Etaamb.openjustice.be
Arrest
gepubliceerd op 02 april 2024

Uittreksel uit arrest nr. 134/2023 van 19 oktober 2023 Rolnummer 7876 In zake : het beroep tot gedeeltelijke vernietiging van de artikelen 46 en 131 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 17 maart 2022 « tot wijziging Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, en de rechters(...)

bron
grondwettelijk hof
numac
2023046867
pub.
02/04/2024
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

GRONDWETTELIJK HOF


Uittreksel uit arrest nr. 134/2023 van 19 oktober 2023 Rolnummer 7876 In zake : het beroep tot gedeeltelijke vernietiging van de artikelen 46 en 131 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 17 maart 2022 « tot wijziging van de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de ordonnantie van 1 april 2004 betreffende de organisatie van de gasmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, betreffende wegenisretributies inzake gas en elektriciteit en houdende wijziging van de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de ordonnantie van 12 december 1991 houdende oprichting van begrotingsfondsen met het oog op de omzetting van richtlijn 2018/2001 en richtlijn 2019/944 », ingesteld door de vzw « Groupe de Réflexion et d'Action Pour une Politique Ecologique » en anderen.

Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, en de rechters J. Moerman, M. Pâques, D. Pieters, W. Verrijdt en K. Jadin, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 19 oktober 2022 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 20 oktober 2022, is beroep tot gedeeltelijke vernietiging ingesteld van de artikelen 46 en 131 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 17 maart 2022 « tot wijziging van de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de ordonnantie van 1 april 2004 betreffende de organisatie van de gasmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, betreffende wegenisretributies inzake gas en elektriciteit en houdende wijziging van de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de ordonnantie van 12 december 1991 houdende oprichting van begrotingsfondsen met het oog op de omzetting van richtlijn 2018/2001 en richtlijn 2019/944 » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 20 april 2022) door de vzw « Groupe de Réflexion et d'Action Pour une Politique Ecologique », de vzw « Association pour la Reconnaissance de l'ElectroHyperSensibilité », Colette Devillers, Marie Demortier en Martine Grynberg, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. D. Brusselmans, advocaat bij de balie van Waals-Brabant. (...) II. In rechte (...) Ten aanzien van de bestreden bepalingen en de context ervan B.1.1. Op de elektriciteitsmarkt van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest is een « slimme meter » een « elektronische meter die in staat is om de in het net geïnjecteerde elektriciteit of de elektriciteit die van het net wordt afgenomen te meten en daarbij meer informatie verstrekt dan een klassieke meter, en die in staat is om gegevens te verzenden en te ontvangen door gebruik van een elektronische communicatievorm » (artikel 2, 21° ter, van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 19 juli 2001 « betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest », vervangen bij artikel 5, 7°, van de ordonnantie van 17 maart 2022 « tot wijziging van de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de ordonnantie van 1 april 2004 betreffende de organisatie van de gasmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, betreffende wegenisretributies inzake gas en elektriciteit en houdende wijziging van de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de ordonnantie van 12 december 1991 houdende oprichting van begrotingsfondsen met het oog op de omzetting van richtlijn 2018/2001 en richtlijn 2019/944 »).

