" : de dag waarop de ambtenaar verplicht is te werken ingevolge de arbeidsregeling die op hem van toepassing is; - "vakantiedag" : de vrije dag waarop de ambtenaar aan geen enkele dienstverplichting is onderworpen; - "verlof" : het recht van de ambtenaar om voor een welbepaalde reden de actieve dienst te onderbreken; - "dienstvrijstelling" : de toestemming van de bevoegde overheid aan de ambtenaar om tijdens de diensturen afwezig te zijn gedurende een vooraf bepaalde tijd, met behoud van alle rechten.

Art. XI 6. De ambtenaar mag niet afwezig zijn zonder verlof, vakantie of dienstvrijstelling te hebben gekregen.

Onverminderd de eventuele toepassing van een tuchtstraf of van een administratieve maatregel, is de ambtenaar die zonder toestemming afwezig is, in non-activiteit tenzij in geval van overmacht.

Art. XI 7. In afwijking van artikel XI 6 is de ambtenaar die deelneemt aan een georganiseerde werkonderbreking in dienstactiviteit en verliest hij zijn salaris enkel voor de duur van de afwezigheid.

Art. XI 8. Deze titel is tevens van toepassing op de stagiairs.

TITEL 2. - Jaarlijkse vakantiedagen en feestdagen Art. XI 9. § 1. De ambtenaar heeft jaarlijks recht op 35 werkdagen vakantie waarvan 10 werkdagen opeenvolgend genomen dienen te worden. § 2. Onverminderd § 1 worden de vakantiedagen genomen naar keuze van de ambtenaar doch met inachtneming van de behoeften van de dienst onder verantwoordelijkheid van de leidend ambtenaar of het afdelingshoofd.

In afwijking van het vorig lid heeft de ambtenaar evenwel het recht om binnen het aantal van 35 werkdagen, 4 werkdagen vakantieverlof te nemen zonder dat het dienstbelang daar tegenover kan gesteld worden en mits voorlegging van een medisch attest dat de dwingende afwezigheid van de ambtenaar staaft. § 3. De jaarlijkse vakantie wordt opgenomen binnen het kalenderjaar.

In uitzonderlijke gevallen kan om dienstredenen aan de ambtenaar toegestaan worden om vijf werkdagen over te dragen naar het volgende jaar, die dan moeten opgenomen worden vóór het einde van de paasvakantie.

Art. XI 10. In de instelling geldt een standaardwerktijdregeling met onderscheid tussen stamtijden, glijtijden en bereikbaarheid van de dienst.

In afwijking van deze standaardwerktijdregeling kan de leidend ambtenaar voor specifieke organisatorische eenheden en/of werkzaamheden een bijzondere werktijdregeling vaststellen.

De aanwezigheid van de ambtenaar die onderworpen is aan het prikklokreglement wordt 's morgens, 's middags en 's avonds geregistreerd. De gepresteerde uren in meer op maandbasis kunnen enkel gerecupereerd worden op de glijtijd van de volgende maand.

In afwijking van het vorig lid kan het afdelingshoofd in uitzonderlijke omstandigheden, inzonderheid in piekperiodes, toestaan om teveel gepresteerde uren toch te recupereren in verlof. Indien de ambtenaar in de onmogelijkheid verkeert om het teveel aan gepresteerde uren te recupereren in verlof binnen de periode van vier maanden, worden deze uren geldelijk gecompenseerd overeenkomstig dit besluit.

Art. XI 11. Elke periode van dienstactiviteit geeft recht op jaarlijkse vakantiedagen.

Wanneer een ambtenaar in de loop van het jaar in dienst treedt of zijn ambt definitief neerlegt, wordt zijn vakantieverlof in evenredige mate verminderd tijdens het lopende jaar.

Het aantal vakantiedagen wordt in evenredige mate verminderd met het aantal onbezoldigde verlofdagen tijdens het lopende jaar en, indien niet meer mogelijk, tijdens het daaropvolgende jaar.

Het aantal aldus berekende vakantiedagen bedraagt steeds een halve of een volledige dag. De afronding gebeurt naar de hogere halve of hele dag.

Art. XI 12. § 1. De ambtenaar heeft vakantie op de wettelijke en decretale feestdagen en op 2 en 15 november en 26 december. § 2. Ter vervanging van de in § 1 vermelde vakantiedagen die samenvallen met een zaterdag of zondag, heeft de ambtenaar die niet in een continuregeling tewerkgesteld wordt, vakantie gedurende de periode tussen kerstmis en nieuwjaar.

De ambtenaar die verplicht is om op één van de in § 1 vermelde dagen of in de periode tussen Kerstmis en nieuwjaar te werken ten gevolge van behoeften van de dienst, krijgt in evenredige mate vervangende vakantiedagen die onder dezelfde voorwaarden als de jaarlijkse vakantiedagen kunnen worden genomen. § 3. De ambtenaar tewerkgesteld in continudienst die werkt of in rust is op de in § 1 vermelde dagen krijgt hiervoor vervangende vakantiedagen die onder dezelfde voorwaarden als de jaarlijkse vakantiedagen kunnen genomen worden.

Art. XI 13. De in deze titel bepaalde vakantiedagen worden met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld. Zij worden niet opgeschort bij ziekte doch wel bij hospitalisatie van de ambtenaar.

Art. XI 14. Deze titel is tevens van toepassing op de stagiair.

TITEL 3. - Bevallingsverlof en opvangverlof HOOFDSTUK 1. - Bevallingsverlof Art. XI 15. Het bevallingsverlof bedoeld in artikel 39 van de arbeidswet van 16 maart 1971 wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.

De dagen van afwezigheid wegens ziekte gedurende de periode van zeven weken die de werkelijke bevallingsdatum voorafgaat, worden beschouwd als bevallingsverlof.

Deze periode wordt, bij vroeggeboorte, verminderd met de dagen waarop arbeid verricht werd tijdens de periode van zeven dagen die de bevalling voorafgaat.

Art. XI 16. De periode van bezoldiging voor bevallingsverlof mag niet meer dan vijftien weken bedragen.

Art. XI 17. De artikelen XI 15 en XI 16 zijn niet van toepassing in geval van miskraam vóór de 181e dag van de zwangerschap.

HOOFDSTUK 2. - Opvangverlof Art. XI 18. De ambtenaar krijgt op zijn aanvraag een opvangverlof wanneer een kind beneden tien jaar in zijn gezin wordt opgenomen met het oog op adoptie of pleegvoogdij.

Het verlof bedraagt ten hoogste zes of ten hoogste vier weken naar gelang het opgenomen kind de leeftijd van drie jaar nog niet heeft bereikt of reeds bereikt heeft.

De maximumduur van het opvangverlof wordt verdubbeld wanneer het opgenomen kind mindervalide is en aan de voorwaarden voldoet om kinderbijslag te genieten overeenkomstig artikel 47 van de gecoördineerde wetten betreffende de kinderbijslag van de loonarbeiders of artikel 26 van het koninklijk besluit van 8 april 1976 houdende regeling van de gezinsbijslag ten voordele van de zelfstandigen.

Art. XI 19. Dit verlof wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.

Art. XI 20. Deze titel is tevens van toepassing op de stagiair.

TITEL 4. - Ouderschapsverlof Art. XI 21. De ambtenaar die zich in de administratieve toestand dienstactiviteit bevindt kan bij de geboorte van een kind een aanvraag indienen om ouderschapsverlof te krijgen.

De duur van dit verlof bedraagt drie maanden; het moet genomen worden binnen het jaar na de geboorte van het kind.

Het ouderschapsverlof wordt niet bezoldigd. Het wordt voor het overige gelijkgesteld met de administratieve toestand dienstactiviteit.

Het verlof wordt aangevraagd en toegestaan overeenkomstig de procedure bepaald in artikel XI 36, §§ 1, 2 en 3.

TITEL 5. - Ziekteverlof Art. XI 22. § 1. De ambtenaar die afwezig is wegens ziekte, heeft ziekteverlof. § 2. Het ziekteverlof wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.

Art. XI 23. Het ziekteverlof maakt geen einde aan het stelsel van verlof voor verminderde prestaties.

Art. XI 24. § 1. De wegens ziekte afwezige ambtenaar staat onder het geneeskundig toezicht van het geneeskundig controleorgaan aangewezen door de minister en overeenkomstig de door deze vastgestelde nadere bepalingen. § 2. De controlearts die van oordeel is dat de ambtenaar het werk dient te hervatten, neemt contact op met de behandelende arts vooraleer een beslissing tot werkhervatting te nemen en deelt hem dit voornemen mee.

Indien de behandelende arts niet akkoord gaat met de diagnose van de controlerende arts neemt hij binnen de 24 uur contact op met deze laatste. Indien beide artsen geen overeenstemming bereiken over de uiteindelijke beslissing stellen zij in gemeen overleg een arbitrerende arts aan. De beslissing van deze laatste is bindend.

Art. XI 25. § 1. Indien de ambtenaar tijdens zijn loopbaan 666 werkdagen afwezig geweest is wegens ziekte, kan het in artikel XI 24 bedoelde geneeskundig controleorgaan een voorstel formuleren aan de Administratieve Gezondheidsdienst tot definitieve ongeschiktverklaring van de ambtenaar.

Van de dagen afwezigheid wegens ziekte worden enkel de werkdagen aangerekend op het in het eerste lid vermelde aantal. § 2. De beslissing van de Administratieve Gezondheidsdienst tot voortijdige pensionering wegens definitieve arbeidsongeschiktheid zal voor de ambtenaar die in toepassing van artikel 41 van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen, een ziektekrediet van meer dan 666 werkdagen opbouwt, ten vroegste uitwerking hebben na het aantal werkdagen afwezigheid wegens ziekte overeenstemmend met dit krediet.

Art. XI 26. De ambtenaar die tijdens een opdracht bij een buitenlandse regering, een buitenlands openbaar bestuur of een internationale instelling, op pensioen wordt gesteld wegens invaliditeit en een pensioen van die overheid of instelling ontvangt, kan vóór het verstrijken van de termijn van 666 werkdagen bedoeld in artikel XI 25, eerste lid definitief ongeschikt verklaard worden.

Art. XI 27. Indien het geneeskundig controleorgaan een wegens ziekte afwezige ambtenaar geschikt acht om zijn ambt terug op te nemen met halftijdse prestaties dan geeft hij daarvan kennis aan de leidend ambtenaar en aan de ambtenaar zelf.

Art. XI 28. De wegens ziekte afwezige ambtenaar kan zelf vragen zijn ambt terug te mogen opnemen met halftijdse prestaties. Tot staving van die aanvraag legt hij een geneeskundig attest voor. Indien het geneeskundig controleorgaan oordeelt dat de lichaamstoestand van de betrokkene dat toelaat, geeft hij kennis van deze beslissing aan de leidend ambtenaar en aan de ambtenaar zelf.

Art. XI 29. De arts die door het geneeskundig controleorgaan is aangewezen om de ambtenaar te onderzoeken, spreekt zich uit over de lichamelijke geschiktheid om zijn ambt met halftijdse prestaties terug op te nemen na voorafgaande raadpleging van de behandelende arts. Bij betwisting is de procedure van artikel XI 24, § 2 van toepassing.

Art. XI 30. Het geneeskundig controleorgaan staat halftijdse prestaties toe voor een periode van maximum dertig kalenderdagen.

Nochtans worden voor ten hoogste dezelfde periode verlengingen toegestaan indien het geneeskundig controleorgaan bij een nieuw onderzoek oordeelt dat de lichamelijke toestand van de ambtenaar dat wettigt.

Art. XI 31. In een periode van tien jaar dienstactiviteit mag de ambtenaar zijn ambt in totaal niet meer dan negentig kalenderdagen lang in halftijdse prestaties wegens ziekte uitoefenen.

Art. XI 32. Als ziekteverlof worden ook beschouwd de halve of hele werkdagen afwezigheid van een ambtenaar tijdens een periode van halftijdse prestaties wegens ziekte die hij verricht bij toepassing van de artikelen XI 27 tot XI 31.

Zij worden pro rata aangerekend op het aantal dagen vermeld in artikel XI 25.

Art. XI 33. § 1. Ziekteverlof wordt toegestaan voor de duur van de afwezigheid naar aanleiding van : 1° een arbeidsongeval;2° een ongeval op weg naar en van het werk;3° een beroepsziekte.4° de vrijstelling van arbeid van de zwangere ambtenaar die werkt in een schadelijk arbeidsmilieu, nadat is vastgesteld dat geen aangepaste of andere arbeidsplaats mogelijk is; Deze dagen afwezigheid worden niet aangerekend op het contingent van 666 werkdagen vermeld in artikel XI 25. § 2. Is de afwezigheid te wijten aan de in § 1, eerste lid, 1° tot en met 3° vermelde redenen of aan een ongeval, veroorzaakt door de schuld van een derde dan ontvangt de ambtenaar zijn salaris alleen als voorschot dat betaald wordt op de door de derde verschuldigde vergoeding en dat op de derde te verhalen is.

De instelling treedt in het in het vorig lid bedoelde geval van rechtswege in alle rechten, vorderingen en rechtsmiddelen die de getroffene mocht kunnen doen gelden tegen de persoon die verantwoordelijk is voor het ongeval tot het bedrag van het salaris. § 3. De leidend ambtenaar neemt de juridische beslissing met betrekking tot de erkenning van arbeidsongevallen, van ongevallen op weg naar en van het werk en van beroepsziekten en de toekenning van schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector.

Art. XI 34. Deze titel is tevens van toepassing op de stagiair.

TITEL 6. - Verlof voor verminderde prestaties Art. XI 35. De periodes van afwezigheid wegens vermindering van prestaties overeenkomstig dit hoofdstuk worden beschouwd als verlof.

Dit verlof wordt niet vergoed.

Het verlof is een gunst, afhankelijk van de goede werking van de dienst.

Art. XI 36. § 1. Het afdelingshoofd kan de ambtenaar die onder hem ressorteert toestaan om zijn ambt uit te oefenen met verminderde prestaties. Voor de ambtenaar behorend tot het secretariaat van de leidend ambtenaar of de adjunct-leidend ambtenaar, wordt de toestemming gegeven respectievelijk door de leidend ambtenaar of de adjunct-leidend ambtenaar. § 2. De ambtenaar dient zijn aanvraag in ten minste één maand vóór de aanvang van het verlof. § 3. De in § 1 bedoelde ambtenaren beoordelen of het geven van de toestemming verenigbaar is met de goede werking van de dienst; zij maken hun beslissing bekend aan de ambtenaar binnen een maand te rekenen vanaf de ontvangst van de aanvraag, zoniet wordt ervan uitgegaan dat er een gunstige beslissing is; wanneer de aanvraag niet of slechts gedeeltelijk wordt ingewilligd, wordt de beslissing gemotiveerd.

De ambtenaar kan beroep indienen bij de Raad van Beroep binnen vijftien kalenderdagen vanaf de kennisgeving van de beslissing van de bevoegde ambtenaar.

Na het advies van de Raad van Beroep wordt de beslissing definitief genomen door de leidend ambtenaar, en voor het secretariaatspersoneel van de leidend ambtenaar en van de adjunct-leidend ambtenaar door de directieraad. De leidend respectievelijk adjunct-leidend ambtenaar nemen niet deel aan de beraadslaging door de directieraad. De leidend ambtenaar en de directieraad nemen een beslissing binnen de 15 kalenderdagen na ontvangst van het advies van de raad van beroep, zoniet wordt de beslissing geacht gunstig te zijn voor de betrokkene. § 4. De ambtenaar die de in § 1 vermelde toestemming krijgt, dient ofwel 50 procent, ofwel 80 procent ofwel 90 procent van de duur der prestaties die hem normaal worden opgelegd te volbrengen. Deze prestaties worden in principe ofwel elke dag ofwel volgens een andere vaste verdeling over de week of over de maand verricht, met dien verstande dat de vermindering van de prestaties steeds ten minste een halve dag bedraagt.

Bij het werken a rato van 80 procent of 90 procent van de normale arbeidsduur kan de vermindering van de arbeidstijd evenwel ook in uren volgens een vaste verdeling genomen worden.

De verminderde prestaties dienen steeds in te gaan bij het begin van de maand. § 5 De in § 1 bedoelde machtiging mag niet worden toegekend aan een ambtenaar die een graad heeft van rang A2A en hoger die belast is met de leiding van een organisatorische eenheid.

Art. XI 37. De toestemming om met verminderde prestaties te werken wordt gegeven voor een periode van ten minste drie en ten hoogste twaalf maanden.

Verlengingen van ten minste drie en ten hoogste twaalf maanden kunnen echter worden toegestaan indien de maatregel te verzoenen valt met de eisen van de goede werking van de dienst.

Voor elke verlenging wordt een aanvraag van de betrokken ambtenaar vereist. Zij moet ten minste een maand voor het verstrijken van het lopende verlof worden ingediend.

De toestemming wordt verleend overeenkomstig de procedure bepaald bij artikel XI 36, § 3.

Art. XI 38. Het verlof voor verminderde prestaties wordt opgeschort zodra de ambtenaar verlof krijgt : 1° voor bevalling, adoptie en pleegvoogdij, ouderschap en het voorbereiden van zijn kandidatuur voor de wetgevende en provinciale verkiezingen;2° voor het verrichten van sommige militaire prestaties in vredestijd en van diensten bij de civiele bescherming of van taken van openbaar nut op grond van de wetten houdende het statuut van de gewetensbezwaarden, gecoördineerd op 20 februari 1980. Art. XI 39. Op initiatief hetzij van de bevoegde overheid, hetzij van de betrokken ambtenaar en mits er een opzegtermijn van een maand is herneemt de ambtenaar zijn voltijds ambt, voordat de periode verstrijkt waarvoor hij toestemming kreeg zijn ambt met verminderde prestaties uit te oefenen.

Tegen de krachtens dit artikel genomen beslissingen kan het bij artikel XI 36, § 3, 2de lid vermelde beroep worden aangetekend.

Art. XI 40. § 1. Het verlof voor verminderde prestaties wordt voor een periode van vijf jaar gelijkgesteld met dienstactiviteit.

Wat betreft de vijf jaar die voor het geheel van de loopbaan de totale duur omvat van de periodes aan verlof voor verminderde prestaties die aan de ambtenaar worden toegekend, wordt gerekend vanaf 1 juli 1982. § 2. Na het verstrijken van de termijn van vijf jaar is de ambtenaar die verlof voor verminderde prestaties geniet tijdens de duur van de afwezigheid met non-activiteit. Hij kan niettemin zijn aanspraken op bevordering door verhoging in graad doen gelden.

De bevordering tot een hogere graad maakt een einde aan de toestemming tot het uitoefenen van zijn ambt met verminderde prestaties.

Art. XI 41. § 1. De ambtenaar die de leeftijd van vijftig jaar heeft bereikt en de ambtenaar die ten minste twee kinderen ten laste heeft die nog niet de leeftijd van vijftien jaar bereikt hebben, mag wanneer hij erom vraagt zijn ambt uitoefenen met verminderde prestaties.

