Etaamb.openjustice.be
Besluit Van De Regering Van De Franse Gemeenschap van 10 februari 2006
gepubliceerd op 03 april 2006

Besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap houdende oprichting van een fiscale cel van de Franse Gemeenschap

bron
ministerie van de franse gemeenschap
numac
2006200997
pub.
03/04/2006
prom.
10/02/2006
ELI
eli/besluit/2006/02/10/2006200997/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

10 FEBRUARI 2006. - Besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap houdende oprichting van een fiscale cel van de Franse Gemeenschap


De Regering van de Franse Gemeenschap, Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, inzonderheid op artikel 87, § 1;

Gelet op het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 22 juli 1996 houdende het statuut van de ambtenaren van de Diensten van de Regering van de Franse Gemeenschap;

Gelet op het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 22 juli 1996 houdende het geldelijk statuut van de ambtenaren van de Diensten van de Regering van de Franse Gemeenschap;

Gelet op het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 10 juni 2005 betreffende de Kabinetten van de Ministers van de Regering van de Franse Gemeenschap;

Overwegende dat de Verklaring van de Regering van de Franse Gemeenschap betreffende het gemeenschapsbeleid bepaalt dat de opdrachten van de fiscale cel van het Waalse Gewest ook door de Franse Gemeenschap zullen worden uitgeoefend;

Overwegende dat de oprichting van een fiscale cel onontbeerlijk is voor die opdrachtuitbreiding;

Overwegende dat die cel moet samengesteld zijn uit federale ambtenaren die deze fiscale bevoegdheden bezitten;

Gelet op de bijzondere wet van 13 juli 2001 tot herfinanciering van de gemeenschappen en uitbreiding van de fiscale bevoegdheden van de gewesten;

Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 6 februari 2006;

Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting van 10 februari 2006;

Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Ambtenarenzaken van 9 februari 2006;

Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op artikel 3, § 1, gewijzigd bij de wet van 4 augustus 1996;

Gelet op de dringende noodzakelijkheid;

Overwegende dat die administratieve eenheid dringend moet worden opgericht om de doelstellingen te kunnen bereiken die door de Regering van de Franse Gemeenschap worden nagestreefd in verband met de uitbreiding van de opdrachten van de fiscale cel van het Waalse Gewest;

Overwegende dat er een reglementaire basis dient te worden bepaald met het oog op de terbeschikkingstelling van personeel;

Op de voordracht van de Minister van Begroting;

Na beraadslaging, Besluit :

Artikel 1.Er wordt een Fiscale Cel, hierna "de Cel" genoemd, bij de Regering van de Franse Gemeenschap ingesteld om haar bijstand te verlenen bij de oplossing van fiscale problemen in verband met de bevoegdheden van de Franse Gemeenschap.

Ze staat onder het rechtstreekse gezag van de Minister van Begroting.

De Regering van de Franse Gemeenschap zal over de datum van het einde van de opdracht bij besluit beslissen.

Art. 2.De Cel heeft als opdracht bijstand te verlenen aan de Regering van de Franse Gemeenschap bij de oplossing van de problemen in verband met de fiscaliteit in het kader van de bevoegdheden van de Franse Gemeenschap.

In deze zin is ze inzonderheid bevoegd voor de volgende vraagstukken : 1° de studie van het fiscaal statuut van de onroerende goederen bestemd voor de uitoefening van de bevoegdheden van de Franse Gemeenschap, zoals bij boorbeeld de schoolgebouwen of de culturele infrastructuren, inzonderheid inzake directe belastingen, B.T.W. en registratierechten; 2° de studie van de directe fiscaliteit met betrekking tot de lonen ten laste van de begroting van de Franse Gemeenschap;3° de studie van de milieufiscaliteit, ook in verband met energie, ten laste van de Franse Gemeenschap;4° de studie van de fiscaliteit in verband met de culturele en audiovisuele activiteiten ressorterend onder de bevoegdheid van de Franse Gemeenschap;5° de studie van de financiering van de Franse Gemeenschap door de fiscale ontvangsten ingeschreven in de bijzondere financieringswet van 16 januari 1989;6° de uitoefening, door de Franse Gemeenschap, van haar fiscale bevoegdheden.

Art. 3.Elke opdracht wordt bepaald in een operationeel werkplan dat de nagestreefde doelstellingen, een beschrijving van de te verrichten acties en van de aan te wenden middelen, alsook de lijst van de in acht te nemen termijnen vermeldt.

