Etaamb.openjustice.be
Besluit Van De Vlaamse Regering van 05 juni 2009
gepubliceerd op 19 juni 2009

Besluit van de Vlaamse Regering houdende vaststelling van de nadere procedureregels voor de organisatie van een gemeentelijke volksraadpleging

bron
vlaamse overheid
numac
2009035553
pub.
19/06/2009
prom.
05/06/2009
ELI
eli/besluit/2009/06/05/2009035553/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

5 JUNI 2009. - Besluit van de Vlaamse Regering houdende vaststelling van de nadere procedureregels voor de organisatie van een gemeentelijke volksraadpleging


De Vlaamse Regering, Gelet op het Gemeentedecreet van 15 juli 2005, artikel 212bis,§ § 1,7° en 3, eerste lid, ingevoegd bij het decreet van 23 januari 2009, artikel 219 en 220;

Gelet op het decreet van 23 januari 2009 tot wijziging van het Gemeentedecreet, artikel 151;

Gelet op het koninklijk besluit van 10 april 1995 tot vaststelling van de nadere procedureregels voor het houden van een gemeentelijke volksraadpleging;

Overwegende dat overeenkomstig artikel 212bis, § 3, het model van het formulier waarmee volmacht kan worden gegeven bepaald wordt door de Vlaamse Regering;

Overwegende dat overeenkomstig artikel 219 van het Gemeentedecreet de Vlaamse Regering de procedureregels bepaalt voor het houden van een gemeentelijke volksraadpleging, naar analogie met de procedure, vermeld in de Gemeentekieswet, voor de verkiezing van de gemeenteraadsleden;

Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 23 februari 2009;

Gelet op het advies 46.580/3 van de Raad van State, gegeven op 19 mei 2009, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering;

Na beraadslaging, Besluit :

Artikel 1.Als er niet meer dan duizend tweehonderd potentiële deelnemers aan de gemeentelijke volksraadpleging zijn, vergaderen zij in één stemafdeling. Als er meer zijn, worden zij door het college van burgemeester en schepenen ingedeeld in stemafdelingen van ten hoogste duizend tweehonderd en ten minste driehonderd potentiële deelnemers aan de gemeentelijke volksraadpleging.

Het college van burgemeester en schepenen wijst voor elke stemafdeling een afzonderlijk stembureau en stemlokaal aan.

Verschillende stemafdelingen kunnen in de lokalen van hetzelfde gebouw worden bijeengeroepen.

Als de stemming anders verloopt dan aan de hand van een stembiljet, kan het aantal potentiële deelnemers aan de gemeentelijke volksraadpleging per stemafdeling worden verhoogd door de Vlaamse minister, bevoegd voor de binnenlandse aangelegenheden, zonder dat het aantal ervan echter hoger ligt dan tweeduizend vijfhonderd potentiële deelnemers aan de gemeentelijke volksraadpleging.

Art. 2.§ 1. Het college van burgemeester en schepenen benoemt uit de potentiële deelnemers aan de gemeentelijke volksraadpleging die op de dag van de gemeentelijke volksraadpleging de volle leeftijd van achttien jaar hebben bereikt, een voorzitter en een plaatsvervangende voorzitter van het hoofdbureau. De voorzitter en de plaatsvervangende voorzitter van het hoofdbureau worden uiterlijk de vijfendertigste dag voor de dag van de gemeentelijke volksraadpleging benoemd. Het college van burgemeester en schepenen betekent onmiddellijk de benoeming.

De voorzitter van het hoofdbureau wijst uit de potentiële deelnemers aan de gemeentelijke volksraadpleging die op de dag van de gemeentelijke volksraadpleging de volle leeftijd van achttien jaar hebben bereikt, de bijzitters aan die deel uitmaken van zijn bureau.

De voorzitter van het hoofdbureau betekent de aanwijzing onmiddellijk aan de betrokkene. § 2. Het hoofdbureau of, als het stemcollege niet meer dan één stemafdeling uitmaakt, het enige stembureau, moet ten minste zevenentwintig dagen voor de volksraadpleging samengesteld zijn. § 3. De voorzitters van de stembureaus worden benoemd door de voorzitter van het hoofdbureau uit de potentiële deelnemers aan de gemeentelijke volksraadpleging die op de dag van de gemeentelijke volksraadpleging de volle leeftijd van achttien jaar hebben bereikt.

De voorzitter van het hoofdbureau betekent de benoeming onmiddellijk aan de betrokkene. § 4. Artikel 12, 15, 17 tot en met 20 van de Gemeentekieswet zijn van overeenkomstige toepassing op de gemeentelijke volksraadpleging.

