Etaamb.openjustice.be
Arrest
gepubliceerd op 25 maart 2019

Uittreksel uit arrest nr. 132/2018 van 11 oktober 2018 Rolnummer 6684 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 38, § 6, tweede en derde lid, van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij het koninklijk besl Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters A. Alen en F. Daoût, en de rechters L. L(...)

bron
grondwettelijk hof
numac
2019201011
pub.
25/03/2019
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

GRONDWETTELIJK HOF


Uittreksel uit arrest nr. 132/2018 van 11 oktober 2018 Rolnummer 6684 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 38, § 6, tweede en derde lid, van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 16 maart 1968, gesteld door de Politierechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge.

Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters A. Alen en F. Daoût, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet en R. Leysen, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter A. Alen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 19 juni 2017 in zake het openbaar ministerie tegen P.C., waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 23 juni 2017, heeft de Politierechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden artikel 38 § 6, leden 2 en 3 van de Wegverkeerswet ( wet van 16 maart 1968Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/03/1968 pub. 21/10/1998 numac 1998000446 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 16 maart 1968 tot coördinatie van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer . - Duitse vertaling De hi(...) - de wet van 10 oktober 1967 houdende het Gerechtelijk Wetboek (Belgisch Staatsblad van 31 oktober (...) sluiten betreffende de politie over het wegverkeer) - in de interpretatie dat voor de toepassing van deze bepalingen enkel vereist is dat de beklaagde, na bij een in kracht van gewijsde getreden vonnis veroordeeld te zijn voor een van de in artikel 38 § 6, eerste lid Wegverkeerswet vermelde misdrijven, binnen een termijn van drie jaar na de uitspraak van dit vonnis opnieuw twee of meer van dergelijke misdrijven pleegt, zonder dat vereist is dat de bewezenverklaring van de nieuw gepleegde misdrijven voorafgaandelijk werd vastgesteld met een in kracht van gewijsde getreden vonnis -, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat bestuurders die twee of meer van deze misdrijven opnieuw begaan binnen de drie jaar na een in kracht van gewijsde getreden vonnis wegens een van deze misdrijven, verschillend behandeld worden naargelang de strafvorderingen uit hoofde van deze misdrijven al dan niet simultaan en/of voor dezelfde rechter behandeld worden, in het bijzonder wanneer zij drie of meer van deze misdrijven opnieuw begaan ? ». (...) III. In rechte (...) B.1. Artikel 38, § 6, van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 16 maart 1968 (hierna : Wegverkeerswet), zoals ingevoegd bij artikel 9 van de wet van 9 maart 2014 en in werking getreden op 1 januari 2015, bepaalt : « Behoudens in geval van artikel 37/1, eerste lid, moet de rechter het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig van ten minste 3 maanden uitspreken, en het herstel van het recht tot sturen afhankelijk maken van het slagen voor de vier examens en onderzoeken bedoeld in § 3, eerste lid, wanneer de schuldige, in de periode van 3 jaar te rekenen van de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan voor één van de overtredingen bedoeld in de artikelen 29, § 1, eerste lid, 29, § 3, derde lid, 30, §§ 1, 2 en 3, 33, §§ 1 en 2, 34, § 2, 35, 37, 37bis, § 1, 48 en 62bis, opnieuw één van deze overtredingen begaat.

Wanneer de schuldige binnen 3 jaar te rekenen van de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan voor één van de in het eerste lid bedoelde overtredingen, twee van deze overtredingen opnieuw begaat, bedraagt het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig ten minste 6 maanden en is het herstel van het recht tot sturen afhankelijk van het slagen voor de vier examens en onderzoeken bedoeld in § 3, eerste lid.

Wanneer de schuldige binnen 3 jaar te rekenen van de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan voor één van de in het eerste lid bedoelde overtredingen, drie of meer van deze overtredingen opnieuw begaat, bedraagt het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig ten minste 9 maanden en is het herstel van het recht tot sturen afhankelijk van het slagen voor de vier examens en onderzoeken bedoeld in § 3, eerste lid ».

