Etaamb.openjustice.be
Besluit Van De Vlaamse Regering van 03 juli 2009
gepubliceerd op 21 september 2009

Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 22 mei 1991 omtrent de preventieve schorsing en de tucht, alsmede omtrent het ontslag van sommige tijdelijke personeelsleden in het gesubsidieerd onderwijs en in de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding

bron
vlaamse overheid
numac
2009035905
pub.
21/09/2009
prom.
03/07/2009
ELI
eli/besluit/2009/07/03/2009035905/staatsblad
staatsblad
http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

3 JULI 2009. - Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 22 mei 1991 omtrent de preventieve schorsing en de tucht, alsmede omtrent het ontslag van sommige tijdelijke personeelsleden in het gesubsidieerd onderwijs en in de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding


De Vlaamse Regering, Gelet op het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding, artikel 25, gewijzigd bij het decreet van 13 juli 2007, artikel 67, artikel 68, gewijzigd bij de decreten van 21 december 1994, 14 februari 2003 en 4 juli 2008, artikel 70, gewijzigd bij het decreet van 14 juli 1998, artikel 71 en artikel 72;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 22 mei 1991 omtrent de preventieve schorsing en de tucht, alsmede omtrent het ontslag van sommige tijdelijke personeelsleden in het gesubsidieerd onderwijs en in de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding;

Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de Begroting, gegeven op 26 september 2008;

Gelet op protocol nr. 10 van 20 maart 2008 houdende de conclusies van de onderhandelingen die werden gevoerd in de onderafdeling "Vlaamse Gemeenschap" van afdeling 2 van het comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten;

Gelet op protocol nr. 448 van 20 maart 2008 houdende de conclusies van de onderhandelingen die werden gevoerd in het overkoepelend onderhandelingscomité;

Gelet op advies 46.568/1 van de Raad van State, gegeven op 11 juni 2009, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming;

Na beraadslaging, Besluit :

Artikel 1.In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 22 mei 1991 omtrent de preventieve schorsing en de tucht, alsmede omtrent het ontslag van sommige tijdelijke personeelsleden in het gesubsidieerd onderwijs en in de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° punt 2° wordt vervangen door wat volgt : « 2° raadsman : een advocaat, een personeelslid van de onderwijsinstellingen of van de centra voor leerlingenbegeleiding of, voor de werknemer, een vertegenwoordiger van een erkende vakorganisatie, en, voor de werkgever, een vertegenwoordiger van een representatieve vereniging van inrichtende machten;». 2° er wordt een punt 4° toegevoegd dat luidt als volgt : « 4° tuchtoverheid : de instantie, vermeld in artikel 68 van het decreet, die bevoegd is om een tuchtsanctie op te leggen.»

Art. 2.Artikel 2 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2000, wordt vervangen door wat volgt : «

Art. 2.Dit besluit is van toepassing op de personeelsleden, vermeld in artikel 4 van het decreet, die : 1° vastbenoemd zijn;2° tijdelijk aangesteld zijn voor doorlopende duur;3° tijdelijk aangesteld zijn voor bepaalde duur, voor het ontslag vermeld in artikel 25 van het decreet;4° aangesteld zijn bij mandaat met toepassing van artikel 44quinquies van het decreet, voor het ontslag, vermeld in artikel 44decies, § 2, 2°, van het decreet.»

Art. 3.In artikel 4, eerste lid, van hetzelfde besluit worden tussen de woorden "wordt vervolgd" en de woorden "en zijn aanwezigheid" de woorden "of een beroep heeft ingesteld tegen een ontslag om dringende redenen" ingevoegd.

