Etaamb.openjustice.be
Arrest
gepubliceerd op 14 juli 2016

Uittreksel uit arrest nr. 65/2016 van 11 mei 2016 Rolnummer : 6208 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 193bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Henegouwen, afdeling B Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en E. De Groot, en de recht(...)

bron
grondwettelijk hof
numac
2016203093
pub.
14/07/2016
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

GRONDWETTELIJK HOF


Uittreksel uit arrest nr. 65/2016 van 11 mei 2016 Rolnummer : 6208 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 193bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Henegouwen, afdeling Bergen.

Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en E. De Groot, en de rechters L. Lavrysen, A. Alen, T. MerckxVan Goey, F. Daoût en T. Giet, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter J. Spreutels, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 13 april 2015 in zake de cvba « Repassvite » tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 22 mei 2015, heeft de Rechtbank van eerste aanleg Henegouwen, afdeling Bergen, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 193bis van het WIB 1992 de artikelen 10, 11 en 170 [lees : 172] van de Grondwet, in zoverre het de tewerkstellingspremies en de beroepsoverstappremies die door de bevoegde gewestelijke instellingen aan vennootschappen worden toegekend en die beantwoorden aan de verordening (EG) nr. 2204/2002 van de Europese Commissie van 12 december 2002 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op werkgelegenheidssteun, of die in dat kader door de Europese Commissie worden of zijn aanvaard, met uitsluiting van de steunmaatregelen voor de werkgelegenheid die door andere overheidsinstellingen of overheden en met name federale instellingen worden toegekend (bijvoorbeeld het Activaplan en/of Sine-maatregelen), zou vrijstellen van de vennootschapsbelasting, terwijl de toepassing van die bepaling, in die interpretatie, een niet redelijk verantwoord verschil in behandeling zou invoeren tussen, enerzijds, de begunstigden van gewestelijke werkgelegenheidssteun en, anderzijds, de begunstigden van federale werkgelegenheidssteun die eenzelfde doel nastreven, namelijk de beroepsherinschakeling van de werklozen die heel moeilijk opnieuw in de arbeidswereld kunnen worden geïntegreerd, en die financiële steun vormen die wordt toegekend om de ondernemingen ertoe aan te moedigen de voorkeur te geven aan diezelfde categorie van werknemers met toepassing van de verordening (EG) nr. 2204/2002 van de Europese Commissie ? ». (...) III. In rechte (...) B.1.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 193bis, § 1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna : WIB 1992), dat bepaalt : « De tewerkstellingspremies en beroepsoverstappremies, die door de bevoegde gewestelijke instellingen worden toegekend aan vennootschappen en die beantwoorden aan de in de Verordening (EG) nr. 2204/2002 van 12 december 2002 van de Europese Commissie inzake de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-verdrag op staatssteun voor tewerkstelling gestelde voorwaarden of die in dat kader door de Europese Commissie worden aanvaard of aanvaard zijn, zijn vrijgestelde inkomsten ten name van deze laatste.

Kapitaal- en interestsubsidies die door de gewesten in het kader van de economische expansiewetgeving worden toegekend aan vennootschappen om immateriële en materiële vaste activa aan te schaffen of tot stand te brengen, zijn vrijgestelde inkomsten ten name van deze laatste ».

B.1.2. Het verwijzende rechtscollege stelt aan het Hof een vraag over het verschil in behandeling, dat uit het eerste lid van die bepaling voortvloeit, tussen de belastingplichtigen die vanwege de gewesten premies krijgen toegekend, die van de vennootschapsbelasting zijn vrijgesteld, en de belastingplichtigen die vanwege andere overheden, en in het bijzonder de federale Staat, premies krijgen toegekend, die niet zijn vrijgesteld.

B.2.1. Artikel 193bis is in het WIB 1992 ingevoegd bij artikel 117 van de wet van 23 december 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 23/12/2005 pub. 30/12/2005 numac 2005021175 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet betreffende het generatiepact type wet prom. 23/12/2005 pub. 30/12/2005 numac 2005021170 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet houdende diverse bepalingen sluiten betreffende het generatiepact. Het maakt deel uit van een bij dat artikel ingevoerde onderafdeling met als titel « Vrijgestelde gewestelijke steunmaatregelen ». De wet van 23 december 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 23/12/2005 pub. 30/12/2005 numac 2005021175 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet betreffende het generatiepact type wet prom. 23/12/2005 pub. 30/12/2005 numac 2005021170 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet houdende diverse bepalingen sluiten bevat een groot aantal diverse maatregelen, waaronder bepalingen van financiële aard.

B.2.2. De verantwoording voor het amendement van de Regering dat heeft geleid tot artikel 117 van de voormelde wet van 23 december 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 23/12/2005 pub. 30/12/2005 numac 2005021175 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet betreffende het generatiepact type wet prom. 23/12/2005 pub. 30/12/2005 numac 2005021170 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet houdende diverse bepalingen sluiten, geeft aan : « Deze bepalingen strekken er toe voor vennootschappen : a) de gewestelijke tewerkstellingspremies en beroepsoverstappremies die door de bevoegde Gewestelijke instellingen worden toegekend, en b) de kapitaal- en interestsubsidies die door de Gewesten in het kader van de economische expansiewetgeving worden toegekend die het voorwerp zullen zijn van een betekening vanaf 1 januari 2006 van belasting vrij te stellen voor zover de datum van betekening ten vroegste behoort tot het belastbaar tijdperk dat aan het aanslagjaar 2007 verbonden is. De in punt a) van het vorige lid vermelde premies bestaan uit alle Gewestelijke financiële tussenkomsten ten voordele van de aanwerving van benadeelde werknemers. Deze premies dienen aan de voorwaarden bedoeld in de Verordening (EG) nr. 2204/2002 van 12 december 2002 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op werkgelegenheidssteun te beantwoorden, of worden aanvaard of aanvaard zijn door de Europese Commissie in dat kader. [...] Teneinde de initiatieven van de Gewesten inzake de verhoging van de activiteitsgraad en inzake economische expansie te ondersteunen heeft de Regering beslist de tewerkstellings- en beroepsoverstappremies en de kapitaal- en interestsubsidies in het kader van de economische expansiewetgeving toegekend door de Gewesten vrij te stellen » (Parl.