B.2. Die bepaling verplicht de rechter ertoe een recidiverende beklaagde te veroordelen tot het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig en het herstel in het recht tot sturen afhankelijk te maken van het slagen voor een theoretisch en een praktisch examen alsook voor een geneeskundig en een psychologisch onderzoek.

De overtredingen waarvoor die verplichting geldt, zijn de verkeersovertredingen van de vierde graad, de zware snelheidsovertredingen, het besturen van een motorvoertuig zonder geldig rijbewijs, het plegen van vluchtmisdrijf, het besturen van een motorvoertuig onder invloed van alcohol of drugs en het tegenwerken van de opsporing en vaststelling van overtredingen (met name door het gebruik van een radardetector).

De termijn van het verval van het recht tot sturen bedraagt minstens drie maanden indien de beklaagde binnen drie jaar na een veroordelend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan opnieuw één van de voormelde overtredingen begaat. Bij een tweede recidive binnen dezelfde periode duurt het verval van het recht tot sturen minstens zes maanden, bij een derde recidive minstens negen maanden.

B.3. Om het jaarlijks aantal verkeersdoden te doen dalen, heeft de wetgever maatregelen willen nemen die een impact op lange termijn hebben en heeft hij met name de herhaling bij overtredingen van de Wegverkeerswet strenger willen bestraffen (Parl. St., Kamer, 2012-2013, DOC 53-2880/001, p. 3) : « Daarnaast wordt recidive van de zwaarste overtredingen zwaarder bestraft. Sedert de wetswijziging van 2 december 2011 is er reeds sprake van recidive voor de combinatie rijden onder invloed van alcohol, dronkenschap en rijden onder invloed van drugs. Nu komt daar vluchtmisdrijf, rijden zonder rijbewijs, overtredingen van de vierde graad, de zwaarste snelheidsovertredingen en het gebruik van de radardetector bij. Wanneer men veroordeeld wordt voor één van deze overtredingen en men één van deze overtredingen opnieuw begaat binnen een periode van drie jaar, zal de rechter een verplicht verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig moeten uitspreken, naast het verplicht opleggen van het theoretisch en praktisch examen en het geneeskundig en psychologisch onderzoek. De duur van het verplicht verval varieert in functie van de ' mate ' van recidive » (ibid., p. 4).

B.4. Artikel 11 van de wet van 6 maart 2018Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/03/2018 pub. 15/03/2018 numac 2018010649 bron federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer Wet ter verbetering van de verkeersveiligheid sluiten ter verbetering van de verkeersveiligheid heeft artikel 38, § 6, van de Wegverkeerswet, met ingang van 15 februari 2018, als volgt vervangen : « De rechter moet het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig van ten minste drie maanden uitspreken en het herstel van het recht tot sturen afhankelijk maken van het slagen voor de vier examens en onderzoeken bedoeld in § 3, eerste lid, wanneer de schuldige, in de periode van drie jaar te rekenen van de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan voor één of meer van de overtredingen bedoeld in de artikelen 29, § 1, eerste lid, 29, § 3, derde lid, 30, §§ 1, 2 en 3, 33, §§ 1 en 2, 34, § 2, 35, 37, 37bis, § 1, 48, 62bis of artikel 22 van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen opnieuw wordt veroordeeld voor één van deze overtredingen.

Wanneer de schuldige binnen drie jaar te rekenen van de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis, waarin toepassing is gemaakt van het eerste lid, en dat in kracht van gewijsde is gegaan voor één van de in het eerste lid bedoelde overtredingen, opnieuw veroordeeld wordt voor één of meer van deze overtredingen, bedraagt het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig ten minste zes maanden en is het herstel van het recht tot sturen afhankelijk van het slagen voor de vier examens en onderzoeken bedoeld in § 3, eerste lid.

Wanneer de schuldige binnen drie jaar te rekenen van de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis, waarin toepassing is gemaakt van het tweede lid, en dat in kracht van gewijsde is gegaan voor één van de in het eerste lid bedoelde overtredingen, opnieuw veroordeeld wordt voor één of meer van deze overtredingen, bedraagt het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig ten minste negen maanden en is het herstel van het recht tot sturen afhankelijk van het slagen voor de vier examens en onderzoeken bedoeld in § 3, eerste lid ».