Art. 4.In artikel 8 van hetzelfde besluit worden volgende wijzigingen aangebracht : 1° § 1, eerste lid, wordt vervangen door wat volgt : « § 1.De tuchtoverheid oefent de tuchtmacht uit. »; 2° in § 1, derde lid, : - worden de woorden "bevoegde inrichtende macht" vervangen door "tuchtoverheid"; - wordt de laatste zin vervangen door een in te voegen vierde lid dat luidt als volgt : « Wanneer meerdere feiten die verband hebben met elkaar ten laste van het personeelslid worden gelegd, kan dit slechts aanleiding geven tot één tuchtprocedure en tot het uitspreken van één tuchtstraf. »; 3° in § 1, vijfde lid, worden de woorden "inrichtende macht of haar afgevaardigde" vervangen door "tuchtoverheid";4° in § 2, eerste lid, worden de woorden "inrichtende macht" vervangen door "tuchtoverheid";5° in § 3, eerste lid, worden de woorden "inrichtende macht" vervangen door "tuchtoverheid";6° in § 3, derde lid, worden de woorden "tegen betaling" vervangen door het woord "kosteloos";7° in § 5, eerste lid, worden de woorden "inrichtende macht" vervangen door "tuchtoverheid";8° in § 6, tweede lid en vierde lid, in § 7, eerste lid, in § 8, eerste lid en in § 9, eerste lid, worden telkens de woorden "inrichtende macht" vervangen door "tuchtoverheid";9° aan § 9 wordt een derde lid toegevoegd dat luidt als volgt : « Indien de beroepsmogelijkheden niet worden vermeld, begint de beroepstermijn, vermeld in artikel 72, 1°, van het decreet, niet te lopen.»

Art. 5.In hetzelfde besluit wordt het opschrift van hoofdstuk IIIbis, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2000, vervangen door wat volgt : « Hoofdstuk IIIbis. - Beroep tegen het ontslag om dringende redenen, vermeld in artikel 25 en artikel 44decies, § 2, 2°, van het decreet ».

Art. 6.Artikel 8bis van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 september 2000, wordt vervangen door wat volgt : «

Art. 8bis.De brief waarbij de inrichtende macht het ontslag om dringende redenen, vermeld in artikel 25 en artikel 44decies, § 2, 2°, van het decreet, meedeelt, moet de beroepsmogelijkheden vermelden.

Indien de beroepsmogelijkheden niet worden vermeld, begint de beroepstermijn, vermeld in artikel 25, vierde lid, van het decreet, niet te lopen. »

Art. 7.Artikel 9 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 januari 1998, wordt vervangen door wat volgt : «

Art. 9.§ 1. De kamers van beroep worden samengesteld uit een effectieve en twee plaatsvervangende voorzitters en uit twaalf effectieve en twaalf plaatsvervangende leden. Een plaatsvervangend lid kan pas zitting hebben als het effectieve lid afwezig is of als het effectieve lid gewraakt wordt. § 2. De effectieve en de plaatsvervangende voorzitters worden benoemd door de Vlaamse minister, bevoegd voor het Onderwijs. § 3. De representatieve verenigingen van inrichtende machten enerzijds en de representatieve vakorganisaties anderzijds wijzen een gelijk aantal effectieve en plaatsvervangende leden van de kamers van beroep aan. § 4. Tijdens hun mandaat in een van de kamers van beroep kunnen de effectieve en de plaatsvervangende voorzitters en leden geen personeelslid of tuchtoverheid bijstaan of vertegenwoordigen in de kamer waarin ze een mandaat uitoefenen. § 5. De leden kunnen aanspraak maken op de reis- en dagvergoeding voor binnenlandse reizen overeenkomstig de geldende reglementering die van toepassing is op de personeelsleden van de Vlaamse overheid. § 6. De effectieve voorzitters ontvangen een jaarlijkse forfaitaire vergoeding van 2.500 euro.

Wanneer de effectieve voorzitter verhinderd is en diens functie waargenomen wordt door een plaatsvervangende voorzitter, dan wordt aan deze laatste een vergoeding van 50 euro per zitting toegekend. »

Art. 8.Artikel 10 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 30 mei 1996, wordt vervangen door wat volgt : «

Art. 10.Het mandaat van de effectieve en de plaatsvervangende voorzitters en van de leden duurt vier jaar. Het mandaat is hernieuwbaar.

In elk geval behoudt de bevoegde kamer van beroep haar bevoegdheden tot de nieuwe kamer van beroep is samengesteld.

