Etaamb.openjustice.be
Arrest
gepubliceerd op 23 december 2020

Uittreksel uit arrest nr. 119/2020 van 24 september 2020 Rolnummers 7122 en 7124 In zake : de beroepen tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van artikel 4 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 13 juli 2018 « tot wijziging van de wet v Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters A. Alen en F. Daoût, en de rechters T. M(...)

bron
grondwettelijk hof
numac
2020204086
pub.
23/12/2020
prom.
--
staatsblad
http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.(...)
Document Qrcode

GRONDWETTELIJK HOF


Uittreksel uit arrest nr. 119/2020 van 24 september 2020 Rolnummers 7122 en 7124 In zake : de beroepen tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van artikel 4 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 13 juli 2018 « tot wijziging van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren in het kader van de zesde staatshervorming », ingesteld door de vzw « Hubertusvereniging - Vlaanderen » en door August Hendrickx en David Hendrickx.

Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters A. Alen en F. Daoût, en de rechters T. Merckx-Van Goey, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman en M. Pâques, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Alen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 7 februari 2019 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 11 februari 2019, heeft de vzw « Hubertusvereniging - Vlaanderen », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr.T. Walbrecht, advocaat bij de balie te Antwerpen, beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 4, 1°, van het decreet van het Vlaamse Gewest van 13 juli 2018 « tot wijziging van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren in het kader van de zesde staatshervorming » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 10 augustus 2018). b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 11 februari 2019 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 12 februari 2019, is beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 4 van hetzelfde decreet door August Hendrickx en David Hendrickx. Die zaken, ingeschreven onder de nummers 7122 en 7124 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. (...) II. In rechte (...) Ten aanzien van de bestreden bepaling B.1. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 7122 en 7124 vorderen de gehele of gedeeltelijke vernietiging van artikel 4 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 13 juli 2018 « tot wijziging van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren in het kader van de zesde staatshervorming » (hierna : het decreet van 13 juli 2018Relevante gevonden documenten type decreet prom. 13/07/2018 pub. 10/08/2018 numac 2018031629 bron vlaamse overheid Decreet tot wijziging van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren in het kader van de zesde staatshervorming type decreet prom. 13/07/2018 pub. 27/08/2018 numac 2018031743 bron vlaamse overheid Decreet houdende de wijziging van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 naar aanleiding van de ex-post evaluatie sluiten), doordat die bepaling een verbod invoert op het gebruik bij honden van halsbanden die elektrische schokken kunnen toedienen (hierna : elektrische halsbanden).

B.2.1. Het decreet van 13 juli 2018Relevante gevonden documenten type decreet prom. 13/07/2018 pub. 10/08/2018 numac 2018031629 bron vlaamse overheid Decreet tot wijziging van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren in het kader van de zesde staatshervorming type decreet prom. 13/07/2018 pub. 27/08/2018 numac 2018031743 bron vlaamse overheid Decreet houdende de wijziging van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 naar aanleiding van de ex-post evaluatie sluiten wijzigt de wet van 14 augustus 1986 « betreffende de bescherming en het welzijn der dieren » (hierna : de Dierenwelzijnswet) teneinde de terminologie in overeenstemming te brengen met de regionalisering van het dierenwelzijnsbeleid en om bepaalde beleidswijzigingen door te voeren (Parl. St., Vlaams Parlement, 2017-2018, nr. 1555/1, p. 3).

B.2.2. Artikel 4, 1°, van het decreet van 13 juli 2018Relevante gevonden documenten type decreet prom. 13/07/2018 pub. 10/08/2018 numac 2018031629 bron vlaamse overheid Decreet tot wijziging van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren in het kader van de zesde staatshervorming type decreet prom. 13/07/2018 pub. 27/08/2018 numac 2018031743 bron vlaamse overheid Decreet houdende de wijziging van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 naar aanleiding van de ex-post evaluatie sluiten voert een verbod in op het gebruik van elektrische halsbanden bij honden, met de mogelijkheid voor de Vlaamse Regering om afwijkingen toe te staan voor het gebruik ervan bij opleiding of gedragstherapie. De parlementaire voorbereiding vermeldt dat in België tot dan geen wetgeving over elektrische halsbanden bij honden bestond en het gebruik en de verkoop ervan vrij waren. Met de bestreden bepaling wenst de decreetgever, ter bevordering van het dierenwelzijn, een principieel verbod op het gebruik van dergelijke halsbanden in te voeren, in navolging van verscheidene andere Europese landen (Parl. St., Vlaams Parlement, 2017-2018, nr. 1555/1, p. 5).