In afwijking van het eerste lid geldt dit recht op verlof nochtans niet : - voor de ambtenaar van niveau A die de leeftijd van vijftig jaar heeft bereikt; - voor de ambtenaar van rang A2A en hoger die twee kinderen ten laste heeft die geen 15 jaar oud zijn. § 2. De artikelen XI 35 eerste en tweede lid, XI 36 § 1, § 2, § 4, XI 38 en XI 40 zijn van toepassing op de in § 1 bedoelde ambtenaren.

Artikel XI 37 eerste, tweede en derde lid is eveneens van toepassing zonder dat de aanvraag tot verlenging kan tegengesteld worden aan de goede werking van de dienst. § 3. Op initiatief van de ambtenaar en met opzegging van één maand, kan vóór het verstrijken ervan een einde worden gemaakt aan een lopend verlof, tenzij de bevoegde overheid, op verzoek van de ambtenaar, een kortere opzeggingstermijn aanvaardt.

Art. XI 42. De ambtenaren met verlof voor verminderde prestaties bedoeld in artikel 41, § 1 worden door contractuele personeelsleden vervangen a rato van het aantal halftijdse of voltijdse equivalenten van afwezigheid.

TITEL 7. - Verlof voor loopbaanonderbreking HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen Art. XI 43. § 1. De ambtenaar kan zijn loopbaan voltijds of halftijds onderbreken met al dan niet opeenvolgende periodes van ten minste zes maanden en ten hoogste twaalf maanden.

In afwijking van de minimumduur bepaald in het vorige lid, kan de ambtenaar de loopbaan voltijds onderbreken voor ten minste drie maanden als hij de onderbreking aanvraagt naar aanleiding van de geboorte of adoptie van een kind.

Wanneer de ambtenaar de onderbreking aanvraagt naar aanleiding van de geboorte van een kind dient de loopbaanonderbreking : - onmiddellijk aan te sluiten op de periodes bedoeld in artikel 39 van de arbeidswet van 16 maart 1971 indien het een vrouwelijke ambtenaar betreft; - ten laatste een aanvang te nemen op de eerste dag die volgt op de periode van acht weken vanaf de geboorte van het kind, indien het een mannelijke ambtenaar betreft.

De mannelijke ambtenaar kan van de bepalingen van het derde lid, tweede streepje genieten in zoverre de afstamming van het kind te zijnen opzichte vaststaat.

In afwijking van het eerste lid, kan de ambtenaar zijn loopbaan voltijds of halftijds onderbreken voor een periode van één maand, eventueel verlengbaar met één maand, teneinde palliatieve verzorging te verstrekken aan een persoon krachtens de bepalingen van artikel 100 bis en 102 bis van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen.

De ambtenaar kan zijn loopbaan in totaal tweeënzeventig maanden voltijds en tweeënzeventig maanden halftijds onderbreken. § 2. Bij halftijdse loopbaanonderbreking worden de prestaties in principe ofwel elke dag, ofwel volgens een andere vaste verdeling over de week of over de maand verricht.

Tijdens een periode van halftijdse loopbaanonderbreking kan de ambtenaar geen verlof voor verminderde prestaties bekomen. § 3. De ambtenaar die zijn loopbaan wenst te onderbreken bij toepassing van § 1, eerste en tweede lid, deelt aan de leidend ambtenaar de datum mee waarop de onderbreking van zijn loopbaan zal beginnen en de duur ervan, en hij voegt bij die mededeling het formulier voor de aanvraag voor uitkeringen bedoeld in artikel XI 58.

Die mededeling gebeurt schriftelijk minstens drie maanden vóór de aanvang van de onderbreking, tenzij de leidend ambtenaar op verzoek van de betrokkene een kortere termijn aanvaardt.

De loopbaanonderbreking dient steeds in te gaan bij het begin van de maand behalve indien zij aansluit bij een periode van bevallingsverlof. § 4. In afwijking van de vorige paragraaf brengt de ambtenaar die zijn loopbaan wil onderbreken om palliatieve verzorging te verstrekken de leidend ambtenaar hiervan op de hoogte. Hij voegt bij die mededeling het formulier bedoeld in artikel XI 58, alsmede een attest afgeleverd door de behandelende geneesheer van de persoon die palliatieve verzorging behoeft en waaruit blijkt dat de ambtenaar zich bereid heeft verklaard deze palliatieve verzorging te verlenen. De identiteit van de patiënt wordt hierbij niet vermeld.

De onderbreking begint de eerste dag van de week volgend op die gedurende dewelke de voormelde mededeling gebeurd is. § 5. De overheid vult het in artikel XI 58 vermelde formulier in en geeft het af aan de ambtenaar samen met een kopie van het attest bedoeld in art. XI 58 derde lid en, zonodig, een kopie van de vervangingsovereenkomst zoals bedoeld in het derde lid van het genoemd artikel.

Art. XI 44. De ambtenaar met verlof voor loopbaanonderbreking bevindt zich in de administratieve toestand dienstactiviteit, maar heeft geen recht op salaris. Bij voltijdse loopbaanonderbreking heeft hij bovendien geen recht op bevordering in salarisschaal.

Art. XI 45. § 1. De leidinggevende ambtenaar van rang A2 en hoger en de ambtenaar van rang A1 in een buitendienst die een diensthoofdentoelage krijgt, zijn uitgesloten van het voordeel van de loopbaanonderbreking.

Voor de niet-leidinggevende ambtenaar van rang A2 en hoger is het verlof voor loopbaanonderbreking een gunst, afhankelijk van de goede werking van de dienst. § 2. In afwijking van §1 hebben de ambtenaar van rang A2 en hoger en de ambtenaar van rang A1 in een buitendienst die een diensthoofdentoelage krijgt, recht op : 1° loopbaanonderbreking om palliatieve verzorging te verstrekken;2° voltijdse loopbaanonderbreking van 3 maanden naar aanleiding van de geboorte of adoptie van een kind. Art. XI 46. Aan de ambtenaar die zijn loopbaan overeenkomstig artikel XI 43 onderbreekt, wordt een maandelijkse uitkering toegekend overeenkomstig de federale bepalingen terzake.

Art. XI 47. De cumulatie van onderbrekingsuitkeringen met de inkomsten die voortvloeien uit het uitoefenen van een politiek mandaat, of uit een extra activiteit als loontrekkende of uit de uitoefening van een zelfstandige activiteit evenals de procedure en voorwaarden worden geregeld overeenkomstig de federale bepalingen ter zake.

Art. XI 48. Indien de ambtenaar geen recht heeft op onderbrekingsuitkeringen als gevolg van een beslissing van de directeur van het werkloosheidsbureau bedoeld in artikel XI 57 of afziet van deze uitkeringen, wordt de loopbaanonderbreking omgezet in non-activiteit, behoudens de uitzonderingen bepaald door de federale overheid.

Art. XI 49. Afwezigheid wegens ziekte of ongeval maakt geen einde aan de loopbaanonderbreking.

Art. XI 50. § 1. Met een opzegging van twee maanden via een aangetekende brief gericht aan de leidend ambtenaar kan de ambtenaar die zijn loopbaan onderbroken heeft zijn ambt opnieuw opnemen nog voordat de periode van onderbreking van zijn beroepsloopbaan verlopen is. § 2. De onderbrekingsuitkeringen die ontvangen werden voor een periode die minder bedraagt dan de minimumtermijnen voorzien in artikel XI 43 dienen te worden terugbetaald.

De in het eerste lid bedoelde terugbetaling wordt niet gevorderd wanneer de periode van onderbreking onmiddellijk volgt op een andere periode van loopbaanonderbreking. § 3. De administrateur-generaal van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening of het door deze laatste aangewezen personeelslid kan afzien van de terugvordering bedoeld in § 1 in geval van een werkhervatting gemotiveerd door uitzonderlijke omstandigheden ten aanzien van de ambtenaar als de ambtenaar daartoe een verzoekschrift, eventueel vergezeld van de nodige bewijsstukken, heeft ingediend. Dit verzoekschrift wordt door de ambtenaar of zijn nabestaanden ingediend bij de directeur van het werkloosheidsbureau bedoeld in artikel XI 57 die het aan de administrateur-generaal doet toekomen.

Art. XI 51. De ambtenaar die recht heeft op onderbrekingsuitkeringen mag zich naar het buitenland begeven op voorwaarde dat hij zijn woonplaats in België behoudt.

De onderbrekingsuitkeringen worden echter slechts in België uitbetaald.

Art. XI 51bis. De bepalingen van de artikelen XI 50 tot en met XI 63 zijn van toepassing overeenkomstig de geldende federale bepalingen terzake.

HOOFDSTUK 2. - Vervanging Art. XI 52. De ambtenaar dient gedurende zijn loopbaanonderbreking te worden vervangen overeenkomstig de federale bepalingen terzake.

Art. XI 53. De in artikel XI 52 bepaalde vervanger dient uiterlijk de zestiende dag na het begin van de onderbreking bij arbeidsovereenkomst aangeworven te worden, volgens de regels bepaald bij de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.

Art. XI 54. Ingeval er een einde gemaakt wordt aan de arbeidsovereenkomst van de vervanger, beschikt de overheid over een termijn van 30 kalenderdagen, te rekenen vanaf het einde van deze arbeidsovereenkomst, om een nieuwe vervanger aan te stellen.

De periode van de vervanging door één of meer contractuelen mag in geen geval de duur van de loopbaanonderbreking overtreffen.

Art. XI 55. Voor de periodes waarin de ambtenaar niet werkelijk vervangen wordt volgens de bepalingen voorzien in artikel XI 52, vraagt de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening aan de overheid waaronder de ambtenaar ressorteert, de terugbetaling van de onderbrekingsuitkering.

Art. XI 56. Wanneer de ambtenaar die zijn loopbaan onderbreekt een betrekking heeft waarin met toepassing van de statutaire regels niet via aanwerving kan worden voorzien, kan de leidend ambtenaar een ambtenaar aanwijzen om het aan die betrekking verbonden ambt uit te oefenen, overeenkomstig de reglementering betreffende de uitoefening van een hoger ambt. Deze bepaling doet geen afbreuk aan de verplichting tot vervanging voorzien in artikel XI 52.

HOOFDSTUK 3. - Aanvraag van de onderbrekingsuitkering en procedure Art. XI 57. De ambtenaar die een onderbrekingsuitkering wenst te genieten, dient via een aangetekende brief een aanvraag in bij het gewestelijk werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening bevoegd voor het ambtsgebied waarin hij verblijft.

Er wordt van uitgegaan dat de aanvraag ontvangen is op de derde werkdag na de afgifte ervan ter post.

Art. XI 58. De aanvraag dient te gebeuren door middel van het formulier waarvan het model en de inhoud vastgesteld worden door het beheerscomité van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, mits zij worden goedgekeurd door de minister die bevoegd is voor Tewerkstelling en Arbeid.

De minister die bevoegd is voor Tewerkstelling en Arbeid bepaalt welke bewijsstukken de ambtenaar bij zijn aanvraag dient te voegen, alsmede de termijnen waarbinnen deze bewijsstukken dienen ingediend te worden.

De aanvraag omvat met name het eigenlijke aanvraagformulier, alsmede een attest afgeleverd door de gewestelijke werkloosheidsinspecteur in wiens ambtsgebied de vervanger woont waaruit blijkt dat de vervanger aan de voorwaarden van artikel XI 52 voldoet. In geval van vervanging door een contractueel die voorheen reeds een personeelslid in loopbaanonderbreking verving, dient een afschrift van de oorspronkelijke vervangingsovereenkomst te worden bijgevoegd.

De aanvraagformulieren kunnen worden verkregen op het werkloosheidsbureau.

Art. XI 59. Elke verlenging of nieuwe aanvraag dient te worden ingediend met inachtname van dezelfde formaliteiten en termijnen als een eerste aanvraag.

Art. XI 60. Het recht op uitkeringen gaat in op de dag vermeld in de aanvraag om uitkeringen, wanneer het aanvraagformulier behoorlijk en volledig ingevuld op het gewestelijk werkloosheidsbureau aankomt binnen de termijn van één maand, die ingaat op de dag die volgt op de dag die vermeld is in de aanvraag en die berekend wordt van datum tot datum.

Wanneer dit document behoorlijk en volledig ingevuld ontvangen wordt na die termijn, gaat het recht op uitkeringen pas in op de dag van de ontvangst ervan.

Indien het recht op uitkeringen op een latere datum ingaat overeenkomstig de bepalingen van het tweede lid, wordt de betrokkene toch geacht in loopbaanonderbreking te zijn vanaf de dag die op het aanvraagformulier is aangegeven.

Art. XI 61. De bevoegde directeur van het werkloosheidsbureau neemt alle beslissingen inzake toekenning of ontzegging van het recht op onderbrekingsuitkeringen na het nodige onderzoek en navorsingen te hebben verricht of laten verrichten. Hij noteert zijn beslissing op een onderbrekingsuitkeringskaart waarvan het model en de inhoud worden vastgesteld door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening. De directeur stuurt een exemplaar van deze onderbrekingsuitkeringskaart aan de ambtenaar.

Art. XI 62. § 1. Alvorens een beslissing te nemen waarbij het recht op uitkeringen wordt geweigerd, roept de directeur van het gewestelijke werkloosheidsbureau de ambtenaar op om hem te horen.

Indien de ambtenaar op de dag van de oproeping verhinderd is, mag hij vragen het verhoor te verdagen tot een latere datum die niet later mag vallen dan vijftien dagen na de datum die voor het eerste verhoor was vastgesteld. Behoudens gevallen van overmacht wordt het uitstel maar éénmaal verleend.

De ambtenaar kan zich laten vertegenwoordigen of bijstaan door een persoon van zijn keuze. § 2. Indien de directeur van het werkloosheidsbureau een beslissing neemt tot weigering van het recht op uitkeringen, dient hij deze beslissing via een aangetekende brief aan de ambtenaar mee te delen.

Deze brief wordt geacht aangekomen te zijn op de derde werkdag na de afgifte ervan ter post.

De directeur van het gewestelijk werkloosheidsbureau zendt een afschrift van deze beslissing aan de leidend ambtenaar van de instelling.

HOOFDSTUK 4. - Toezicht Art. XI 63. Onverminderd de plichten van de officieren van gerechtelijke politie, worden de personeelsleden van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening aangewezen overeenkomstig artikel 22 van de wet van 14 februari 1961 houdende economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel, belast met het toezicht op de naleving van de bepalingen van deze titel.

TITEL 8. - Verlof voor opdracht HOOFDSTUK 1. - Verlof om een ambt uit te oefenen bij een ministerieel kabinet Art. XI 64. De ambtenaar van de instelling krijgt verlof wanneer hij door een minister, staatssecretaris of een lid van de regering van een gemeenschap, gewest of een gouverneur van een Vlaamse provincie of de gouverneur of vice-gouverneur van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad aangewezen wordt om een ambt uit te oefenen op zijn kabinet.

De aanwijzing gebeurt na akkoord van de minister.

Art. XI 65. Dit verlof wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.

Art. XI 66. Bij het einde van zijn aanwijzing en tenzij hij naar een ander kabinet overgaat, krijgt de ambtenaar, per maand activiteit in een kabinet, één dag verlof met een minimum van drie werkdagen en een maximum van vijftien werkdagen.

HOOFDSTUK 2. - Verlof voor opdracht van algemeen belang Art. XI 67. De ambtenaar krijgt verlof voor de uitoefening van een opdracht waarvan het algemeen belang erkend wordt.

Art. XI 68. § 1. Het verlof is onbezoldigd en wordt met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld.

Het verlof wordt evenwel bezoldigd wanneer de ambtenaar wordt aangewezen als nationale deskundige krachtens het besluit van 26 juli 1988 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen tot vaststelling van de regeling van toepassing op de bij de diensten van de Commissie gedetacheerde nationale deskundigen. § 2. De minister kan beslissen het salaris van de ambtenaar voor de duur van de opdracht door te betalen aan de ambtenaar en terug te vorderen van de instantie waarbij de opdracht wordt vervuld of geheel of gedeeltelijk door te betalen zonder terugvordering.

Art. XI 69. Onder opdracht wordt verstaan : 1° de uitoefening van de nationale en internationale opdrachten aangeboden door een binnenlandse of buitenlandse regering of openbaar bestuur of een internationale instelling;2° de internationale opdrachten in het raam van ontwikkelingssamenwerking, wetenschappelijk onderzoek of humanitaire hulp. Art. XI 70. § 1. Het karakter van algemeen belang wordt van rechtswege erkend voor de opdrachten in een ontwikkelingsland en voor de opdrachten die de als nationale deskundige aangewezen ambtenaar uitvoert ingevolge het voornoemde besluit van 26 juli 1988 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen. § 2. Het karakter van algemeen belang wordt voor de overige opdrachten erkend door de minister en voor de leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaar door de Vlaamse regering.

De toestemming voor de opdracht wordt gegeven indien de opdracht geacht wordt van overwegend belang te zijn voor het land, de Vlaamse regering of de Vlaamse administratie. § 3. In afwijking van de §§ 1 en 2 van dit artikel, verliest iedere opdracht van rechtswege haar karakter van algemeen belang vanaf de eerste dag van de maand die volgt op die waarin de ambtenaar een dienstanciënniteit heeft bereikt die volstaat om aanspraak te kunnen maken op het bekomen van een onmiddellijk ingaand of uitgesteld pensioen ten laste van de buitenlandse regering, het buitenlands openbaar bestuur of de internationale instelling voor wie de opdracht werd vervuld.

Art. XI 71. § 1. Op vraag van iedere Vlaamse minister kan de minister, met instemming van de betrokkene, een ambtenaar van de instelling, met de uitvoering van een opdracht belasten.

Eveneens kan iedere ambtenaar, met akkoord van de minister de uitvoering van een opdracht aanvaarden.

In beide gevallen wordt het advies ingewonnen van de leidend ambtenaar. § 2. Met het oog op de toepassing van het voornoemde besluit van 26 juli 1988 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, maakt de Vlaamse minister bevoegd voor externe betrekkingen in het Belgisch Staatsblad een oproep bekend waarin duidelijk wordt uiteengezet welke bekwaamheid, geschiktheid en beroepservaring van de gegadigden gevraagd worden alsook hoe lang de opdracht duurt en onder welke voorwaarden die wordt uitgeoefend.

De ambtenaar richt binnen vijftien kalenderdagen na de datum van de bekendmaking van de in het eerste lid bedoelde oproep via de hiërarchische weg zijn kandidatuur aan de leidend ambtenaar.

Laatstgenoemde stuurt, wanneer hij meent zich met de uitoefening van de opdracht akkoord te kunnen verklaren, de kandidatuur met het akkoord van de minister en met uitsluiting van elk ander element, binnen vijftien kalenderdagen na ontvangst door naar de Vlaamse minister bevoegd voor externe betrekkingen.

De Vlaamse minister bevoegd voor externe betrekkingen legt de kandidatuur voor beslissing voor aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen.