In de parlementaire voorbereiding wordt die wijziging als volgt toegelicht : « Paragraaf 6 van artikel 38 handelt over de ' gekruiste ' recidive : het herhaald plegen van één van de zes zwaarste overtredingen (zonder dat dit steeds dezelfde overtreding moet zijn) wordt strenger bestraft. Aan dit lijstje van zes zwaarste overtredingen wordt een zevende toegevoegd, namelijk het rijden zonder gedekt te zijn door een burgerrechtelijke aansprakelijkheidsverzekering, zoals beteugeld in artikel 22 van de wet betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorvoertuigen. Anderzijds wordt de strengere bestraffing van recidive niet langer uitgesloten in geval de rechter toepassing maakt van artikel 37/1. In geval van alcoholrecidive is de rechter dus verplicht om de bepaling van artikel 37/1 en de bepaling van artikel 38, § 6, cumulatief toe te passen : een alcoholrecidivist zal eerst minstens drie maanden verval ondergaan en de vier herstelexamens moeten afleggen, om daarna - mits hij hersteld is in het recht tot sturen - minstens een jaar met een alcoholslot te rijden (of gedurende die periode geen motorvoertuig te besturen). De formulering van paragraaf 6 werd licht aangepast om interpretatieproblemen uit te sluiten; het principe van enkelvoudige recidive geldt in geval er een nieuwe veroordeling is binnen de drie jaar na een eerste definitieve veroordeling. Er is enkel sprake van dubbele recidive indien de rechter opnieuw veroordeelt nadat er reeds twee definitieve veroordelingen zijn. Voordat er sprake kan zijn van een trippele recidive zijn drie eerdere veroordelingen vereist. Het is dus niet het aantal nieuwe overtredingen dat in aanmerking moet worden genomen om het soort recidive te bepalen (enkelvoudig, dubbelvoudig, dan wel drievoudig), maar wel het aantal voorafgaande definitieve veroordelingen » (Parl. St., Kamer, 2017-2018, DOC 54-2868/001, pp. 24-25).

Krachtens die nieuwe formulering wordt niet langer het aantal nieuwe overtredingen in aanmerking genomen om de graad van recidive te bepalen, maar wel het aantal nieuwe veroordelingen. De prejudiciële vraag heeft evenwel betrekking op de vroegere formulering. Het komt niet het Hof maar de verwijzende rechter toe te beslissen of de nieuwe bepaling van toepassing is op de feiten waarover hij dient te oordelen.

B.5. De prejudiciële vraag heeft betrekking op het tweede en derde lid van artikel 38, § 6, zoals van toepassing vóór de wijziging ervan bij de wet van 6 maart 2018Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/03/2018 pub. 15/03/2018 numac 2018010649 bron federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer Wet ter verbetering van de verkeersveiligheid sluiten, die door het Hof van Cassatie als volgt zijn uitgelegd : « Uit de tekst van artikel 38, § 6, Wegverkeerswet, de wetsgeschiedenis en de algemene economie van de regeling volgt dat de toepassing van het tweede lid van die bepaling en dus van het opleggen van een verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig van minstens zes maanden en het afhankelijk maken van het herstel van dat recht van het slagen voor de vier examens en onderzoeken, slechts het verenigd zijn vereist van de volgende voorwaarden : 1) de beklaagde werd veroordeeld bij een in kracht van gewijsde gegaan vonnis voor een van de in artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet vermelde misdrijven; 2) de beklaagde pleegt binnen een termijn van drie jaar na de uitspraak van dit vonnis opnieuw twee van dergelijke misdrijven. Niet is vereist dat de bewezenverklaring van de nieuw gepleegde misdrijven voorafgaandelijk werd vastgesteld met een in kracht van gewijsde getreden vonnis » (Cass. 27 september 2016, P.16.0556.N).

