Etaamb.openjustice.be
Arrest
gepubliceerd op 31 oktober 2017

Uittreksel uit arrest nr. 74/2017 van 15 juni 2017 Rolnummer 6420 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 90, 1°, van het Wetboek van de inkomstbelastingen 1992, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Luxemburg, afdeling Aarl Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en E. De Groot, en de recht(...)

bron
grondwettelijk hof
numac
2017204588
pub.
31/10/2017
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

GRONDWETTELIJK HOF


Uittreksel uit arrest nr. 74/2017 van 15 juni 2017 Rolnummer 6420 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 90, 1°, van het Wetboek van de inkomstbelastingen 1992, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Luxemburg, afdeling Aarlen.

Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en E. De Groot, en de rechters J.-P. Snappe, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet en R. Leysen, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter J. Spreutels, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 20 april 2016 in zake de echtgenoten D. Verdun-Bastogne tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 28 april 2016, heeft de Rechtbank van eerste aanleg Luxemburg, afdeling Aarlen, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 90, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, in die zin geïnterpreteerd dat het de belasting als diverse inkomsten van de normale verrichtingen van beheer van een privévermogen bestaande uit onroerende goederen, portefeuillewaarden en roerende voorwerpen, en niet de normale verrichtingen van beheer van een privévermogen bestaande uit immateriële roerende goederen, uitsluit, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet ? ». (...) III. In rechte (...) B.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 90, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992), in de versie ervan die van toepassing is op het aanslagjaar 2011, dat bepaalt : « Diverse inkomsten zijn : 1° onverminderd het bepaalde in 8° en 10°, winst of baten, hoe ook genaamd, die zelfs occasioneel of toevallig, buiten het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid, voortkomen uit enige prestatie, verrichting of speculatie of uit diensten bewezen aan derden, daaronder niet begrepen normale verrichtingen van beheer van een privé-vermogen bestaande uit onroerende goederen, portefeuillewaarden en roerende voorwerpen; [...] ».

B.2. Overeenkomstig artikel 171, 1°, a), van het WIB 1992, zoals van toepassing op het aanslagjaar 2011, zijn de in artikel 90, 1°, van het WIB 1992 bedoelde diverse inkomsten, in afwijking van de artikelen 130 tot 168 van het WIB 1992, in principe afzonderlijk belastbaar tegen een aanslagvoet van 33 pct., « behalve wanneer de aldus berekende belasting, vermeerderd met de belasting betreffende de andere inkomsten, meer bedraagt dan die welke zou voortvloeien uit de toepassing van de evenvermelde artikelen op het geheel van de belastbare inkomsten ».

Met artikel 171 van het WIB 1992 wilde de wetgever de strenge gevolgen vermijden die de strikte toepassing van de progressiviteit van de personenbelasting zou meebrengen voor belastingplichtigen die sommige inkomsten met een veeleer exceptioneel karakter verkrijgen. Luidens de parlementaire voorbereiding beoogde de wetgever « de progressiviteit van de belasting te remmen wanneer het belastbaar inkomen niet-periodieke inkomsten behelst » (Parl. St., Kamer, 1961-1962, nr. 264/1, p. 85; ibid., nr. 264/42, p. 126).

B.3.1. Aan het Hof wordt een vraag gesteld over de bestaanbaarheid van die bepaling met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in die zin geïnterpreteerd dat zij van de belasting als diverse inkomsten de normale verrichtingen van beheer van een privévermogen bestaande uit onroerende goederen, portefeuillewaarden en roerende voorwerpen uitsluit, en niet de normale verrichtingen van beheer van een privévermogen bestaande uit immateriële roerende goederen, die bijgevolg belastbaar zijn.

B.3.2. Daaruit vloeit voort dat enkel de laatste woorden van artikel 90, 1°, van het WIB 1992 in het geding zijn, in zoverre occasionele winst of baten die voortkomen uit « normale verrichtingen van beheer van een privé-vermogen bestaande uit onroerende goederen, portefeuillewaarden en roerende voorwerpen », daarin van de belasting als diverse inkomsten worden vrijgesteld.

