Etaamb.openjustice.be
Besluit Van De Vlaamse Regering van 12 september 2003
gepubliceerd op 07 november 2003

Besluit van de Vlaamse regering ter uitvoering van het decreet van 14 februari 2003 houdende de ondersteuning en de stimulering van het gemeentelijk, het intergemeentelijk en het provinciaal jeugd- en jeugdwerkbeleid, inzake het voeren van een gemeentelijk en intergemeentelijk jeugd- en jeugdwerkbeleid

bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
numac
2003201611
pub.
07/11/2003
prom.
12/09/2003
ELI
eli/besluit/2003/09/12/2003201611/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

12 SEPTEMBER 2003. - Besluit van de Vlaamse regering ter uitvoering van het decreet van 14 februari 2003 houdende de ondersteuning en de stimulering van het gemeentelijk, het intergemeentelijk en het provinciaal jeugd- en jeugdwerkbeleid, inzake het voeren van een gemeentelijk en intergemeentelijk jeugd- en jeugdwerkbeleid


De Vlaamse regering, Gelet op het decreet van 14 februari 2003 houdende de ondersteuning en de stimulering van het gemeentelijk, het intergemeentelijk en het provinciaal jeugd- en jeugdwerkbeleid;

Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 13 juli 2001 ter uitvoering van het decreet van 9 juni 1993 houdende subsidiëring van gemeentebesturen en van de Vlaamse Gemeenschapscommissie inzake het voeren van een jeugdwerkbeleid;

Gelet op het advies nummer 03/03 van de Vlaamse Jeugdraad, gegeven op 5 maart 2003;

Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 2 april 2003;

Gelet op het akkoord van de Minister van Begroting van 12 juni 2003;

Gelet op het advies van de Raad van State;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken;

Na beraadslaging, Besluit : HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen

Artikel 1.Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder : 1° het college : het college van burgemeester en schepenen;2° de minister : de Vlaamse minister, bevoegd voor de Jeugd;3° het decreet: het decreet van 14 februari 2003 houdende de ondersteuning en de stimulering van het gemeentelijk, het intergemeentelijk en het provinciaal jeugd- en jeugdwerkbeleid;4° het planningsjaar : het kalenderjaar dat aan de periode voorafgaat waarop het jeugdwerkbeleidsplan betrekking heeft;5° de afdeling Jeugd en Sport van het departement Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. HOOFDSTUK II. - Subsidiëring

Art. 2.§ 1. Het krediet, beschikbaar krachtens artikel 8, § 2, 3°, van het decreet, wordt verdeeld als bepaald in § 2 tot en met § 7. § 2. Voor elke gemeente wordt de relatieve maatschappelijke achterstelling bij kinderen en jongeren vastgesteld aan de hand van de volgende indicatoren : 1° het gemiddeld aantal inwoners, jonger dan 25 jaar, met een Turkse, Marokkaanse, Algerijnse of Tunesische nationaliteit;2° het gemiddeld aantal inwoners, jonger dan 25 jaar, uit een land dat niet behoort tot de groep van de rijkste landen, met uitzondering van de landen, genoemd in 1°;3° het aantal kinderen, geboren in kansarme gezinnen, volgens de typologie van Kind en Gezin;4° het aantal jongeren onder maatregel zonder of met kosten bij de comités voor bijzondere jeugdzorg;5° het gemiddeld aantal uitkeringsgerechtigde volledig werklozen, jonger dan 25 jaar en langer dan een jaar werkzoekend;6° het gemiddeld aantal bestaansminimumtrekkers, jonger dan 25 jaar, en kinderen in een gezin van een bestaansminimumtrekker;7° het gemiddeld aantal kinderen en jongeren die onderwijs volgden in de types 1, 3 en 8 van het buitengewoon lager onderwijs, opgeteld bij het aantal leerlingen in de types 1, 2 en 3 van het buitengewoon secundair onderwijs;8° het gemiddeld aantal jongeren in het deeltijds onderwijs;9° het gemiddeld aantal jongeren in het gewoon voltijds secundair beroepsonderwijs. § 3. Voor elke gemeente worden de verkregen aantallen per indicator omgezet in percentages die de verhouding uitdrukken tussen de aanwezigheid van de genoemde groep in de gemeente en de aanwezigheid ervan in het Vlaamse Gewest. § 4. De percentages per gemeente, bedoeld in § 3, worden opgeteld.