B.3.1. Artikel 4 van het decreet van 13 juli 2018Relevante gevonden documenten type decreet prom. 13/07/2018 pub. 10/08/2018 numac 2018031629 bron vlaamse overheid Decreet tot wijziging van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren in het kader van de zesde staatshervorming type decreet prom. 13/07/2018 pub. 27/08/2018 numac 2018031743 bron vlaamse overheid Decreet houdende de wijziging van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 naar aanleiding van de ex-post evaluatie sluiten bepaalt : « In artikel 4 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 27 december 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° er wordt een paragraaf 2/2 ingevoegd, die luidt als volgt : ' § 2/2.Het gebruik bij honden van halsbanden die elektrische schokken kunnen toedienen, is verboden. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen om afwijkingen van dit verbod toe te staan voor het gebruik bij opleiding of gedragstherapie voor honden. '; 2° in paragraaf 4 wordt tussen de zinsnede ' § § 2 ' en de zinsnede ' en 3, ' de zinsnede ' 2/1, 2/2 ' ingevoegd;3° in paragraaf 4 wordt het woord ' Koning ' vervangen door de woorden ' Vlaamse Regering ';4° in paragraaf 5 wordt tussen de zinsnede ' § § 1, 2, ' en de zinsnede ' 3 en 4 ' de zinsnede ' 2/1, 2/2, ' ingevoegd ». B.3.2. Ingevolge die wijzigingen bepaalt artikel 4 van de Dierenwelzijnswet voor het Vlaamse Gewest : « § 1. Ieder persoon die een dier houdt, verzorgt of te verzorgen heeft, moet de nodige maatregelen nemen om het dier een in overeenstemming met zijn aard, zijn fysiologische en ethologische behoeften, zijn gezondheidstoestand en zijn graad van ontwikkeling, aanpassing of domesticatie, aangepaste voeding, verzorging en huisvesting te verschaffen. § 2. Niemand mag de bewegingsvrijheid van het dier dat hij houdt, verzorgt of te verzorgen heeft, zodanig beperken dat het aan vermijdbare pijnen, lijden of letsels is blootgesteld.

Wanneer een dier gewoonlijk of voortdurend wordt vastgemaakt of opgesloten, moet het voldoende ruimte en bewegingsvrijheid krijgen, in overeenstemming met zijn fysiologische en ethologische behoeften. § 2/1. De paardachtigen die buiten worden gehouden, kunnen opgestald worden of, indien dit niet het geval is, beschikken over een natuurlijke beschutting of een schuilhok. § 2/2. Het gebruik bij honden van halsbanden die elektrische schokken kunnen toedienen, is verboden. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen om afwijkingen van dit verbod toe te staan voor het gebruik bij opleiding of gedragstherapie voor honden. § 3. De verlichting, de temperatuur, de vochtigheidsgraad, de verluchting, de luchtcirculatie en de overige milieuvoorwaarden van het verblijf der dieren moeten overeenstemmen met de fysiologische en ethologische behoeften van de soort. § 4. Ter uitvoering van § § 2, 2/1, 2/2 en 3, en onverminderd de bepalingen van hoofdstuk VIII kan de Vlaamse Regering voor de verschillende soorten en categorieën van dieren nadere regelen stellen. § 5. De in artikel [34] bedoelde overheidspersonen zijn gemachtigd de nodige maatregelen te treffen of op te leggen om de verplichtingen voortvloeiend uit de § § 1, 2, 2/1, 2/2, 3 en 4 onverwijld te doen naleven ».