Art. XI 72. § 1. Aan de ambtenaar met verlof wegens een internationale opdracht die hem door de Vlaamse regering werd toevertrouwd, kan een vergoeding worden toegekend onder de voorwaarden en voor het bedrag bepaald door de Vlaamse minister bevoegd voor ambtenarenzaken.

De vergoeding wordt vastgesteld rekening houdend eensdeels met de bezoldiging aan de ambtenaar toegekend ter uitvoering van zijn opdracht en anderdeels, met de duur van de opdracht, de kosten van levensonderhoud in het land waar de ambtenaar zijn opdracht uitvoert, met de sociale rang die met deze opdracht overeenstemt en de tengevolge van zijn vertrek uit de woonplaats verhoogde gezinslasten. § 2. De in dit artikel bedoelde vergoeding mag niet worden toegekend aan de met een opdracht belaste ambtenaar die hetzij krachtens andere wets- of verordeningsbepalingen, hetzij wegens de vervulling van zijn opdracht, voordelen geniet die ten minste gelijkwaardig zijn aan het salaris dat hij zou gekregen hebben indien hij in dienst was gebleven.

Art. XI 73. Met inachtneming van een opzeggingstermijn van ten minste drie maanden en ten hoogste zes maanden, kan de minister op ieder ogenblik een eind maken aan de opdracht waarmede de ambtenaar is belast tijdens de vervulling ervan.

Art. XI 74. De ambtenaar wiens opdracht verstreken is of bij ministeriële beslissing van de Commissie van de Europese Gemeenschappen of bij beslissing van de ambtenaar zelf onderbroken wordt, stelt zich opnieuw ter beschikking van de instelling.

Indien hij zonder geldige reden weigert of nalaat dit te doen, wordt hij, na tien dagen afwezigheid, als ontslagnemend beschouwd.

HOOFDSTUK 3. - Verlof wegens terbeschikkingstelling van de Koning, een Prins of een Prinses van België Art. XI 75. § 1. De ambtenaar wordt door de minister ter beschikking van de Koning, een Prins of een Prinses van België gesteld, op hun verzoek. § 2. Voor de tijd dat de ambtenaar ter beschikking van de Koning, een Prins of een Prinses van België wordt gesteld, krijgt hij verlof. Dit verlof wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.

HOOFDSTUK 4. - Verlof voor het uitoefenen van een ambt bij een erkende politieke groep Art. XI 76. Onder "erkende politieke groep" wordt verstaan de politieke groep die erkend is overeenkomstig het reglement van elk van de wetgevende vergaderingen van de federale overheid of van de gemeenschappen en de gewesten.

Art. XI 77. § 1. Op verzoek van de voorzitter van een erkende politieke groep krijgt de ambtenaar in een rang lager dan A2A, met zijn instemming en voor zover het belang van de dienst zich er niet tegen verzet, verlof om een ambt uit te oefenen bij een erkende politieke groep in de wetgevende vergaderingen van een federale overheid of van de gemeenschappen en de gewesten, of bij de voorzitter van één van die groepen.

Het verlof wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. § 2. Binnen de perken van de reglementering of het reglement van de betrokken wetgevende vergadering wordt het verlof dat is toegestaan aan de ambtenaar die een ambt uitoefent bij een erkende politieke groep of bij de voorzitter van één van die groepen ofwel bezoldigd door de instelling met doorbetaling van het salaris en terugvordering ofwel niet bezoldigd door de instellingen wordt het salaris stopgezet indien de betrokken wetgevende vergadering of de erkende politieke groep een salaris betaalt.

Art. XI 78. Het verlof wordt toegekend door de minister. Deze kan om dienstredenen het verlof beëindigen mits er een opzeggingstermijn van een maand gerespecteerd wordt.

Het besluit vermeldt de identiteit (naam, voornamen en graad) van de ambtenaar, de duur van het toegekende verlof, alsmede de politieke groep of de voorzitter van de groep waarbij of bij wie de ambtenaar een ambt uitoefent.

Art. XI 79. Het totale bedrag van de bezoldigingen die jaarlijks verschuldigd zijn aan ambtenaren met verlof bij een erkende politieke groep of bij de voorzitter ervan, mag niet hoger zijn dan het totale bedrag van de subsidie die de groep of de voorzitter uit de begroting der dotaties ontvangt.

Dit artikel vindt geen toepassing op ambtenaren die rechtstreeks bezoldigd worden door de betrokken wetgevende vergadering.

Art. XI 80. De erkende politieke groepen of hun voorzitter storten elk kwartaal aan de instelling een som die gelijk is aan het totale bedrag van de salarissen, vergoedingen en toelagen die tijdens het vorige kwartaal zijn betaald aan ambtenaren met verlof om bij die politieke groepen of bij de voorzitter ervan werkzaam te zijn.

Wanneer bij het verstrijken van een kwartaal een politieke groep of de voorzitter ervan de bedoelde stortingen niet heeft verricht, wordt er een eind gemaakt aan het verlof van de ambtenaar waarover zij beschikken.

Dit artikel vindt geen toepassing op ambtenaren die rechtstreeks bezoldigd worden door de betrokken wetgevende vergadering.

HOOFDSTUK 5. - Gemeenschappelijke bepalingen Art. XI 81. § 1. De tot benoemen bevoegde overheid onder wie de met een verlof voor opdracht belaste ambtenaar ressorteert, beslist volgens de behoeften van de dienst of de betrekking waarvan de betrokkene titularis is, als vacant moet worden beschouwd.

Zij kan die beslissing nemen zodra de ambtenaar vier jaar afwezig is.

In afwijking van het eerste en tweede lid geldt deze mogelijkheid niet voor de betrekking van de ambtenaar met verlof om een ambt uit te oefenen bij een ministerieel kabinet. § 2. Aan de in § 1 bedoelde beslissing moet het advies voorafgaan van de leidend ambtenaar indien de benoemende overheid de minister is, en het advies van het afdelingshoofd indien de benoemende overheid de leidend ambtenaar is.

Indien de adviserende instantie van mening is dat de betrekking niet als vacant moet worden beschouwd, kan de benoemende overheid deze niettemin vacant verklaren na advies van de directieraad.

TITEL 9. - Vormingsverlof en dienstvrijstelling voor vorming Art. XI 82. Vorming is elke activiteit die bijdraagt tot het ontwikkelen van de capaciteiten, kennis, vaardigheden en attitudes van de ambtenaar met het oog op een verbeterde werking van de instelling inzake efficiëntie en effectiviteit van de dienstverlening aan de burger.

Art. XI 83. § 1. Voor opleidingen die georganiseerd worden in het raam van het vormingsbeleid door de instelling of voor vormingsactiviteiten die goedgekeurd worden door de opdrachthouder voor de vorming of de vormingsverantwoordelijke van de instelling wordt dienstvrijstelling verleend. Deze periodes van afwezigheid worden gelijkgesteld met dienstactiviteit.

De dienstvrijstelling kan geweigerd worden indien dezelfde activiteit reeds werd gevolgd. § 2. De ambtenaar heeft recht op een voorbereiding voor examens of bekwaamheidsproeven. De voorbereiding bestaat uit voorbereidende opleidingen georganiseerd door of namens de instelling.

Indien de ambtenaar deze voorbereiding een tweede maal wil volgen binnen een periode van vijf jaar, kan het afdelingshoofd deze toestemming weigeren.

De periodes van afwezigheid voor deze voorbereiding worden gelijkgesteld met dienstactiviteit.

Art. XI 84. § 1. Voor beroepsopleidingen die op eigen initiatief gevolgd worden en die georganiseerd worden door het departement Onderwijs van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap of georganiseerd, gesubsidieerd of erkend door de Vlaamse Gemeenschap in het kader van regelgeving inzake onderwijs en die 's avonds of in het weekeinde worden gegeven, kan de ambtenaar vormingsverlof verkrijgen.

De periodes van afwezigheid voor vormingsverlof worden gelijkgesteld met dienstactiviteit. § 2. Onder beroepsopleiding worden enkel die opleidingen verstaan die in verband staan met het uitgeoefende ambt. § 3. Het vormingsverlof wordt aangevraagd bij het afdelingshoofd die, na het advies te hebben ingewonnen van de opdrachthouder vorming of de vormingsverantwoordelijke, oordeelt of de aanvraag in verband staat met het uitgeoefende ambt en of het vormingsverlof verenigbaar is met de belangen van de dienst.

De opleidingen bedoeld in § 1 die voorbereiden op overgangs- en bevorderingsexamens voor de betrokken ambtenaar worden in elk geval beschouwd als in verband staande met het uitgeoefende ambt. Het dienstbelang kan slechts éénmaal ingeroepen worden om deze opleidingen te weigeren. § 4. Het vormingsverlof is gelijk aan het aantal uren van de opleiding, zonder evenwel per jaar meer dan 120 uur te mogen bedragen.

Voor de berekening van het aantal uren vormingsverlof wordt rekening gehouden met de geleverde prestaties en wel volgens de regels van toepassing voor de berekening van de jaarlijkse vakantie voor het jaar waarin de opleiding begint. § 5. Het vormingsverlof kan slechts éénmaal worden toegekend voor eenzelfde opleiding. § 6. Het vormingsverlof wordt geschorst indien blijkt dat de ambtenaar niet regelmatig de opleiding volgt. § 7. De nadere bepalingen inzake de toekenning van het vormingsverlof, de controle op de inschrijvingen en op de regelmatige deelname aan de opleiding worden vastgesteld door de leidend ambtenaar op voorstel van de opdrachthouder vorming of de vormingsverantwoordelijke.

Art. XI 85. Artikel XI 83, § 1 is van toepassing op de stagiair.

TITEL 10. - Omstandigheidsverlof Art. XI 86. § 1. Aan de ambtenaar wordt omstandigheidsverlof toegekend naar aanleiding van de gebeurtenissen en binnen de perken zoals hierna vermeld : 1° huwelijk van de ambtenaar : .. . . . 4 werkdagen 2° bevalling van de echtgenote of samenwonende partner : .. . . . 4 werkdagen 3° overlijden van de echtgeno(o)t(e) of samenwonende partner, een bloed- of aanverwant in de eerste graad : .. . . . 4 werkdagen 4° huwelijk van een kind : .. . . . 2 werkdagen 5° overlijden van een bloed- of aanverwant : in om het even welke graad maar onder eenzelfde dak wonend als de ambtenaar : .. . . . 2 werkdagen 6° overlijden van een bloed- of aanverwant : in de tweede graad maar niet onder eenzelfde dak wonend als de ambtenaar : .. . . . 1 werkdagen § 2. De afwezigheden wegens omstandigheidsverlof worden gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. § 3. Dit verlof is tevens van toepassing op de stagiair.

TITEL 11. - Gecontingenteerd verlof Art. XI 87. Onverminderd de in de titels 2 tot en met 10 bepaalde verloven kan de ambtenaar in de toestand dienstactiviteit aanspraak maken op de volgende contingenten verloven : 1° 20 werkdagen per jaar te nemen in volledige dagen en al dan niet aaneensluitende periodes;dit verlof wordt niet bezoldigd. De personeelsleden met verlof voor verminderde prestaties die dagelijk verminderd presteren, kunnen dit verlof evenwel opnemen in dagen naar rato van hun prestatieregime. 2° een eenmalig contingent tijdens de loopbaan a rato van de duur om een stage of proefperiode in een andere betrekking bij een overheidsdienst of in de privé-sector door te maken;dit verlof wordt niet bezoldigd.

Bovenop dit contingent krijgt de ambtenaar van de instelling die geslaagd is voor een vergelijkend examen voor overgang naar een ander niveau ambtshalve verlof in zijn oude graad voor de duur van zijn stage in zijn nieuwe graad. 3° één maand per verkiezing om zijn kandidatuur voor de verkiezingen van de wetgevende vergaderingen en/of van de lokale besturen voor te bereiden;dit verlof wordt niet bezoldigd.

Art. XI 88. Onverminderd het in titel 6 bepaalde verlofstelsel kan de ambtenaar aanspraak maken op een contingent verlof van 5 jaar gedurende zijn loopbaan, te nemen in periodes van minimum 1 jaar. Dit contingent wordt gelijkgesteld met de administratieve toestand non-activiteit.

Het verlof kan niet gebruikt worden voor het uitoefenen van een winstgevende betrekking bij een andere werkgever of als zelfstandige.

Art. XI 89. Het gecontingenteerd verlof wordt aangevraagd en toegestaan overeenkomstig de procedure bepaald in artikel XI 36, §§ 1, 2 en 3.

TITEL 12. - Verlof krachtens nationale bepalingen of verplichtingen Art. XI 90. § 1. De ambtenaar en de stagiair van de instelling die hun militaire dienst of burgerdienst volbrengen, vallen onder toepassing van : - het koninklijk besluit van 1 juni 1964 tot vaststelling van de administratieve stand van sommige ambtenaren van de rijksbesturen die in vredestijd militaire prestaties verrichten of diensten volbrengen ter uitvoering van de wet van 3 juni 1964 houdende het statuut van de gewetensbezwaarden; - het koninklijk besluit van 10 september 1981 tot vaststelling van de administratieve stand van sommige ambtenaren van de rijksbesturen welke van de militaire dienst vrijgesteld zijn bij toepassing van artikel 16 van die dienstplichtwetten, gecoördineerd op 30 april 1962.

Deze bepalingen gelden in afwachting dat de Koning, na advies van de Vlaamse regering, krachtens artikel 43 van het A.P.-K.B. de administratieve toestand en de gevolgen voor het recht op salaris, op bevordering tot een hoger salaris, voor administratieve anciënniteit of voor de loopbaanaanspraken bepaalt van de verplichtingen die door de nationale overheid opgelegd zijn. § 2. De leidend ambtenaar neemt het besluit houdende ambtshalve verlof en vaststelling van de administratieve toestand.

Art. XI 91. § 1. De ambtenaar en de stagiair van de instelling die verlof krijgen om in vredestijd als vrijwilliger prestaties te verrichten bij het korps voor burgerlijke veiligheid vallen onder de toepassing van artikel 19 van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbeturen. § 2. De leidend ambtenaar staat het verlof toe.

Art. XI 92. De ambtenaar en de stagiair van de instelling hebben recht op voorbehoedend verlof wanneer een inwonend familielid aangetast is door een besmettelijke ziekte, in de omstandigheden en volgens de nadere bepalingen die vastgesteld worden door het Algemeen Reglement van de Administratieve Gezondheidsdienst.

Art. XI 93. § 1. De ambtenaar en de stagiair van de instelling krijgen vakbondsverlof overeenkomstig de wettelijke en reglementaire bepalingen van het syndicaal statuut zoals bepaald in de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel en het koninklijk besluit van 28 september 1984 tot uitvoering van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. § 2. De leidend ambtenaar erkent een personeelslid als vaste afgevaardigde op aanvraag van een verantwoordelijk leider van zijn vakorganisatie. § 3. De tot benoemen bevoegde overheid onder wie de ambtenaar met vakbondsverlof ressorteert, beslist volgens de behoeften van de dienst of de betrekking waarvan de betrokkene titularis is, als vacant moet worden beschouwd.

Zij kan die beslissing nemen zodra de ambtenaar vier jaar afwezig is. § 4. Aan de in § 3 bedoelde beslissing moet het advies voorafgaan van de leidend ambtenaar indien de benoemende overheid de minister is en het advies van het afdelingshoofd indien de benoemende overheid de leidend ambtenaar is.

Indien deze van mening is dat de betrekking niet als vacant moet worden beschouwd, kan de benoemende overheid deze niettemin vacantverklaren na advies van de directieraad.

Art. XI 94. De ambtenaar en de stagiair van de instelling hebben recht op ziekte- of gebrekkigheidsverlof bij een arbeidsongeval, een ongeval op de weg naar en van het werk of een beroepsziekte, overeenkomstig artikel 46 van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen.

Inzake de algemene regeling van schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten valt de ambtenaar van de instelling onder de toepassing van navolgende wettelijke en reglementaire bepalingen : - de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector; - het koninklijk besluit van 12 juni 1970 betreffende de schadevergoeding ten gunste van de personeelsleden der instellingen van openbaar nut, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk; - het koninklijk besluit van 5 januari 1971 betreffende de schadevergoeding voor beroepsziekten in de overheidssector.

TITEL 13. - Verlof krachtens decretale bepalingen Art. XI 95. § 1. Wanneer een ambtenaar of een stagiair met toepassing van het decreet van 30 november 1988 tot instelling van het politiek verlof voor de personeelsleden van de openbare instellingen en publiekrechtelijke verenigingen die van het Vlaamse Gewest afhangen, verlof krijgt beslist de tot benoemen bevoegde overheid volgens de behoeften van de dienst of de betrekking waarvan de ambtenaar met voltijds politiek verlof titularis is, als vacant moet worden beschouwd.

Zij kan die beslissing nemen zodra de ambtenaar vier jaar afwezig is. § 2 Aan de in § 1 bedoelde beslissing moet het advies voorafgaan van de leidend ambtenaar indien de benoemende overheid de minister is en het advies van het afdelingshoofd indien de benoemende overheid de leidend ambtenaar is.

Indien deze van mening is dat de betrekking niet als vacant moet worden beschouwd, kan de benoemende overheid deze niettemin vacantverklaren na advies van de directieraad.

TITEL 14. - Overgangsbepalingen Art. XI 96. De ambtenaar aan wie een verlof was toegekend overeenkomstig de reglementering die van kracht was vóór de datum van de inwerkingtreding van dit besluit, geniet dit verlof tot het einde van de periode waarvoor het was toegestaan.

Art. XI 97. De stand van het ziektekrediet dat de ambtenaar vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit opgebouwd heeft overeenkomstig de reglementering van kracht vóór deze datum blijft behouden.

DEEL XII VERLIES VAN DE HOEDANIGHEID VAN AMBTENAAR EN DEFINITIEVE AMBTSNEERLEGGING TITEL 1. - De redenen Art. XII 1. Niemand kan zijn hoedanigheid van ambtenaar verliezen vóór de normale leeftijd van de pensionering, behalve in de gevallen bepaald door de pensioenwetgeving of door dit besluit.

Art. XII 2. § 1. Ambtshalve en zonder opzegging verliest de hoedanigheid van ambtenaar : 1° de ambtenaar van wie de benoeming onregelmatig bevonden wordt binnen de termijn voor beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State of van wie de onregelmatigheid van de benoeming wordt vastgesteld tijdens de procedure voor de Raad van State;die termijn geldt niet in geval van arglist of bedrog van de ambtenaar; 2° de ambtenaar die niet langer zijn burgerlijke en politieke rechten geniet, die niet meer voldoet aan de dienstplichtwetten of wiens lichamelijke ongeschiktheid werd vastgesteld;3° onverminderd de toepassing van artikel XI 6, tweede lid en artikel XI 7 de ambtenaar die zonder geldige reden zijn post verlaat en meer dan tien opeenvolgende kalenderdagen afwezig blijft;4° de ambtenaar die zich in een geval bevindt waarin de toepassing van de burgerlijke wetten en van de strafwetten de ambtsneerlegging ten gevolge heeft;5° de ambtenaar die wordt afgezet;6° de ambtenaar die niet meer beantwoordt aan de nationaliteitsvereiste. § 2. Voor zover aan de voorwaarden van de desbetreffende reglementering is voldaan, stort de instelling bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid de werkgevers- en werknemersbijdragen die verschuldigd zijn voor de opname van de ambtenaar in het stelsel van de werkloosheid, de ziekteverzekering - sector uitkeringen - en de moederschapsverzekering in de gevallen vermeld in § 1, sub 1°, behalve bij arglist of bedrog van de ambtenaar, sub 2°, 4° en 5°. § 3. Het ontslag van de ambtenaar wordt in de gevallen die opgesomd zijn als reden in § 1, sub 1°, 2°, 4° en 5° ondertekend door de leidend ambtenaar en in het geval dat als reden genoemd is sub 3° door de benoemende overheid.