Hierbij tellen de indicatoren 1° en 2° elk slechts voor de helft, en de indicatoren 7°, 8° en 9° elk slechts voor een derde. Het verkregen resultaat wordt gedeeld door 6. Indien het verkregen resultaat hoger is dan het aandeel van die gemeente in het totale aantal inwoners, jonger dan 25 jaar, van het Vlaamse Gewest, dan wordt die gemeente geselecteerd. Alleen de geselecteerde gemeenten worden verder in aanmerking genomen voor de toekenning van een subsidie krachtens artikel 2. § 5. Opdat de indicatoren bij de subsidieberekening hetzelfde gewicht zouden behouden, worden de percentages per gemeente verhoudingsgewijs herberekend. Het beschikbare krediet wordt verdeeld over de geselecteerde gemeenten naar rato van deze herberekende percentages. § 6. Het bedrag wordt, indien nodig, verhoogd tot maximaal 80 procent van de subsidies die toegekend werden op basis van de werking voor 1998, bedoeld in artikel 11 van het besluit van de Vlaamse regering van 22 december 1993 betreffende de subsidiëring van gemeentebesturen en van de Vlaamse Gemeenschapscommissie die een jeugdwerkbeleid voeren voor maatschappelijk achtergestelde kinderen en jongeren. Zodoende is voor deze gemeenten de subsidie krachtens artikel 8, § 2, 3°, van het decreet, opgeteld bij de subsidie krachtens artikel 8, § 2, 4°, van het decreet, maximaal gelijk aan het totale subsidiebedrag voor 2000.

Het bedrag dat nodig is om te komen tot die verhoging, wordt, evenredig met het volgens § 5 vastgestelde percentage, verminderd bij de andere gemeenten, geselecteerd volgens § 4. § 7. In het jeugdwerkbeleidsplan moet het college aantonen in welke mate de jeugdwerkinitiatieven die in het kader van dit artikel voor ondersteuning zijn voorgesteld, voorzien in de behoeften van kinderen en jongeren die leven in situaties die sterk bepaald worden door : 1° het behoren tot een etnisch-culturele minderheid;2° armoede;3° lage scholing. Hierbij besteedt het college aandacht aan de geografische spreiding en de spreiding volgens leeftijd en geslacht. HOOFDSTUK III. - Voorwaarden waaraan de inspraak moet voldoen

Art. 3.Om de inspraak van alle betrokkenen, genoemd in artikel 5, § 4, van het decreet te waarborgen, moet het college bij het opstellen van het jeugdwerkbeleidsplan : 1° alle belanghebbenden informeren over de wijze waarop het jeugdwerkbeleidsplan tot stand zal komen;2° ervoor zorgen dat alle betrokkenen de documenten over de opmaak van het jeugdwerkbeleidsplan kunnen inzien;3° het ontwerp van jeugdwerkbeleidsplan aan de gemeentelijke jeugdraad voorleggen. De gemeentelijke jeugdraad moet over een periode van ten minste 30 dagen beschikken om zijn advies over het ontwerp van jeugdwerkbeleidsplan te formuleren. HOOFDSTUK IV. - Het jeugdwerkbeleidsplan Afdeling I. - Inhoud en vorm