Art. 3.Elk stembureau of het enige stembureau, vermeld in artikel 1, bestaat uit een voorzitter, eventueel een plaatsvervangende voorzitter, drie bijzitters, drie plaatsvervangende bijzitters en een secretaris.

De bijzitters en plaatsvervangende bijzitters worden door de voorzitter van het stembureau ten minste twaalf dagen voor de gemeentelijke volksraadpleging aangewezen uit de potentiële deelnemers aan de gemeentelijke volksraadpleging die op de dag van de gemeentelijke volksraadpleging de volle leeftijd van achttien jaar hebben bereikt. De voorzitter van het stembureau geeft onmiddellijk aan de voorzitter van het hoofdbureau kennis van die aanwijzing.

De secretaris wordt door de voorzitter van het stembureau aangewezen uit de potentiële deelnemers aan de gemeentelijke volksraadpleging die op de dag van de gemeentelijke volksraadpleging de volle leeftijd van achttien jaar hebben bereikt. De secretaris is niet stemgerechtigd.

Art. 4.Ten minste vijftien dagen voor de gemeentelijke volksraadpleging stuurt het college van burgemeester en schepenen een oproepingsbrief naar elke potentiële deelnemer aan de gemeentelijke volksraadpleging op het adres waar die is ingeschreven in het bevolkingsregister. Als een oproepingsbrief niet aan de potentiële deelnemer aan de gemeentelijke volksraadpleging kan worden bezorgd, wordt de oproepingsbrief op de gemeentesecretarie neergelegd, waar de potentiële deelnemer aan de gemeentelijke volksraadpleging of zijn volmachtdrager hem kan afhalen, tot op de dag van de raadpleging tot 12 uur.

De oproepingsbrief vermeldt de dag waarop en het lokaal waarin de potentiële deelnemer aan de gemeentelijke volksraadpleging kan deelnemen aan de gemeentelijke volksraadpleging, alsook de uren van opening en sluiting van de stemming. De oproepingsbrief vermeldt dat de stemming niet verplicht is. Bovendien vermeldt hij de vraag of vragen van de raadpleging.

Het bericht van oproeping tot de gemeentelijke volksraadpleging wordt ten minste twintig dagen voor de raadpleging in de gemeente meegedeeld door aanplakking en een eventuele publicatie op de website van de gemeente.

Art. 5.Het college van burgemeester en schepenen maakt het stembiljet op met inachtneming van de volgende voorschriften : 1° het stembiljet vermeldt de vraagstelling;2° onder de vraag of vragen staan op één regel telkens de woorden « ja » en « nee »;3° de woorden « ja » en « nee » worden telkens voorafgegaan door een stemvak.De stemvakken zijn zwart met in het midden een stipje van dezelfde kleur als het papier; 4° het stempapier is wit van kleur;5° alle stembiljetten zijn volledig identiek.

Art. 6.Artikel 32 van de Gemeentekieswet is van overeenkomstige toepassing op de gemeentelijke volksraadpleging.

Art. 7.Het stemlokaal en de stemhokjes worden ingericht volgens model III dat bij het Kieswetboek is gevoegd.

Er is ten minste één stemhokje per driehonderd potentiële deelnemers aan de gemeentelijke volksraadpleging.

Art. 8.De voorschriften voor de handhaving van de orde, vermeld in artikel 108, eerste lid, artikel 109, 110, 111 en 114 van het Kieswetboek, alsmede in artikel 37, 40, § 2, en in artikel 42 van de Gemeentekieswet, zijn van overeenkomstige toepassing op de gemeentelijke volksraadpleging.

De voorzitter van het stembureau overhandigt onmiddellijk het proces-verbaal aan de voorzitter van het hoofdbureau.

Art. 9.Nadat de stemming afgesloten is, deelt elk stembureau onmiddellijk aan de voorzitter van het hoofdbureau mee hoeveel personen aan de gemeentelijke volksraadpleging hebben deelgenomen.

Als de voorzitter van het hoofdbureau vaststelt dat het aantal deelnemers aan de gemeentelijke volksraadpleging, vermeld in artikel 212 van het Gemeentedecreet van 15 juli 2005, is bereikt, gaat hij onmiddellijk over tot het opnemen van de stemmen overeenkomstig de bepalingen van dit besluit. In het andere geval stelt hij in een proces-verbaal als vermeld in artikel 15, vast dat het vereiste aantal deelnemers, vermeld in artikel 212 van het Gemeentedecreet, niet is bereikt.

Art. 10.In gemeenten waar het stemcollege niet meer dan één stemafdeling uitmaakt, gaat het enige stembureau over tot het opnemen van de stemmen en vervult het als dusdanig de functie van enig stemopnemingsbureau.

In de gemeenten waar het stemcollege twee of drie stemafdelingen omvat, doet het hoofdbureau de stemopneming voor de verschillende afdelingen en vervult het als dusdanig de functie van enig stemopnemingsbureau.