B.1.2. Artikel 26octies van de ordonnantie van 19 juli 2001, ingevoegd bij artikel 46 van de bestreden ordonnantie van 17 maart 2022, bepaalt : « § 1. De distributienetbeheerder plaatst slimme meters onder voorwaarden die waarborgen dat rekening wordt gehouden met het algemeen belang, dat de kosten en baten worden geoptimaliseerd en dat wordt voldaan aan de modaliteiten vastgelegd in dit artikel. § 2. De distributienetbeheerder plaatst systematisch slimme meters op het distributienet in de volgende gevallen : 1° als er een aansluiting wordt uitgevoerd in een nieuw of een ingrijpend gerenoveerd gebouw;onder ` ingrijpende renovatie ' wordt verstaan : de renovatie met betrekking tot de bouwschil of de technische bouwsystemen met een totale kostprijs van meer dan 25 % van de waarde van het gebouw, exclusief de grond waarop het zich bevindt; 2° als een meter vervangen wordt wegens ouderdom of technisch defect;3° als een gebruiker van het distributienet prosumer is of wordt;4° als een gebruiker van het distributienet vraagt om het vermogen van zijn aansluiting te wijzigen;5° als een gebruiker van het distributienet een elektrisch voertuig oplaadt;6° als een gebruiker van het distributienet deelneemt aan het delen van elektriciteit of overtollige zelf opgewekte elektriciteit laat aankopen of aankoopt;7° als een gebruiker van het distributienet deelneemt aan flexibiliteits- of aggregatiediensten;8° als een gebruiker van het distributienet elektriciteit opslaat; 9° als een gebruiker van het distributienet een jaarlijks verbruik heeft van meer dan 6.000 kWh per jaar; 10° als een gebruiker van het distributienet beschikt over een warmtepomp;11° als een gebruiker van het distributienet hierom verzoekt. Als een slimme meter wordt geplaatst naar aanleiding van een aanvraag, plaatst de distributienetbeheerder deze ten laatste binnen de vier maanden na de indiening van de aanvraag.

Wanneer de slimme meter, die wordt geplaatst in overeenstemming met het eerste lid, een meter vervangt die deel uitmaakt van een technisch ondeelbaar geheel van meerdere meters, kunnen alle meters die deel uitmaken van dit geheel vervangen worden door slimme meters. De distributienetbeheerder publiceert de technische criteria voor het geval dat wordt bedoeld in dit lid. [...] § 6. In de gevallen vermeld in paragraaf 2 mag niemand de plaatsing of het onderhoud van een slimme meter weigeren of vragen deze weg te halen.

In het kader van de toepassing van het eerste lid bepaalt de Regering de procedure en de specifieke maatregelen die de distributienetbeheerder moet treffen indien de eindafnemer, of een lid van zijn gezin, die blootgesteld is of zou worden aan elektromagnetische velden voortgebracht door een slimme meter onder de door de Regering vastgelegde voorwaarden, verklaart dat deze blootstelling een naar behoren geobjectiveerd risico voor zijn gezondheid vormt ».

B.2.1. Op de gasmarkt van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest is een « slimme meter » een « elektronische meter die in staat is om het in het net geïnjecteerde gas of het gas dat van het net wordt afgenomen te meten en daarbij meer informatie verstrekt dan een klassieke meter, en die in staat is om gegevens te verzenden en te ontvangen door middel van een vorm van elektronische communicatie » (artikel 3, 20° bis, van de ordonnantie van 1 april 2004 « betreffende de organisatie van de gasmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, betreffende wegenisretributies inzake gas en elektriciteit en houdende wijziging van de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest », zoals vervangen bij artikel 108, 2°, van de ordonnantie van 17 maart 2022).

B.2.2. Artikel 20octiesdecies van de ordonnantie van 1 april 2004, ingevoegd bij artikel 131 van de bestreden ordonnantie van 17 maart 2022, bepaalt : « § 1. De distributienetbeheerder kan geleidelijk slimme meters op het distributienet installeren in de volgende gevallen, rekening houdend met het algemeen belang en voor zover dit technisch haalbaar, financieel redelijk en evenredig is, gelet op de potentiële energiebesparingen : 1° als er een aansluiting wordt uitgevoerd in een nieuw of een ingrijpend gerenoveerd gebouw;onder ` ingrijpende renovatie ' wordt verstaan : de renovatie met betrekking tot de bouwschil of de technische bouwsystemen met een totale kostprijs van meer dan 25 % van de waarde van het gebouw, exclusief de grond waarop het zich bevindt; 2° als een meter vervangen wordt wegens ouderdom of technisch defect. Wanneer de slimme meter, die wordt geplaatst in overeenstemming met het eerste lid, een meter vervangt die deel uitmaakt van een technisch ondeelbaar geheel van meerdere meters, kunnen alle meters die deel uitmaken van dit geheel vervangen worden door slimme meters. De netbeheerder publiceert de technische criteria voor het geval dat wordt bedoeld in dit lid. [...] § 4. In de gevallen vermeld in paragraaf 1 mag niemand de plaatsing of het onderhoud van een slimme meter weigeren of vragen deze weg te halen.

