Etaamb.openjustice.be
Besluit Van De Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 25 februari 2010
gepubliceerd op 12 maart 2010

Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering betreffende de gedeeltelijke weigering van de hernieuwing van de vergunning voor het exploiteren van een taxidienst met behulp van drie voertuigen

bron
ministerie van het brussels hoofdstedelijk gewest
numac
2010031140
pub.
12/03/2010
prom.
25/02/2010
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

25 FEBRUARI 2010. - Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering betreffende de gedeeltelijke weigering van de hernieuwing van de vergunning voor het exploiteren van een taxidienst met behulp van drie voertuigen (BVBA RAYANE AND PARTNERS, identificatieplaatnrs. 1915, 2159 en 2683)


De Brusselse Hoofdstedelijke Regering, Gelet op de ordonnantie van 27 april 1995 betreffende de taxidiensten en de diensten voor het verhuren van voertuigen met chauffeur, inzonderheid de artikelen 3 tot 7;

Gelet op de vergunning voor het exploiteren van een taxidienst met behulp van drie voertuigen waarvan de BVBA RAYANE AND PARTNERS, met maatschappelijke zetel Henegouwenkaai, 3 te 1080 Brussel, met identificatieplaatnrs. 1915, 2159 en 2683, houder was en die verstreek op 30 juni 2001;

Gelet op de aanvraag tot hernieuwing van voornoemde vergunning voor een periode van vijf jaar ingediend op 22 december 2000 bij de dienst Taxi's van het Gewest;

Gelet op het besluit van de Regering d.d. 4 september 2002 houdende hernieuwing van voormelde vergunning voor twee van de drie voertuigen met identificatieplaatnrs. 2159 en 2683 en niet-hernieuwing voor het voertuig met identificatieplaatnr. 1915;

Gelet op het arrest geveld door de Raad van State op 23 juni 2009 met nr. 194.579 betreffende de annulering van voornoemd besluit d.d. 4 september 2002, op grond van het feit dat er niet geantwoord werd op het geheel van de door de exploiterende onderneming in het raam van de hernieuwingaanvraag ingeroepen omstandigheden;

Overwegende dat er derhalve opnieuw een uitspraak gedaan dient te worden omtrent deze hernieuwingsaanvraag door een antwoord te geven op het geheel van de door de exploiterende onderneming in het raam van de hernieuwingaanvraag ingeroepen omstandigheden;

Overwegende dat het Bestuur, overeenkomstig artikel 7, § 2, van de Ordonnantie van 27 april 1995 betreffende de taxidiensten en de diensten voor het verhuren van voertuigen met chauffeur zoals het destijds vigeerde, onderzocht heeft of de vergunning wier hernieuwing gevraagd werd, geëxploiteerd werd mits naleving van de vigerende wetgeving en overeenkomstig het openbaar nut van de taxidiensten zoals bedoeld in artikel 5 van de ordonnantie;

Overwegende dat het onderzoek met name betrekking had op de tewerkstelling van de chauffeurs door de exploiterende onderneming en op de ter beschikkingstelling van het publiek van de drie geëxploiteerde voertuigen in de zin van artikel 7, § 2, lid 1, 4° van de Ordonnantie, evenals op de naleving van de verplichting om de geëxploiteerde voertuigen te verzekeren tijdens de volledige periode gedekt door de vergunning in de zin van artikel 7, § 2, lid 1, 3° van diezelfde Ordonnantie;

Overwegende dat de beheerder van de exploiterende onderneming, tijdens zijn verhoor d.d. 28 september 2001, melding maakte van de ziekte van een chauffeur gedurende 3 trimesters van het jaar 2000, van het feit dat een van de drie geëxploiteerde voertuigen beschadigd was, van de opzegging van twee verzekeringscontracten door de verzekeringen en de afsluiting van een enkel vervangingscontract, en, tot slot, van de vermindering van de activiteiten en van het jaarlijks verlof van de chauffeurs in de maanden juli en augustus;

Dat de beheerder van de exploiterende onderneming verzocht werd een kopie van de aangifte van de chauffeurs bij de RSZ in te dienen, en dat hij het Bestuur in het bezit gesteld heeft van deze documenten op 10 oktober 2001;