Het ontslag van de leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaar wordt ondertekend door de benoemende overheid. § 4. Dit artikel geldt tevens voor de stagiairs.

Art. XII 3. Tot ambtsneerlegging geven aanleiding : 1° het vrijwillig ontslag;2° de pensionering;3° de definitief vastgestelde beroepsongeschiktheid. De bepaling onder 1° van dit artikel geldt tevens voor de stagiair.

Art. XII 4. In geval van vrijwillig ontslag mag de ambtenaar slechts na toestemming en na een opzeggingstermijn van ten minste dertig dagen, zijn dienst verlaten. Indien de bevoegde overheid binnen een termijn van dertig kalenderdagen na de aanvraag van de ambtenaar niet geantwoord heeft, wordt de toestemming geacht gegeven te zijn.

Nochtans kan in afwijking van het eerste lid in onderling akkoord tussen de ambtenaar en de bevoegde overheid de opzeggingstermijn ingekort worden.

Een benoeming bij een andere overheid die definitief geworden is, wordt gelijkgesteld met vrijwillig ontslag.

Art. XII 5. § 1. De ambtenaar die 60 jaar geworden is, wordt ambtshalve gepensioneerd op de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin hij, zonder dat hij definitief ongeschikt is bevonden, komt tot een totaal van 365 kalenderdagen afwezigheid wegens ziekte te rekenen vanaf de leeftijd van 60 jaar. Voor het berekenen van deze 365 kalenderdagen komen de periodes van afwezigheid te wijten aan een arbeidsongeval, een ongeval op de weg naar en van het werk of een beroepsziekte, niet in aanmerking. § 2. Wegens uitzonderlijke redenen, kan een ambtenaar boven de leeftijd van 65 jaar in dienst gehouden worden, indien de instelling er bijzonder belang bij zou hebben nog enige tijd gebruik te maken van zijn diensten vóór zijn vervanging.

Het indiensthouden boven de leeftijdsgrens kan slechts voor maximaal zes maanden toegestaan worden zonder mogelijkheid tot verlenging.

De beslissing wordt gemotiveerd; ze wordt genomen door de Vlaamse regering voor de leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaar en door de minister op voorstel van de leidend ambtenaar voor de andere ambtenaren.

Art. XII 6. Het vrijwillig ontslag en de pensionering wordt toegestaan, respectievelijk ondertekend door de benoemende overheid.

Art. XII 7. § 1. De ambtenaar wordt definitief ongeschikt verklaard wegens beroepsredenen indien hij gedurende twee opeenvolgende jaren de evaluatie "onvoldoende" gekregen heeft.

Het voorstel "onvoldoende" dat de tweede opeenvolgende maal geformuleerd wordt, wordt gelijkgesteld met een voorstel tot afdanking wegens beroepsongeschiktheid waartegen beroep mogelijk is bij de Raad van Beroep. § 2. De afdanking wegens beroepsongeschiktheid wordt uitgesproken door de benoemende overheid. § 3. Voor zover aan de voorwaarden van de desbetreffende reglementering is voldaan, stort de instelling bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid de werkgevers- en werknemersbijdragen die verschuldigd zijn voor de opname van de ambtenaar in het stelsel van de werkloosheid, de ziekteverzekering - sector uitkeringen - en de moederschapsverzekering.

Art. XII 8. De benoemende overheid kan aan de pensioengerechtigde ambtenaar toestaan de eretitel van het door hem laatst werkelijk waargenomen ambt te blijven dragen.

Art. XII 9. De toestemming tot het voeren van de onder artikel XII 8 beoogde eretitel wordt enkel aan ambtenaren verleend die geen functioneringsevaluatie "onvoldoende" kregen en die ten minste 20 jaar werkelijke dienst hebben op het ogenblik van hun pensionering, behoudens in geval van vroegtijdige pensionering ten gevolge van letsels opgedaan of van ongevallen overkomen tijdens de uitoefening van of in verband met hun ambt.

DEEL XIII. - GELDELIJK STATUUT TITEL 1. - Bezoldigingsregeling HOOFDSTUK 1. - De salarisschalen Artikel XIII 1. Het jaarsalaris, hierna salaris genoemd, van de ambtenaar wordt vastgesteld in de salarisschalen bestaande uit : - een minimumsalaris; - salaristrappen die het resultaat zijn van de periodieke salarisverhogingen; - een maximumsalaris.

Geen enkele salarisschaal mag zich over meer dan 31 jaar ontwikkelen.

Het salaris en de periodieke salarisverhogingen worden uitgedrukt in een aantal munteenheden, dat met hun jaarbedrag overeenstemt.

Het salaris, verhoogd met de eventuele haard- of standplaatstoelage, ligt nooit beneden de gewaarborgde minimumbezoldiging.

Art. XIII 2. De salarisschaal wordt vastgesteld met inachtneming van de rang, van de graad en van de belangrijkheid van de functie die er mee overeenstemt.

Aan elke graad worden één of meer salarisschalen verbonden.

Wanneer meerdere salarisschalen aan één graad worden verbonden, kunnen de hogere salarisschalen alleen verleend worden volgens de in dit besluit bepaalde criteria.

Art. XIII 3. § 1. Elke salarisschaal behoort tot een van de vijf niveaus aangeduid met de letters A, B, C, D en E. De salarisschaal wordt verder aangeduid met cijfers. Het eerste cijfer geeft de rang aan, het tweede cijfer de loopbaan binnen de rang. Het laatste cijfer geeft de plaats aan van de salarisschaal met betrekking tot de andere salarisschalen die binnen dezelfde loopbaan bestaan. § 2. Elke salarisschaal wordt aangegeven door de lettercijfercode die in de bij dit besluit gevoegde tabel (bijlage 8) boven de salarisschaal is opgenomen.

HOOFDSTUK 2. - Vaststelling van het salaris Art. XIII 4. Bij iedere wijziging in de bezoldigingsregeling van een graad wordt elk salaris dat werd vastgesteld met inachtneming van die graad opnieuw vastgesteld volgens de nieuwe bezoldigingsregeling.

Indien het aldus opnieuw vastgestelde salaris lager is dan het salaris dat de ambtenaar in zijn graad genoot bij de inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit, blijft hij in die graad het hoogste salaris genieten totdat hij een ten minste gelijk salaris ontvangt.

Art. XIII 5. Het salaris van elke ambtenaar wordt vastgesteld in de salarisschaal of in één van de salarisschalen, verbonden aan zijn graad, behoudens uitzonderingen bepaald in dit besluit.

Art. XIII 6. De gerechtigde in een schaal ontvangt te allen tijde het salaris overeenstemmend met zijn anciënniteit die het totaal van de in aanmerking komende diensten uitmaakt.

Art. XIII 7. Voor het bepalen van de leeftijd van de ambtenaar wordt, met het oog op de vaststelling van zijn salaris, de verjaardag die niet op de eerste van de maand valt, steeds verschoven naar de eerste van de volgende maand.

HOOFDSTUK 3. - In aanmerking komende diensten voor de vaststelling van het salaris Afdeling 1. - Aanrekening van voltijdse diensten Art. XIII 8. Voor de toepassing van dit deel verstaat men onder : 1° dienst van de Verenigde Naties, de Europese Unie, een lidstaat van de Europese Unie, de Belgische staat, dienst van de gemeenschappen en/of de gewesten : elke niet-rechtspersoonlijke dienst die afhangt van de wetgevende macht, de uitvoerende macht of de rechterlijke macht van die overheden;2° dienst van Afrika : elke niet-rechtspersoonlijke dienst die afhing van het gouvernement van Belgisch-Congo of van het gouvernement van Ruanda-Urundi;3° andere openbare diensten dan de diensten van de Verenigde Naties, de Europese Unie, een lidstaat van de Europese Unie, de Belgische staat, de gemeenschappen en/of de gewesten en de diensten van Afrika : a) elke rechtspersoonlijke dienst die afhangt van de uitvoerende macht;b) elke rechtspersoonlijke dienst die afhing van het gouvernement van Belgisch-Congo, of van het gouvernement van Ruanda-Urundi;c) elke dienst die afhangt van een regionaal of lokaal bestuur, een provincie, een gemeente, een vereniging van gemeenten, een agglomeratie of een federatie van gemeenten, een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn alsook elke dienst die afhangt van een aan een provincie of gemeente ondergeschikte instelling;d) elke andere instelling onder het recht van een EU-lidstaat of Belgisch recht die voldoet aan collectieve behoeften van lokaal of algemeen belang, en in de oprichting waarvan of de bijzondere leiding waarvan de openbare overheid klaarblijkelijk een overwegend aandeel heeft, alsook elke andere instelling van koloniaal recht die beantwoordde aan dezelfde voorwaarden.4° beroepsmilitair : a) de beroepsofficieren, de toegevoegde officieren en de hulpofficieren;b) de reserveofficieren die vrijwillige prestaties verrichten met uitsluiting van oefeningsprestaties;c) de beroepsonderofficieren, de tijdelijke onderofficieren en de toegevoegde onderofficieren;d) de militairen met een lagere graad dan de graad van officier, die dienen op grond van een dienstneming of van een wederdienstneming;e) de aalmoezeniers van het actieve kader en de reserve-aalmoezeniers die in vredestijd in dienst worden gehouden om het tijdelijk kader van de aalmoezeniersdienst te vormen. Art. XIII 9. § 1. Met werkelijke diensten, zoals bedoeld in artikel VIII 35, worden gelijkgesteld, voor zover zij deel uitma(a)k(t)en van een periode van voltijds contractueel dienstverband : 1° de carensdag en ook de periodes van afwezigheid wegens ziekte die binnen een periode vielen waarin de werkgever verplicht was gewaarborgd loon en/of een aanvullende vergoeding te betalen;2° de periodes van afwezigheid wegens arbeidsongeval, ongeval naar of van het werk of beroepsziekte wanneer de ambtenaar tijdens zijn vorige prestaties als contractueel personeelslid, onder de toepassing viel van de wet van 3 juli 1967 betreffende de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen naar of van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector;3° de eerste 30 kalenderdagen afwezigheid ten gevolge van een arbeidsongeval, wanneer het contractueel personeelslid onder de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 viel;4° de periodes van verlof wegens bevallingsrust bedoeld in artikel 39 van de arbeidswet van 16 maart 1971;5° de periodes van militaire dienstplicht of dienst als gewetensbezwaarde;6° de periodes van afwezigheid : - om dwingende redenen of wegens gecontingenteerd verlof; - wegens beroepsloopbaanonderbreking of halftijdse loopbaanonderbreking; - wegens politiek verlof; - wegens vakantiewerkloosheid - wegens vormingsverlof. § 2. Niet gelijkgesteld met werkelijke diensten worden : 1° wat de diensten betreft gepresteerd als tijdelijk personeelslid aangeworven krachtens het besluit van de Regent van 30 april 1947 houdende vaststelling van het statuut van het tijdelijk personeel of krachtens het besluit van de Regent van 10 april 1948 houdende statuut van het tijdelijk werkliedenpersoneel : - de periodes van dienstschorsing wegens ziekte of gebrekkigheid, die naargelang het aantal dienstjaren : - de 30 dagen te boven gaan voor personeelsleden met minder dan 2 jaar dienst; - de 60 dagen te boven gaan voor personeelsleden met 2 en minder dan 4 jaar dienst; - de 90 dagen te boven gaan voor personeelsleden met 4 en meer dan 4 jaar dienst. 2° wat de diensten betreft gepresteerd als bij arbeidsovereenkomst in dienst genomen personeelslid de periodes van schorsing die niet bezoldigd zijn en niet voor salarisverhoging in aanmerking komen;3° de periodes van ongewettigde afwezigheid;4° de periodes van vrijstelling van stempelcontrole. Art. XIII 10. § 1. Voor de toekenning van de salarisverhogingen komen in aanmerking de werkelijke diensten met volledige prestaties die de ambtenaar heeft verricht : 1° Terwijl hij behoorde tot : a) de diensten van de Verenigde Naties, van de Europese Gemeenschap, van een lidstaat van de Europese Gemeenschap, van de Belgische staat, van de gemeenschappen en/of de gewesten, of van Afrika of tot de andere openbare diensten, hetzij als beroepsmilitair, hetzij als titularis van een bezoldigd ambt;b) de gesubsidieerde vrije onderwijsinstellingen als titularis van een ambt, dat rechtstreeks door middel van een weddetoelage bezoldigd wordt;c) de vrije gesubsidieerde psycho-medische sociale centra als titularis van een ambt, dat rechtstreeks door middel van een weddetoelage bezoldigd wordt.2° In de hoedanigheid van : a) vastbenoemd personeelslid of stagiair;b) personeelslid, dat geen deel uitmaakt van het personeel van de ministeries, de regeringen van gemeenschappen en gewesten of een openbare instelling en dat aangewezen werd om deel uit te maken van een ministerieel kabinet of een kabinet van een lid van een regering van een gemeenschap of van een gewest;c) tijdelijke, benoemd overeenkomstig de bepalingen van het Besluit van de Regent van 30 april 1947 houdende vaststelling van het statuut van het tijdelijk personeel;d) tijdelijke, benoemd overeenkomstig de bepalingen van het Besluit van de Regent van 10 april 1948 houdende statuut van het tijdelijk werkliedenpersoneel;e) tijdelijke, benoemd in een betrekking van de personeelsformatie van de tijdelijke dienst die bij het ministerie van Tewerkstelling en Arbeid en de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening werd opgericht bij artikel 212 van de wet van 8 augustus 1980 betreffende de budgettaire voorstellen 1979-1980;f) werknemer in het bijzonder tijdelijk kader;g) werknemer in het derde arbeidscircuit;h) stagiair in het raam van de stage van de jongeren;i) werknemer ten laste van het Interdepartementaal Begrotingsfonds;j) gesubsidieerd contractueel;k) contractueel wanneer het dienstverband bij arbeidsovereenkomst niet valt onder f tot en met j;l) bij arbeidsovereenkomst in dienst genomen personeelslid op grond van artikel 10 van de wet van 26 juni 1963 betreffende de aanmoediging van de lichamelijke opvoeding, de sport en het openluchtleven en het toezicht op de ondernemingen, die wedstrijden van weddingschappen op sportuitslagen inrichten, tot een maximum van tien jaar;m) occasioneel medewerker;n) tewerkgestelde werkloze.Voor de volledige en werkelijke prestaties als tewerkgestelde werkloze worden ook de periodes van afwezigheid meegerekend, die overeenstemmen met de administratieve toestand dienstactiviteit waarin een ambtenaar zijn aanspraak op salarisverhoging behoudt, volgens het statuut dat van toepassing is in de instelling. § 2. Komen eveneens in aanmerking voor de toekenning van salarisverhogingen : 1° de voltijdse prestaties die de ambtenaar heeft bij : a) de publiekrechtelijke en vrije universiteiten als titularis van een bezoldigd ambt, ongeacht de financieringsbron;b) het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek (NFWO), Instituut voor Wetenschappelijk Onderzoek in Nijverheid en Landbouw (IWONL), het Vlaams Instituut voor de bevordering van het Wetenschappelijk-Technologische onderzoek in de industrie (IWT) als mandaathouder.2° in afwijking van artikel XIII 9, § 1, de periodes van non-activiteit na het verstrijken van de vijf jaar in het geval van verlof voor verminderde prestaties overeenkomstig artikel XI 40;3° de onvolledige prestaties aan 80 % die overeenkomstig het koninklijk besluit nr.259 van 31 december 1983 betreffende de duur der prestaties van de personeelsleden tijdens het eerste jaar van de indiensttreding als volledige prestaties beschouwd werden.

Art. XIII 11. § 1. De vorige voltijdse beroepsbedrijvigheid in de privé-sector wordt als voorgaande diensten voor de betrokken ambtenaar aanvaard, op voorwaarde dat het bezit van nuttige ervaring in de privé-sector formeel als voorwaarde gesteld werd voor de aanwerving. § 2. Bij het aanvaarden van de voorgaande diensten worden de periodes van afwezigheid wegens ziekte, arbeidsongeval of beroepsziekte, die de periodes van gewaarborgd of aanvullend loon te boven gaan, alsmede van tijdelijke werkloosheid niet in aanmerking genomen.

Art. XIII 12. De duur van de in aanmerking komende diensten die de ambtenaar in het onderwijs ad interim of als tijdelijk personeelslid heeft verricht, wordt door de leidend ambtenaar vastgesteld aan de hand van het attest afgegeven door de bevoegde autoriteiten en opgesteld overeenkomstig het als bijlage 9 bij dit besluit gevoegde model.

De op dit attest vermelde volledige prestaties, waarvoor de betaling in tienden gebeurde, en die per schooljaar geen volledig jaar werkelijke diensten vertegenwoordigen, worden dag per dag samengeteld.

Het totale aantal aldus gewerkte dagen met volledige prestaties wordt vermenigvuldigd met 1,2. Het totaal van deze rekenkundige bewerking wordt vervolgens gedeeld door 30. Het quotiënt geeft het aantal in aanmerking te nemen maanden; met de rest wordt er geen rekening gehouden.

De op hetzelfde attest vermelde volledige prestaties, die bewijzen dat het personeelslid een volledig schooljaar heeft gewerkt, gelden voor een totaal van 300 dagen en leveren één jaar in aanmerking te nemen diensten op.

Afdeling 2. - Aanrekening van deeltijdse diensten Art. XIII 13. Voor zover zij ten minste de helft van een normale beroepsbezigheid in beslag nemen, worden de vanaf 1 januari 1994 door een ambtenaar deeltijds verrichte diensten in een in artikel XIII 10 bedoelde instelling als volgt in aanmerking genomen : - voor 50 % : de prestaties met een arbeidsduur gelijk aan of meer dan 50 % van een voltijdse arbeidsduur en minder dan 80%; - voor 80 % : de prestaties met een arbeidsduur gelijk aan of meer dan 80 % van een voltijdse arbeidsduur en minder dan 90 %; - voor 90 % : de prestaties met een arbeidsduur gelijk aan of meer dan 90 % van een voltijdse arbeidsduur en minder dan 100 %.