Art. 4.§ 1. Elk van de in artikel 5, § 3, 2°, van het decreet genoemde hoofdstukken moet minstens de volgende elementen bevatten : 1° een situatieschets met objectieve gegevens;2° de gegevens over de behoeften van de jeugd en het jeugdwerk;3° de visie en de algemene doelstellingen die het gemeentebestuur vooropstelt. Bij elke algemene doelstelling stelt het college voor zichzelf een beoogd resultaat voorop, met de mogelijke vermelding van een of meer beleidsindicatoren; 4° een overzicht van de concrete acties die in het kader van de voornoemde algemene doelstellingen zullen worden ondernomen. Per concrete actie geeft het college bovendien een concreet tijdschema voor de uitvoering, alsook de financiële weerslag van deze acties. § 2. In het hoofdstuk Toegankelijkheid van het jeugdwerk moeten ook de doelstellingen opgenomen worden op basis waarvan het krediet wordt verdeeld waarop het gemeentebestuur aanspraak kan maken krachtens artikel 2 van dit besluit, voor de ondersteuning van de specifieke inspanningen die jeugdwerkinitiatieven leveren voor maatschappelijk achtergestelde kinderen en jongeren. § 3. Het jeugdwerkbeleidsplan en alle andere gemeentelijke beleidsplannen die implicaties hebben voor het jeugd- en jeugdwerkbeleid moeten op elkaar afgestemd worden. Het college bepaalt in overleg met de gemeentelijke jeugdraad, de mate waarin andere gemeentelijke beleidsplannen van belang zijn voor het jeugd- en jeugdwerkbeleid. De algemene doelstellingen en concrete acties die in het kader van deze afstemming worden vooropgesteld of uit deze afstemming voortvloeien, moeten in het hoofdstuk Geïntegreerd jeugdwerkbeleid van het jeugdwerkbeleidsplan worden opgenomen. § 4. Het jeugdwerkbeleidsplan moet in een vlotte en regelmatige uitbetaling van de subsidies aan de jeugdwerkinitiatieven voorzien. De geldende subsidiereglementen moeten worden bijgevoegd. § 5. Het jeugdwerkbeleidsplan voorziet in een samenvattende financiële prognose bij de opgenomen algemene doelstellingen. § 6. De minister bepaalt de vorm waarin het jeugdwerkbeleidsplan moet worden ingediend. Afdeling II. - Procedure

Art. 5.§ 1. De afdeling Jeugd en Sport deelt jaarlijks aan elk gemeentebestuur het geraamde bedrag mee waarop de gemeente recht heeft op basis van artikel 8, § 2, van het decreet. § 2. Het college dient het ontwerp van jeugdwerkbeleidsplan voor advies in bij de afdeling Jeugd en Sport uiterlijk op 1 juni van het planningsjaar. Bij het ontwerp van jeugdwerkbeleidsplan zijn de volgende documenten gevoegd : 1° het advies van de gemeentelijke jeugdraad;2° het gemotiveerde standpunt van het college aan de gemeentelijke jeugdraad over het uitgebrachte advies. Op de dag van verzending van het ontwerp van jeugdwerkbeleidsplan aan de afdeling Jeugd en Sport brengt het college de gemeentelijke jeugdraad hiervan op de hoogte. § 3. De afdeling Jeugd en Sport stuurt het college een herinnering en informeert de gemeentelijke jeugdraad, indien het college niet tijdig het ontwerp van jeugdwerkbeleidsplan voor advies aan de afdeling Jeugd en Sport bezorgt. § 4. De afdeling Jeugd en Sport stuurt binnen 60 dagen na ontvangst van het ontwerp van jeugdwerkbeleidsplan een met redenen omkleed advies naar het college. Dit advies handelt uitsluitend over het naleven van de formele vereisten, bepaald in het decreet en in dit besluit. De afdeling Jeugd en Sport bezorgt tevens een kopie van het advies aan de gemeentelijke jeugdraad. § 5. Vóór 15 oktober van het planningsjaar legt het college het ontwerp van jeugdwerkbeleidsplan, samen met het advies van de afdeling Jeugd en Sport en het advies van de gemeentelijke jeugdraad, ter goedkeuring aan de gemeenteraad voor. § 6. Het college stuurt het door de gemeenteraad goedgekeurde jeugdwerkbeleidsplan uiterlijk 20 dagen na de goedkeuring ervan naar de afdeling Jeugd en Sport, en bezorgt een kopie ervan aan de gemeentelijke jeugdraad. § 7. De afdeling Jeugd en Sport aanvaardt of weigert het jeugdwerkbeleidsplan voor subsidiëring en deelt haar beslissing mee aan het college en aan de gemeentelijke jeugdraad uiterlijk 50 dagen na ontvangst van het jeugdwerkbeleidsplan. Indien binnen die termijn geen beslissing aan het college is verstuurd, wordt de afdeling geacht het jeugdwerkbeleidsplan voor subsidiëring te aanvaarden. § 8. Indien het college tijdens de periode van uitvoering van het jeugdwerkbeleidsplan de algemene doelstellingen wenst te wijzigen die in het jeugdwerkbeleidsplan werden opgenomen, dan zijn de voorwaarden in artikel 3 en 4 van dit besluit en de procedure, zoals bepaald in § 2 tot en met § 7 van dit artikel, van toepassing. HOOFDSTUK V. - Jaarplan

Art. 6.§ 1. Behoudens de elementen, vermeld in artikel 7, § 1, 2°, van het decreet, bevat het jaarplan een concretisering van de beleidsopties zoals geformuleerd in het jeugdwerkbeleidsplan.