Het mandaat eindigt eveneens : 1° in geval van ontslagneming;2° als de organisatie die de betrokkene heeft aangewezen, om zijn vervanging verzoekt;3° in geval van overlijden. Als een mandaat van een voorzitter vroegtijdig beëindigd wordt, benoemt de Vlaamse minister, bevoegd voor het Onderwijs, een vervanger die het mandaat van zijn voorganger voltooit.

Als een mandaat van een lid vroegtijdig beëindigd wordt, wijst de organisatie die hij vertegenwoordigt, een vervanger aan die het mandaat van zijn voorganger voltooit. »

Art. 9.Artikel 11 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt : «

Art. 11.De Vlaamse minister, bevoegd voor het Onderwijs, wijst voor iedere kamer van beroep een secretaris aan onder de ambtenaren van zijn diensten of instellingen.

De secretarissen ontvangen een jaarlijkse forfaitaire vergoeding van 500 euro als de zittingen geheel of gedeeltelijk plaatsvinden buiten de normale diensttijd. »

Art. 10.Artikel 12 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 januari 1998, wordt vervangen door wat volgt : «

Art. 12.§ 1. De kamers van beroep hebben rechtsgeldig zitting zodra de voorzitter en twee leden, aangewezen door de representatieve verenigingen van inrichtende machten, en twee leden, aangewezen door de representatieve vakorganisaties, aanwezig zijn. § 2. De kamers van beroep beslissen bij gewone meerderheid van stemmen. De stemming is geheim. Er moeten evenveel leden die zitting hebben namens de representatieve verenigingen van inrichtende machten, als leden die zitting hebben namens de representatieve vakorganisaties, aan de stemming deelnemen.

In voorkomend geval wordt de pariteit hersteld door loting. § 3. Bij staking van stemmen na de tweede stemronde is de stem van de voorzitter doorslaggevend. § 4. In afwijking van § 1 en § 2 beslissen de kamers van beroep op een tweede zitting, ongeacht of de vertegenwoordigers, vermeld in § 1 en § 2, aanwezig zijn. »

Art. 11.Hoofdstuk V. - Procedure in beroep van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van 13 januari 1998 en 15 september 2000, wordt vervangen door wat volgt : « HOOFDSTUK V. - Procedure in beroep Afdeling I. - Tucht

Art. 13.§ 1. Het personeelslid beschikt over de termijn, vermeld in artikel 72, 1°, van het decreet, om met een aangetekende brief beroep in te stellen tegen een tuchtmaatregel bij de bevoegde kamer van beroep.

Het beroep moet op straffe van niet-ontvankelijkheid gemotiveerd zijn.

Op hetzelfde ogenblik als het personeelslid het beroepschrift indient, stuurt hij een kopie daarvan naar zijn tuchtoverheid.

Het beroep moet de naam en het adres van de tuchtoverheid bevatten. § 2. Na het verstrijken van de termijn, vermeld in artikel 72, 1°, van het decreet, of nadat de bevoegde kamer van beroep een definitieve beslissing heeft genomen, wordt de tuchtmaatregel definitief. § 3. Bij de ontvangst van het beroepschrift vraagt de secretaris onmiddellijk het tuchtdossier op bij de tuchtoverheid. § 4. De kamers van beroep kunnen de door de tuchtoverheid uitgesproken sanctie niet verzwaren.

Art. 14.Zodra de zaak aanhangig is gemaakt, deelt de secretaris aan de partijen de lijst mee van de effectieve en plaatsvervangende voorzitters en leden van de bevoegde kamer van beroep.

Binnen tien werkdagen na de ontvangst van die lijst mogen de partijen de wraking vragen van de voorzitter en een of meer leden van de kamer, tenzij de reden tot wraking later is ontstaan.

Als zowel de voorzitter als beide plaatsvervangende voorzitters worden gewraakt, wijst de Vlaamse minister, bevoegd voor het Onderwijs, een andere plaatsvervangende voorzitter aan om in de zaak te zetelen.