Dat plan wordt door de Minister van Begroting goedgekeurd.

Art. 4.De Cel stelt om de drie maanden een activiteitenverslag voor de Minister van Begroting op waarin een overzicht van de werkzaamheden van de Cel staat.

Art. 5.§ 1. De Cel staat onder leiding van het hoofd van de Fiscale Cel van het Waalse Gewest. § 2. Naast het hoofd van de Cel bedoeld in § 1, heeft de Cel ook een ambtenaar van niveau 1. § 3. De persoon bedoeld in § 2 van dit artikel wordt door de Regering aangesteld, op de voordracht van de Minister van Begroting, na een oproep tot kandidaten.

Art. 6.De wedde van die persoon die door de Regering van de Franse Gemeenschap wordt aangewezen, wordt op de begroting van de Franse Gemeenschap uitgetrokken.

Art. 7.§ 1. Als die persoon niet tot het personeel van de Diensten van de Franse Gemeenschap, of, meer in het algemeen, van elke overheidsdienst, behoort, wordt hem een als wedde geldende toelage toegekend, vastgesteld in de schaal 120/1. § 2. Het personeelslid bedoeld in dit artikel ontvangt de tussenwedden die overeenstemmen met trappen in verband met de geldelijke anciënniteit en die voortvloeien uit tussentijdse verhogingen bepaald in de schaal waarin zijn als wedde geldende toelage werd vastgesteld.

De geldelijke anciënniteit die hem kan worden toegekend, wordt berekend volgens dezelfde regels als deze die vastgesteld zijn voor de berekening van de in aanmerking komende diensten van het personeel van de Diensten van de Regering.

Art. 8.§ 1. Als het personeel bedoeld in artikel 5, § 2, reeds de hoedanigheid van ambtenaar van de Diensten van de Franse Gemeenschap bezit, krijgt het een verlof voor de periode van zijn aanstelling. § 2. De bezoldiging van de ambtenaren en contractuele personeelsleden die uit de Diensten van de Franse Gemeenschap gedetacheerd zijn, blijven ten laste van deze.

De contractuele personeelsleden van de Diensten van de Regering behouden, net zoals de statutaire personeelsleden, hun bezoldiging, verhoogd met de toelage bedoeld in artikel 9.

Art. 9.§ 1. De personen bedoeld in artikel 5, § 2, ontvangen een jaarlijkse toelage die gelijk is aan de kabinetstoelage van de adviseurs bepaald in artikel 12 van het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 10 juni 2005 betreffende de Kabinetten van de Ministers van de Regering van de Franse Gemeenschap. § 2. De geldelijke toestand van het personeel van de Cel dat niet behoort tot de Diensten van de Franse Gemeenschap maar wel behoort tot een Ministerie, een dienst van de Staat, een andere dienst, een overheidsbedrijf bedoeld in de wet van 21 maart 1991, een instelling van openbaar nut, een inrichting van openbaar nut bedoeld in de wet van 27 juni 1921, een publiekrechtelijke rechtspersoon opgericht op grond van artikel 9 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, of tot een inrichting van het gesubsidieerd onderwijs, wordt geregeld als volgt : 1° wanneer de werkgever machtiging verleent tot de voortzetting van de uitbetaling van de wedde, ontvangt de betrokkene de jaartoelage bepaald in dit artikel.Wanneer de werkgever de wedde terugvordert, dan betaalt de Franse Gemeenschap de oorspronkelijke dienst de bezoldiging van dat personeelslid van de Cel, het vakantiegeld, de eindejaarstoelage en elke andere toelage en vergoeding terug die worden berekend overeenkomstig de bepalingen die op dat personeelslid van toepassing zijn in zijn dienst van herkomst, vermeerderd, in voorkomend geval, met de werkgeverslasten; 2° wanneer de werkgever de uitbetaling van de wedde schorst, ontvangt de betrokkene een als wedde geldende jaartoelage, vermeerderd met de jaartoelage bepaald bij dit artikel, die echter noch hoger noch lager mag zijn dan de bezoldiging vermeerderd met de aanvullende wedde, premies en vergoedingen van alle aard, en met de toelage die de betrokkene zou ontvangen indien de onder 1° vermelde bepalingen op hem van toepassing zouden zijn.