Per concrete actie die opgenomen is in het jeugdwerkbeleidsplan worden alle in te zetten financiële middelen aangegeven. Hieronder worden zowel de middelen verstaan waarop het gemeentebestuur aanspraak kan maken ter uitvoering van het decreet, als alle andere middelen waarover het gemeentebestuur beschikt om zijn jeugdwerkbeleid uit te voeren. De begroting jeugd maakt integraal deel uit van het jaarplan.

Het college motiveert in het jaarplan uitdrukkelijk eventuele afwijkingen ten aanzien van de concrete acties vooropgesteld in het jeugdwerkbeleidsplan. § 2. Als het college beslist om zelf, via de eigen diensten, invulling te geven aan een concrete actie, terwijl een particulier jeugdwerkinitiatief zich aanbiedt om dat te doen, dan moet het in het jaarplan de argumentatie hiervoor opgeven. § 3. De gemeentelijke jeugdraad moet over ten minste 30 dagen beschikken om zijn advies te formuleren over het ontwerp van jaarplan. § 4. Het jaarplan wordt, samen met het advies van de gemeentelijke jeugdraad en het gemotiveerde standpunt van het college over het uitgebrachte advies van de gemeentelijke jeugdraad, en in samenhang met de begroting, aan de gemeenteraad ter goedkeuring voorgelegd. § 5. Het college stuurt het door de gemeenteraad goedgekeurde jaarplan uiterlijk 20 dagen na goedkeuring naar de afdeling Jeugd en Sport en bezorgt een kopie ervan aan de gemeentelijke jeugdraad. § 6. De afdeling Jeugd en Sport aanvaardt of weigert het jaarplan voor subsidiëring en deelt zijn beslissing uiterlijk 50 dagen na ontvangst van het jaarplan mee aan het college en aan de gemeentelijke jeugdraad. Indien binnen die termijn geen beslissing aan het college is verstuurd, wordt de afdeling geacht het jaarplan voor subsidiëring te aanvaarden. § 7. De afdeling Jeugd en Sport bepaalt de vorm waarin het jaarplan moet worden ingediend. § 8. De actuele samenstelling van de gemeentelijke jeugdraad en de nieuwe of gewijzigde gemeentelijke subsidieregelingen voor de ondersteuning van het jeugdwerk, worden als bijlage bij het jaarplan gevoegd. HOOFDSTUK VI. - Werkingsverslag

Art. 7.§ 1. Het werkingsverslag beschrijft de wijze waarop het college het jeugdwerkbeleidsplan in het voorbije jaar heeft uitgevoerd. Het college moet in het werkingsverslag aantonen dat een hogere subsidie krachtens het decreet niet heeft geleid tot een vermindering van de eigen inspanningen.

Als referentiedocument wordt hiervoor de begrotingsrekening van het jaar voordien genomen. Indien de gemeente toch de eigen inspanningen heeft verminderd, dan moet het college in het werkingsverslag deze vermindering grondig motiveren.

Het werkingsverslag bevat een overzicht van de verdeling van de middelen over de verschillende jeugdwerkinitiatieven.

Het college motiveert in het werkingsverslag uitdrukkelijk eventuele afwijkingen ten aanzien van het jaarplan. § 2. Het werkingsverslag wordt jaarlijks voorgelegd aan de gemeentelijke jeugdraad, die ten minste 30 dagen tijd krijgt om zijn bedenkingen te formuleren. § 3. Het werkingsverslag wordt jaarlijks vóór 1 juni ter goedkeuring aan de gemeenteraad voorgelegd. Aan het werkingsverslag worden de bedenkingen van de gemeentelijke jeugdraad toegevoegd, alsook het gemotiveerde standpunt van het college ten aanzien van de bedenkingen van de gemeentelijke jeugdraad. § 4. Het college stuurt het door de gemeenteraad goedgekeurde werkingsverslag, met de opmerkingen van de gemeentelijke jeugdraad, binnen een termijn van 20 dagen na de goedkeuring van het werkingsverslag, naar de afdeling Jeugd en Sport, en bezorgt een kopie ervan aan de gemeentelijke jeugdraad. Binnen 20 dagen na de goedkeuring van de gemeenterekening, bezorgt het college de afdeling Jeugd en Sport een afschrift van deze gemeenteraadsbeslissing, alsook een kopie van de pagina's in de begrotingsrekening die betrekking hebben op het jeugdwerkbeleid. § 5. De afdeling Jeugd en Sport bepaalt de vorm waarin het werkingsverslag moet worden ingediend. HOOFDSTUK VII. - Invoering of afschaffing van wedden van het educatief personeel

