Etaamb.openjustice.be
Besluit Van De Vlaamse Regering van 21 februari 2003
gepubliceerd op 03 april 2003

Besluit van de Vlaamse regering tot regeling van de situatie van de personeelsleden uit het onderwijs die in het schooljaar 2002-2003 in de instellingen van het Gemeenschapsonderwijs in Duitsland ter beschikking zijn of worden gesteld wegens ontstentenis van betrekking

bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
numac
2003200555
pub.
03/04/2003
prom.
21/02/2003
ELI
eli/besluit/2003/02/21/2003200555/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

21 FEBRUARI 2003. - Besluit van de Vlaamse regering tot regeling van de situatie van de personeelsleden uit het onderwijs die in het schooljaar 2002-2003 in de instellingen van het Gemeenschapsonderwijs in Duitsland ter beschikking zijn of worden gesteld wegens ontstentenis van betrekking


De Vlaamse regering, Gelet op het decreet van 9 april 1992 betreffende het onderwijs III, inzonderheid op artikel 4, § 4;

Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 29 april 1992 betreffende de verdeling van betrekkingen, de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie, de wedertewerkstelling en de toekenning van een wachtgeld of wachtgeldtoelage, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse regering van 7 december 1994, 9 juli 1996; 25 maart 1997, 22 september 1998, 31 augustus 1999, 4 februari 2000, 28 augustus 2000 en 1 maart 2002;

Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 12 juli 1995 houdende bijzondere maatregelen ten gunste van de personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs tewerkgesteld in Duitsland, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse regering van 10 november 2000;

Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 19 juli 2002;

Gelet op protocol nr. 116 van 18 september 2002 houdende de conclusies van de onderhandelingen die gevoerd werden in de gemeenschappelijke vergadering van het Sectorcomité X en van onderafdeling « Vlaamse Gemeenschap » van afdeling 2 van het Comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten;

Gelet op de beraadslaging van de Vlaamse regering, op 11 oktober 2002, betreffende de aanvraag om advies bij de Raad van State binnen één maand;

Gelet op advies 34.287/1 van de Raad van State, gegeven op 21 november 2002, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 1o, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming;

Na beraadslaging, Besluit :

Artikel 1.§ 1. Dit besluit is van toepassing op : 1o de personeelsleden, onderworpen aan het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs die : a) vast benoemd zijn;b) overeenkomstig artikel 39 en 49 van hetzelfde decreet van 27 maart 1991 geaffecteerd zijn aan een instelling van het Gemeenschapsonderwijs, gevestigd in Duitsland; 2o de gefinancierde instellingen van het Gemeenschapsonderwijs gevestigd in Duitsland, die de sub 1o bedoelde personeelsleden tewerkstellen. § 2. Dit besluit is echter niet van toepassing op de leden van het meester-, vak- en dienstpersoneel onderworpen aan voormeld decreet van 27 maart 1991.

Art. 2.Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder : 1o het besluit betreffende de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, reaffectatie en wedertewerkstelling : het besluit van de Vlaamse regering van 29 april 1992 betreffende de verdeling van betrekkingen, de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie, de wedertewerkstelling en de toekenning van een wachtgeld of wachtgeldtoelage; 2o de scholengroep : de scholengroep, bedoeld in artikel 5, § 6, van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het Gemeenschapsonderwijs, waartoe de instellingen behoren die gelegen zijn in Duitsland; 3o de instelling : de instelling van de scholengroep, bedoeld in 2o; 4o een personeelslid met het recht op voorrang : een personeelslid dat voor een tijdelijke aanstelling in het basisonderwijs voorrang heeft op basis van artikel 21 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs.

Art. 3.Onverminderd de bepalingen van artikel 7, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 12 juli 1995 houdende bijzondere maatregelen ten gunste van de personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs tewerkgesteld in Duitsland, worden, in voorkomend geval, de personeelsleden, bedoeld in artikel 1, ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking onder de voorwaarden, bepaald in het besluit betreffende de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, reaffectatie en wedertewerkstelling.

