Etaamb.openjustice.be
Besluit Van De Franse Gemeenschapscommissie van 27 juni 1996
gepubliceerd op 20 juni 1997

Toepassingsbesluit van het College van de Franse Gemeenschapscommissie tot vaststelling van de voorwaarden en de regelen voor de erkenning en de subsidiëring van de organismen die in het raam van de gecoördineerde voorzieningen voor de socio-professionele inschakeling beroepsopleidingsactiviteiten uit-oefenen

bron
franse gemeenschapscommissie van het brussels hoofdstedelijk gewest
numac
1997031228
pub.
20/06/1997
prom.
27/06/1996
ELI
eli/besluit/1996/06/27/1997031228/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

27 JUNI 1996. Toepassingsbesluit van het College van de Franse Gemeenschapscommissie tot vaststelling van de voorwaarden en de regelen voor de erkenning en de subsidiëring van de organismen die in het raam van de gecoördineerde voorzieningen voor de socio-professionele inschakeling beroepsopleidingsactiviteiten uit-oefenen


Het College, Gelet op de artikelen 128, 138 en 163 van de Grondwet gecoördineerd door de wet van 17 februari 1994;

Gelet op het decreet van 27 april 1995 betreffende de erkenning van organismen voor socio-professionele inschakeling en de subsidiëring van hun beroepsopleidingsactiviteiten voor werklozen en laaggeschoolde werkzoekenden gericht op het vergroten van hun kans op het vinden van werk in het raam van gecoördineerde voorzieningen voor socio-professionele inschakeling;

Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 10 april 1996;

Gelet op het akkoord van het Lid van het College belast met Begroting;

Overwegende de noodzaak om de voorwaarden en de regelen voor de erkenning en de toekenning van de toelagen op het vlak van de socio-professionele integratie te reglementeren overeenkomstig de bepalingen voorzien in het decreet van 27 april 1995 van de Vergadering van de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de erkenning van organismen voor socio-professionele inschakeling en de subsidiëring van hun beroepsopleidingsactiviteiten voor werklozen en laaggeschoolde werkzoekenden gericht op het vergroten van hun kans op het vinden van werk in het raam van gecoördineerde voorzieningen voor socio-professionele inschakeling;

Overwegende de dringende noodzaak voor het College om vanaf het eerste semester van 1996 de werking van de vzw's voor de socio-professionele integratie gedurende een periode van 3 jaar te stabiliseren, meer bepaald wat betreft de beperkingen van het operationeel programma 1994-1999 van doelstelling 3 van het Europees Sociaal Fonds;

Op voorstel van de Minister van College belast met de Beroepsomscholing en -bijscholing, Besluit HOOFDSTUK I. Algemene bepaling

Artikel 1.Dit besluit regelt een aangelegenheid bedoeld in artikelen 115, 116, 121, 127, 128, 129, 131, 132, 135, 137, 141 en 175 van de Grondwet krachtens artikelen 138 en 178 van de Grondwet.

Art. 2.In dit besluit dient men te verstaan onder : het decreet : het decreet van 27 april 1995 betreffende de erkenning van organismen voor socio-professionele inschakeling en de subsidiëring van hun beroepsopleidingsactiviteiten voor werklozen en laaggeschoolde werkzoekenden gericht op het vergroten van hun kans op het vinden van werk in het raam van gecoördineerde voorzieningen voor socio-professionele inschakeling; de Adviescommissie Tewerkstelling-Opleiding-Onderwijs : de Commissie die opgericht is krachtens artikel 28 van het decreet van 17 maart 1995 tot oprichting van het Brussels Franstalig Fonds voor Beroepsopleiding en die belast is met het verstrekken van advies op het vlak van tewerkstelling, opleiding en onderwijs; het Instituut : het Brussels Franstalig Instituut voor Beroepsopleiding; de Minister : het lid van het College bevoegd voor de Beroepsomscholing en -bijscholing.