Art. 8.§ 1. Het invoeren van weddensubsidies voor educatief personeel van een lokaal jeugdwerkinitiatief kan enkel op basis van een jeugdwerkbeleidsplan of een wijziging van het jeugdwerkbeleidsplan en moet passen in de beleidsopties, genomen in het betreffende plan. § 2. De afschaffing of vermindering van weddensubsidiëring van het educatief personeel van een lokaal jeugdwerkinitiatief moet worden besproken bij de opmaak van een nieuw jeugdwerkbeleidsplan.

In uitzonderlijke gevallen kan ook tussentijds beslist worden tot de afschaffing van weddensubsidiëring. In dat geval moet het college het betrokken jeugdwerkinitiatief hierover horen. Het college moet het ontwerp van de met redenen omklede beslissing aan de afdeling Jeugd en Sport voor advies voorleggen, samen met het procesverbaal van de hoorzitting.

De afdeling Jeugd en Sport verstrekt haar met redenen omklede advies binnen 30 dagen na ontvangst van het ontwerp van beslissing, nadat het college en het jeugdwerkinitiatief op nuttige wijze hun standpunt aan de afdeling Jeugd en Sport hebben kunnen meedelen. § 3. De beslissing tot stopzetting van weddensubsidiëring kan slechts uitwerking hebben ten minste 3 maanden na het nemen van de beslissing.

In elk geval moet het college de geplande subsidiëring voortzetten tot het initiatief aan alle wettelijke verplichtingen inzake de stopgezette tewerkstelling kan hebben voldaan. HOOFDSTUK VIII. - Bezwaar

Art. 9.§ 1. De gemeentelijke jeugdraad of één of meer plaatselijke of intergemeentelijke jeugdwerkinitiatieven samen, die menen dat hun rechten in het kader van het gemeentelijk jeugdwerkbeleidsplan geschaad worden, kunnen een gemotiveerd bezwaarschrift indienen tegen het ontwerp van jeugdwerkbeleidsplan en tegen de goedkeuring van het jeugdwerkbeleidsplan, het jaarplan of het werkingsverslag van de gemeenteraad.

Het bezwaarschrift tegen het ontwerp van jeugdwerkbeleidsplan moet bij de afdeling Jeugd en Sport zijn ingediend binnen een termijn van 30 dagen nadat het ontwerp, ingediend door het college, door de afdeling Jeugd en Sport werd ontvangen.

De afdeling Jeugd en Sport zal bij het verlenen van haar advies melding maken van de ontvangen bezwaarschriften en ermee rekening houden. Een afschrift ervan zal samen met het advies naar het college worden gestuurd.

Het bezwaarschrift tegen de goedkeuring van het jeugdwerkbeleidsplan, het jaarplan of het werkingsverslag door de gemeenteraad, moet aangetekend verstuurd worden aan de afdeling Jeugd en Sport binnen een termijn van 30 dagen na de goedkeuring van het jeugdwerkbeleidsplan, het jaarplan of het werkingsverslag van de gemeenteraad. § 2. De afdeling Jeugd en Sport spreekt zich uit over het bezwaarschrift binnen een termijn van 40 dagen. Die termijn gaat in op de dag na de ontvangst van het bezwaarschrift en nadat het college uitgenodigd werd om zijn standpunt te verduidelijken. De afdeling Jeugd en Sport verstuurt haar besluit uiterlijk de laatste dag van die termijn. HOOFDSTUK IX. - Uitbetaling en terugvordering van subsidies

Art. 10.§ 1. Als de afdeling Jeugd en Sport het jeugdwerkbeleidsplan en jaarplan voor het betreffende begrotingsjaar heeft goedgekeurd, betaalt de Vlaamse Gemeenschap vanaf het tweede trimester van het begrotingsjaar waarop het jaarplan betrekking heeft, een voorschot uit.