Afdeling 3. Nadere algemene bepalingen voor het aanrekenen van vorige diensten en het berekenen van het salaris Art. XIII 14. De duur van de in aanmerking komende diensten die de ambtenaar heeft mag nooit de werkelijke duur van de door deze diensten gedekte periodes overschrijden.

Art. XIII 15. Voor de ambtenaar die bevordert naar niveau A, wordt de geldelijke anciënniteit die hij heeft verworven aangerekend vanaf de leeftijd van 23 jaar.

Art. XIII 16. De ambtenaar die wordt herplaatst behoudt de geldelijke anciënniteit die hij in zijn dienst van herkomst heeft verworven, ook al werden daarbij andere dan in artikel XIII 10 bedoelde diensten in aanmerking genomen.

Art. XIII 17. De in aanmerking komende diensten worden berekend per kalendermaand; die welke geen volle maand bedragen worden niet meegeteld.

Art. XIII 18. Voor de vaststelling van het salaris en het bepalen van het tijdstip van de periodieke salarisverhoging wordt er alleen rekening gehouden met de nuttige anciënniteit.

De nuttige anciënniteit is het kleinste aantal jaren van de totale geldelijke anciënniteit van een ambtenaar, vastgesteld overeenkomstig de artikelen XIII 10, XIII 11, XIII 12 en XIII 13 en XIII 14, dat hem recht geeft op een periodieke salarisverhoging.

Art. XIII 19. § 1. De ambtenaar die werd bevorderd in graad of in salarisschaal, heeft in zijn nieuwe graad of salarisschaal nooit een lager salaris dan hij in zijn vorige graad of salarisschaal zou hebben genoten volgens de bezoldigingsregeling die van toepassing was op het ogenblik van de bevordering. § 2. De ambtenaar die werd herplaatst overeenkomstig artikel V 17 en die in een graad van een lagere rang benoemd wordt, wordt ingeschaald in de hoogste salarisschaal van zijn nieuwe graad. § 3. Indien de herplaatste ambtenaar in zijn nieuwe graad een lager salaris zou ontvangen dan het salaris dat hij op het moment van de herplaatsing in zijn vroegere graad genoot, dan behoudt hij dat salaris tot hij in zijn nieuwe salarisschaal een salaris verkrijgt dat ten minste daaraan gelijk is. § 4. Wanneer een hoger salaris of hogere salarisschaal verbonden is aan het bekleden van een bepaald ambt, dan verliest de ambtenaar het recht op dit salaris en deze salarisschaal in geval van wijziging van dienstaanwijzing.

HOOFDSTUK 4. - Evaluatie onvoldoende Art. XIII 20. Voor de ambtenaar die de functioneringsevaluatie "onvoldoende" heeft gekregen, wordt de eerstvolgende salarisverhoging, volgend op de dag waarop deze functioneringsevaluatie werd toegekend, gedurende zes maanden uitgesteld.

HOOFDSTUK 5. - Uitbetaling van het salaris Art. XIII 21. § 1. Het maandsalaris is gelijk aan 1/12 van het jaarsalaris.

Wanneer de ambtenaar op een andere datum dan de eerste van een maand wordt benoemd in een nieuwe graad die geen basisgraad is blijft het salaris voor de lopende maand ongewijzigd.

De basisgraad van een ambtenaar is de eerste graad waarin hij tot stagiair of in vast verband wordt benoemd, in een dienst waarvan het personeel aan de bepalingen van dit deel is onderworpen.

Vanaf de dag echter waarop de ambtenaar volgens een benoemingswijze waarbij zijn vroegere hoedanigheid van vast ambtenaar of stagiair buiten beschouwing gelaten wordt, in vast verband of als stagiair in de nieuwe graad wordt benoemd, is die nieuwe graad zijn basisgraad voor de toepassing van het eerste lid. § 2. Wanneer de ambtenaar op pensioen wordt gesteld of overlijdt, wordt het volle maandsalaris betaald aan betrokkene of aan zijn rechthebbenden, naar gelang van het geval. § 3. Het salaris wordt na het verlopen van de termijn betaald, met dien verstande dat het op de rekening van de ambtenaar bijgeschreven wordt uiterlijk de laatste werkdag van de maand. Het salaris van de maand december wordt op de rekening van de ambtenaar geboekt uiterlijk de eerste werkdag van de maand januari. Het salaris wordt overgemaakt via overschrijving. § 4. Aan de ambtenaar die in dienst is getreden bij de instelling wordt, in zoverre niet onmiddellijk het juiste salaris kan worden uitbetaald, vanaf de eerste maand een maandelijks voorschot uitgekeerd dat gelijk is aan het beginsalaris van zijn graad. De uitbetaling van dit voorschot is niet onderworpen aan het visum van de Inspectie van Financiën. Wanneer het aangeworven personeelslid op het einde van de tweede maand na de datum van indiensttreding nog steeds geen salaris heeft ontvangen door een fout van de overheid die hem heeft aangeworven ontvangt hij ambtshalve nalatigheidsintresten berekend op het beginsalaris. Deze nalatigheidsintresten worden aangerekend vanaf de maand die volgt op de datum van indiensttreding.

Art. XIII 22. Het maandsalaris volgt de evolutie van het indexcijfer van de consumptieprijzen, overeenkomstig de bepalingen voorgeschreven door de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het rijk worden gekoppeld, gewijzigd bij koninklijk besluit nr. 178 van 30 december 1982.

Het maandsalaris tegen 100% wordt gekoppeld aan het spilindexcijfer 138,01 (102,02).

Hoofdstuk 6. Berekening van het salaris in geval van deeltijdse prestaties en aanpassing van de gewaarborgde minimumbezoldiging.

Art. XIII 23. In afwijking van artikel XIII 1, laatste lid, wordt voor het geval dat de ambtenaar van de verlofregeling voor verminderde prestaties geniet of deeltijdse diensten verricht, de gewaarborgde minimumbezoldiging berekend naar rata van de werkelijke prestaties.

Art. XIII 24. § 1 Wanneer het maandsalaris niet volledig verschuldigd is, wordt het bedrag van het maandloon berekend volgens de volgende formule : M = ( VW / PW ) x n% x NM waarbij : M = het te betalen maandloon (100%) VW = het aantal werkdagen waarvoor betaling is verschuldigd PW = het aantal te presteren werkdagen op basis van het werkrooster van de ambtenaar n % = het percentage waaraan de ambtenaar prestaties verricht NM = het normaal maandsalaris (100%) = het jaarsalaris / 12 (100 %) en voor voltijdse prestaties § 2. Indien het verlof voor verminderde prestaties wordt genomen overeenkomstig artikel XI 41, § 1 wordt het salaris bekomen volgens de berekeningswijze in § 1 vermenigvuldigd met : 1,2 voor halftijdse prestaties; 1,05 voor viervijfde prestaties; 1,022222 voor negentiende prestaties.

HOOFDSTUK 7. - Gewaarborgde minimumbezoldiging Art. XIII 25. § 1. Voor de toepassing van navolgende bepalingen, vermeld onder dit hoofdstuk, moet men verstaan onder volledige prestaties : de prestaties waarvan het dienstrooster een normale beroepsactiviteit volledig in beslag neemt. § 2. Voor de toepassing van navolgende bepalingen, vermeld onder dit hoofdstuk, moet men verstaan onder bezoldiging : het salaris vermeerderd met de haardtoelage of met de standplaatstoelage.

Art. XIII 26. De jaarlijkse bezoldiging van de ambtenaar die 21 jaar oud is, bedraagt voor volledige prestaties, nooit minder dan 489.139 fr. (100 %).

Art. XIII 27. Het verschil tussen de in artikel XIII 26 bedoelde jaarlijkse bezoldiging en deze waarop de ambtenaar normaal zou recht hebben, wordt hem toegekend in de vorm van een bijslag en in zijn salaris opgenomen.

Art. XIII 28. Wanneer de ambtenaar onvolledige prestaties verricht dan wordt hem de overeenkomstig artikel XIII 26 vastgestelde bezoldiging toegekend overeenkomstig artikel XIII 24.

Art. XIII 29. Voor de ambtenaar die aangewezen is voor een hoger ambt dan dat van zijn graad, wordt de bijslag waarvan sprake in artikel XIII 27 niet in aanmerking genomen voor de berekening van de toelage.

In al de gevallen wordt het niet geïndexeerde bedrag van de toelage voor de uitoefening van een hoger ambt verminderd met het bedrag van voormelde bijslag.

Art. XIII 30. De regeling inzake de indexkoppeling van de salarissen zoals voorzien in artikel XIII 22 geldt ook voor de jaarlijkse bezoldiging bedoeld in artikel XIII 26.

Art. XIII 31. Deze titel is van toepassing op de stagiair, behalve het hoofdstuk 4.

TITEL 2. - Vaststelling van de salarisschalen HOOFDSTUK 1. - Organieke regeling Art. XIII 32. § 1. Aan de hierna vermelde graden worden, onverminderd artikel VIII 69 § 3, de salarisscha(a)l(en) verbonden die overeenkom(t)(en) met de ernaast vermelde lettercijfercode(s). § 2. De salarisschalen zijn opgenomen als bijlage 8 bij dit besluit. 1° Algemeen personeel Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld 2° Mandaat Het afdelingshoofd en de preventieadviseur-coördinator behouden tijdens de uitoefening van hun mandaat de salarisschalen die zij bereikt hebben. HOOFDSTUK 2. - Overgangsregeling Art. XIII 33. Degene die op datum van inwerkingtreding van dit besluit een overgangssalarisschaal geniet zoals vastgesteld is in uitvoering van kolom 3 van bijlage 8 van het besluit van de Vlaamse regering van 12 juni 1995 houdende organisatie van de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest en de regeling van de rechtspositie van het personeel, geniet deze salarisschaal tot een organieke salarisschaal hem voordeliger wordt.

In het geval dat de in het eerste lid bedoelde ambtenaar bevordert in graad of in salarisschaal is artikel XIII 19, § 1 van toepassing.

Art. XIII 34. Deze titel is van toepassing op de stagiair.

TITEL 3. - Toelagen HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen en definities Art. XIII 35. Het verrichten van extra-prestaties of van prestaties die niet als normaal kunnen worden beschouwd, kan aanleiding geven tot de toekenning van een toelage. De toelage kan individueel toegekend worden of aan een groep van ambtenaren die in teamverband (een) extra-prestatie(s) hebben geleverd.

Art. XIII 36 § 1. Behoudens andersluidende bepaling is de toelage niet verschuldigd : - in het geval geen salaris wordt betaald; of - in het geval van een afwezigheid die langer dan 35 werkdagen duurt. § 2. § 1. geldt niet voor de toelagen bedoeld in de hoofdstukken 5, 7 en 8 van deze titel. » Art. XIII 37. Als een ambtenaar zitting heeft in examencommissies, comités, raden of commissies die ressorteren onder het ministerie of de instelling geeft dat feit geen aanleiding tot toekenning van een bijzondere toelage.

Het verlenen van toelagen kan echter uitzonderingen bevatten op de regel van het eerste lid, als zitting hebben geregeld drukke bezigheden met zich meebrengt die directe bijkomende prestaties vergen die buiten het kader vallen van de normale werkzaamheden van de ambtenaar.

Art. XIII 38. Voor de toekenning van een toelage verstaat men onder administratieve standplaats de plaats waar de ambtenaar zijn ambt uitoefent of een zo centraal mogelijk bepaalde plaats in zijn ambtsgebied.

Indien de administratieve standplaats om dienstredenen niet samenvalt met de plaats waar de de instelling gevestigd is, wordt zij schriftelijk bepaald door de leidend ambtenaar.

Art. XIII 39. De als toelagen verschuldigde bedragen worden uitgekeerd afgerond op een hele frank.

HOOFDSTUK 2. - Toekenning van een toelage voor het uitoefenen van een hoger ambt Art. XIII 40. § 1. Aan de ambtenaar die een hoger ambt uitoefent, wordt er een toelage toegekend. § 2. Deze toelage wordt aan de ambtenaar verleend voor zover hij het hoger ambt ononderbroken uitgeoefend heeft gedurende ten minste dertig kalenderdagen.

Art. XIII 41 § 1. De toelage wordt vastgesteld op het verschil tussen de bezoldiging die de ambtenaar zou genieten in de graad van het tijdelijk uitgeoefend ambt en de bezoldiging die hij geniet in zijn werkelijke graad.

De bezoldiging waarvan sprake is in het voorgaande lid omvat : 1° het salaris of, in voorkomend geval, het salaris met bijslag en/of het salariscomplement;2° eventueel de haard- of standplaatstoelage. Het salaris dat de ambtenaar in de graad van het tijdelijk uitgeoefend ambt zou genieten, is het salaris dat hij op datum van zijn laatste nuttige anciënniteit in zijn werkelijke graad, zou ontvangen indien hij op die datum bevorderd zou worden in de graad van de vacante betrekking.

De toelage wordt maandelijks na vervallen termijn betaald. § 2. De maandtoelage is gelijk aan één twaalfde van de jaarlijkse toelage. In geval de maandtoelage niet volledig verschuldigd is, wordt zij bepaald overeenkomstig artikel XIII 24, § 1. § 3. De toelage volgt de evolutie van het indexcijfer van de consumptieprijzen, overeenkomstig de bepalingen van artikel XIII 22.

Art. XIII 42. Een eensluidend verklaard afschrift van de aanstellingsakte, alsook van de vereiste adviezen, wordt aan de betalingsdienst overgelegd tot staving van de vereffening van de toelage.

Art. XIII 43. Bij de eerste betaling van de toelage vergewist de betalingsdienst zich ervan dat voor iedere aanstellingsperiode de in artikel XIII 42 bedoelde documenten zijn voorgelegd.

Indien dat niet het geval is, verzoekt hij de voor de aanstelling bevoegde overheid ze hem te bezorgen en houdt hij de uitbetaling van de toelage in totdat het dossier is aangevuld.

HOOFDSTUK 3. - Toelage voor het presteren van overuren Art. XIII 44. Aan de ambtenaar die voltijds in dienst is en bij uitzondering verplicht wordt tot het presteren van overuren wordt voor elk uur extra-prestatie een toelage toegekend van 1/1850 van de jaarlijkse totale brutobezoldiging.

Onder jaarlijkse brutobezoldiging wordt verstaan het salaris, in voorkomend geval verhoogd met : - de bijslag in geval van gewaarborgde minimumbezoldiging; - de haard- en standplaatstoelage; - de toelage voor hoger ambt; - het geldelijk voordeel voor geslaagden voor overgangsexamens naar het andere niveau.

Art. XIII 45. § 1. De leidend ambtenaar beslist, op advies van het afdelingshoofd, in hoever het nodig is dat bezoldigde overuren worden verricht. § 2. Het betrokken afdelingshoofd beslist, rekening houdend met : - de dienstnoodwendigheden; - het contingent te bezoldigen uren dat hem is toegewezen in welke mate de betrokken ambtenaar de keuzemogelijkheid krijgt tussen compensatieverlof of bezoldiging van overuren.

De compensatie moet evenwel binnen de vier maanden worden genomen.

Wanneer dit niet kan gebeuren worden in dit geval de overuren ambtshalve bezoldigd. § 3. De compensatie is gelijk aan het aantal overuren. § 4. De continu-diensten of diensten met een beurtrol-systeem, waar nu een andere regeling bestaat behouden deze regeling.

Art. XIII 46. § 1. Wanneer de ambtenaar, ten gevolge van niet te voorziene omstandigheden niet vóór het begin van zijn normale diensttijd op de hoogte gebracht kon worden van de prestaties die hij zonder onderbreking zal moeten leveren, wordt de in art. XIII 44 bepaalde bezoldiging verhoogd met 25 % indien de extra-prestatie ten minste één uur in beslag neemt. De in art. XIII 44 bepaalde bezoldiging wordt met 50 % verhoogd wanneer de extra-prestaties tussen 22 uur en 7 uur worden geleverd. § 2. De ambtenaar die bij uitzondering buiten zijn dienstverplichtingen of permanentieplicht opgeroepen wordt om deel te nemen aan een onvoorzien en dringend werk, ontvangt een toelage die gelijk is aan de waarde van 4/1850 van de jaarlijkse gezamenlijke brutobezoldiging, zoals deze bepaald is in art. XIII 44. Deze toelage staat los van de betaling van de gemaakte overuren.

Art. XIII 47 De ambtenaar van niveau A kan geen aanspraak maken op het voordeel van de toelagen bedoeld in de artikelen XIII 44en XIII 46.

HOOFDSTUK 4. - Toelage voor nacht-, zaterdag- en zondagswerk Art. XIII 48. § 1. Nachtprestaties zijn prestaties die tussen 22.00 uur en 06.00 uur worden verricht, evenals tussen 18.00 uur en 08.00 uur op voorwaarde dat deze prestaties eindigen op of na 22.00 uur en beginnen op of vóór 06.00 uur. § 2. Zaterdagprestaties zijn prestaties die op een zaterdag worden verricht tussen 00.00 uur en 24.00 uur. § 3. Zondagsprestaties zijn prestaties die op een zondag of een wettelijke, decretale of erkende feestdag overeenkomstig artikel XI 12 tussen 00.00 uur en 24.00 uur worden verricht.

Art. XIII 49. § 1. De ambtenaar die genoopt wordt tot nachtprestaties wordt een toelage voor onregelmatige prestaties uitgekeerd ten bedrage van 38,5 fr. (100 %) per uur. § 2. De ambtenaar die genoopt wordt tot zaterdagprestaties wordt een toelage voor onregelmatige prestaties uitgekeerd ten bedrage van 38,5 fr. (100 %) per uur. § 3. Het uurbedrag van de toelage voor zondagprestaties wordt vastgesteld op 1/1850 van het salaris vermeerderd met de haard- of standplaatstoelage en/of de toelage voor het uitoefenen van een hoger ambt. § 4. Indien voor enige toelage een uurdeler van toepassing zou zijn, dan wordt hij opgetrokken tot 1/1850 van het salaris zoals bepaald in § 3 van dit artikel, tenzij een reeds gunstiger uurdeler geldt.

Art. XIII 50. § 1. De toelagen voor nachtprestaties verricht op zaterdagen, zondagen en wettelijke, decretale of erkende feestdagen overeenkomstig artikel XI 12 mogen samengevoegd worden met de toelagen voor zaterdag- en zondagprestaties. § 2. De toelagen vermeld in artikel XIII 49 mogen niet samengevoegd worden met de toelagen bedoeld in artikel XIII 46, § 1 in hoofdstuk 3 "Toelage voor het presteren van overuren". De betrokken ambtenaar geniet van het gunstigste stelsel.

Art. XIII 51. § 1. De leidend ambtenaar beslist, op advies van het afdelingshoofd, in hoever het nodig is dat bezoldigde nacht-, zaterdag- of zondagprestaties worden verricht. § 2. Het betrokken afdelingshoofd beslist, rekening houdend met : - de dienstnoodwendigheden; - het contingent te bezoldigen uren dat hem is toegewezen in welke mate de betrokken ambtenaar de keuzemogelijkheid krijgt tussen compensatieverlof of bezoldiging van zondagprestaties.