Art. 3.Dit besluit bepaalt de voorwaarden en de regelen volgens dewelke het College de socio-professionele organismen bedoeld in artikel 3, 1, van het decreet voor een periode van drie jaar kan erkennen en subsidiëren. HOOFDSTUK II. Voorwaarden en regelen voor de erkenning Afdeling 1. Erkenningsvoorwaarden

Art. 4.Om te worden erkend en onverminderd de bepalingen voorzien in artikel 6 van het decreet en de bijzondere voorwaarden betreffende de bekwaamheid van het pedagogisch personeel die zijn gekoppeld aan het partnerschapsakkoord met het Instituut, moeten de organismen : 1. een kwalificerende beroepsopleiding, een kwalificerende beroepsopleiding door alternerend werken en leren, een kwalificerende vooropleiding of alfabetiseringsopleiding organiseren die in totaal minstens 9 600 lesuren omvatten voor alle deelnemers; ofwel operaties georganiseerd hebben inzake overleg tussen de plaatselijke verstrekkers van opleidingen, inzake coördinatie tussen de opleidingstrajecten of inzake het kennismaken met beroepen en beroepskeuze gericht op de lokale doelgroep; ofwel sedert minstens één jaar een operatie georganiseerd hebben inzake opleiding door tewerkstelling voor minimum 12 personen; 2. over geschoold pedagogisch personeel beschikken dat minstens : ofwel houder is van minstens een diploma van hoger onderwijs van het korte type of hieraan gelijkgesteld; ofwel de nodige beroepservaring heeft in de discipline op het vlak van de socio-professionele inschakeling en op het vlak van beroepsopleiding van minstens zes jaar als de opleider in het bezit is van een diploma van lager secundair onderwijs of hieraan gelijkgesteld of van drie jaar als de opleider in het bezit is van een diploma van minstens het niveau van hoger secundair onderwijs of hieraan gelijkgesteld. Afdeling 2. Procedure voor de erkenning, de vernieuwing, de wijziging

of de intrekking van de erkenning

Art. 5.Iedere erkenningsaanvraag wordt ingediend bij de diensten van het College op de wijze bepaald door de Minister en gaat vergezeld van een activiteitenverslag, zoals bedoeld in artikel 7 van het decreet, dat bestaat uit : een balans en een inkomsten- en uitgavenrekening van het vorige boekjaar; een verwachte begroting voor de betrokken activiteiten van het lopende jaar; een staat van het personeel dat in het organisme tewerkgesteld is met vermelding van de wedden en de beroepsbekwaamheid.

Iedere aanvraag om vernieuwing van de erkenning moet ten vroegste 12 maand en uiterlijk 6 maand voor de beëindiging van de erkenning ingediend worden op dezelfde wijze.

Art. 6.1. De Diensten van het College behandelen de aanvraag en doen de Minister een voorstel over de erkenning voor één of meerdere labels zoals bedoeld in artikel 9 van het decreet.

De Minister wint vervolgens het advies in van de Adviescommissie Tewerkstelling-Opleiding-Onderwijs en van het Beheercomité van het Instituut.

Wanneer er binnen een maand na het verzoek om advies geen met redenen omkleed advies is uitgebracht, wordt dit voorstel geacht een gunstig advies meegekregen te hebben.

Geen enkele aanvraag om advies kan worden ingediend tijdens de maanden juli en augustus. 2. Het College beslist over de erkenningsaanvraag en verduidelijkt het of de aan het orgaan toegekende labels.Deze beslissing wordt met redenen omkleed. Zij wordt bij aangetekend schrijven ter kennis gebracht van de instelling. 3. De betrokken instelling heeft vanaf de bekendmaking een maand de tijd om een bezwaarschrift bij aangetekend schrijven in te dienen bij de Minister, Lid van het College, bevoegd voor Beroepsomscholing en -bijscholing.Een afschrift hiervan wordt verzonden naar de Diensten van het College.