Art. 4.In afwijking van artikel 34, 35, 36 en 36bis van het besluit betreffende de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, reaffectatie en wedertewerkstelling, is de scholengroep in de volgende volgorde : 1o verplicht om de personeelsleden die ter beschikking gesteld zijn in « hetzelfde ambt » in een instelling, bij wijze van reaffectatie en beperkt tot de prestaties waarvoor de terbeschikkingstelling werd uitgesproken, in dienst te nemen in die instelling. Die verplichting geldt eveneens voor betrekkingen die zijn ingenomen door tijdelijke personeelsleden die aangesteld zijn voor doorlopende duur en voor personeelsleden die waarnemend of tijdelijk aangesteld zijn in een selectie- of bevorderingsambt; 2o verplicht om de personeelsleden die ter beschikking gesteld zijn in « hetzelfde ambt » in een instelling, bij wijze van wedertewerkstelling en beperkt tot de prestaties waarvoor de terbeschikkingstelling werd uitgesproken, in dienst te nemen in die instelling. Die verplichting geldt eveneens voor betrekkingen die zijn ingenomen door tijdelijke personeelsleden die aangesteld zijn voor doorlopende duur; 3o verplicht om de personeelsleden die ter beschikking gesteld zijn in « hetzelfde ambt » in een instelling, bij wijze van reaffectatie en beperkt tot de prestaties waarvoor de terbeschikkingstelling werd uitgesproken, in dienst te nemen in een instelling. Die verplichting geldt eveneens voor betrekkingen die zijn ingenomen door tijdelijke personeelsleden die aangesteld zijn voor doorlopende duur en voor personeelsleden die waarnemend of tijdelijk aangesteld zijn in een selectie- of bevorderingsambt; 4o verplicht om de personeelsleden die ter beschikking gesteld zijn in « hetzelfde ambt » in een instelling, bij wijze van wedertewerkstelling en beperkt tot de prestaties waarvoor de terbeschikkingstelling werd uitgesproken, in dienst te nemen in een instelling. Die verplichting geldt eveneens voor betrekkingen die zijn ingenomen door tijdelijke personeelsleden die aangesteld zijn voor doorlopende duur.

Als de inrichtende macht en het personeelslid akkoord gaan, kan van deze volgorde worden afgeweken.

Als het gaat om een wervingsambt wordt het personeelslid met de grootste dienstanciënniteit eerst in dienst geroepen. Bij gelijke dienstanciënniteit heeft het personeelslid met de grootste ambtsanciënniteit voorrang. Is de ambtsanciënniteit gelijk, dan wordt aan het oudste personeelslid eerst een betrekking toegewezen; 5o verplicht om een personeelslid aan te stellen of in dienst te houden dat het recht op voorrang of een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur heeft verworven; 6o vrij om een ander tijdelijk personeelslid dan bedoeld in 5o aan te stellen of in dienst te houden.

Art. 5.§ 1. Als de scholengroep na de toepassing van artikel 4 wordt geconfronteerd met een vastgesteld tekort aan gekwalificeerde personeelsleden, kan zij, in afwijking van artikel 11, § 2, van het besluit betreffende de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, reaffectatie en wedertewerkstelling, in de volgende volgorde : 1o personeelsleden die ter beschikking gesteld zijn in « hetzelfde ambt » in een instelling, bij wijze van wedertewerkstelling en beperkt tot de prestaties waarvoor de terbeschikkingstelling werd uitgesproken, in dienst nemen in die instelling in een ambt waarvoor zij over het voldoend geacht bekwaamheidsbewijs beschikken of bij overgangsmaatregel geacht worden in het bezit te zijn van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs.

Als het om het ambt van leraar gaat, geldt dat voor alle vakken en specialiteiten waarvoor het personeelslid over een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs beschikt; 2o personeelsleden die ter beschikking gesteld zijn in « hetzelfde ambt » in een instelling, bij wijze van wedertewerkstelling en beperkt tot de prestaties waarvoor de terbeschikkingstelling werd uitgesproken, in dienst nemen in een instelling in een ambt waarvoor zij over het voldoend geacht bekwaamheidsbewijs beschikken of bij overgangsmaatregel geacht worden in het bezit te zijn van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs.

Als het om het ambt van leraar gaat, geldt dat voor alle vakken en specialiteiten waarvoor het personeelslid over een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs beschikt. § 2. De directeur van de betrokken instelling beslist, in samenspraak met de algemeen directeur, over de wedertewerkstelling(en), bedoeld in § 1.

Het betrokken personeelslid is verplicht om die wedertewerkstelling te aanvaarden.

Art. 6.Na de toepassing van artikel 4 en 5 is de scholengroep in de volgende volgorde : 1o verplicht om de personeelsleden die ter beschikking gesteld zijn en die door de interprovinciale reaffectatiecommissie worden toegewezen bij wijze van reaffectatie of wedertewerkstelling, in dienst te nemen; 2o verplicht om de personeelsleden die ter beschikking gesteld zijn en die door de Vlaamse reaffectatiecommissie worden toegewezen bij wijze van reaffectatie of wedertewerkstelling, in dienst te nemen.

Art. 7.Het personeelslid dat ter beschikking gesteld is wegens ontstentenis van betrekking, is verplicht naar rata van het gepondereerde volume van de opdracht waarvoor het ter beschikking gesteld is, de betrekking waarin het gereaffecteerd of weder te werk gesteld is onmiddellijk te aanvaarden en in dienst te treden op de aangeduide datum.

Art. 8.Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002 en houdt op van kracht te zijn op 1 september 2003.

Art. 9.De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.

Brussel, 21 februari 2003.

De minister-president van de Vlaamse regering, P. DEWAEL De Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming, M. VANDERPOORTEN

^