In het kader van de toepassing van het eerste lid bepaalt de Regering de procedure en de specifieke maatregelen die de netbeheerder moet treffen indien de eindafnemer, of een lid van zijn gezin, die blootgesteld is of zou worden aan elektromagnetische velden voortgebracht door een slimme meter onder de door de Regering vastgelegde voorwaarden, verklaart dat deze blootstelling een behoren geobjectiveerd risico voor zijn gezondheid vormt ».

B.3. Uit de uiteenzetting van het verzoekschrift blijkt dat het beroep tot vernietiging betrekking heeft op het voormelde artikel 26octies, § 6, van de ordonnantie van 19 juli 2001, alsook op het voormelde artikel 20octiesdecies, § 4, van de ordonnantie van 1 april 2004.

Ten aanzien van het belang B.4.1. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/01/1989 pub. 18/02/2008 numac 2008000108 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet op het Arbitragehof sluiten op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt; bijgevolg is de actio popularis niet toelaatbaar.

B.4.2. Wanneer een vereniging zonder winstoogmerk die niet haar persoonlijk belang aanvoert, voor het Hof optreedt, is vereist dat haar statutair doel van bijzondere aard is en, derhalve, onderscheiden van het algemeen belang; dat zij een collectief belang verdedigt; dat haar doel door de bestreden norm kan worden geraakt; dat ten slotte niet blijkt dat dit doel niet of niet meer werkelijk wordt nagestreefd.

B.5. De « Association pour la Reconnaissance de l'ElectroHyperSensibilité » is een vereniging zonder winstoogmerk waarvan het doel bestaat in « de wettelijke erkenning van elektrohypersensiviteit als overgevoeligheid voor een omgeving die wordt verstoord door de kunstmatige elektromagnetische velden die onder meer door slimme meters worden voortgebracht, en die leidt tot een lichamelijke en sociale handicap », en probeert « het recht van elektrohypersensitieve personen om in een niet-verstoorde omgeving te leven en te werken » te verzekeren (artikel 3 van haar statuten, bekendgemaakt in de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad van 12 maart 2019).

B.6.1. Het doel van die vereniging, die een collectief belang verdedigt, onderscheidt zich van het algemeen belang.

B.6.2. In de bestreden wetsbepalingen wordt een principiële verplichting vermeld om de plaatsing van een « slimme meter » die « elektromagnetische velden » voortbrengt, in bepaalde situaties te aanvaarden.

Diezelfde bepalingen stellen vervolgens het kader vast waarbinnen de Brusselse Hoofdstedelijke Regering regels dient op te stellen die ertoe strekken de personen te beschermen wier gezondheid in gevaar wordt gebracht door de blootstelling aan die « elektromagnetische velden ».

De bestreden bepalingen kunnen de situatie van de personen van wie de verzoekende vereniging de bescherming nastreeft, bijgevolg rechtstreeks en ongunstig raken, ongeacht de inhoud van de regels die door de Regering worden aangenomen ter uitvoering van die bepalingen.

B.6.3. Ten slotte blijkt niet dat de verzoekende vereniging haar doel niet of niet meer werkelijk nastreeft.

B.7. Die vereniging doet blijken van het vereiste belang.

Aangezien een van de verzoekende verenigingen doet blijken van een belang bij het vorderen van de vernietiging van de bestreden wetsbepalingen, is het niet noodzakelijk te onderzoeken of hetzelfde geldt voor de andere verzoekende partijen.

Ten gronde Wat betreft de inachtneming van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet B.8. Uit de uiteenzetting van het middel blijkt dat het Hof wordt verzocht na te gaan of artikel 26octies, § 6, van de ordonnantie van 19 juli 2001 en artikel 20octiesdecies, § 4, van de ordonnantie van 1 april 2004 het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, zoals het wordt afgeleid uit de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, niet schenden in zoverre die wetsbepalingen een discriminerend verschil in behandeling doen ontstaan tussen twee categorieën van personen die kunnen worden blootgesteld aan de elektromagnetische velden die worden voortgebracht door een slimme meter : enerzijds, diegenen voor wie die blootstelling een naar behoren geobjectiveerd gezondheidsrisico vormt en, anderzijds, diegenen voor wie een dergelijke blootstelling geen dergelijk risico vormt.