B.3.3. Ten aanzien van de inwerkingtreding van artikel 4, 1°, van het decreet van 13 juli 2018Relevante gevonden documenten type decreet prom. 13/07/2018 pub. 10/08/2018 numac 2018031629 bron vlaamse overheid Decreet tot wijziging van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren in het kader van de zesde staatshervorming type decreet prom. 13/07/2018 pub. 27/08/2018 numac 2018031743 bron vlaamse overheid Decreet houdende de wijziging van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 naar aanleiding van de ex-post evaluatie sluiten, bepaalt artikel 42 van dat decreet : « Artikel 4, 1°, van dit decreet treedt in werking op een door de Vlaamse Regering vast te stellen datum ».

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de beroepen tot vernietiging B.4.1. Volgens de Vlaamse Regering en volgens de vzw « Global Action in the Interest of Animals » (GAIA), die optreedt als tussenkomende partij, zouden de verzoekende partijen niet doen blijken van het vereiste belang om de vernietiging te vorderen van de bestreden bepaling.

B.4.2. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/01/1989 pub. 18/02/2008 numac 2008000108 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet op het Arbitragehof sluiten op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt.

Wanneer een vereniging zonder winstoogmerk die niet haar persoonlijk belang aanvoert, voor het Hof optreedt, is vereist dat haar statutair doel van bijzondere aard is en, derhalve, onderscheiden van het algemeen belang; dat zij een collectief belang verdedigt; dat haar doel door de bestreden norm kan worden geraakt; dat ten slotte niet blijkt dat dit doel niet of niet meer werkelijk wordt nagestreefd.

B.4.3. De vzw « Hubertusvereniging - Vlaanderen », verzoekende partij in de zaak nr. 7122, beschouwt het decretaal verbod op het gebruik van elektrische halsbanden bij honden als een jachtbeperking.

Overeenkomstig haar statuten en haar activiteiten, beoogt zij onder meer de bevordering, ontwikkeling en verdediging van de weidelijke jacht.

B.4.4. De verzoekende partijen in de zaak nr. 7124 beschikken beiden over een jachtverlof en maken voor de jacht gebruik van elektrische halsbanden bij jachthonden.

B.4.5. De verzoekende partijen in de beide zaken doen derhalve blijken van een belang bij de vernietiging van de bestreden bepaling, die een verbod invoert op het gebruik van elektrische halsbanden bij honden.

B.4.6. De exceptie wordt verworpen.

B.5.1. De Vlaamse Regering voert vervolgens aan dat het enige middel in beide zaken niet ontvankelijk zou zijn doordat niet op afdoende wijze wordt uiteengezet in welk opzicht de referentienormen door de bestreden bepaling zouden worden geschonden.

Daarenboven stelt de Vlaamse Regering dat het enige middel in de zaak nr. 7124 niet ontvankelijk is in zoverre het Hof wordt gevraagd de bestreden bepaling te toetsen aan de artikelen 544 en 1384 van het Burgerlijk Wetboek en aan de artikelen 4, § 1, en 36, 3°, van de Dierenwelzijnswet.

B.5.2. Om te voldoen aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/01/1989 pub. 18/02/2008 numac 2008000108 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet op het Arbitragehof sluiten op het Grondwettelijk Hof, moeten de middelen van het verzoekschrift te kennen geven welke van de regels waarvan het Hof de naleving waarborgt, zouden zijn geschonden, alsook welke de bepalingen zijn die deze regels zouden schenden, en uiteenzetten in welk opzicht die regels door de bedoelde bepalingen zouden zijn geschonden.

B.5.3. Uit de memories van de Vlaamse Regering blijkt dat zij op adequate wijze heeft kunnen antwoorden op de grieven van de verzoekende partijen zodat de exceptio obscuri libelli dient te worden verworpen.

B.5.4. Daar het Hof niet bevoegd is om decretale bepalingen te toetsen aan andere wettelijke bepalingen die geen bevoegdheidverdelende regels zijn, is het enige middel in de zaak nr. 7124, in zoverre het is afgeleid uit een schending van de artikelen 544 en 1384 van het Burgerlijk Wetboek en van de artikelen 4, § 1, en 36, 3°, van de Dierenwelzijnswet, niet ontvankelijk.