Overwegende dat er uit de stukken van het dossier en de verklaringen zelf van de beheerder van de exploiterende onderneming blijkt dat deze de geëxploiteerde voertuigen niet voldoende ter beschikking van het publiek gesteld heeft, en dat de exploitant zich niet kon beroepen op uitzonderlijke economisch of sociaal verantwoorde redenen; dat de volgende elementen blootgelegd werden door het onderzoek van de door de exploiterende onderneming voorgelegde documenten : - voor het 4e trimester 1999 wordt melding gemaakt van 105 prestatiedagen met 2 loontrekkende chauffeurs en van het feit dat de beheerder tevens een van de geëxploiteerde voertuigen bestuurd heeft als zelfstandige (hetgeen neerkomt op een gemiddelde terbeschikkingstelling van 11,66 dagen per maand en per voertuig); - voor het 1e trimester 2000, wordt melding gemaakt van 64 prestatiedagen met 3 loontrekkende chauffeurs (waaronder de als ziek opgegeven chauffeur) en van het feit dat de beheerder tevens een van de geëxploiteerde voertuigen bestuurd heeft als zelfstandige (hetgeen neerkomt op een gemiddelde terbeschikkingstelling van 7,1 dagen per maand en per voertuig); - voor het 2e trimester 2000, wordt melding gemaakt van 29 prestatiedagen met 3 loontrekkende chauffeurs (waaronder de als ziek opgegeven chauffeur) en van het feit dat de beheerder tevens een van de geëxploiteerde voertuigen bestuurd heeft als zelfstandige (hetgeen neerkomt op een gemiddelde terbeschikkingstelling van 3,22 dagen per maand en per voertuig); - voor het 3e trimester 2000, wordt melding gemaakt van 3 prestatiedagen met 3 loontrekkende chauffeurs (waaronder de als ziek opgegeven chauffeur) en van het feit dat de beheerder tevens een van de geëxploiteerde voertuigen bestuurd heeft als zelfstandige (hetgeen neerkomt op een gemiddelde terbeschikkingstelling van 0,33 dagen per maand en per voertuig); - voor het 4e trimester 2000, wordt melding gemaakt van 54 prestatiedagen met 4 loontrekkende chauffeurs (zonder inachtneming van de als ziek opgegeven chauffeur) en van het feit dat de beheerder tevens een van de geëxploiteerde voertuigen bestuurd heeft als zelfstandige (hetgeen neerkomt op een gemiddelde terbeschikkingstelling van 6 dagen per maand en per voertuig);

Overwegende dat hieruit blijkt dat de voertuigen veel te weinig ter beschikking gesteld werden van het publiek, terwijl de exploiterende onderneming belast was met de exploitatie van een dienst van openbaar nut en dat in het raam hiervan het totaal aantal taxivoertuigen dat geëxploiteerd mag worden op het grondgebied van het Gewest, beperkt is;

Overwegende dat de omstandigheden ingeroepen door de exploiterende onderneming tijdens het verhoor van haar exploitant, niet beschouwd kunnen worden als uitzonderlijke economisch of sociaal verantwoorde redenen in de zin van artikel 7 § 2, lid 1, 4° van de Ordonnantie ter verklaring en staving van het beperkt aantal dagen tijdens dewelke de drie geëxploiteerde voertuigen gedurende de lange beschouwde periode ter beschikking van het publiek gesteld werden : a) de ziekte van een chauffeur belet een exploiterende onderneming geenszins om een beroep te doen op de diensten van een andere chauffeur of om een deeltijds chauffeur voltijds tewerk te stellen; daarenboven blijkt dat het aantal personen opgegeven als bestuurder van de voertuigen tijdens de beschouwde periode (zonder inachtneming van de als ziek gemelde chauffeur) gelijk of hoger is dan het aantal geëxploiteerde voertuigen zodat de door de exploitant aangehaalde ziekte van een chauffeur geen verband blijkt te hebben met de onvoldoende terbeschikkingstelling van het publiek zoals vastgesteld; b) het ongeval waarvan, volgens de exploitant, een van de geëxploiteerde voertuigen het slachtoffer geweest was, belette de exploiterende onderneming niet om de exploitatie van de dienst verder te zetten met behulp van drie voertuigen door een beroep te doen op een vervangingsvoertuig, zoals uitdrukkelijk toegestaan in de vigerende wetgeving en met name in artikel 8, lid 2 van de Ordonnantie en de artikelen 39 en 40 van de destijds vigerende Agglomeratieverordening inzake exploitatie van taxidiensten; daarenboven kan de geringe terbeschikkingstelling van het publiek gedurende een zo lange periode (meer dan een jaar) niet verklaard worden door een ongeval waarvan een van de geëxploiteerde voertuigen het slachtoffer geweest is; een beschadigd voertuig kan overigens op korte termijn hersteld worden; c) de opzegging van de verzekeringscontracten van de twee voertuigen is het gevolg van het groot aantal schadegevallen en valt derhalve onder de verantwoordelijkheid van de exploitant en/of zijn ondergeschikten;het feit dat een verzekeringsonderneming dientengevolge geen dekking meer wenst te bieden is geen uitzonderlijke economisch of sociaal verantwoorde reden in de zin van artikel 7 § 2, lid 1, 4) van de Ordonnantie; d) het feit dat een loontrekkend chauffeur zijn jaarlijks verlof opneemt (in de maand juli en/of augustus, of op een ander tijdstip trouwens), is perfect te voorzien en vloeit voort uit de wet en het contract dat een exploitant bindt met zijn chauffeur, dit moet een exploitant er trouwens toe aanzetten een beroep te doen op een vervangingchauffeur om de continuïteit van de dienstverlening aan de klanten te waarborgen;daarenboven kan de afwezigheid van een chauffeur tijdens zijn wettelijk verlof op geen enkele manier een verklaring zijn voor de onvoldoende terbeschikkingstelling die vastgesteld werd tijdens de lange beschouwde periode (meer dan een jaar); e) hoewel het inderdaad zo is dat een vermindering van de activiteiten tijdens de maanden juli en augustus van elk jaar voor de hand ligt, kan dit gegeven (dat trouwens te voorzien is) geen verklaring zijn voor de onvoldoende terbeschikkingstelling van het publiek van de voertuigen vastgesteld tijdens de lange beschouwde periode (meer dan een jaar), noch voor de quasi niet-terbeschikkingstelling tijdens het volledige 3e trimester 2000;indien een vermindering van de activiteiten in voorkomend geval een verklaring zou kunnen zijn voor een daling van de inkomsten, kan dit in geen geval een verklaring bieden voor een mindere terbeschikkingstelling van het publiek van de voertuigen;