Art. 15.De redenen van wraking zijn bepaald in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek. Behalve om die redenen tot wraking, kunnen beide partijen één lid ongemotiveerd wraken.

Als een voorzitter of een lid van de kamers van beroep weet dat er een reden tot wraking tegen hem bestaat, moet hij zich van de zaak onthouden.

Art. 16.§ 1. De partijen worden met een aangetekende brief opgeroepen voor de zitting van de bevoegde kamer van beroep die plaatsvindt binnen zestig werkdagen na de ontvangst van het beroepschrift. Als het einde van die termijn tussen 15 juli en 15 augustus valt, dan wordt de termijn verlengd tot 31 augustus.

De partijen kunnen zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een raadsman.

Het personeelslid of zijn raadsman kan een toelichtende memorie indienen tot uiterlijk 24 werkdagen nadat het beroepschrift is ingediend. Die memorie mag aanvullende middelen bevatten.

De tuchtoverheid of haar raadsman kan een verweerschrift indienen tot uiterlijk 24 werkdagen na de ontvangst van de toelichtende memorie van het personeelslid of tot uiterlijk 24 werkdagen na het verstrijken van de termijn ingeval het personeelslid geen toelichtende memorie heeft ingediend.

De toelichtende memorie en het verweerschrift worden aangetekend of tegen ontvangstbewijs verstuurd naar de bevoegde kamer van beroep en naar de tegenpartij.

Verweerschriften en toelichtende memories die na de gestelde termijn zijn bezorgd, worden uit de debatten geweerd. § 2. De kamers van beroep kunnen een aanvullend onderzoek bevelen en kunnen ambtshalve of op verzoek van het personeelslid of van zijn raadsman getuigen horen. In dat geval heeft het verhoor van de getuigen plaats in aanwezigheid van het personeelslid.

De opgeroepen getuige kan zich ertegen verzetten dat hij in het openbaar wordt gehoord. § 3. De zittingen van de kamers van beroep zijn openbaar, tenzij de openbaarheid gevaar oplevert voor de openbare orde of de goede zeden.

Op verzoek van het personeelslid of zijn raadsman vindt de zitting plaats achter gesloten deuren. § 4. Als het personeelslid wegens dezelfde feiten strafrechtelijk wordt vervolgd en de tuchtoverheid de behandeling van de tuchtprocedure niet heeft opgeschort tijdens de strafrechtelijke procedure, kan de bevoegde kamer van beroep de behandeling van het beroep opschorten tot na de kennisgeving, vermeld in artikel 8, § 5, vierde lid. § 5. Als het personeelslid behoorlijk werd opgeroepen en toch niet verschijnt of niet wordt vertegenwoordigd, beslist de bevoegde kamer van beroep bij verstek. Als de verhindering gewettigd is, dan kan het personeelslid binnen tien werkdagen nadat de beslissing hem met een aangetekende brief werd betekend, tegen de uitspraak verzet aantekenen. In dat geval wordt de bevoegde kamer van beroep opnieuw bijeengeroepen en beslist ze, ongeacht of het personeelslid aanwezig is, definitief en onherroepelijk.

Art. 17.De secretaris deelt de met redenen omklede beslissing binnen een termijn van twintig werkdagen na de vergadering waarin de beslissing werd genomen, met een aangetekende brief mee aan de tuchtoverheid en aan het personeelslid. De beslissing is bindend voor beide partijen.

De beslissing vermeldt de uitslag van de stemming. Afdeling II. - Ontslag om dringende redenen

Art. 17bis.§ 1. Het personeelslid beschikt over de termijn, vermeld in artikel 25, vierde lid, van het decreet, om met een aangetekende brief beroep in te stellen tegen een ontslag om dringende redenen.

Het beroep moet op straffe van niet-ontvankelijkheid gemotiveerd zijn.

Op hetzelfde ogenblik als het personeelslid het beroepschrift indient, stuurt hij een kopie daarvan naar zijn inrichtende macht.