B.6. Indien in die interpretatie niet is vereist dat de bewezenverklaring van de nieuw gepleegde misdrijven voorafgaandelijk werd vastgesteld met een in kracht van gewijsde getreden vonnis, wenst de verwijzende rechter van het Hof te vernemen of de in het geding zijnde bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, meer bepaald « doordat bestuurders die twee of meer van deze misdrijven opnieuw begaan binnen de drie jaar na een in kracht van gewijsde getreden vonnis wegens een van deze misdrijven, verschillend behandeld worden naargelang de strafvorderingen uit hoofde van deze misdrijven al dan niet simultaan en/of voor dezelfde rechter behandeld worden, in het bijzonder wanneer zij drie of meer van deze misdrijven opnieuw begaan ».

Indien de beklaagde, zoals in het geding voor de verwijzende rechter, afzonderlijk was vervolgd in beide hem betreffende dossiers, diende de rechter in elk van beide gevallen (met telkens twee tenlasteleggingen), in de hypothese dat hij niet op de hoogte was van het andere dossier, met toepassing van het tweede lid van artikel 38, § 6, het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig van ten minste zes maanden uit te spreken. Nu de dossiers zijn samengevoegd, dient de rechter, met toepassing van het derde lid van dezelfde bepaling, voor beide gevallen samen (vier tenlasteleggingen) het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig van ten minste negen maanden uit te spreken.

Indien de beklaagde met andere woorden voor meerdere overtredingen afzonderlijk wordt vervolgd en de betrokken rechters niet op wettige wijze in kennis zijn gesteld van de andere overtredingen, zou de totale termijn van het verval van het recht tot sturen hoger kunnen uitvallen dan de minimumtermijn van dat verval in geval van een gelijktijdige vervolging, na samenvoeging, van dezelfde overtredingen.

B.7. De Ministerraad werpt op dat het antwoord op de prejudiciële vraag niet noodzakelijk is voor de oplossing van het geschil en dat de aangevoerde ongelijkheid niet voortvloeit uit de in het geding zijnde bepaling.

De verwijzende rechter merkt op dat de rechter die over feiten oordeelt, slechts die feiten in aanmerking kan nemen die hem op wettige wijze ter kennis zijn gebracht. Indien niet is vereist dat de bewezenverklaring van de nieuw gepleegde misdrijven voorafgaandelijk werd vastgesteld met een in kracht van gewijsde getreden vonnis, is de kennis van die feiten niet gewaarborgd en kan de in het geding zijnde bepaling tot een verschil in behandeling van recidiverende bestuurders leiden naargelang de betrokken feiten wel of niet op wettige wijze aan de rechter ter kennis zijn gebracht. Uit die vaststelling vloeit voort dat de excepties van de Ministerraad niet gegrond zijn.

B.8. Die vaststelling leidt evenwel niet tot het besluit dat het verschil in behandeling zonder redelijke verantwoording is. Inzake het verhogen van de verkeersveiligheid beschikt de wetgever over een ruime beoordelingsvrijheid.

Het staat aan de wetgever, in het bijzonder wanneer hij een plaag wil bestrijden die andere preventieve maatregelen tot nog toe onvoldoende hebben kunnen indijken, te beslissen of voor een strengere bestraffing van sommige vormen van delinquentie moet worden geopteerd. Het aantal verkeersongevallen en de gevolgen daarvan verantwoorden dat diegenen die de verkeersveiligheid in het gedrang brengen het voorwerp uitmaken van daartoe geëigende procedures en sancties.

B.9. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 38, § 6, tweede en derde lid, van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 16 maart 1968, zoals van toepassing vóór de wijziging ervan bij de wet van 6 maart 2018Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/03/2018 pub. 15/03/2018 numac 2018010649 bron federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer Wet ter verbetering van de verkeersveiligheid sluiten, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/01/1989 pub. 18/02/2008 numac 2008000108 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet op het Arbitragehof sluiten op het Grondwettelijk Hof, op 11 oktober 2018.

De griffier, F. Meersschaut De voorzitter, A. Alen

^