Art. 10.De persoon bedoeld in artikel 5, § 2, ontvangt de kinderbijslag, de geboortetoelage, de haard- of standplaatstoelage, het vakantiegeld, de eindejaarstoelage en elke andere toelage tegen de tarieven en onder de voorwaarden bepaald voor het personeel van de Diensten van de Regering.

Art. 11.De bepalingen bepaald in het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 10 juni 2005 betreffende de Kabinetten van de Ministers van de Regering van de Franse Gemeenschap in verband met de verblijfs- en reiskosten, voortvloeiend uit de reizen zowel van de woonplaats naar het werk en van het werk naar de woonplaats als voor de behoeften van de dienst en uit het gebruik van de algemene vervoermiddelen of van een persoonlijk voertuig, zijn van overeenkomstige toepassing op het personeel van de Fiscale Cel.

Art. 12.De in de artikelen 7, 9, 10 en 11 bedoelde vergoedingen en toelagen worden maandelijks op vervallen termijn uitbetaald. De maandtoelage is gelijk aan 1/12e van het jaarbedrag.

Wanneer de maandtoelage of de vergoeding niet volledig verschuldigd is, wordt ze in dertigsten uitbetaald, overeenkomstig de regel bepaald in het geldelijk statuut van de ambtenaren van de Diensten van de Regering van de Franse Gemeenschap.

Art. 13.De in de artikelen 7, 9, 10 en 11 bedoelde vergoedingen en toelagen zijn gekoppeld aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen, overeenkomstig de regels bepaald door de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld : daartoe worden ze gekoppeld aan het indexcijfer 138,01 van 1 januari 1990.

Art. 14.§ 1. De Minister van Begroting kan onder de hierna vermelde voorwaarden een vaste vertrektoelage toekennen aan de persoon die een ambt heeft bekleed in de Cel bedoeld in artikel 1 van dit besluit en die geen beroeps- of vervangingsinkomen of geen rustpensioen geniet.

Een overlevingspensioen of het bestaansminimum dat door een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn wordt toegekend, worden niet als een vervangingsinkomen beschouwd. § 2. 1. Die vaste toelage wordt toegekend in verhouding tot : - één maand toelage voor een ononderbroken activiteitsperiode van drie tot en met zes maanden; - twee maanden toelage voor een ononderbroken activiteitsperiode van meer dan zes tot en met twaalf maanden; - drie maanden toelage voor een ononderbroken activiteitsperiode van meer dan twaalf tot en met achttien maanden; - vier maanden toelage voor een ononderbroken activiteitsperiode van meer dan achttien tot en met vierentwintig maanden; - hoogstens vijf maanden toelage voor een ononderbroken activiteitsperiode van meer dan vierentwintig maanden. 2. De primaire ordonnateur of diens afgevaardigde wordt ertoe gehouden zonder verwijl de Vaste Bijstandsdienst inzake administratieve en geldelijke aangelegenheden van de Kabinetten alle gegevens over te zenden die noodzakelijk zijn voor de berekening van de vaste vertrektoelage voor elke gerechtigde. § 3. De vertrektoelage wordt door middel van maandbedragen toegekend.

Onverminderd § 1, is de voorwaarde voor de toekenning de indiening, elke maand, door de betrokkene, van een verklaring op erewoord, waaruit blijkt dat hij, voor de betrokken periode, geen beroepsactiviteit heeft uitgeoefend, of dat hij één van de voorwaarden bedoeld in § 4 vervult. § 4. In afwijking van § 1, kan de Minister een vaste vertrektoelage toekennen aan de personen die een ambt binnen de Cel hebben uitgeoefend waarvan het enige inkomen voortvloeit uit de bezoldiging in verband met de uitoefening, sedert ten minste drie maanden vóór het einde van de ambtsuitoefening binnen de Cel, van een mandaat van burgemeester, schepen of voorzitter van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, of die, ofwel uitsluitend één of meer deelambten uitoefenen in de privé-sector of in een dienst die ressorteert onder een wetgevende macht, in een overheidsdienst of in een gesubsidieerde onderwijsinrichting of die titularis zijn van één of meer pensioenen ten laste van de Schatkist betreffende één of meer onvolledige loopbanen, ofwel werkloosheidsuitkeringen ontvangen of wettelijke vergoedingen voor ziekte-invaliditeit of voor moederschap.