Dit voorschot bedraagt 90 % van het bedrag waarop het gemeentebestuur recht heeft overeenkomstig artikel 8 van het decreet. § 2. Als de afdeling Jeugd en Sport het werkingsverslag heeft aanvaard, wordt het saldo van de subsidies uitbetaald voor 31 december van het jaar dat volgt op het begrotingsjaar. § 3. Indien uit het werkingsverslag van het voorbije jaar blijkt dat de gemeente minder subsidiabele uitgaven heeft gerealiseerd dan de gereserveerde subsidies voor het betreffende jaar, dan wordt dit tekort in mindering gebracht op de subsidies waarop het gemeentebestuur aanspraak kan maken. Hiertoe wordt het saldo beperkt en worden de (eventueel) te veel uitbetaalde voorschotten teruggevorderd. § 4. Indien uit het werkingsverslag van het voorbije jaar blijkt dat het college de subsidie, toegekend volgens artikel 8, § 2, 3°, van het decreet, voor het betreffende jaar niet heeft aangewend voor de ondersteuning van de specifieke inspanningen die jeugdwerkinitiatieven leveren voor maatschappelijk achtergestelde kinderen en jongeren zoals bepaald in artikel 2, § 7, dan wordt het niet-aangewende deel in mindering gebracht op de subsidie waarop het gemeentebestuur aanspraak kan maken. Hiertoe wordt het saldo beperkt en worden de (eventueel) te veel uitbetaalde voorschotten teruggevorderd. HOOFDSTUK X. - Jeugdwerkbeleidsplannen van de jeugdwerkinitiatieven samen

Art. 11.§ 1. Als er geen gemeentelijk jeugdwerkbeleidsplan is, verzoekt de afdeling Jeugd en Sport de plaatselijke jeugdwerkinitiatieven samen een jeugdwerkbeleidsplan in te dienen voor 1 juni van het eerste jaar van de jeugdwerkbeleidsplanperiode. De plaatselijke jeugdwerkinitiatieven samen kunnen in hun jeugdwerkbeleidsplan ook inspelen op de prioriteiten. § 2. De jeugdwerkinitiatieven die voor subsidiëring in dit jeugdwerkbeleidsplan werden opgenomen, moeten een begroting en een werkplan indienen in de vorm die bepaald wordt door de afdeling Jeugd en Sport. § 3. De afdeling Jeugd en Sport kan vanaf het tweede trimester van het begrotingsjaar waarop het jaarplan betrekking heeft, een voorschot van ten hoogste 90 % van de vermoedelijke subsidie toekennen. § 4. Als de afdeling Jeugd en Sport het werkings- en financieel verslag heeft aanvaard, wordt het saldo van de subsidies aan elk van de jeugdwerkinitiatieven, opgenomen in het jeugdwerkbeleidsplan, uitbetaald vóór 31 december van het jaar dat volgt op het begrotingsjaar.

Het financieel verslag bestaat uit de rekeningen met de inkomsten en de uitgaven van het voorbije jaar, alsook een balans voor jeugdwerkinitiatieven die educatief personeel tewerkstellen.

De jeugdwerkinitiatieven moeten dit werkings- en financieel verslag indienen bij de afdeling Jeugd en Sport voor 1 juni van het jaar dat volgt op het jaar waarop het verslag betrekking heeft. HOOFDSTUK XI. - Overgangs- en slotbepalingen

Art. 12.Het besluit van de Vlaamse regering van 13 juli 2001 ter uitvoering van het decreet van 9 juni 1993 houdende subsidiëring van gemeentebesturen en van de Vlaamse Gemeenschapscommissie inzake het voeren van een jeugdwerkbeleid, wordt opgeheven.

Art. 13.De bepalingen in dit besluit zijn van overeenkomstige toepassing op de Vlaamse Gemeenschapscommissie.

Art. 14.Dit besluit treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad .

Art. 15.De Vlaamse minister, bevoegd voor de Jeugd, is belast met de uitvoering van dit besluit.

Brussel, 12 september 2003.

De minister-president van de Vlaamse regering, B. SOMERS De Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken, P. VAN GREMBERGEN

^