Etaamb.openjustice.be
Bericht
gepubliceerd op 18 mei 2000

Bericht voorgeschreven bij artikel 74 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 17 februari 2000 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 18 februari 2 Die zaak is ingeschreven onder nummer 1888 van de rol van het Hof. De griffier, L. Potoms (...)

bron
arbitragehof
numac
2000021201
pub.
18/05/2000
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

ARBITRAGEHOF


Bericht voorgeschreven bij artikel 74 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 17 februari 2000 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 18 februari 2000, is beroep tot gedeeltelijke vernietiging ingesteld van artikel 20 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 11 mei 1999 tot wijziging van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen en tot wijziging van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 20 augustus 1999), wegens schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, door de v.z.w. De Vlaamse Landeigendom, met maatschappelijke zetel te 1180 Brussel, Van Beverlaan 24/2, de v.z.w. Organisation de la ruralité et du milieu européen, met maatschappelijke zetel te 1300 Waver, avenue Pasteur 23, T. de l'Escaille, wonende te 3930 Hamont, Lozenweg 100, N. Powis de Tenbossche, wonende te 3930 Hamont, Lozenweg 104, M. de Broqueville, wonende te 2400 Mol, Arendonkseweg 40, F. de Broqueville, wonende te 1150 Brussel, Vrijwilligerslaan 243, en B. de Bidlot Thorn, wonende te 3530 Houthalen, Lucybois 4.

Die zaak is ingeschreven onder nummer 1888 van de rol van het Hof.

De griffier, L. Potoms

Bericht voorgeschreven bij artikel 74 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof Bij vonnis van 2 december 1999 in zake I. Guillaume tegen de stad Namen, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 20 maart 2000, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Namen de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Roept artikel 25, § 1, van het decreet van 6 juni 1994 tot vaststelling van de rechtspositie van de gesubsidieerde personeelsleden van het officieel gesubsidieerd onderwijs, zoals aangevuld bij artikel 18, eerste lid, van het decreet van 17 juli 1998 houdende diverse dringende maatregelen in verband met het onderwijs, geen schending van het gelijkheidsbeginsel en geen onverantwoorde discriminatie in het leven ten aanzien van de personeelsleden van het gesubsidieerd officieel onderwijs in verhouding tot de personeelsleden van het officieel onderwijs en de personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs, waarbij het artikel 24, § 4, van de Grondwet schendt, door te bepalen dat de beslissing om een prioritair tijdelijk personeelslid te ontslaan uitwerking heeft en uitvoerbaar is vooraleer de bevoegde raad van beroep zijn advies heeft uitgebracht, terwijl, enerzijds, artikel 36, § 1, van het decreet van 1 februari 1993 houdende het statuut van de gesubsidieerde personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs bepaalt dat de afdanking van een prioritair tijdelijk personeelslid voorafgegaan wordt door een voorstel dat voor advies wordt voorgelegd aan de raad van beroep en dat de inrichtende macht haar beslissing neemt na kennisgeving van dat advies en, anderzijds, artikel 43 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel . der inrichtingen voor kleuter-, lager,... onderwijs . van de Staat eveneens bepaalt dat de afdanking van een prioritair tijdelijk personeelslid voorafgegaan wordt door een voorstel dat voor advies wordt voorgelegd aan de raad van beroep en dat de minister zijn definitieve beslissing neemt na kennisgeving van dat advies ? » Die zaak is ingeschreven onder nummer 1914 van de rol van het Hof.

De griffier, L. Potoms.

Bericht voorgeschreven bij artikel 74 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof Bij vonnissen van 10 maart en 7 april 2000 in zake het openbaar ministerie tegen respectievelijk P. Beutels en D. Van Caster, waarvan de expedities ter griffie van het Arbitragehof zijn ingekomen op 23 maart en 12 april 2000, heeft de Politierechtbank te Leuven de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden de bepalingen van artikel 55, eerste lid, 5°, en derde lid, van het koninklijk besluit van 16 maart 1968 tot coördinatie van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, vervangen bij artikel 27 van de wet van 18 juli 1990, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, afzonderlijk gelezen of gelezen in samenhang met artikel 6, 1, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens, omdat zij aan een niet-rechterlijke instantie de bevoegdheid toekennen om een strafsanctie in de zin van het Europees Verdrag op te leggen, omdat de procureur des Konings tegelijkertijd optreedt als vervolgende partij en als rechter en deze straf oplegt zonder openbaar proces, zonder opgave van beweegredenen en zonder de betrokken persoon te horen, terwijl een dergelijke bevoegdheid niet verleend wordt aan het openbaar ministerie ten opzichte van personen die van een hele reeks andere misdrijven verdacht worden, en omdat de rechterlijke toetsing achteraf de eerder opgelegde straf niet kan ongedaan maken, vermits de straf reeds ondergaan werd en er geen procedure vastgesteld werd om de gevolgen van een ten onrechte opgelegde onmiddellijke intrekking van het rijbewijs weg te werken en om de ten onrechte gestrafte te vergoeden, terwijl dat laatste bijvoorbeeld wel het geval is voor de personen die het slachtoffer werden van onwerkzame voorlopige hechtenis, zodat de betrokken persoon van wie het rijbewijs ingetrokken werd bij toepassing van de bedoelde wetsbepalingen niet tot andere straffen kan veroordeeld worden omdat niemand, bij toepassing van artikel 14, 7°, van het Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, opgemaakt te New York op 19 december 1996 en goedgekeurd bij de wet van 15 mei 1981, voor een tweede keer mag berecht of gestraft worden voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds overeenkomstig de wet en het procesrecht bij einduitspraak veroordeeld is of waarvan hij vrijgesproken is en omdat dit zou neerkomen op een schending van het algemeen rechtsbeginsel dat neergelegd is in de rechtsspreuk ` non bis in idem ' ? » Die zaken zijn ingeschreven onder de nummers 1919 en 1945 van de rol van het Hof en werden samengevoegd.

De griffier, L. Potoms.

^