Het beroep moet de naam en het adres van de inrichtende macht bevatten. § 2. Na het verstrijken van de termijn, vermeld in artikel 25, vierde lid, van het decreet, of nadat de bevoegde kamer van beroep een definitieve beslissing heeft genomen, wordt het ontslag om dringende redenen definitief. § 3. Bij de ontvangst van het beroepschrift vraagt de secretaris onmiddellijk de aangetekende brief, vermeld in artikel 25 van het decreet, op bij de inrichtende macht.

Art. 17ter.Zodra de zaak aanhangig is gemaakt, deelt de secretaris aan de partijen de lijst mee van de effectieve en plaatsvervangende voorzitters en leden van de bevoegde kamer van beroep.

Binnen vijf werkdagen na de ontvangst van die lijst mogen de partijen de wraking vragen van de voorzitter en een of meer leden van de kamer, tenzij de reden tot wraking later is ontstaan.

Als zowel de voorzitter als beide plaatsvervangende voorzitters worden gewraakt, wijst de Vlaamse minister, bevoegd voor het Onderwijs, een andere plaatsvervangende voorzitter aan om in de zaak te zetelen.

Art. 17quater.De redenen van wraking zijn bepaald in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek. Behalve om die redenen tot wraking, kunnen beide partijen één lid ongemotiveerd wraken.

Als een voorzitter of een lid van de kamers van beroep weet dat er een reden tot wraking tegen hem bestaat, moet hij zich van de zaak onthouden.

Art. 17quinquies.§ 1. De partijen worden met een aangetekende brief opgeroepen voor de zitting van de bevoegde kamer van beroep die plaatsvindt binnen twintig werkdagen na de ontvangst van het beroepschrift. Als het einde van die termijn tussen 15 juli en 15 augustus valt, dan wordt de termijn verlengd tot 31 augustus.

De partijen kunnen zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een raadsman. § 2. De kamers van beroep kunnen een aanvullend onderzoek bevelen en kunnen ambtshalve of op verzoek van het personeelslid of van zijn raadsman getuigen horen. In dat geval heeft het verhoor van de getuigen plaats in aanwezigheid van het personeelslid.

De opgeroepen getuige kan zich ertegen verzetten dat hij in het openbaar wordt gehoord. § 3. De zittingen van de kamers van beroep zijn openbaar, tenzij de openbaarheid gevaar oplevert voor de openbare orde of de goede zeden.

Op verzoek van het personeelslid of zijn raadsman vindt de zitting plaats achter gesloten deuren. § 4. Als het personeelslid behoorlijk werd opgeroepen en toch niet verschijnt of niet wordt vertegenwoordigd, beslist de bevoegde kamer van beroep bij verstek. Als de verhindering gewettigd is, dan kan het personeelslid binnen drie werkdagen nadat de beslissing hem met een aangetekende brief werd betekend, tegen de uitspraak verzet aantekenen. In dat geval wordt de bevoegde kamer van beroep opnieuw bijeengeroepen en beslist ze, ongeacht of het personeelslid aanwezig is, definitief en onherroepelijk.

Art. 17sexies.De secretaris deelt de met redenen omklede beslissing binnen een termijn van vijf werkdagen na de vergadering waarin de beslissing werd genomen, met een aangetekende brief mee aan de inrichtende macht en aan het personeelslid. De beslissing is bindend voor beide partijen.

De beslissing vermeldt de uitslag van de stemming. Afdeling III. - Gemeenschappelijke bepalingen

Art. 18.De werkingskosten van de kamers van beroep komen ten laste van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap.

De zetel van de kamers van beroep is gevestigd te Brussel.

Art. 19.De kamers van beroep maken hun eigen huishoudelijk reglement op. »

Art. 12.Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 september 2008, met uitzondering van de artikelen 2, 3, 4, 6 en 7 die in werking treden met ingang van 1 september 2007 en van artikel 9 dat in werking treedt met ingang van 1 januari 2009.

Art. 13.De Vlaamse minister, bevoegd voor het Onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.

Brussel, 3 juli 2009.

De minister-president van de Vlaamse Regering, K. PEETERS De Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming, F. VANDENBROUCKE

^