St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-2128/003, pp. 9-10).

B.2.3. In haar advies over dat amendement had de afdeling wetgeving van de Raad van State de aandacht gevestigd op het verschil in behandeling dat in de prejudiciële vraag in het geding wordt gebracht : « In dezelfde gedachtegang zou het ontwerp, doordat het de vrijstelling waarin het voorziet alleen verleent voor sommige premies die op basis van gewestelijke wetgevingen worden toegekend, vatbaar kunnen zijn voor de kritiek dat een verschil in behandeling wordt gecreëerd tussen premies toegekend door de gewesten en premies verleend door andere overheden (gemeenschappen, gemeenten, provincies,...), zonder dat er aanvaardbare redenen zijn wat dit betreft. De verantwoording van het amendement moet derhalve worden aangevuld om te doen blijken dat het ontworpen amendement eveneens uit dit oogpunt een afdoende en evenredige maatregel is die ertoe strekt een legitiem doel te bereiken op basis van een objectief en redelijk onderscheidingscriterium » (ibid., p. 13).

B.2.4. Tijdens de besprekingen in de commissie heeft de minister gepreciseerd dat de in het geding zijnde bepaling beantwoordde aan « de vraag van de verschillende voorzitters van de gewestregeringen » en verheugde een commissielid zich erover dat « de federale regering eindelijk rekening [hield] met het beleid zoals het gevoerd wordt door de gewesten » (Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-2128/012, pp. 5 en 14).

B.3. Bij het bepalen van zijn beleid in fiscale zaken beschikt de wetgever over een ruime beoordelingsbevoegdheid. Dat is met name het geval wanneer hij beslist een belastingvrijstelling in te voeren. Hij kan onder meer, met die maatregel, beslissen het beleid te ondersteunen dat andere bevoegdheidsniveaus voeren, zoals het gewestelijk werkgelegenheidsbeleid. Hij kan eveneens willen voorkomen dat een deel van de middelen die de gewesten aan hun beleid in die materie wijden, zijn doel mist door de werking van de reglementering inzake de vennootschapsbelasting.

B.4.1. Het verschil in fiscale behandeling dat in de prejudiciële vraag in het geding wordt gebracht tussen de belastingvrije premies en de premies die niet belastingvrij zijn, berust op het criterium van het bevoegdheidsniveau dat deze toekent. Een dergelijk criterium is objectief. Het is ook relevant ten aanzien van het doel van de wetgever om de initiatieven van de gewesten ter bevordering van de werkgelegenheid te ondersteunen of niet te dwarsbomen.

B.4.2. De door de federale overheid toegekende premies verschillen, hoewel zij net als de gewestelijke premies de tewerkstelling van moeilijk te plaatsen personen beogen te bevorderen, immers van die laatstgenoemde in zoverre zij worden toegekend door hetzelfde bevoegdheidsniveau als hetwelk bevoegd is om over de vennootschapsbelasting te beslissen. De federale wetgever vermocht rekening te houden met de weerslag van de vennootschapsbelasting op het beleid van de gewesten inzake de sociale inschakelingseconomie, zonder dat dit noodzakelijkerwijze diende mee te brengen dat hij voor de eigen maatregelen ter ondersteuning van de werkgelegenheid in een fiscale vrijstelling diende te voorzien. Het behoort immers tot zijn beoordelingsbevoegdheid om te beslissen de door hemzelf toegekende premies al dan niet vrij te stellen.

B.5. De toekenning van de gewestelijke premies sluit de toekenning van federale premies zoals die welke de vennootschap in het voor het verwijzende rechtscollege hangende geschil heeft ontvangen, overigens niet noodzakelijk uit. De fiscale behandeling van de premies die door de federale overheid en door de deelentiteiten worden toegekend overeenkomstig hun respectieve bevoegdheden, leidt dus niet tot een onverantwoord verschil in behandeling tussen de ondernemingen die, naar gelang van het geval, premies kunnen ontvangen die zijn toegekend door de federale overheid en door de gewestelijke overheden waaronder zij ressorteren.

B.6. Uit hetgeen voorafgaat, vloeit voort dat het gegeven dat de wetgever het niet opportuun heeft geacht te voorzien in een belastingvrijstelling voor de door de federale overheid toegekende premies voor werkgelegenheidssteun, terwijl de in het geding zijnde bepaling voorziet in een belastingvrijstelling voor de gewestelijke tewerkstellingspremies en beroepsoverstappremies, geen verschil in behandeling doet ontstaan dat niet bestaanbaar is met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet.

De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 193bis, § 1, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 schendt de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet niet.

Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/01/1989 pub. 18/02/2008 numac 2008000108 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet op het Arbitragehof sluiten op het Grondwettelijk Hof, op 11 mei 2016.

De griffier, P.-Y. Dutilleux De voorzitter, J. Spreutels

^