B.9. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is.

Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel.

B.10. In het tweede lid ervan machtigen zowel artikel 26octies, § 6, van de ordonnantie van 19 juli 2001 als artikel 20octiesdecies, § 4, van de ordonnantie van 1 april 2004, die in B.1.2 en B.2.2 zijn weergegeven, de Brusselse Hoofdstedelijke Regering om enkel voor de personen voor wie een blootstelling aan elektromagnetische velden voortgebracht door een « slimme meter » een naar behoren geobjectiveerd gezondheidsrisico vormt, bepalingen aan te nemen, waarbij wordt voorzien in een uitzondering op de verplichting om de plaatsing van een slimme meter te aanvaarden.

B.11.1. Die wetsbepalingen werden aangenomen om rekening te houden met het arrest van het Hof nr. 162/2020 van 17 december 2020 (ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.162) (Parl. St., Brussels Hoofdstedelijk Parlement, 2021-2022, A-516/1, pp. 12-13, 49 en 66).

Bij dat arrest heeft het Hof, in verband met de « slimme meters », geoordeeld dat « de mogelijke blootstelling aan elektromagnetische straling [...] wat betreft de categorie van personen die daardoor een gezondheidsrisico lopen een aanzienlijke achteruitgang [kan] betekenen van het bestaande beschermingsniveau van het recht op een gezond leefmilieu » en dat « [het] voor personen die gevoelig zijn aan elektromagnetische velden [...] noodzakelijk [kan] zijn om de blootstelling aan dergelijke straling van bij aanvang zoveel mogelijk te beperken » (B.49.2).

Bij hetzelfde arrest heeft het Hof geoordeeld dat de inachtneming van het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu vereiste dat een « afdoende regeling [in het leven werd geroepen] die elektrogevoelige personen beschermt » tegen de gezondheidsrisico's vanwege de elektromagnetische straling van een « slimme meter ». Het Hof heeft eraan toegevoegd dat die personen, bij gebrek aan een dergelijke « afdoende regeling », het recht hadden om de plaatsing van een dergelijke meter te weigeren of om te vragen hem weg te halen (B.49.3).

Bij zijn arrest nr. 162/2020 heeft het Hof ook geoordeeld dat het niet in strijd was met het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu om een niet-elektrogevoelig persoon te verbieden dat hij zich verzet tegen de plaatsing van een slimme meter of de weghaling ervan vraagt (B.27).

B.11.2. Het is « in deze context » dat werd geoordeeld dat het « noodzakelijk werd geacht in een specifieke regeling te voorzien om de personen te beschermen voor wie de blootstelling aan de elektromagnetische straling van de slimme meter een voldoende geobjectiveerd gezondheidsrisico inhoudt » en de Brusselse Hoofdstedelijke Regering ertoe te machtigen « specifieke maatregelen » te nemen om het recht van die personen op de bescherming van een gezond leefmilieu te vrijwaren (Parl. St., Brussels Hoofdstedelijk Parlement, 2021-2022, A-516/1, pp. 49 en 66).

B.11.3. Rekening houdend met het bij de bestreden wetsbepalingen nagestreefde doel, berust het verschil in behandeling tussen de twee in B.8 beschreven categorieën van personen op een redelijke verantwoording.

B.12. In zoverre het is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, is het middel niet gegrond.

Wat betreft de inachtneming van artikel 23 van de Grondwet B.13. Uit de uiteenzetting van het middel blijkt dat het Hof ook wordt verzocht na te gaan of artikel 26octies, § 6, van de ordonnantie van 19 juli 2001 en artikel 20octiesdecies, § 4, van de ordonnantie van 1 april 2004 artikel 23, tweede lid en derde lid, 4°, van de Grondwet niet schenden, in zoverre die wetsbepalingen afbreuk zouden doen aan het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu van alle personen die kunnen worden blootgesteld aan de elektromagnetische velden die worden voortgebracht door een « slimme meter », ongeacht of die blootstelling al dan niet een naar behoren geobjectiveerd gezondheidsrisico voor die personen vormt.