B.4. Het geschil voor de verwijzende rechter heeft betrekking op de belasting als diverse inkomsten van de occasionele inkomsten die voortvloeien uit de overdracht, in de vorm van een quasi-inbreng, van een handelszaak-apotheek aan een door de overdraagster opgerichte bvba, waarvan het maatschappelijk doel met name bestaat in het exploiteren en verhuren van apotheken. Die door erfopvolging verkregen handelszaak was gedurende bijna 40 jaar in het bezit van de overdraagster. De verwijzende rechter heeft geoordeeld dat de aldus gegenereerde inkomsten geen beroepswerkzaamheid betroffen.

B.5. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet waarborgen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Artikel 172 van de Grondwet is een bijzondere toepassing van dat beginsel in fiscale zaken.

Het gelijkheidsbeginsel in fiscale zaken verbiedt de wetgever niet een fiscaal voordeel toe te kennen aan sommige belastingplichtigen, op voorwaarde dat het aldus ingevoerde verschil in behandeling redelijk kan worden verantwoord.

B.6. Uit de formulering van de prejudiciële vraag en uit de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt dat het Hof wordt verzocht om, enerzijds, de belastingplichtigen die worden vrijgesteld van belasting op occasionele winst of baten die voortkomen uit normale verrichtingen van beheer van een privévermogen bestaande uit onroerende goederen, portefeuillewaarden en roerende voorwerpen, en, anderzijds, de belastingplichtigen die op grond van diverse inkomsten worden belast wegens occasionele winst of baten die voortkomen uit een verrichting met betrekking tot een immaterieel roerend goed zoals een handelszaak, met elkaar te vergelijken. In tegenstelling tot hetgeen de Ministerraad aanvoert, betreft het hier categorieën die zowel identificeerbaar als vergelijkbaar zijn.

B.7.1. De in het geding zijnde bepaling neemt de inhoud over van artikel 67, 1°, van het WIB 1964, dat zelf de inhoud overnam van artikel 17, § 1, 1°, van de wet van 20 november 1962 houdende hervorming van de inkomstenbelastingen (hierna : de wet van 20 november 1962).

B.7.2.1. Uit de parlementaire voorbereiding van artikel 17 van de wet van 20 november 1962 blijkt dat de wetgever de verrichtingen met betrekking tot het normale beheer van een privévermogen van de belasting heeft willen uitsluiten : « Feitelijk wijkt het beheer van een vermogen af van de uitoefening van een winstgevende betrekking of van de speculatie, zowel door de aard van de goederen - d.z. onroerende goederen, waarden in portefeuille, roerende voorwerpen (allemaal goederen die normalerwijze een privaat vermogen uitmaken) - als door de aard van de daden die met betrekking tot die goederen verricht worden : daden die een goed huisvader verricht voor het dagelijks beheer, maar tevens met het oog op het winstgevend maken, de tegeldemaking en de wederbelegging van bestanddelen van een vermogen, d.i. van goederen die hij heeft verkregen door erfopvolging, schenking of door eigen sparen, of nog als wederbelegging van vervreemde goederen » (Parl. St., Senaat, 1961-1962, nr. 366, p. 147).

De « onroerende goederen, waarden in portefeuille en roerende voorwerpen », waarnaar artikel 17, § 1, 1°, in fine, van de voormelde wet van 20 november 1962 verwijst, worden door de fiscale wetgever dan ook opgevat als « allemaal goederen die normalerwijze een privaat vermogen uitmaken » (ibid.).

B.7.2.2. Artikel 17, § 1, 1°, van de wet van 20 november 1962 voorzag daarentegen in het belasten van « de winsten of baten van alleenstaande winstgevende verrichtingen die buiten het kader van het gewoon beheer van een vermogen vallen » (ibid., p. 148), die voordien niet belastbaar waren : « De beoogde inkomsten bestaan voornamelijk uit baten van verrichtingen die slechts occasioneel, toevallig of niet dikwijls genoeg voorkomen om een werkelijke bezigheid uit te maken.

Deze verrichtingen kunnen bijzonder winstgevend zijn en het zou onbillijk zijn dat, in een systeem van een enige belasting, de netto-opbrengst van zulke verrichtingen aan elke heffing zou ontkomen, des te min daar sommige van deze verrichtingen weinig belangstelling verdienen, vooral dan op het gebied van de speculatie.

De beschouwde inkomsten kunnen van verschillende bronnen voortkomen : prestaties voor derden, verrichtingen van commerciële of industriële aard, speculaties op goederen, toevallige adviezen, enz., verstaan zijnde dat de winsten of baten van verrichtingen die ingeschakeld zijn in een regelmatige bedrijfsactiviteit terzake niet worden beoogd.