B.6.1. Ten slotte is de Vlaamse Regering van oordeel dat, in het licht van de grieven van de verzoekende partijen, het beroep tot vernietiging in de zaak nr. 7124 slechts ontvankelijk is in zoverre het gericht is tegen artikel 4, 1°, van het decreet van 13 juli 2018Relevante gevonden documenten type decreet prom. 13/07/2018 pub. 10/08/2018 numac 2018031629 bron vlaamse overheid Decreet tot wijziging van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren in het kader van de zesde staatshervorming type decreet prom. 13/07/2018 pub. 27/08/2018 numac 2018031743 bron vlaamse overheid Decreet houdende de wijziging van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 naar aanleiding van de ex-post evaluatie sluiten, dat een paragraaf 2/2 invoegt in artikel 4 van de Dierenwelzijnswet.

B.6.2. Het Hof bepaalt de omvang van het beroep tot vernietiging aan de hand van de inhoud van het verzoekschrift en in het bijzonder op basis van de uiteenzetting van het middel. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot de bepaling waartegen daadwerkelijk grieven zijn aangevoerd.

Uit de uiteenzetting van het enige middel blijkt dat de kritiek van de verzoekende partijen in de zaak nr. 7124 uitsluitend gericht is tegen artikel 4, 1°, van het decreet van 13 juli 2018Relevante gevonden documenten type decreet prom. 13/07/2018 pub. 10/08/2018 numac 2018031629 bron vlaamse overheid Decreet tot wijziging van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren in het kader van de zesde staatshervorming type decreet prom. 13/07/2018 pub. 27/08/2018 numac 2018031743 bron vlaamse overheid Decreet houdende de wijziging van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 naar aanleiding van de ex-post evaluatie sluiten, dat een verbod invoert op het gebruik van elektrische halsbanden bij honden. Het Hof beperkt zijn onderzoek bijgevolg tot die bepaling.

Die vaststelling neemt niet weg dat, mocht het Hof beslissen tot de vernietiging van artikel 4, 1°, van het bestreden decreet, die vernietiging zich zou moeten uitstrekken tot de artikelen 4, 2° tot 4°, in zoverre die bepalingen naar de bestreden bepaling verwijzen.

Ten gronde B.7.1. Het enige middel in de zaak nr. 7122 is afgeleid uit de schending, door artikel 4, 1°, van het decreet van 13 juli 2018Relevante gevonden documenten type decreet prom. 13/07/2018 pub. 10/08/2018 numac 2018031629 bron vlaamse overheid Decreet tot wijziging van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren in het kader van de zesde staatshervorming type decreet prom. 13/07/2018 pub. 27/08/2018 numac 2018031743 bron vlaamse overheid Decreet houdende de wijziging van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 naar aanleiding van de ex-post evaluatie sluiten, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat het een algemeen verbod instelt op het gebruik van elektrische halsbanden bij honden, zonder te voorzien in een uitzondering voor jachthonden die worden ingezet bij de beoefening van de jacht.

B.7.2. Het enige middel in de zaak nr. 7124 is afgeleid uit de schending, door artikel 4, 1°, van het decreet van 13 juli 2018Relevante gevonden documenten type decreet prom. 13/07/2018 pub. 10/08/2018 numac 2018031629 bron vlaamse overheid Decreet tot wijziging van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren in het kader van de zesde staatshervorming type decreet prom. 13/07/2018 pub. 27/08/2018 numac 2018031743 bron vlaamse overheid Decreet houdende de wijziging van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 naar aanleiding van de ex-post evaluatie sluiten, van de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, doordat het zonder redelijke verantwoording een verschil in behandeling zou invoeren tussen de eigenaars en de bewakers van honden en die van andere dieren, zoals grootvee (eerste onderdeel), evenals tussen de eigenaars en de bewakers van jachthonden die deelnemen aan jachtactiviteiten, en zij die honden opleiden en die hen gedragstherapie geven (tweede onderdeel).

B.8.1. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Dat beginsel verzet zich overigens ertegen dat categorieën van personen, die zich ten aanzien van de betwiste maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat.

Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel.

B.8.2. Artikel 16 van de Grondwet bepaalt : « Niemand kan van zijn eigendom worden ontzet dan ten algemenen nutte, in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald en tegen billijke en voorafgaande schadeloosstelling ».