B.14.1. Artikel 23 van de Grondwet bepaalt : « Ieder heeft het recht een menswaardig leven te leiden.

Daartoe [waarborgt] [...] de in artikel 134 bedoelde regel, rekening houdend met de overeenkomstige plichten, de economische, sociale en culturele rechten, waarvan [hij] de voorwaarden voor de uitoefening [bepaalt].

Die rechten omvatten inzonderheid : [...] 4° het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu; [...] ».

B.14.2. Artikel 23 van de Grondwet bepaalt dat ieder het recht heeft om een menswaardig leven te leiden. Daartoe waarborgen de onderscheiden wetgevers, rekening houdend met de overeenkomstige plichten, de economische, sociale en culturele rechten en zij bepalen de voorwaarden voor de uitoefening ervan. Artikel 23 van de Grondwet bepaalt niet wat die rechten, waarvan enkel het beginsel wordt uitgedrukt, impliceren, waarbij elke wetgever, overeenkomstig het tweede lid van dat artikel, ermee is belast die rechten te waarborgen, rekening houdend met de overeenkomstige plichten.

B.14.3. Artikel 23 van de Grondwet bevat een standstill-verplichting die eraan in de weg staat dat de bevoegde wetgever het beschermingsniveau dat wordt geboden door de van toepassing zijnde wetgeving, in aanzienlijke mate vermindert zonder redelijke verantwoording.

B.15. Aangezien zij in het Belgisch Staatsblad van 20 april 2022 werden bekendgemaakt, zijn de twee bestreden bepalingen in werking getreden op de tiende dag na de dag van de bekendmaking ervan, zijnde op 30 april 2022, krachtens artikel 33 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen.

B.16. De bestaanbaarheid van de bestreden bepalingen met artikel 23, tweede lid en derde lid, 4°, van de Grondwet moet worden onderzocht door de situatie van de personen die aanvoeren dat hun gezondheid in gevaar wordt gebracht door de blootstelling aan de elektromagnetische velden afkomstig van een « slimme meter » en de situatie van de andere personen afzonderlijk te analyseren.

B.17. Wat die laatste personen betreft, bevatten noch de bestreden bepalingen, noch enige andere wetsbepaling specifieke beschermingsmaatregelen met betrekking tot de blootstelling aan elektromagnetische velden.

De wetgeving die vóór de inwerkingtreding van de bestreden bepalingen in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van toepassing was, bevatte evenmin dergelijke beschermingsmaatregelen voor die personen.

Die bepalingen kunnen dus niet in die zin worden geanalyseerd dat zij het door de wetgeving geboden beschermingsniveau verminderen.

B.18.1. Wat betreft de situatie van de personen die aanvoeren dat hun gezondheid in gevaar wordt gebracht door de blootstelling aan de elektromagnetische velden afkomstig van een « slimme meter », dient een onderscheid te worden gemaakt tussen de « elektriciteitsmarkt in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest » en de « gasmarkt in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest ».

B.18.2. Voor de gasmarkt bestond er vóór de inwerkingtreding van artikel 20octiesdecies van de ordonnantie van 1 april 2004, zoals hersteld en aangevuld bij de ordonnantie van 17 maart 2022, geen regel die ertoe strekte die categorie van personen te beschermen.

Zoals in B.11.2 is vermeld, voorziet artikel 20octiesdecies, § 6, tweede lid, van de ordonnantie van 1 april 2004 in een specifieke regeling voor de personen voor wie de blootstelling aan de elektromagnetische velden afkomstig van de slimme meter een naar behoren geobjectiveerd gezondheidsrisico vormt. Die wetsbepaling strekt ertoe het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu van die personen te vrijwaren.