De vertrektoelage wordt dan vastgesteld overeenkomstig § 2.1 en wordt, na weging, verminderd met de totale som die voor de overeenstemmende periode aan de betrokkene verschuldigd is ter bezoldiging van onvolledige ambten in de openbare of privé-sector of als pensioen naargelang het bedrag van de vaste vertrektoelage betrekking heeft op de uitoefening van een voltijdse of deeltijdse prestatie binnen de Cel en, in ieder geval, met de inkomsten voortvloeiend uit een werkloosheidsuitkering of wettelijke vergoedingen voor ziekte-invaliditeit of moederschap. § 5. Het bruto maandbedrag van de vaste vertrektoelage is het geïndexeerde bruto maandbedrag van de als wedde geldende toelage, met inbegrip van het bedrag van de verhoging die ze eventueel zou hebben genoten, vermeerderd met de bijkomende toelage bedoeld in artikel 7 en, in voorkomend geval, met de haard- of standplaatstoelage, betreffende de laatste maand van de activiteit die de betrokken persoon gedurende ten minste drie maanden heeft uitgeoefend, gewogen op grond van de regeling van de prestaties van de begunstigde die in aanmerking komen voor de berekening van die toelage. § 6. Geen vertrektoelage is verschuldigd aan personen die zelf beslissen de uitoefening van hun ambt stop te zetten.

Art. 15.Delegatie wordt verleend aan de Kabinetsdirecteur van de Minister van Begroting, om elke uitgave vast te leggen en goed te keuren die aan te rekenen is op een specifieke basisallocatie die moet worden gecreëerd binnen een organisatie-afdeling van de algemene uitgavenbegroting van de Franse Gemeenschap en die betrekking heeft op de vergoedingen en toelagen toegekend aan het personeel bedoeld in artikel 5, § 2, van dit besluit.

Art. 16.Delegatie wordt verleend aan het hoofd van de Cel bedoeld in artikel 5, § 1, van dit besluit, tot een bedrag van 5.000 euro, om elke uitgave vast te leggen, goed te keuren en te ordonnanceren die aan te rekenen is op één of meer specifieke basisallocaties die te creëren zijn binnen een organisatie-afdeling van de algemene uitgavenbegroting van de Franse Gemeenschap.

Art. 17.§ 1. De Vaste Bijstandsdienst inzake administratieve en geldelijke aangelegenheden van de Kabinetten wordt belast met de administratieve bijstandverlening inzake personeel aan de Cel en met het beheer van de wedden, vergoedingen en toelagen toegekend aan het personeel bedoeld in artikel 5, § 2. § 2. Delegatie wordt verleend aan de adviseur, verantwoordelijk voor de Vaste Bijstandsdienst inzake administratieve en geldelijke aangelegenheden van de Kabinetten, om elke uitgave te ordonnanceren die werd vastgelegd door de primaire ordonnateur en die aan te rekenen is op een specifieke basisallocatie, te creëren binnen een organisatie-afdeling van de algemene uitgavenbegroting van de Franse Gemeenschap betreffende de wedden, vergoedingen en toelagen toegekend aan het personeel bedoeld in artikel 5, § 2.

Art. 18.De voormelde bepalingen hebben niet tot gevolg dat de primaire ordonnateur zijn bevoegdheid om alle uitgaven bedoeld bij dit besluit vast te leggen, goed te keuren en te ordonnanceren, zal verliezen.

Art. 19.De Minister van Begroting neemt de maatregelen die nuttig zijn om lokalen, bureaus en meubilair die noodzakelijk zijn voor de goede werking van de Cel ter beschikking van deze te stellen.

Art. 20.Met inachtneming van de bepalingen die de overheidsopdrachten regelen, stelt het hoofd van de Cel de overeenkomsten voor diensten voor, inzonderheid met het oog op de medewerking van adviesbureaus om zich bij de uitoefening van zijn opdracht te laten bijstaan. Het bereidt in voorkomend geval de aankoopvoorstellen voor die noodzakelijk zouden zijn ter aanvulling van de materiële middelen bedoeld in artikel 19.

Art. 21.Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.

Art. 22.De Minister van Begroting wordt belast met de uitvoering van dit besluit.

Brussel, 10 februari 2006.

Voor de Regering van de Franse Gemeenschap : De Minister-Presidente, Mevr. M. ARENA De Minister van Begroting en Financiën, M. DAERDEN De Minister van Ambtenarenzaken, Cl. EERDEKENS

^