Art. 7.1. De in artikel 6 van dit besluit bedoelde procedure is van toepassing. 2. De beslissing om de erkenning te wijzigen of in te trekken treedt slechts in werking ten vroegste zes maand na de bekendmaking ervan. HOOFDSTUK III. Betoelaging

Art. 8.1. Het College stelt jaarlijks het maximumbedrag vast dat wordt toegekend aan de erkende organismen en die behoren tot de volgende categoriën van organismen : de opleidingsverstrekkers van categorie A, hetzij de verstrekkers van beroepsopleiding, alternerende opleiding, basisopleiding, alfabetisering, die krachtens de bepalingen van het decreet, sedert minstens één jaar acties voeren op het vlak van de socio-professionele inschakeling in samenwerking met het Instituut. De acties zijn goed bevonden en geven een jaarlijks gemiddelde tussen minimum 9 600 en maximum 24 000 gepresteerde uren voor alle deelnemers; de opleidingsverstrekkers van categorie B, hetzij de verstrekkers van beroepsopleiding, alternerende opleiding, basisopleiding, alfabetisering, die krachtens de bepalingen van het decreet, sedert minstens drie jaar acties voerenop het vlak van de socio-professionele inschakeling in samenwerking met het Instituut. De acties zijn goedbevonden en geven voor de jongste drie jaar een jaarlijks gemiddelde dat ligt tussen minimum 24 000 enmaximum 48 000 gepresteerde opleidingsuren voor alle deelnemers; de opleidingsverstrekkers van categorie C, hetzij de verstrekkers die beantwoorden aan dezelfde voorwaarden die zijn voorgeschreven voor categorieën A en B, maar in totaal voor de jongste drie jaar een jaarlijks gemiddelde geven van 48 000 of meer gepresteerde opleidingsuren voor alle deelnemers; de opleidingsateliers door tewerkstelling die, overeenkomstig de bepalingen van het decreet, sedert minstens één jaar opleidingsmodules door tewerkstelling organiseren voor een minimum aantal van 12 begunstigden en die als goed beoordeeld zijn; de lokale verenigingen die, in het raam van de partnerschapsovereenkomsten, met het Instituut operaties organiseren inzake het overleg met de plaatselijke verstrekkers van opleidingen, de coördinatie tussen de opleidingstrajekten of het kennismaken met beroepen en beroepskeuze gericht op de lokale doelgroep en die als goed beoordeeld zijn. 2. Het subsidiebedrag dat aan iedere instelling is toegekend, wordt jaarlijks vastgesteld op basis van : het (de) toegekend(e) label(s); het belang van de operaties, bedoeld in artikel 5 van het decreet en die tot stand zijn gekomen in samenwerking met het Instituut; de gunstige beoordeling van de operaties die zijn georganiseerd in samenwerking met het Instituut.

Art. 9.De administratieve, pedagogische en budgettaire controle, bedoeld in artikel 6, 5°, van het decreet wordt uitgevoerd in overleg, en elkeen voor wat hen betreft, door de Diensten van het College en de Diensten van het Instituut. HOOFDSTUK IV. Voorlopige bepaling

Art. 10.Tijdens het eerste jaar van de toepassing van dit decreet kan het College afwijken van de bepalingen van artikel 4 van het besluit en kan het een toelage en een voorlopig label verlenen als opwaardering van de operaties bedoeld in artikel 5 van het decreet die niet zijn uitgevoerd in samenwerking met het Instituut.

Art. 11.Dit besluit treedt in werking op 1 januari 1996.

Art. 12.Het Lid van het College dat bevoegd is voor de in dit besluit bedoelde aangelegenheid is belast met de uitvoering ervan.

Brussel, 27 juni 1996.

Namens het College : H. HASQUIN, Lid van het College belast met Begroting E. TOMAS, Lid van het College belast met Beroepsomscholing en -bijscholing.

^