Art. 11.In de gemeenten waar meer dan drie stemafdelingen zijn, wordt per zevenduizend potentiële deelnemers aan de gemeentelijke volksraadpleging een stemopnemingsbureau opgericht.

Elk stemopnemingsbureau bestaat uit een voorzitter, een secretaris, drie bijzitters en drie plaatsvervangende bijzitters.

Met behoud van de toepassing van de bepalingen van artikel 10 worden de voorzitter en de bijzitters van de stemopnemingsbureaus aangewezen door de voorzitter van het hoofdbureau uit de potentiële deelnemers aan de gemeentelijke volksraadpleging die op de dag van de gemeentelijke volksraadpleging de volle leeftijd van achttien jaar hebben bereikt.

Art. 12.Voor de stemopnemingsbureaus overgaan tot het opnemen van de stemmen, worden alle stembiljetten van alle stembureaus door elkaar gehaald.

Art. 13.§ 1. De voorzitter en de leden van het stemopnemingsbureau vouwen de stembiljetten open en delen ze in de volgende categorieën in : 1° stembiljetten met geldige stemmen;2° twijfelachtige stembiljetten;3° blanco of ongeldige stembiljetten. Als de indeling van de stembiljetten, vermeld in het eerste lid, is beëindigd, worden de stembiljetten zonder verandering van de indeling, onderzocht door de leden van het stemopnemingsbureau, die hun opmerkingen en bezwaren aan het stemopnemingsbureau voorleggen.

De bezwaren en de beslissing van het stemopnemingsbureau worden in het proces-verbaal opgenomen.

De twijfelachtige stembiljetten en die waartegen bezwaar is aangetekend, worden volgens de beslissing van het stemopnemingsbureau gevoegd bij de categorie waartoe ze behoren.

De stembiljetten van elke categorie worden achtereenvolgens door de leden van het stemopnemingsbureau geteld. § 2. Alle stembiljetten, in de indeling, vermeld in paragraaf 1, worden in afzonderlijke enveloppen gestoken.

Het stemopnemingsbureau stelt vervolgens het totale aantal geldige stembiljetten vast, het aantal blanco of ongeldige stembiljetten en voor elke vraag het aantal ja- en nee-stemmen. Al die getallen worden in het proces-verbaal vermeld.

Art. 14.De volgende stembiljetten zijn ongeldig : 1° alle andere stembiljetten dan die welke krachtens dit besluit mogen worden gebruikt;2° de stembiljetten waarop een of meer vragen tegelijk met ja en nee zijn beantwoord;3° de stembiljetten waarvan de vorm en de afmetingen veranderd zijn, die binnenin een papier of een voorwerp bevatten, of die de deelnemer herkenbaar maken door een teken, een doorhaling of een niet-geoorloofd merk.

Art. 15.Het proces-verbaal van de verrichtingen wordt tijdens de vergadering opgemaakt en door de leden van het stemopnemingsbureau ondertekend.

Art. 16.De voorzitter van het stemopnemingsbureau overhandigt onmiddellijk het proces-verbaal aan de voorzitter van het hoofdbureau.

De voorzitter van het hoofdbureau bewaart alle processen-verbaal.

Art. 17.De voorzitter van het hoofdbureau deelt de uitslag van de raadpleging mee aan het college van burgemeester en schepenen.

Art. 18.De gemeenten die beschikken over een geautomatiseerd stemsysteem, kunnen dat gebruiken om een gemeentelijke volksraadpleging te houden.

Art. 19.De uitslag van de gemeentelijke volksraadpleging wordt door het college van burgemeester en schepenen minstens via aanplakking bekendgemaakt.

Art. 20.Het koninklijk besluit van 10 april 1995 tot vaststelling van de nadere procedureregels voor het houden van een gemeentelijke volksraadpleging wordt opgeheven.

Art. 21.De Vlaamse Regering machtigt de Vlaamse minister, bevoegd voor de binnenlandse aangelegenheden, het model van attest, vermeld in artikel 212bis, § 1, 7°, en het model van het volmachtformulier, vermeld in artikel 212bis, § 3, van het Gemeentedecreet, vast te stellen.

Art. 22.Art. 121 en 122 van het decreet van 23 januari 2009 tot wijziging van het Gemeentedecreet treden in werking op 1 juli 2009.

Art. 23.Dit besluit treedt in werking op 1 juli 2009.

Art. 24.De Vlaamse minister, bevoegd voor de binnenlandse aangelegenheden, is belast met de uitvoering van dit besluit.

Brussel, 5 juni 2009.

De minister-president van de Vlaamse Regering, K. PEETERS De Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering, M. KEULEN

^