De compensatie moet evenwel binnen de vier maanden worden genomen.

Wanneer dit niet kan gebeuren, worden in dit geval de extra-prestaties ambtshalve bezoldigd. § 3. De compensatie voor nacht- en zaterdagprestaties is gelijk aan het aantal te betalen uren indien het overuren zijn. Nacht- of zaterdagprestaties worden steeds betaald, maar alleen gecompenseerd als het overuren zijn.

De compensatie voor zondagprestaties is gelijk aan het dubbel van het aantal te betalen uren, indien het overuren zijn. Indien het geen overuren zijn, is de compensatie gelijk aan het aantal te betalen uren. § 4. De continu-diensten of diensten met een beurtrol-systeem, waar nu een andere regeling bestaat voor zaterdag-, zondags- en nachtprestaties behouden deze regeling.

Art. XIII 52. De bedoelde toelagen zijn niet samen te voegen met toelagen die krachtens andere reglementeringen voor nacht, zaterdag- of zondagprestaties worden toegekend; in dat geval wordt het meest gunstige stelsel toegepast.

Art. XIII 53. De toelagen worden maandelijks en na vervallen termijn uitgekeerd.

Indien een prestatie een gedeelte van een uur omvat, wordt dat gedeelte afgerond tot een vol uur indien het gelijk is aan of meer dan 30 minuten beloopt; het valt weg indien het deze duur niet bereikt.

Art. XIII 54. De bovenvermelde forfaitaire bedragen volgen de evolutie van het indexcijfer van de consumptieprijzen overeenkomstig de bepalingen van artikel XIII 22.

Art. XIII 55. § 1. De ambtenaar die een ambt uitoefent : - waarvoor het leveren van zaterdag-, zondag- of nachtprestaties of het werken in een stelsel met wisselende diensten of continu-diensten onafscheidelijk verbonden is met de functie, en - daarvoor van compenserende voordelen geniet, kan geen aanspraak maken op de in artikel XIII 49 vermelde toelagen voor nacht-, zaterdag- of zondagprestaties. § 2. De ambtenaar van niveau A kan geen aanspraak maken op het voordeel van de toelagen bedoeld in artikel XIII 49.

HOOFDSTUK 5. - Toelagen aan specifieke categorieën van personeel Art. XIII 56. § 1. Van de toezichthoudende ambtenaren aangesteld in uitvoering van het besluit van de Vlaamse regering van 17 december 1997 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming en beheer, belast met het toezicht en de controle voortvloeiend uit het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen, en / of aangesteld in uitvoering van het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering, belast met het toezicht en de controle voortvloeiend uit dit decreet, kan geëist worden dat zij : 1° permanent beschikbaar zijn voor het uitvoeren van opgevorderde controles of voor het geven van gevolg aan dringende oproepen;2° de geplande controles buiten de normale diensturen uitvoeren die ook kunnen bestaan uit nachtwerk of uit werk op een zaterdag, een zondag of een feestdag, zoals bepaald overeenkomstig art.XI 12. § 2. Iedere toezichthoudende ambtenaar van niveau B, C en A tot en met de rang A1 kan er aldus toe gehouden zijn per kwartaal deel te nemen aan minimum 21 opgevorderde en/of geplande controles buiten de normale diensturen en als volgt verdeeld : 6 controles tussen 00.00 uur en 08.00 uur; 12 controles tussen 17.00 uur en 01.00 uur; 3 controles op zaterdagen, zondagen of feestdagen.

De toezichthoudende ambtenaren van rang A2 die als begeleider en coördinator werken in een systeem van permanente beschikbaarheid moeten per kwartaal deelnemen aan minimum 7 opgevorderde en/of geplande controles buiten de normale diensturen en als volgt verdeeld : 2 controles tussen 00.00 uur en 08.00 uur; 4 controles tussen 17.00 uur en 01.00 uur; 1 controle op zaterdagen, zondagen en feestdagen. § 3. De hiervoor vermelde toezichthoudende ambtenaren ontvangen voor de in § 2 bedoelde opdrachten een buitengewone toelage.

De toelage bedraagt 17.417 fr. (100 %) per maand voor de toezichthoudende ambtenaren van niveau B, van niveau C en van niveau A tot en met de rang A1 en 8.708 fr. (100 %) per maand voor de toezichthoudende ambtenaren van rang A2. Ze worden maandelijks tegelijkertijd met het salaris uitgekeerd.

De staat met vermelding van de verrichte prestaties wordt per kwartaal voorgelegd en gecontroleerd door de bevoegde hiërarchische meerdere. § 4. Ingeval het aantal vereiste controleopdrachten, zoals vermeld in § 2 niet wordt bereikt wegens jaarlijkse vakantie, voor zover die een aaneengesloten periode van minstens 2 weken omvat, ziekte, gewettigde afwezigheid of verminderde prestaties, wordt de toelage voor de betrokken periode pro rata van de prestaties uitbetaald.

In alle andere gevallen dat het aantal vereiste controleopdrachten zoals gesteld in § 2 niet wordt bereikt, dient het tekort gecompenseerd te worden in het volgende kwartaal.

Indien het aantal vereiste controleopdrachten zoals gesteld in § 2 om andere redenen dan vermeld onder 1° en 2° niet wordt bereikt, wordt de toelage van het betrokken kwartaal in mindering gebracht op de toelage van de volgende kwartalen of teruggevorderd. § 5. Deze toelage is niet samen te voegen met andere toelagen voor overuren en zaterdag-, zondags- en nachtwerk en/of met toelagen voor gevaarlijk, ongezond en hinderlijk werk, waarop sommige van deze personeelsleden aanspraak zouden kunnen maken. § 6. Deze toelage volgt de evolutie van het indexcijfer der consumptieprijzen, overeenkomstig de bepalingen van artikel XIII 22.

Hoofdstuk 6. Geldelijk voordeel voor geslaagden voor een vergelijkend examen voor overgang naar het andere niveau.

Art. XIII 57. De ambtenaar die geslaagd is voor een vergelijkend examen voor overgang naar het andere niveau en die na verloop van twee jaar te rekenen van de datum van het proces-verbaal van dat examen niet benoemd is in de graad waarvoor hij het examen heeft afgelegd, krijgt een jaarlijkse toelage waarvan het bedrag als volgt wordt vastgesteld : 45.000 fr. voor de vergelijkende examens die toegang verlenen tot een graad van niveau A; 20.000 fr. voor de vergelijkende examens die toegang verlenen tot een graad van niveau B; 20.000 fr. voor de vergelijkende examens die toegang verlenen tot een graad van niveau C; 15.000 fr. voor de vergelijkende examens die toegang verlenen tot een graad van niveau D. Art. XIII 58. § 1. De toelage wordt in maandelijkse schijven na het vervallen van de termijn betaald; zij wordt betaald pro rata van het salaris van de maand waarop zij betrekking heeft. § 2. Deze toelage volgt in dezelfde mate als het salaris de evolutie van het indexcijfer van de consumptieprijzen, overeenkomstig art. XIII 22.

Art. XIII 59. De toekenning van de toelage mag nooit tot gevolg hebben dat de bezoldiging van de ambtenaar hoger ligt dan het bedrag dat hij zou hebben verkregen indien hij benoemd was geweest in de graad waarvoor hij het vergelijkend examen heeft afgelegd.

Voor het bepalen van die bezoldiging moet er eventueel rekening worden gehouden met de haard- of standplaatstoelage, de toelage voor het uitoefenen van een hoger ambt, alsmede elke andere toelage die inherent is aan het uitoefenen van het ambt.

Art. XIII 60. De ambtenaar die de bevordering weigert waarop hij ten gevolge van zijn slagen voor het vergelijkend examen aanspraak kan maken, verliest onmiddellijk vanaf de datum van weigering het voordeel van de toelage ingesteld bij artikel XIII 58.

HOOFDSTUK 7. - De haard- of standplaatstoelage Art. XIII 61. § 1. Een haardtoelage wordt toegekend : 1° aan de gehuwde, niet van tafel en bed gescheiden ambtenaar, behalve wanneer de toelage aan zijn echtgeno(o)te wordt toegekend;2° aan de andere ambtenaren die één of meer kinderen ten laste hebben voor wie hun kinderbijslagen toegekend en uitbetaald worden, behalve als zij samenwonen met een personeelslid van het andere geslacht dat de haardtoelage geniet. § 2. Als beide echtgenoten personeelslid zijn van een openbare dienst, wordt de haardtoelage toegekend aan degene die het laagste salaris geniet. Om dit salaris te bepalen moet een vergelijking worden gemaakt tussen de toegekende jaarbedragen (100 %) die voorkomen in de uitgewerkte salarisschalen, zoals deze zijn vastgesteld voor volledige prestaties.

Bij gelijke jaarbedragen kunnen de echtgenoten met wederzijds akkoord bepalen wie van beiden begunstigde zal zijn van de haardtoelage.

De vereffening van de haardtoelage is in beide gevallen afhankelijk van een verklaring op erewoord opgesteld door de ambtenaar volgens het als bijlage 10 bij dit besluit gevoegd model en toegestuurd aan de personeelsdienst.

De bepalingen van deze paragraaf zijn eveneens van toepassing op de ambtenaar die samenwoont en die voldoet aan de voorwaarden vermeld in § 1, 2°, van dit artikel. § 3. Een standplaatstoelage wordt toegekend aan de ambtenaar die geen haardtoelage krijgt. § 4. De in non-activiteit gestelde ambtenaar ontvangt noch de haardtoelage, noch de standplaatstoelage.

Art. XIII 62. Het jaarlijks bedrag van de haardtoelage of van de standplaatstoelage wordt vastgesteld als volgt : 1° salarissen die het grensbedrag van 621 035 fr.niet te boven gaan : Haardtoelage Standplaatstoelage 29 040 14 520 2° salarissen die hoger liggen dan het grensbedrag van 621 035 fr. doch het grensbedrag van 710 081 fr. niet te boven gaan : Haardtoelage Standplaatstoelage 14 520 7 260 De bezoldiging van de ambtenaar wiens salaris hoger is dan 621 035 fr., mag niet kleiner zijn dan de bezoldiging die hij zou hebben indien zijn salaris gelijk zou zijn aan dit bedrag. In dit geval wordt het verschil hem toegekend in de vorm van een gedeeltelijke haardtoelage of van een gedeeltelijke standplaatstoelage.

De bezoldiging van de ambtenaar wiens salaris hoger is dan 710 081 fr., mag niet kleiner zijn dan de bezoldiging die hij zou hebben indien zijn salaris gelijk zou zijn aan dit bedrag. In dit geval wordt het verschil hem toegekend in de vorm van een gedeeltelijke haardtoelage of van een gedeeltelijke standplaatstoelage.

Onder bezoldiging moet in dit geval worden verstaan het salaris verhoogd met de volledige of gedeeltelijke haardtoelage of de volledige of gedeeltelijke standplaatstoelage, verminderd met de inhouding voor de samenstelling van het overlevingspensioen.

Art. XIII 63. De haard- of standplaatstoelage en de grensbedragen vastgesteld voor de toekenning ervan volgt de evolutie van het indexcijfer van de consumptieprijzen, overeenkomstig artikel XIII 22.

Art. XIII 64. De haardtoelage of de standplaatstoelage wordt toegekend aan de ambtenaar met onvolledige dienstprestaties overeenkomstig artikel XIII 24, § 1.

Art. XIII 65. De haardtoelage of de standplaatstoelage wordt terzelfdertijd betaald als het salaris van de maand waarop zij betrekking heeft. Zij wordt betaald overeenkomstig artikel XIII 24 § 1.

Wanneer zich in de loop van een maand een feit voordoet dat het recht op de haard- of standplaatstoelage wijzigt, zoals het bepaald is bij artikel XIII 62, past men voor de volle maand het voordeligste stelsel toe.

HOOFDSTUK 8. - Vakantiegeld en eindejaarstoelage Afdeling 1. - Gemeenschappelijke bepalingen Art. XIII 66. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder : 1° verloning : a) het salaris, verhoogd met de eventuele haard- of standplaatstoelage;b) of ieder loon of iedere in de plaats van de brutojaarbezoldiging gestelde vergoeding of toelage; zonder de aanpassing aan de evolutie van het indexcijfer van de consumptieprijzen; 2° jaarbezoldiging : het salaris, sub 1° a, verhoogd met de eventuele haard-of standplaatstoelage, en zonder de aanpassing aan de evolutie van het indexcijfer van de consumptieprijzen overeenkomstig artikel XIII 22;3° brutojaarbezoldiging : da jaarbezoldiging sub 2°, aangepast aan de evolutie van het indexcijfer van de consumptieprijzen overeenkomstig artikel XIII 22. Art. XIII 67. Voor de berekening van het bedrag van het vakantiegeld en de eindejaarstoelage, hierna vermeld respectievelijk in afdeling 2 en 3 van dit hoofdstuk neemt men de perioden in aanmerking gedurende welke de ambtenaar, tijdens het referentiejaar voor het vakantiegeld, of de referentieperiode voor de eindejaarstoelage : 1° het jaarsalaris geheel of gedeeltelijk heeft genoten;2° niet in dienst is kunnen treden of zijn ambtsverrichtingen heeft geschorst wegens verplichtingen die op hem rusten krachtens de dienstplichtwetten, gecoördineerd op 30 april 1962, of krachtens de wetten houdende het statuut van de gewetensbezwaarden, gecoördineerd op 20 februari 1980, met uitsluiting in beide gevallen van de wederoproeping om tuchtredenen;3° afwezig was wegens bevallingsrust, toegekend door artikel 39 van de arbeidswet van 16 maart 1971;4° afwezig was wegens ouderschapsverlof. Art. XIII 68. Onverminderd artikel XIII 67, 2°, 3° en 4° en artikel XIII 73 wordt, wanneer niet tijdens het ganse referentiejaar of de referentieperiode volledige prestaties werden verricht, het bedrag van het vakantiegeld en/of de eindejaarstoelage, naar gelang van het geval : a) bepaald op een twaalfde of een negende van het maandbedrag voor elke prestatieperiode die een ganse maand beslaat;b) aangepast overeenkomstig artikel XIII 24. Afdeling 2. - Vakantiegeld Art. XIII 69. Voor de toepassing van de hiernavolgende bepalingen, vervat in deze afdeling, verstaat men onder : « referentiejaar" : het kalenderjaar dat aan het jaar voorafgaat tijdens hetwelk de vakantie moet worden toegestaan.

Art. XIII 70. Het vakantiegeld bestaat uit een forfaitair gedeelte en een veranderlijk gedeelte.

Art. XIII 71. Voor volledige prestaties die verricht werden gedurende het ganse referentiejaar, berekent men het vakantiegeld als volgt : 1° het forfaitaire gedeelte voor het jaar 1993 bedraagt 31 589 fr. Dit bedrag wordt elk jaar aangepast door vermenigvuldiging met een coëfficiënt die men krijgt door de deling waarbij : - het indexcijfer van de consumptieprijzen van de maand januari van het vakantiejaar het deeltal is; - en het indexcijfer van de maand januari van het referentiejaar de deler.

Het quotiënt, zijnde de voormelde coëfficiënt, berekent men tot op vier decimalen.

Het geïndexeerde fofaitaire bedrag wordt afgerond tot op de naasthogere eenheid; 2° het veranderlijk gedeelte bedraagt 1 % van de jaarbezoldiging aangepast aan het verhogingspercentage van de maand maart van het vakantiejaar, zoals dit percentage is gekoppeld aan de evolutie van de index van de consumptieprijzen overeenkomstig artikel XIII 22. Dit percentage berekent men op basis van het brutobedrag dat verschuldigd zou zijn voor de beschouwde maand, wanneer de ambtenaar voor die maand geen of slechts een gedeeltelijke salaris heeft ontvangen.

Art. XIII 72. Voor de berekening van het vakantiegeld neemt men eveneens in aanmerking de periode vanaf 1 januari van het referentiejaar zoals bedoeld in artikel XIII 69 tot de dag voor de datum waarop de ambtenaar tot de stage werd toegelaten, op voorwaarde dat hij : 1° minder dan 25 jaar oud is op het einde van het referentiejaar;2° uiterlijk in dienst is getreden op de laatste werkdag van de vier maanden volgend op : a) hetzij de datum waarop hij de inrichting heeft verlaten waarin hij zijn studie heeft gedaan onder de voorwaarden bepaald in artikel 62 van de gecoördineerde wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders;b) hetzij de datum waarop aan de leerovereenkomst een einde is gekomen. De ambtenaar moet het bewijs leveren dat hij aan de gestelde voorwaarden voldoet. Dit bewijs kan door alle rechtsmiddelen worden geleverd, getuigen inbegrepen.

Art. XIII 73. De perioden gedurende welke de ambtenaar verlof voor opdracht van algemeen belang heeft gekregen, neemt men - in afwijking van artikel XIII 67- niet in aanmerking voor de berekening van het vakantiegeld.

Art. XIII 74. § 1. Het vakantiegeld wordt betaald in de loop van de maand mei van het jaar gedurende hetwelk de vakantie moet worden toegekend. § 2. In afwijking van de in de vorige paragraaf omschreven regel, wordt het vakantiegeld uitbetaald tijdens de maand volgend op de datum waarop de ambtenaar de leeftijdsgrens bereikt, of volgend op de datum van zijn overlijden, van zijn ontslagneming, van zijn afdanking of van zijn afzetting.

Voor de toepassing van het vorige lid wordt het vakantiegeld berekend, waarbij er rekening gehouden wordt met het forfaitaire bedrag, het percentage en de eventuele inhouding welke op de beschouwde datum gelden; het percentage wordt toegepast op de jaarbezoldiging die als basis dient voor de berekening van de bezoldiging die de ambtenaar op die datum geniet.

Wanneer hij op die datum geen bezoldiging of een verminderde bezoldiging geniet, wordt het percentage berekend op de bezoldiging die hem dan verschuldigd geweest zou zijn.

Art. XIII 75. Op het forfaitair en het veranderlijk gedeelte van het vakantiegeld wordt 13,07 % ingehouden.

Afdeling 3. - Eindejaarstoelage Art. XIII 76. Voor de toepassing van de hiernavolgende bepalingen vervat in deze afdeling 3, wordt verstaan onder : referentieperiode : de periode van 1 januari tot en met 30 september van het in aanmerking genomen jaar.

Art. XIII 77. Aan de bepalingen van deze afdeling 3 is onderworpen de ambtenaar, ongeacht zijn activiteit of zijn graad, die tijdens de gehele referentieperiode of een gedeelte ervan heeft behoord tot de instelling.

Art. XIII 78. De ambtenaar ontvangt het volledig bedrag van de in artikel XIII 79 bepaalde toelage, indien hij als titularis van een ambt met volledige prestaties zijn verloning volledig heeft ontvangen tijdens de hele duur van de referentieperiode.