Anderzijds wordt met klem onderstreept dat de resultaten van het normale beheer van een privaat vermogen, bestaande uit onroerende goederen, waarden in portefeuille en roerende voorwerpen, niet door de belasting zullen worden getroffen.

Te dezen wordt niets aan het huidige regime gewijzigd » (Parl. St., Kamer, 1961-1962, nr. 264/1, p. 77).

B.7.2.3. Daaruit vloeit voort dat artikel 17 van de wet van 20 november 1962 : « 1° de baten treft uit verrichtingen die aan de belasting ontsnappen omdat ze occasioneel of toevallig waren terwijl de huidige wet slechts de winstgevende bezigheden treft; 2° uitdrukkelijk de vrijstelling bevestigt ten voordele van de verrichtingen van beheer van een privaat vermogen » (Parl.St., Kamer, 1961-1962, nr. 264/42, p. 104).

B.8. Het komt de wetgever toe de grondslag van de personenbelasting en de belastingvrijstellingen vast te stellen. Hij beschikt ter zake over een ruime beoordelingsmarge. Het staat niet aan het Hof te oordelen over de opportuniteit of de wenselijkheid van die vrijstellingen.

B.9.1. De belastbaarheid, als diverse inkomsten, van alle - zelfs occasionele of toevallige - winst of baten buiten het kader van een beroepswerkzaamheid, is ingevoerd bij artikel 17, § 1, 1°, van de wet van 20 november 1962, waarvan de inhoud is overgenomen in artikel 90, 1°, van het WIB 1992, waarbij die inkomsten in principe belastbaar zijn tegen een aanslagvoet van 33 pct., overeenkomstig artikel 171, 1°, a), van het WIB 1992.

In de laatste woorden van artikel 90, 1°, van het WIB 1992 worden de occasionele winst of baten die voortkomen uit normale verrichtingen van beheer van een vermogen bestaande uit onroerende goederen, portefeuillewaarden en roerende voorwerpen, evenwel uitgesloten van de kwalificatie als diverse inkomsten en, bijgevolg, vrijgesteld van belasting.

Die bepaling wijkt dan ook af van het in het eerste deel van artikel 90, 1°, van het WIB 1992 gestelde beginsel van het belasten van alle occasionele winst of baten als diverse inkomsten. Die uitzondering op de belasting dient strikt te worden geïnterpreteerd.

B.9.2. Door de goederen waarop « normale verrichtingen van beheer van een privé-vermogen » die aanleiding kunnen geven tot een belastingvrijstelling, betrekking hebben, limitatief op te sommen, heeft de wetgever, in de laatste woorden van artikel 90, 1°, van het WIB 1992, immateriële roerende goederen zoals een handelszaak uitgesloten van het voordeel van die vrijstelling (Cass., 24 oktober 1975, Arr. Cass., 1976, I, p. 244; Cass., 10 september 2010, Arr.

Cass., 2010, nr. 507).

B.9.3. Het in B.6 beschreven verschil in behandeling is niet zonder redelijke verantwoording.

Immers, in tegenstelling tot hetgeen de eisende partijen voor de verwijzende rechter aanvoeren, blijkt uit de in B.7.2 aangehaalde parlementaire voorbereiding dat de in de in het geding zijnde bepaling vervatte vrijstelling is ingevoerd met verwijzing naar goederen die normalerwijze het privévermogen van een goede huisvader uitmaken.

Door enkel occasionele winst of baten die voortkomen uit normale verrichtingen van beheer van een privévermogen bestaande uit « onroerende goederen, portefeuillewaarden en roerende voorwerpen » van belasting vrij te stellen, vermocht de wetgever op legitieme wijze het voordeel van de belastingvrijstelling te willen beperken tot de goederen die meestal een privévermogen uitmaken en bijgevolg aanleiding kunnen geven tot occasionele winst of baten die door het « normale beheer » van dat vermogen worden gegenereerd.

B.10. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 90, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, in de versie ervan die van toepassing is op het aanslagjaar 2011, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/01/1989 pub. 18/02/2008 numac 2008000108 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet op het Arbitragehof sluiten op het Grondwettelijk Hof, op 15 juni 2017.

De griffier, F. Meersschaut De voorzitter, J. Spreutels

^