B.8.3. Artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt : « 1. Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privéleven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling. 2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van 's lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen ». B.9.1. Met betrekking tot de invoering van de bestreden bepaling vermeldt de parlementaire voorbereiding : « Het gebruik bij honden van elektrische halsbanden is dikwijls controversieel. Enerzijds zijn er trainers en gedragstherapeuten die geen bezwaar hebben tegen het gebruik van een elektrische halsband om gedragsproblemen op te lossen. Als voordelen worden het gebruik over grotere afstanden en minder risico op verwondingen aangehaald.

Anderzijds zijn er tegenstanders die argumenteren dat de door de schok veroorzaakte pijn (en angst) dieronvriendelijk, onethisch en onnodig is ten aanzien van de ernst of de aard van het gedragsprobleem dat men wenst op te lossen. In opdracht van de Raad voor Dierenwelzijn werd er in België in 2010 in het kader van een wetenschappelijk rapport uitvoerig onderzoek gedaan naar de welzijnsaspecten bij het gebruik van elektrische halsbanden bij honden. Het rapport ging na of een elektrische schok beschouwd moest worden als een negatieve situatie waaraan een dier zich kan aanpassen met een minimale kost en bijgevolg geen wijziging van zijn welzijn veroorzaakt of als negatieve situatie die een belangrijke aanpassing van het dier vergt waardoor zijn welzijn vermindert. Als algemene conclusie kan in het rapport gelezen worden dat het dierenwelzijn van de hond afhankelijk is van de persoon die de afstandsbediening hanteert » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2017-2017, nr. 1555/1, p. 5).

B.9.2. Aan de afdeling wetgeving van de Raad van State verklaarde de gemachtigde van de Vlaamse Regering : « Het gebruik van elektrische halsbanden bij honden is al lang controversieel omwille van de dierenwelzijnsimplicaties die hiermee gepaard gaan. In verschillende Europese landen, zoals Denemarken, Duitsland, Luxemburg en Roemenië, geldt op dit moment al een totaal verbod op het gebruik van dergelijke halsbanden, in andere landen (Cyprus, Tsjechië, Noorwegen, Zweden en Zwitserland) is het gebruik beperkt. Er gaan meer en meer stemmen op om ook in Vlaanderen het gebruik van en de handel in deze toestellen aan banden te leggen.

De negatieve welzijnsimplicaties hangen niet enkel samen met de gebruikte stroomsterkte en de pijn en angst die het dier hierdoor ervaart. De belangrijkste factor die bepaalt of het gebruik van een stroomhalsband een belangrijk risico voor het dierenwelzijn inhoudt, is de persoon die de afstandsbediening vasthoudt.

Bij verkeerd gebruik hebben elektrische halsbanden een sterke negatieve impact op het dierenwelzijn en kunnen zij o.a. gedragsproblemen (vnl. angstgerelateerd) veroorzaken. Het is immers cruciaal enerzijds dat de prikkel aangepast wordt aan het individuele dier (o.a. afhankelijk van de dikte van de vacht) en anderzijds dat de prikkel op het juiste moment gegeven wordt, zodat de hond de link legt tussen de prikkel en zijn gedrag, en dat het dier begrijpt wat van hem verwacht wordt. Jammer genoeg loopt het hierbij al te vaak fout.

Bovendien blijkt uit onderzoek dat met training met positive reinforcement (beloning) dezelfde resultaten bereikt kunnen worden als met gebruik van een elektrische halsband, zodat dergelijke halsbanden niet onontbeerlijk zijn. Een verbod op het algemene gebruik van deze toestellen kan dan ook verantwoord worden vanuit een dierenwelzijnsperspectief.

Bij deskundig gebruik kunnen elektrische halsbanden in bepaalde gevallen wel een hulpmiddel zijn om honden op te leiden of gedragsproblemen te behandelen. Daarom wordt de Vlaamse Regering gemachtigd om afwijkingen toe te staan voor gebruik bij opleiding of gedragstherapie voor honden » (Raad van State, afdeling wetgeving, advies nr. 62.825/3 van 5 maart 2018, Parl. St., Vlaams Parlement, 2017-2017, nr. 1555/1, pp. 42-43).

B.10.1. Uit de vermelde parlementaire voorbereiding blijkt dat, met het invoeren van een verbod op het gebruik van elektrische halsbanden bij honden, het welzijn van die dieren wordt beoogd. Ter ondersteuning van die beleidskeuze wordt verwezen naar wetenschappelijke studies en adviezen en naar de praktijken in andere landen.