Art. XIII 79. § 1. De eindejaarstoelage bestaat uit een forfaitair gedeelte en een veranderlijk gedeelte. § 2. Deze eindejaarstoelage berekent men als volgt : 1° Het forfaitair gedeelte voor het jaar 1992 bedraagt 9 149 fr. Dit bedrag wordt elk jaar opnieuw aangepast door vermenigvuldiging met een coëfficiënt die wordt verkregen door een deling waarbij : - het indexcijfer van de consumptieprijzen van de maand oktober van het uitbetalingsjaar het deeltal is; - en het indexcijfer van de maand oktober van het vorige jaar de deler.

Het quotiënt, zijnde de voormelde coëfficiënt, wordt berekend tot op vier decimalen.

Het geïndexeerde forfaitaire bedrag wordt afgerond tot op de naasthogere eenheid. 2° het veranderlijk gedeelte is gelijk aan 2,5 % van de jaarbezoldiging aangepast aan het verhogingspercentage van de maand oktober van het uitbetalingsjaar, zoals dit percentage is gekoppeld aan de evolutie van de index van de consumptieprijzen overeenkomstig artikel XIII 22. § 3. Wanneer de ambtenaar zijn bezoldiging niet heeft ontvangen voor de maand oktober van het uitbetalingsjaar, komt voor de berekening van het veranderlijk deel van de toelage, die brutojaarbezoldiging in aanmerking, dat als basis voor de berekening van zijn brutobezoldiging voor deze maand zou hebben gediend, indien deze brutobezolding verschuldigd was geweest.

Art. XIII 80. De eindejaarstoelage wordt in een keer uitbetaald tijdens de maand december van het in aanmerking genomen jaar.

Art. XIII 81. Voor de vereffening en de betaling van de eindejaarstoelage moet de instelling instaan, indien zij belast was of belast geweest zou zijn met het vereffenen en het betalen van de verloning aan de gerechtigde : - hetzij voor de laatste maand van de referentieperiode, - hetzij voor het eerste deel van die maand indien deze twee of meer voor de begrotingsaanrekening van die verloning verschillende perioden omvat.

HOOFDSTUK 9. - Toelage voor gevaarlijk, ongezond of hinderlijk werk Art. XIII 82. Aan de ambtenaar die gevaarlijk, ongezond of hinderlijk werk verricht, wordt een toelage uitbetaald, hierna te noemen « toelage voor gevaarlijk, ongezond of hinderlijk werk ».

Art. XIII 83. De lijst van werken die als gevaarlijk, ongezond of hinderlijk worden beschouwd wordt vastgesteld in bijlage 11 bij dit besluit.

Art. XIII 84. De toelage voor gevaarlijk, ongezond of hinderlijk werk bedraagt : 44 frank per uur (100%), wanneer een ambtenaar gedurende een maand ten hoogste 6 uur één of meer van de werken bedoeld in artikel XIII 82 ter heeft verricht; 48 frank per uur (100%), wanneer een ambtenaar gedurende een maand meer dan 6 uur en hoogstens 25 uur één of meer van de werken bedoeld in artikel XIII 82 ter heeft verricht; 50 frank per uur (100%), wanneer een ambtenaar gedurende een maand meer dan 25 uur één of meer van de werken bedoeld in artikel XIII 83 heeft verricht;

Art. XIII 85. Voor de berekening van de totale duur tijdens dewelke een ambtenaar gedurende de maand gevaarlijk, ongezond of hinderlijk werk heeft verricht, wordt de duur van de verschillende periodes waarin hij één of meer werken bedoeld in artikel XIII 83 heeft verricht, samengeteld.

Wanneer deze totale duur een gedeelte van een uur beslaat, of naast volledige uren ook een gedeelte van een uur omvat, wordt dit gedeelte afgerond naar een vol uur wanneer het minimum 30 minuten bedraagt.

Indien het minder dan 30 minuten bedraagt, valt het weg.

Wanneer 2 of meer werken bedoeld in artikel XIII 81 ter gelijktijdig worden verricht, wordt de duur ervan slechts éénmaal in aanmerking genomen.

Art. XIII 86. § 1. Een ambtenaar van niveau A heeft geen recht op een toelage voor gevaarlijk, ongezond of hinderlijk werk. § 2. Deze toelage kan niet worden gecumuleerd met de toelage vermeld in het artikel XIII 56.

Art. XIII 87. § 1. De toelage voor gevaarlijk, ongezond of hinderlijk werk wordt maandelijks na vervallen termijn uitbetaald. § 2. Deze toelage volgt de evolutie van het indexcijfer van de consumptieprijzen overeenkomstig de regeling vastgesteld in artikel XIII 22.

HOOFDSTUK 10. - Toepassing Art. XIII 88. § 1. Behalve hoofdstuk 2 is deze titel eveneens van toepassing op de stagiair. § 2. De hoofdstukken 3, 4 en 9 zijn evenwel niet van toepassing op de stagiair van niveau A. TITEL 4. - Vergoedingen HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen en definities Art. XIII 89. Een vergoeding wordt verleend aan de ambtenaar die verplicht wordt werkelijke lasten te dragen die niet normaal zijn en niet onafscheidelijk met het ambt verbonden zijn.

Art. XIII 90. Wanneer de toestand die aanleiding geeft tot de toekenning van een vergoeding zich herhaaldelijk kan voordoen, kan het bedrag van deze vergoeding forfaitair vastgesteld worden.

Art. XIII 91. De onderbreking van de ambtsuitoefening waaraan een forfaitaire vergoeding is verbonden brengt voor de ambtenaar de schorsing mee van de betaling van bedoelde vergoeding voor zover de lasten niet meer worden gedragen.

Art. XIII 92. De vergoedingen worden vastgesteld onverminderd de bepalingen betreffende de administratieve en begrotingscontrole.

Art. XIII 93. Voor de toekenning van een vergoeding verstaat men onder administratieve standplaats de plaats waar het personeelslid zijn ambt uitoefent of een zo centraal mogelijk bepaalde plaats in zijn ambtsgebied.

Indien de administratieve standplaats om dienstredenen niet samenvalt met de plaats waar de administratie gevestigd is, wordt zij schriftelijk bepaald door de leidend ambtenaar.

De administratieve standplaats wordt zo vastgesteld dat de reis- en verblijfkosten of dienstverplaatsingen zoveel mogelijk worden beperkt.

De verplaatsing naar de administratieve standplaats mag geen aanleiding geven tot het toekennen van een vergoeding.

Wanneer evenwel de kortste afstand naar de plaats waarheen de ambtenaar zich moet begeven niet over de administratieve standplaats loopt, dan wordt de ambtenaar vergoed voor de verplaatsing vanaf zijn woonplaats.

Art. XIII 94. De voor vergoedingen verschuldigde sommen worden uitgekeerd afgerond op een hele frank.

HOOFDSTUK 2. - Vergoeding voor begrafeniskosten Art. XIII 95. In geval van overlijden van een ambtenaar wordt ten bate van zijn niet uit de echt gescheiden noch van tafel en bed gescheiden echtgeno(o)t(e), of bij diens ontstentenis van zijn erfgenamen in rechte lijn, als compensatie voor de begrafeniskosten een vergoeding uitgekeerd die overeenstemt met het maandelijks bedrag van de laatste bruto-activiteitsbezoldiging van de ambtenaar. Deze bezoldiging omvat, in voorkomend geval, de salariscomplementen en de toelagen die bij het salaris behoren.

De vergoeding mag het twaalfde niet overschrijden van het bedrag vastgesteld bij toepassing van artikel 39, eerste, derde en vierde lid van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971.

Art. XIII 96. Bij ontstentenis van de in art. XIII 95 bedoelde rechthebbenden, mag de vergoeding worden uitgekeerd ten bate van elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die bewijst dat hij de begrafeniskosten heeft gedragen. In dit geval is de vergoeding gelijk aan de werkelijk gemaakte kosten zonder dat zij evenwel meer mag belopen dan het hierboven vermelde bedrag ten gunste van de echtgeno(o)t(e) of van de erfgenamen in rechte lijn bepaald.

Art. XIII 97. Wegens het gedrag van de gerechtigde ten opzichte van de overledene, kan de minister, in uitzonderingsgevallen beslissen de vergoeding niet uit te keren of ze ten bate van een of meer gerechtigden uit te keren.

Art. XIII 98. De hierboven bepaalde vergoeding mag met soortgelijke krachtens andere bepalingen toegekende vergoedingen, slechts ten belope van het bij art. XIII 96 bedoelde bedrag worden samengevoegd.

Art. XIII 99. Deze titel is eveneens van toepassing op de stagiair.

TITEL 5. - De huisbewaarders HOOFDSTUK 1. - Aanstelling van huisbewaarders Art. XIII 100. De leidend ambtenaar wijst alle gebouwen of complexen aan die betrokken zijn door of ter beschikking staan van de instelling en waarvoor een huisbewaarder dient te worden aangesteld.

Art. XIII 101. § 1. De voorstellen tot aanstelling van huisbewaarders worden opgemaakt en voorgelegd aan de leidend ambtenaar die de beslissingsbevoegdheid bezit. § 2. Als huisbewaarder kunnen enkel worden aangesteld de ambtenaren die de hierna volgende voorwaarden vervullen : 1° bij voorkeur werken in het gebouw, waarvoor een huisbewaarder gezocht wordt;2° bij voorkeur behoren tot de niveaus D of E;3° op de dag van de kandidatenvoordracht niet de evaluatie onvoldoende hebben. § 3. De oproep tot kandidaten wordt gericht tot de ambtenaren van de instelling. § 4. Bij ontstentenis van kandidaten als bedoeld in § 3 kan de taak toevertrouwd worden aan een lid van het contractuele personeel. § 5. Bij ontstentenis van kandidaten kan een persoon contractueel aangesteld worden die niet tot de instelling behoort.

HOOFDSTUK 2. - Opdrachten en plichten van de huisbewaarders Art. XIII 102. § 1. De leidend ambtenaar geeft aan de huisbewaarders de nodige opdrachten en richtlijnen in verband met de veiligheid, de hygiëne en de bewaking van de gebouwen. § 2. De leidend ambtenaar legt daarenboven de specifieke verplichtingen op, die aangepast zijn aan de activiteiten die in ieder gebouw worden uitgeoefend.

Art. XIII 103. Onverminderd de bepalingen van deel III is de huisbewaarder onderworpen aan de volgende verplichtingen : 1° de huisbewaarder mag in het gebouw geen enkele commerciële activiteit uitoefenen;2° de huisbewaarder bewoont met zijn gezin alleen het gedeelte dat hem is toegewezen in het gebouw waarvan hij de bewaking heeft.De lokalen die ter beschikking van de huisbewaarder zijn gesteld, moeten altijd proper zijn. Deze lokalen worden op kosten van de overheid in goede staat gebracht, op het ogenblik dat de huisbewaarder in dienst treedt.

De huisbewaarder ondertekent een verklaring over de goede staat van de hem toevertrouwde woonvertrekken. Normaal opfrissings- en onderhoudswerk dat nodig mocht blijken bij het bewonen van de lokalen, moet geregeld door en op kosten van de huisbewaarder uitgevoerd worden; 3° de instelling betaalt evenwel het herstellingswerk veroorzaakt door werkzaamheden die ze heeft bevolen en die schade hebben toegebracht aan de lokalen van de huisbewaarderswoning.Hetzelfde geldt voor de herstelling van toevallige schade in genoemde lokalen en die niet kan worden toegeschreven aan een verzuim van de huisbewaarder; 4° de huisbewaarder mag het meubilair, het materiaal en de uitrusting van de diensten van de instelling, die niet tot zijn woning behoren, niet aanwenden voor persoonlijk gebruik;5° de huisbewaarder is verplicht een brandverzekering te onderschrijven wat de huurrisico's en het verhaal van buren betreft. Art. XIII 104. § 1. Het gebouw mag buiten de diensturen in geen geval zonder toezicht worden gelaten. § 2. Bij een vakantieverlof van ten minste één week wordt bij de vakantieaanvraag een nota gevoegd waarin de aanstelling van de eventuele plaatsvervanger wordt voorgesteld.

De plaatsvervanger vervult de voorwaarden die de huisbewaarder moet vervullen.

De volledige identiteit en het juiste adres van die persoon moeten worden opgegeven. De aanvraag moet minstens vijftien dagen vóór de aanvangsdatum van de vakantie worden ingediend bij de leidend ambtenaar.

Art. XIII 105. De verhuiskosten van het eigen meubilair komen altijd ten laste van de huisbewaarder, behalve wanneer de diensten zelf hun lokalen verlaten en zich vestigen in een nieuw dienstgebouw waar de betrokkene weer als huisbewaarder wordt aangesteld.

HOOFDSTUK 3. - Voordelen en rechten toegekend aan de huisbewaarders Art. XIII 106. § 1. Als vergoeding voor de plichten, heeft de huisbewaarder alleen voordelen in natura : nl. kosteloze huisvesting, verwarming en verlichting in een woning, die aan de hedendaagse comfortnormen voldoet. § 2. Indien de huisbewaarder, zowel inzake lokalen als inzake energie, wijzigingen wenst aan te brengen, moet hij vooraf de toestemming krijgen van de leidend ambtenaar. § 3. De leidend ambtenaar ziet erop toe dat misbruiken in het verbruik vermeden worden, zodat de overheid alleen de kosten draagt eigen aan een normaal gezinsleven. In geval van niet verantwoord gebruik, komen de bijkomende kosten voor rekening van de huisbewaarder.

HOOFDSTUK 4. - Toelage voor de vervanging van de huisbewaarder tijdens het vakantieverlof Art. XIII 107. § 1. Er wordt een toelage toegekend aan de persoon vreemd aan de administratie die bij beslissing van de leidend ambtenaar de huisbewaarder vervangt tijdens diens vakantieverlof van tenminste één week. § 2. Per dag prestatie ontvangt hij een toelage van 7/1976 van het geïndexeerd minimumbedrag van de salarisschaal van beambte (E 111) in de instelling.

HOOFDSTUK 5. - Beëindiging van de functie van de huisbewaarder Art. XIII 108. § 1. Wanneer de aanstelling van de huisbewaarder eindigt : 1° bij zijn pensionering;2° als hij ontslag neemt;3° indien de bevoegde overheid deze functie van huisbewaarder afschaft;4° bij het overlijden van de huisbewaarder, krijgt de belanghebbende, of, bij overlijden, de echtgeno(o)t(e), de samenwonende partner, of indien hij/zij weduw(e)(naar) of uit de echt gescheiden of gescheiden van tafel en bed is, de nabestaanden die onder hetzelfde dak wonen, zes maanden de tijd om een andere woning te zoeken.De leidend ambtenaar waarschuwt de betrokkene bij aangetekend schrijven.

Wanneer de aanstelling van de huisbewaarder beëindigd wordt in geval van tekortkomingen die van aard zijn dat het noodzakelijk is dat hij als huisbewaarder wordt ontslagen, krijgt belanghebbende drie maanden de tijd om een andere woning te zoeken.

In geval van : - afzetting - of ontslag om dringende redenen door de werkgever of de werknemer; wordt deze termijn ingekort tot 1 maand.

De tekortkoming wordt vastgesteld door de leidend ambtenaar. De beslissing tot ontslag wordt genomen door de leidend ambtenaar. § 2. De huisbewaarder die zijn functie wenst te beëindigen, moet de leidend ambtenaar hiervan ten minste drie maanden van te voren bij aangetekend schrijven in kennis stellen, behalve in geval van overmacht.

Art. XIII 109. Deze titel is eveneens van toepassing op de stagiair.

TITEL 6. - Overgangs-, opheffings- en slotbepalingen Art. XIII 110. § 1. De ambtenaar die vanuit een andere instelling is overgegaan naar de instelling, behoudt de salarisschaal waar op hij recht had volgens de bestaande reglementering op het ogenblik van zijn overplaatsing en in de graad die hij op dat ogenblik bekleedde, indien deze gunstiger is dan de salarisschaal van de instelling die op hem van toepassing zou zijn; latere wijzigingen aan deze reglementering zijn op hem niet meer van toepassing.

Hij behoudt eveneens de uitkering van toelagen, vergoedingen of sociale voordelen, in zoverre de voorwaarden voor de toekenning ervan verder blijven bestaan in de instelling. § 2. Onder reglementering bedoeld in § 1, 1° dient minstens een ministerieel besluit te worden verstaan. § 3. In geen geval kunnen de voordelen bedoeld in § 1 van de dienst van oorsprong worden samengevoegd met deze in de instelling. De gunstigste regeling is van toepassing op de ambtenaar.

Art. XIII 111. De ambtenaar van rang A1 of A2 die in december 1993 het salariscomplement genoot bedoeld in artikel 13 van het besluit van de Vlaamse regering van 14 oktober 1992 tot vaststelling van de weddeschalen van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, ontvangt een toelage van 20 % van het geïndexeerd salaris voor zover hij de taken van informaticus daadwerkelijk en uitsluitend in een informaticadienst blijft uitoefenen.

Het recht op deze toelage vervalt zo de ambtenaar bevordert in rang of in salarisschaal. Desgevallend wordt voor de toepassing van artikel XIII 19, § 1 dit salariscomplement samen met het salaris in de berekening opgenomen.

De toelage wordt maandelijks en na verlopen termijn betaald; eventueel wordt zij verminderd overeenkomstig de bepalingen van de artikelen XIII 21 en XIII 24, § 1.

Art. XIII 112. § 1. De ambtenaren voor wie in kolom 6 van bijlage 8 van het besluit van de Vlaamse regering van 12 juni 1995 houdende organisatie van de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest en de regeling van de rechtspositie van het personeel, de rang 15 is vermeld, worden voor de toepassing van de reglementering inzake reis- en verblijfkosten gelijk gesteld met een ambtenaar van rang A3. § 2. De volgende tabel regelt voor de toepassing van de reglementering inzake reis- en verblijfkosten de gelijkwaardigheid tussen de in die reglementering vermelde rangen en de rangen die in dit besluit worden vermeld : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Art. XIII 113. Artikel 14 van het koninklijk besluit van 29 juni 1973 houdende bezoldigingsregeling van het personeel der ministeries zoals het werd gewijzigd door het koninklijk besluit van 18 november 1991, wordt van toepassing verklaard op de instelling.

Art. XIII 114. De informaticus in dienst op 31 mei 1995, en die in toepassing van kolom 3 van bijlage 8 van het besluit van de Vlaamse regering houdende organisatie van de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest en de regeling van de rechtspositie van het personeel, de overgangssalarisschaal A 131 of A 132 geniet, bekomt bij bevordering in salarisschaal de overgangssalarisschalen A 125 en A 126, respectievelijk A 127.

DEEL XIV DE RECHTSPOSITIE VAN HET CONTRACTUELE PERSONEELSLID VAN DE INSTELLING TITEL 1. - Toepassingsgebied Artikel XIV 1. Dit deel is van toepassing op het personeelslid dat bij de instelling bij arbeidsovereenkomst in dienst genomen wordt overeenkomstig de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, hierna genoemd "het contractuele personeelslid".