De bestreden bepaling verhoogt dus het beschermingsniveau dat door de vroegere van toepassing zijnde wetgeving werd geboden aan de personen die aanvoeren dat hun gezondheid in gevaar wordt gebracht door de blootstelling aan de elektromagnetische velden die afkomstig zijn van een gasmeter.

B.18.3.1. Wat de elektriciteitsmarkt betreft, bepaalde artikel 24ter, § 2, vijfde lid, van de ordonnantie van 19 juli 2001 vóór de opheffing ervan : « Na een onafhankelijk en vergelijkend onderzoek dat ertoe strekt een objectieve diagnose te stellen van de elektrogevoeligheid en de impact ervan op de volksgezondheid in het Brussels Gewest te bepalen en dat binnen drie jaar na de inwerkingtreding van de ordonnantie wordt uitgevoerd door een comité van deskundigen, stelt de Regering, in voorkomend geval, de gevallen en regels vast volgens welke de distributienetbeheerder alternatieve technologische oplossingen in de woningen aanbiedt aan eenieder die beweert elektrogevoelig te zijn en daartoe een aanvraag indient ».

Die bepaling is niet meer van toepassing sedert de opheffing ervan bij artikel 23 van de ordonnantie van 17 maart 2022, dat op 30 april 2022 in werking is getreden.

B.18.3.2. Net zoals dat vroegere artikel 24ter, § 2, vijfde lid, van de ordonnantie van 19 juli 2001 vermeldt het in B.1.2 weergegeven artikel 26octies, § 6, van dezelfde ordonnantie geen regel die de persoon die aanvoert dat zijn gezondheid in gevaar wordt gebracht door de blootstelling aan de elektromagnetische velden afkomstig van de « slimme meter », rechtstreeks beschermt. Die twee wetsbepalingen machtigen de Brusselse Hoofdstedelijke Regering om de wijze te bepalen waarop de distributienetbeheerder voor elektriciteit rekening zal moeten houden met de situatie van die personen.

In tegenstelling tot het vroegere artikel 24ter, § 2, vijfde lid, van de ordonnantie van 19 juli 2001 verplicht artikel 26octies, § 6, van dezelfde ordonnantie, ingevoegd bij artikel 46 van de ordonnantie van 17 maart 2022, de Regering evenwel om onverwijld in een « specifieke regeling » voor de voornoemde personen te voorzien.

Zoals het Hof bij zijn arrest nr. 162/2020 (B.49.1) heeft beklemtoond, verplichtte het vroegere artikel 24ter, § 2, vijfde lid, van de ordonnantie van 19 juli 2001 in geen geval de Regering ertoe maatregelen te nemen waarbij « alternatieve technologische oplossingen » worden bedacht voor de plaatsing van een slimme meter ten voordele van personen die beweren elektrogevoelig te zijn, zolang zij geen kennis had kunnen nemen van de resultaten van een onderzoek dat binnen de drie jaar na de inwerkingtreding van die bepaling moest worden uitgevoerd. Zoals het Hof toen ook beklemtoonde (B.49.1), werd in het vroegere artikel 24ter, § 2, vijfde lid, van de ordonnantie van 19 juli 2001 bovendien gepreciseerd dat de Regering slechts « in voorkomend geval » maatregelen diende te nemen. In afwachting van die regeling, kunnen die personen de installatie van een slimme meter weigeren of vragen hem weg te halen (B.49.3).

Gelet op die verschillen houdt artikel 26octies, § 6, van de ordonnantie van 19 juli 2001 geen vermindering in van het beschermingsniveau dat door het vroegere artikel 24ter, § 2, vijfde lid, van dezelfde ordonnantie werd geboden aan de personen die aanvoeren dat hun gezondheid in gevaar wordt gebracht door de blootstelling aan de elektromagnetische velden die worden voortgebracht door een « slimme elektriciteitsmeter ».

B.19. In zoverre het is afgeleid uit de schending van artikel 23, tweede lid en derde lid, 4°, van de Grondwet, is het middel niet gegrond.

Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep.

Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/01/1989 pub. 18/02/2008 numac 2008000108 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet op het Arbitragehof sluiten op het Grondwettelijk Hof, op 19 oktober 2023.

De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut P. Nihoul

^