B.10.2. De bescherming van het dierenwelzijn is een legitiem doel van algemeen belang, waarvan het belang met name reeds tot uitdrukking is gekomen in de vaststelling, door de Europese lidstaten, van het aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap gehechte Protocol nr. 33 « betreffende de bescherming en het welzijn van dieren » (Pb. 1997, C 340, p. 110), waarvan de inhoud grotendeels is overgenomen in artikel 13 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

B.11.1. Volgens de verzoekende partijen is een verbod op het gebruik van elektrische halsbanden niet noodzakelijk omdat niet zou vaststaan dat de halsbanden die thans worden gebruikt het welzijn van de honden aantasten. Ze menen integendeel dat het verbod nadelen met zich kan meebrengen voor het dierenwelzijn, doordat loslopende honden, en meer specifiek jachthonden, het slachtoffer kunnen worden van verkeersongevallen indien een dergelijke halsband niet mag worden gebruikt.

B.11.2. De in B.9 vermelde parlementaire voorbereiding vermeldt dat er een zekere controverse bestaat omtrent de schadelijke gevolgen van het gebruik van elektrische halsbanden. De beoordeling van de pijnperceptie bij dieren komt in de eerste plaats toe aan deskundigen in de dierlijke fysiologie. Het komt de decreetgever toe, wanneer hij maatregelen neemt van dierenwelzijn, om zich ervan te vergewissen dat de noodzaak daartoe is aangetoond en om de in het geding zijnde belangen zorgvuldig af te wegen.

B.12. De bestreden bepaling voert een verbod in op het gebruik van elektrische halsbanden bij honden. De Vlaamse Regering kan evenwel afwijkingen op dat verbod toestaan in het kader van de opleiding en gedragstherapie voor honden.

B.13.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 7124 verwijten de bestreden bepaling in de eerste plaats dat ze het gebruik verbiedt van elektrische halsbanden bij honden, terwijl het gebruik van bepaalde elektrische apparatuur bij andere dieren niet is verboden, zoals het gebruik van elektrische veedrijvers of veeprikkers voor het bijeendrijven van vee. Aldus zou de bestreden bepaling leiden tot een verschil in behandeling onder de eigenaars of bewakers van dieren.

B.13.2. Volgens de Vlaamse Regering zouden de voormelde categorieën van personen niet vergelijkbaar zijn en zou de bestreden bepaling om die reden de artikelen 10 en 11 van het Grondwet niet schenden.

B.13.3. Op de vraag van de afdeling wetgeving van de Raad van State waarom het verbod op het gebruik van elektrische halsbanden enkel geldt voor honden en niet voor andere dieren, antwoordde de gemachtigde van de Vlaamse Regering : « Honden en andere diersoorten zijn in deze niet vergelijkbaar daar dergelijke elektrische halsbanden uitsluitend bestaan voor en gebruikt worden bij honden. Enkel voor honden is dan ook aangetoond dat het vrije gebruik van deze systemen een belangrijk risico voor het dierenwelzijn inhoudt. Bovendien is de mate waarin en de soort en complexiteit van de training waaraan honden onderworpen worden niet te vergelijken met training bij andere diersoorten, voor zover die al gebeurt. Bijgevolg gaat het hier om duidelijk verschillende situaties » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2017-2018, nr. 1555/1, p. 43).

B.13.4. De bestreden bepaling regelt het gebruik van elektrische halsbanden bij honden. Een elektrische veedrijver, ook wel veeprikker genoemd, wordt gehanteerd om vee op te drijven. In tegenstelling tot een elektrische halsband bij honden, wordt een elektrische veedrijver niet vastgemaakt op het dier. Dat instrument wordt gebruikt om een kortstondige en eenmalige elektrische schok op de spieren van de achterpoten toe te dienen voor vee dat zich weigert te verplaatsen.

B.13.5. Hoewel beide instrumenten elektrische schokken kunnen toedienen aan dieren en mogelijk hun welzijn kunnen beïnvloeden, zijn de kenmerken en de impact ervan evenals de omstandigheden waarin zij worden gebruikt zeer verschillend. Het gebruik van elektrische halsbanden bij honden kan derhalve niet op nuttige wijze worden vergeleken met het gebruik van elektrische veedrijvers. Voor het overige preciseren de verzoekende partijen niet met welke andere apparaten het gebruik van elektrische halsbanden bij honden wordt vergeleken.