TITEL 2. - De aanwerving en de toelatingsvoorwaarden HOOFDSTUK 1. - De aanwerving Afdeling 1. - Organieke regeling Art. XIV 2. Contractuele indienstnemingen zijn uitsluitend toegestaan om : 1° aan uitzonderlijke en tijdelijke personeelsbehoeften te voldoen;2° ambtenaren te vervangen die hun betrekking niet of slechts deeltijds bekleden;3° bijkomende of specifieke opdrachten te vervullen. Afdeling 2. - Uitzonderlijke en tijdelijke personeelsbehoeften Art. XIV 3. § 1. Contractuele indienstnemingen om te voldoen aan tijdelijke en uitzonderlijke personeelsbehoeften kunnen alleen maar plaatsvinden voor beperkte duur. § 2. De minister bepaalt het aantal, de duur en de soort van betrekkingen waarin personeel met een contract in dienst genomen wordt om te voldoen aan tijdelijke en uitzonderlijke personeelsbehoeften, op voorstel van de leidend ambtenaar.

Afdeling 3. - Vervangingsopdrachten Art. XIV 4. Het contractuele personeelslid dat een vervangingsopdracht verricht, wordt in dienst genomen in de wervingsgraad die overeenstemt met de graad van de ambtenaar of het contractuele personeelslid die hij vervangt, of in een graad die lager is dan deze wervingsgraad.

Afdeling 4. - Bijkomende of specifieke opdrachten Art. XIV 5. § 1. De aanvragen voor het in dienst nemen van contractueel personeel om bijkomende of specifieke opdrachten te vervullen moeten bij de Vlaamse regering worden ingediend met vermelding van het aantal, de duur en de soort van betrekkingen die contractueel moeten worden opgevuld. § 2. Bijkomende of specifieke opdrachten zijn de functies verbonden aan : - de betrekkingen van het schoonmaak-, restaurant- en keukenpersoneel en van onthaalbeambtes die contractueel werden aangeworven; § 3. De arbeidsovereenkomsten van de in § 2 bedoelde personeelsleden worden gesloten voor onbepaalde duur.

Afdeling 5. - Gemeenschappelijke bepalingen Art. XIV 6. De contractuele personeelsleden worden aangesteld door de leidend ambtenaar. » HOOFDSTUK 2. - De toelatingsvoorwaarden Art. XIV 7. Onverminderd de voorwaarden voor indienstneming van gesubsidieerde contractuelen zoals deze door de Vlaamse regering worden vastgesteld of bijkomende vereisten die voor de indienstneming van een personeelslid in een bepaalde functie worden gesteld, moeten de personen die bij arbeidsovereenkomst in dienst genomen worden, voldoen aan de hiernavermelde toelatingsvoorwaarden : 1° een gedrag hebben dat in overeenstemming is met de eisen van het beoogde ambt;2° de burgerlijke en politieke rechten genieten;3° aan de dienstplichtwetten voldoen;4° lichamelijk geschikt zijn;5° een diploma of studiegetuigschrift bezitten dat overeenstemt met het niveau van de te begeven betrekking en dat eventueel in de functiebeschrijving nader wordt bepaald;6° Belg zijn voor contractuele betrekkingen die een rechtstreekse deelname aan de uitoefening van het openbaar gezag inhouden of die werkzaamheden omvatten strekkende tot bescherming van de algemene belangen van de Vlaamse Gemeenschap of andere openbare lichamen. TITEL 3. - Arbeidsvoorwaarden HOOFDSTUK 1. - Algemene regelingen Afdeling 1. - Soort van arbeidsovereenkomst Art. XIV 8. Elke arbeidsovereenkomst wordt aangegaan hetzij voor bepaalde of onbepaalde duur, hetzij als vervangingsovereenkomst.

Afdeling 2. - Schriftelijke vaststelling van de arbeidsovereenkomst Art. XIV 9. Elke arbeidsovereenkomst wordt schriftelijk afgesloten.

Art. XIV 10. De leidend ambtenaar ondertekent de arbeidsovereenkomst van dit personeelslid.

Afdeling 3. - Proeftijd. - Beoordeling Onderafdeling 1. - Proeftijd Art. XIV 11. Het contractuele personeelslid wordt onderworpen aan een proeftijd.

Art. XIV 12. Deze proeftijd bedraagt voor een arbeider 14 dagen en voor een bediende 1 maand.

Art. XIV 13. Een proeftijd wordt niet meer opgelegd wanneer de beroepsgeschiktheid van het contractuele personeelslid uit voorgaande prestaties bij de instelling kan worden afgeleid.

Onderafdeling 2. - Beoordeling Art. XIV 14. Na de proeftijd wordt het contractuele personeelslid met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur of een bepaalde duur van meer dan 1 jaar jaarlijks door zijn hiërarchische meerderen beoordeeld.

Wanneer deze beoordeling negatief is, wordt dit aan de leidend ambtenaar meegedeeld, die tot het ontslag van het betrokken contractuele personeelslid kan overgaan.

Afdeling 4. - Plaats van tewerkstelling Art. XIV 15. De leidend ambtenaar wijst de plaats van tewerkstelling aan van het contractuele personeelslid.

Deze plaats van tewerkstelling wordt in de schriftelijke arbeidsovereenkomst vermeld. Elke wijziging van standplaats wordt als addendum aan de schriftelijke overeenkomst toegevoegd.

Afdeling 5. - Detachering Art. XIV 16. Het contractuele personeelslid kan worden gedetacheerd.

Afdeling 6. - Werktijdregeling en arbeidsduur Art. XIV 17. Het contractuele personeelslid wordt in dienst genomen met dezelfde werktijdregeling als de ambtenaar.

Art. XIV 18. Het contractuele personeelslid wordt in dienst genomen met een voltijdse of met een deeltijdse arbeidsduur.

Een voltijdse arbeidsduur omvat voor het contractuele personeelslid hetzelfde aantal arbeidsuren als voor de ambtenaar.

Een deeltijdse arbeidsduur omvat 50 %, 80 % of 90 % van een volledige arbeidsduur.

Art. XIV 19. Wanneer op verzoek van het contractuele personeelslid het overeengekomen arbeidsregime wordt gewijzigd, geldt deze wijziging voor onbepaalde duur of tot het einde van de arbeidsovereenkomst.

Het contractuele personeelslid kan in dit geval alleen maar de arbeidsprestaties volgens de oorspronkelijke arbeidsduur hernemen op verzoek van de instelling.

Afdeling 7. - Medische controle Art. XIV 20. De regeling inzake medische controle die voor de ambtenaar werd vastgesteld in artikel XI 24 geldt ook voor het contractuele personeelslid.

Afdeling 8. - Bevoegdheid, rechten en plichten Onderafdeling 1. - Bevoegdheid Art. XIV 21. Het contractuele personeelslid heeft een functionele, maar geen hiërarchische bevoegdheid.

Onderafdeling 2. - Rechten Art. XIV 22. Het contractuele personeelslid heeft recht op informatie over alle aspecten van de taakuitoefening.

In die context kan aan het contractuele personeelslid worden toegestaan deel te nemen aan vormingsactiviteiten.

Art. XIV 23. Het contractuele personeelslid heeft het recht om zijn persoonlijk dossier te raadplegen.

Onderafdeling 3. - Plichten Art. XIV 24. De plichten van de ambtenaar zijn op overeenkomstige wijze van toepassing op het contractuele personeelslid.

Onderafdeling 4. - Onverenigbaarheden. - Cumulatie van beroepsactiviteiten Art. XIV 25. Voor het contractuele personeelslid gelden dezelfde onverenigbaarheden als voor de ambtenaar.

Art. XIV 26. De cumulatieregeling die geldt voor de ambtenaar, is ook van toepassing op het contractuele personeelslid.

HOOFDSTUK 2. - Verloven Art. XIV 27. Buiten het bevallings- en het ziekteverlof kan het contractuele personeelslid geen ander verlof opnemen dan het verlof dat in dit hoofdstuk wordt vermeld.

Art. XIV 28. De leidend ambtenaar staat dit verlof toe. Hij ondertekent in dit kader de addenda of schriftelijke toestemmingen waarbij de uitvoering van de arbeidsovereenkomst wordt geschorst.

Afdeling 1. - Jaarlijkse vakantiedagen en feestdagen Art. XIV 29. § 1. Het contractuele personeelslid heeft recht op hetzelfde aantal jaarlijkse vakantiedagen als de ambtenaar. Deze jaarlijkse vakantiedagen moeten worden opgenomen onder dezelfde voorwaarden als die welke gelden voor de ambtenaar. § 2. Wanneer het contractuele personeelslid deeltijds werkt of in de loop van het jaar in of uit dienst treedt, wordt het aantal jaarlijkse vakantiedagen waarop het recht heeft, tijdens het lopende jaar in evenredige mate verminderd. § 3. Het aantal dagen jaarlijkse vakantie wordt in evenredige mate verminderd met het aantal dagen waarop het contractuele personeelslid in de loop van het jaar om één van de volgende redenen van het werk afwezig was en geen bezoldiging of aanvullend loon van de instelling ontving : - gecontingenteerd verlof; - loopbaanonderbreking; - facultatief politiek verlof of politiek verlof van ambtswege; - militieverplichtingen (voor zover het volledige kalendermaanden betreft); - ouderschapsverlof.

Wanneer deze vermindering tijdens het lopende jaar niet meer mogelijk is, vindt zij plaats het daaropvolgende jaar. § 4. Het aantal vakantiedagen wordt steeds uitgedrukt in volledige en halve dagen.

Art. XIV 30. Buiten de dagen jaarlijkse vakantie is het contractuele personeelslid op dezelfde dagen met vakantie als de ambtenaar.

Art. XIV 31. Voor het contractuele personeelslid geldt dezelfde compensatieregeling inzake vakantiedagen die samenvallen met een niet-werkdag als voor de ambtenaar.

Afdeling 2. - Omstandigheidsverlof Art. XIV 32. De regeling inzake omstandigheidsverlof die voor de ambtenaar werd vastgesteld in artikel XI 86, geldt ook voor het contractuele personeelslid.

Afdeling 3. - Opvangverlof Art. XIV 33. De regeling inzake opvangverlof die voor de ambtenaar werd vermeld in artikel XI 18, geldt ook voor het contractuele personeelslid.

Afdeling 4. -- Ouderschapsverlof Art. XIV 34. Voor het contractuele personeelslid is dezelfde regeling inzake ouderschapsverlof van toepassing als voor de ambtenaar.

Afdeling 5. - Loopbaanonderbreking Art. XIV 35. Het contractuele personeelslid kan loopbaanonderbreking krijgen volgens de reglementering die geldt in de privé-sector.

Art. XIV 36. Het contractuele personeelslid heeft het recht om gedurende 3 maanden voltijdse loopbaanonderbreking te nemen naar aanleiding van de geboorte of adoptie van een kind.

Wanneer het contractuele personeelslid de onderbreking aanvraagt naar aanleiding van de geboorte van een kind, dient de loopbaanonderbreking : - onmiddellijk aan te sluiten op het bevallingsverlof, als het een vrouwelijk personeelslid is; - uiterlijk een aanvang te nemen op de eerste dag die volgt op de periode van 8 weken vanaf de geboorte van het kind, als het een mannelijk personeelslid is.

Afdeling 6. - Gecontingenteerd verlof Art. XIV 37. Inzake het gecontingenteerd verlof kan het contractuele personeelslid aanspraak maken op het onbezoldigd verlof vermeld in het artikel XI 87.

Afdeling 7. - Voorbehoedend verlof Art. XIV 38. Het contractuele personeelslid heeft dezelfde regeling inzake voorbehoedend verlof als de ambtenaar.

Afdeling 8 Verlof wegens een arbeidsongeval, een ongeval op de weg naar en van het werk of een beroepsziekte Art. XIV 39. De verlofregeling die bij arbeidsongeval, ongeval op de weg naar en van het werk of beroepsziekte van toepassing is voor de ambtenaar, geldt ook voor het contractuele personeelslid. Inzake de algemene regeling van schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten, geldt voor het contractuele personeelslid dezelfde regeling als voor de ambtenaar.

Afdeling 9. - Politiek verlof Art. XIV 40. Het contractuele personeelslid geniet dezelfde regeling inzake politiek verlof als de ambtenaar.

Afdeling 10. - Verlof na detachering.

Art. XIV 41. Inzake het verlof na detachering geldt voor het contractueel personeelslid dezelfde regeling als voor de ambtenaar, zoals vermeld in het artikel XI 66.

HOOFDSTUK 3. - Beëindiging van de arbeidsovereenkomst Art. XIV 42. De leidend ambtenaar : - aanvaardt het ontslag wanneer het contractuele personeelslid dit zelf heeft ingediend; - neemt de beslissing tot eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst wanneer het initiatief hiertoe uitgaat van de werkgever; - verleent het ontslag om dringende redenen.

HOOFDSTUK 4. - Geldelijke regeling Afdeling 1. - Salarisschaal Art. XIV 43. Het contractuele personeelslid geniet de beginsalarisschaal van de ambtenaar met dezelfde functie.

Art. XIV 44. Het contractuele hulppersoneel wordt bezoldigd overeenkomstig de salarisschaal E 111.

Deze bezoldiging wordt uitbetaald op basis van een maandloon.

Art. XIV 45. § 1. De regelingen vermeld in titel 1 van deel XIII zijn van toepassing op het contractuele personeelslid met uitzondering van de hoofdstukken 4 en 6 en de artikelen XIII 4, XIII 16, XIII 19, XIII 21, § 1 tweede, derde en vierde lid, XIII 21, § 2 en XIII 26. § 2. Voor het contractuele personeelslid gelden als "voor salarisverhoging in aan merking komende diensten" de diensten die het heeft gepresteerd als personeelslid van het onderwijs, tijdelijk personeelslid, stagiair, ambtenaar of contractueel personeelslid, zoals ze in aanmerking genomen worden voor de vaststelling van het salaris van een ambtenaar. § 3. Het maandsalaris bedraagt 1/12 van het jaarsalaris. Voor het contractuele personeelslid dat behoort tot het contractueel hulppersoneel wet wisselende prestaties, wordt het maandsalaris vastgesteld volgens de werkelijke prestaties over een jaar genomen met als noemer 1976.

Ingeval van onbezoldigde afwezigheid van een contractueel personeelslid wordt het maandloon per maand berekend volgens de werkelijke prestaties overeenkomstig artikel XIII 24.

Afdeling 2. - Gewaarborgde minimumbezoldiging Art. XIV 46. De jaarlijkse bezoldiging van het contractuele personeelslid dat 21 jaar oud is, bedraagt voor volledige prestaties, nooit minder dan 498 381 fr. (100 %).

Afdeling 3. - Haard- of standplaatstoelage Art. XIV 47. Het contractuele personeelslid heeft recht op een haard- of standplaatstoelage overeenkomstig de regeling die geldt voor de ambtenaar.

Afdeling 4. - Vakantiegeld Art. XIV 48. Het contractuele personeelslid ontvangt een vakantiegeld volgens dezelfde regeling als de ambtenaar.

Afdeling 5. - Eindejaarstoelage Art. XIV 49. De regeling inzake eindejaarstoelage die geldt voor de ambtenaar, is ook van toepassing voor het contractuele personeelslid.

Op de eindejaarstoelage van het contractuele personeelslid worden evenwel bijdragen voor de sociale zekerheid ingehouden.

Afdeling 6. - Vergoedingen en toelagen Art. XIV 50. Het contractuele personeelslid heeft recht op dezelfde vergoedingen en toelagen als de ambtenaar die dezelfde functie uitoefent, met uitzondering van de vergoeding wegens begrafeniskosten.

TITEL 4. - Overgangs- en opheffingsbepalingen HOOFDSTUK 1. - Overgangsbepalingen Art. XIV 51. Indien de bezoldiging van het contractuele personeelslid na vaststelling overeenkomstig de bepalingen vermeld in dit besluit lager is dan de bezoldiging dat het contractueel personeelslid genoot vóór de wijziging van de benaming van zijn functie in toepassing van het besluit van de Vlaamse regering van 12 juni 1995 houdende organisatie van de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest en de regeling van de rechtspositie van het personeel, blijft de oorspronkelijk contractueel overeengekomen bezoldigingsregeling van toepassing.

Art. XIV 52. De aan de instelling overgedragen personeelsleden behouden hun geldelijke anciënniteit.

Zij behouden ook de toelagen, vergoedingen en premies en andere voordelen waarop zij in het ministerie of de instelling van herkomst aanspraak konden maken overeenkomstig de reglementering die op hen van toepassing was. Zij behouden de voordelen verbonden aan een functie slechts in zoverre de voorwaarden voor toekenning ervan blijven bestaan.

Art. XIV 53 Voor het contractuele hulppersoneelslid dat uiterlijk op 31 december 1988 werkte met een arbeidsduur van zeveneneenhalf uur per dag en vijf dagen per week, worden de diensten gepresteerd overeenkomstig laatstvermelde arbeidsduur, gelijkgesteld met volledige prestaties voor de toekenning van de salarisverhogingen.

Art. XIV 54. Voor de toekenning van de salarisverhoging worden de werkelijke en volledige prestaties die het contractuele personeelslid als tewerkgestelde werkloze heeft verricht ten belope van maximmaal 6 jaar mee in aanmerking genomen.

De perioden van afwezigheid gedurende een tewerkstelling als tewerkgestelde werkloze die overeenstemmen met de administratieve toestand dienstactiviteit waarin een ambtenaar zijn aanspraak op salarisverhoging behoudt, worden eveneens als werkelijke en volledige prestaties beschouwd.

DEEL XV. -. ALGEMENE OPHEFFINGS-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN HOOFDSTUK 1. - Algemene opheffingsbepaling Art. XV 1. Het besluit van de Vlaamse regering van 12 juni 1995 houdende organisatie van de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest en de regeling van de rechtspositie van het personeel, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse regering van 23 juli 1998 wordt opgeheven op1 juli 1999 met uitzondering van de delen, titels, hoofdstukken of artikelen vermeld in kolom 1 van de tabel opgenomen in artikel XV. 2. § 1. Deze delen, titels, hoofdstukken of artikelen worden opgeheven op de in kolom 2 van dezelfde tabel vermelde datum.

HOOFDSTUK 2. - Inwerkingtreding Art. XV 2. § 1 Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 juli 1999, met uitzondering van de delen, titels, hoofdstukken of artikelen vermeld in kolom 3 van de hierna opgenomen tabel. Deze delen, titels, hoofdstukken of artikelen treden in werking op de in kolom 4 van dezelfde tabel vermelde datum : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld § 2 In afwijking van artikel VIII 15 loopt het eerste evaluatiejaar van 1 juli 1996 tot 31 december 1996.

Art. XV 3. De Vlaamse minister, bevoegd voor Leefmilieu, is belast met de uitvoering van dit besluit.

Brussel, 29 oktober 1999.

De minister-president van de Vlaamse regering, P. DEWAEL De Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw, V. DUA

Bijlagen Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse regering van 29 oktober 1999 houdende organisatie van de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest en de regeling van de rechtspositie van het personeel.

Brussel, 29 oktober 1999.

De minister-president van de Vlaamse regering, P. DEWAEL De Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw, V. DUA

^