Overwegende dat voormelde elementen aantonen dat de exploirende onderneming onbekwaam bleek om de drie geëxploiteerde voertuigen voldoende ter beschikking te stellen van het publiek gedurende voornoemde periode en dat derhalve de vergunning slechts hernieuwd kan worden voor de exploitatie van twee voertuigen en niet van drie;

Overwegende anderzijds dat er uit de verklaringen zelf van de beheerder van de exploiterende onderneming blijkt dat twee van de drie geëxploiteerde voertuigen niet geldig verzekerd waren gedurende de hele periode gedekt door de vergunning wier hernieuwing gevraagd wordt in de zin van artikel 7 § 2, lid 1, 3° van de Ordonnantie; dat de beheerder aldus melding gemaakt heeft van het feit dat omwille van het groot aantal ongevallen (zie de documenten afkomstig van « AGF ASSUBEL B AGF BELGIUM INSURANCE » voorgelegd door de exploiterende onderneming) twee verzekeringscontracten opgezegd werden, en dat een ervan vervangen kon worden; dat het gaat om de objectieve vaststelling van het element bedoeld in artikel 7 § 2, lid 1, 3° van de Ordonnantie; dat de reden van de opzegging van de verzekeringscontracten ligt bij het groot aantal schadegevallen; dat er niet beschouwd kan worden dat het om een geval van overmacht zou gaan;

Dat er uit voornoemde elementen blijkt dat de exploiterende onderneming de vloot van drie voertuigen gedekt door de vergunning niet geldig verzekerd heeft gedurende de hele periode gedekt door deze vergunning, hoewel een van de twee opgezegde contracten vervangen kon worden door een ander; dat het in deze context redelijk is om de vergunning voor het exploiteren te hernieuwen voor twee voertuigen en niet voor drie noch een;

Overwegende dat voornoemde elementen respectievelijk bedoeld worden in artikel, 7, § 2, lid 1, 4° en 3° van de Ordonnantie van 27 april 1995; dat deze bepalingen betrekking hebben op de weigeringen van hernieuwing van de vergunning voor alle of een aantal geëxploiteerde voertuigen in de gevallen die er vermeld worden, waaronder voorliggend geval, met het gegeven dat er in dit geval twee verschillende elementen vastgesteld werden waarvan elk element afzonderlijk volstaat om de inhoud van dit besluit te wettigen in de mate dat elk van deze elementen overbodig is met betrekking tot het andere;

Overwegende dat overeenkomstig artikel 5 van de Ordonnantie, de vergunning voor het exploiteren van een taxidienst afgegeven wordt omwille van het openbaar nut van de dienst, Besluit :

Artikel 1.Dit besluit regelt een aangelegenheid bedoeld in de artikelen 3, 39 en 134 van de Grondwet.

Art. 2.De vergunning voor het exploiteren van een taxidienst met behulp van drie voertuigen afgeleverd aan de BVBA « RAYANE AND PARTNERS », met maatschappelijke zetel Henegouwenkaai, 3 te 1080 Brussel, met identificatieplaatnrs. 1915, 2159 en 2683 en verstreken op 30 juni 2001 : - wordt niet hernieuwd voor het voertuig met identificatieplaatnr. 1915; - wordt hernieuwd voor de duur bedoeld in artikel 7, § 1, lid 1, van de Ordonnantie van 27 april 1995, te rekenen vanaf 1 juli 2001 voor de voertuigen met identificatieplaatnrs. 2159 en 2683.

Art. 3.De Minister bevoegd voor de Taxidiensten is belast met de uitvoering van dit besluit.

Brussel, 25 februari 2010.

Voor de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, De Minister-President van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Plaatselijke Besturen, Ruimtelijke Ordening, Monumenten en Landschappen, Openbare Netheid en Ontwikkelingssamenwerking, Ch. PICQUE De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Openbare Werken en Vervoer, B. GROUWELS

^