B.14. Het eerste onderdeel van het enige middel in de zaak nr. 7124 is niet gegrond.

B.15. De verzoekende partijen verwijten de bestreden bepaling voorts dat zij niet in de mogelijkheid voorziet om ook een afwijking te voorzien bij het gebruik van jachthonden tijdens de jacht. Aldus zouden de houders van jachthonden, enerzijds, ten onrechte op dezelfde wijze worden behandeld als de houders van andere honden en zouden zij, anderzijds, ten onrechte anders worden behandeld dan de personen die instaan voor de opleiding en gedragstherapie bij honden, voor wie wel een uitzondering kan worden gemaakt.

B.16.1. In het licht van de door de decreetgever nagestreefde doelstelling om het dierenwelzijn te bevorderen, is het niet zonder redelijke verantwoording om het verbod op het gebruik van een elektrische halsband in beginsel van toepassing te verklaren voor alle honden, daar hun welzijn op dezelfde wijze kan worden beïnvloed door het gebruik van een dergelijke halsband.

B.16.2. De verzoekende partijen zijn evenwel van oordeel dat om meerdere redenen in een uitzondering zou moeten worden voorzien voor het gebruik van jachthonden tijdens de jacht. In de eerste plaats zou het gebruik van een elektrische halsband moeten verhinderen dat die honden, door het jachtinstinct dat hen eigen is, het wild blijven opjagen. Voorts moet worden vermeden dat die honden, doordat ze loslopen, zich te ver verwijderen en aldus verkeersongevallen kunnen veroorzaken, met de aansprakelijkheid van de eigenaar of de houder van het dier tot gevolg.

B.16.3. Artikel 1385 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt : « De eigenaar van een dier, of, terwijl hij het in gebruik heeft, degene die zich ervan bedient, is aansprakelijk voor de schade die door het dier is veroorzaakt, hetzij het onder zijn bewaring stond, dan wel verdwaald of ontsnapt was ».

Die aansprakelijkheid geldt op algemene wijze voor de eigenaar of bewaker van een hond. Aangezien het risico dat een hond ontsnapt en mogelijk een verkeersongeval veroorzaakt niet enkel bestaat in het kader van de jacht, kan de aansprakelijkheid die daarvan het gevolg is, niet ertoe noodzaken dat, wat het gebruik van een elektrische halsband betreft, een onderscheid moet worden gemaakt tussen een jachthond en andere honden.

B.17.1. Met de verzoekende partijen kan worden aangenomen dat een jachthond die wordt ingezet tijdens de jacht verschilt van andere honden, doordat zijn jachtinstinct hem ertoe brengt wild op te jagen en te blijven achtervolgen, zodat de eigenaar of bewaker het gedrag van de hond moet corrigeren. Uit die vaststelling kan evenwel niet worden afgeleid dat de decreetgever om die reden voor jachthonden in een afwijking op het verbod van het gebruik van elektrische halsbanden moest voorzien. Ook vóór dat het gebruik van dergelijke halsbanden ingang vond, behoorde het immers tot de verantwoordelijkheid van de eigenaars van jachthonden om hun dieren zodanig op te leiden of te laten opleiden dat hun jachtinstinct wordt beteugeld, waartoe bepaalde trainingstechnieken konden worden aangewend.

B.17.2. Wat de opleiding of gedragstherapie van honden betreft, voorziet de bestreden bepaling in de mogelijkheid voor de Vlaamse Regering om in een uitzondering op het verbod van het gebruik van de elektrische halsband te voorzien. Indien een dergelijke uitzondering wordt ingevoerd, kunnen ook eigenaars van jachthonden er gebruik van maken.

B.18. Uit de in B.9 vermelde parlementaire voorbereiding blijkt dat de keuze om het gebruik van elektrische halsbanden enkel toe te laten voor personen die instaan voor de opleiding of gedragstherapie, is ingegeven door de vaststelling dat het welzijn van de hond afhankelijk wordt geacht van de deskundigheid van de persoon die de afstandsbediening van de elektrische halsband hanteert. Het verschil in behandeling dat daaruit voortvloeit tussen dergelijke gekwalificeerde personen en de eigenaars of houders van jachthonden die niet over dezelfde deskundigheid beschikken, is niet zonder redelijke verantwoording, in het licht van de door de wetgever nagestreefde doelstelling om het dierenwelzijn te bevorderen.

B.19. De verzoekende partijen voeren nog aan dat het verbod op het gebruik van een elektrische halsband een schending zou inhouden van artikel 16 van de Grondwet, doordat die maatregel een verhoogd aansprakelijkheidsrisico voor de eigenaar van een jachthond met zich meebrengt en aldus zijn eigendomsrecht zou aantasten.

B.20.1. Aangezien artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens een draagwijdte heeft die analoog is met die van artikel 16 van de Grondwet, vormen de erin vervatte waarborgen een onlosmakelijk geheel met die welke zijn opgenomen in artikel 16 van de Grondwet, zodat het Hof, bij zijn toetsing van de bestreden bepaling, ermee rekening houdt.

B.20.2. Artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens biedt niet alleen bescherming tegen een onteigening of een eigendomsberoving (eerste alinea, tweede zin), maar ook tegen elke verstoring van het genot van de eigendom (eerste alinea, eerste zin) en elke regeling van het gebruik van de eigendom (tweede alinea).

B.20.3. Volgens artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol tast de bescherming van het eigendomsrecht op geen enkele wijze het recht aan dat een Staat heeft om die wetten toe te passen welke hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang. Een billijk evenwicht dient tot stand te worden gebracht tussen de vereisten van het algemeen belang en die van de bescherming van het eigendomsrecht.

B.20.4. Zoals in B.10.2 is vermeld, vormt de bescherming van het dierenwelzijn een legitiem doel van algemeen belang. Een verbod op het gebruik van elektrische halsbanden dat het welzijn van honden beoogt, vormt een beperking op het genot van het eigendomsrecht die in overeenstemming is met artikel 16 van de Grondwet en artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol. De vergoeding waartoe de eigenaar van een hond kan verplicht worden wegens schade die door het dier is veroorzaakt, is het gevolg van de burgerlijke aansprakelijkheid die voor eenieder geldt en kan niet als een aantasting van het eigendomsrecht worden beschouwd.

B.21.1. Ten slotte voeren de verzoekende partijen nog aan dat het verbod op het gebruik van elektrische halsbanden bij honden ook problematisch is in het licht van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, dat zou vereisen dat de overheid positieve maatregelen neemt tegen loslopende jachthonden teneinde de fysieke integriteit van de bevolking te beschermen.

B.21.2. De verzoekende partijen verwijzen ter ondersteuning van hun grief naar een arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 26 juli 2011 (EHRM, 26 juli 2011, Goergel en Georgeta Stoicescu t.

Roemenië, § § 48-63). In die zaak werd de Roemeense Staat veroordeeld wegens een schending van het voormelde artikel 8, omdat hij onvoldoende maatregelen had genomen tegen het gevaar dat werd veroorzaakt door grote aantallen agressieve zwerfhonden, die zeer talrijke personen hadden verwond.

B.21.3. Uit artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en uit de voormelde rechtspraak kan evenwel geen positieve verplichting van de overheid worden afgeleid om het gebruik van elektrische halsbanden bij jachthonden toe te staan in het kader van jachtactiviteiten ter bescherming van de fysieke integriteit van personen. Het komt immers aan de eigenaar van de hond toe de nodige maatregelen te nemen teneinde te vermijden dat het dier dat onder zijn bewaking staat personen zou verwonden. Het staat niet vast dat het gebruik van een elektrische halsband daartoe noodzakelijk zou zijn, daar ook andere middelen en trainingstechnieken ter beschikking staan van de eigenaar.

B.22. Het enige middel in de zaak nr. 7122 en het tweede onderdeel van het enige middel in de zaak nr. 7124 zijn niet gegrond.

Om die redenen, het Hof verwerpt de beroepen.

Aldus gewezen in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet op het Grondwettelijk Hof, op 24 september 2020.

De griffier, P.-Y. Dutilleux De voorzitter A. Alen

^