Etaamb.openjustice.be
Arrest
gepubliceerd op 17 maart 2014

Uittreksel uit arrest nr. 157/2013 van 21 november 2013 Rolnummer : 5533 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 21, tweede lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, gesteld door de Raad van State Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en M. Bossuyt, en de rechte(...)

bron
grondwettelijk hof
numac
2014200285
pub.
17/03/2014
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

GRONDWETTELIJK HOF


Uittreksel uit arrest nr. 157/2013 van 21 november 2013 Rolnummer : 5533 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 21, tweede lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, gesteld door de Raad van State.

Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en M. Bossuyt, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Moerman, E. Derycke en P. Nihoul, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter J. Spreutels, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest nr. 221.534 van 27 november 2012 in zake de gemeente Baelen tegen het Waalse Gewest, tussenkomende partijen : Steve Orban en Martine Gerkens, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 10 december 2012, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 21, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met het algemene rechtsbeginsel van de rechten van de verdediging en met het recht op een eerlijk proces, gewaarborgd bij artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens : - in zoverre het ten aanzien van de verzoekende partijen een onverantwoord verschil in behandeling doet ontstaan doordat zij, enerzijds, tegenover de tegenpartij en, anderzijds, tegenover de tussenkomende partij staan, waarbij zij enkel over een termijn van zestig dagen beschikken om een memorie van wederantwoord neer te leggen na kennisgeving te hebben gekregen van de memorie van antwoord van de tegenpartij en niet na kennisgeving van de memorie ten gronde van de tussenkomende partij; - in zoverre het een onverantwoord verschil in behandeling doet ontstaan tussen, enerzijds, de verzoekende partijen aan wie kennis wordt gegeven van de memorie van de tussenkomende partij vóór het verstrijken van de termijn van 60 dagen die is vastgesteld voor het toesturen van de memorie van wederantwoord, waardoor zij erop kunnen repliceren via hun memorie van wederantwoord, en, anderzijds, de verzoekende partijen aan wie kennis wordt gegeven van de genoemde memorie van de tussenkomende partij na of aan het einde van de hiervoor bedoelde termijn, waardoor zij niet erop kunnen repliceren ? ». (...) III. In rechte (...) B.1.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op de bestaanbaarheid van artikel 21, tweede lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met het algemene rechtsbeginsel van de inachtneming van de rechten van de verdediging en met het recht op een eerlijk proces, gewaarborgd bij artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

B.1.2. Artikel 21, eerste en tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt : « De termijnen waarbinnen de partijen hun memories, het administratief dossier of de door de afdeling bestuursrechtspraak gevraagde stukken of inlichtingen moeten toesturen, worden bij in Ministerraad overlegd koninklijk besluit vastgesteld.

Wanneer de verzoekende partij de termijnen voor het toesturen van de memorie van wederantwoord of van de aanvullende memorie niet eerbiedigt, doet de afdeling, nadat de partijen die daarom verzocht hebben gehoord zijn, zonder verwijl uitspraak, waarbij het ontbreken van het vereiste belang wordt vastgesteld ».

B.1.3. Aan het Hof wordt een vraag gesteld over de grondwettigheid van het tweede lid van die bepaling wanneer, in het geval waarin een in de rechtspleging tussenkomende partij de Raad van State verzoekt het beroep tot nietigverklaring te verwerpen, de memorie van die tussenkomende partij ter kennis van de verzoekende partij wordt gebracht aan het einde of na het verstrijken van de haar opgelegde termijn om te repliceren op de memorie van antwoord van de tegenpartij.

In dat geval is de verzoekende partij niet in staat, teneinde de termijn te eerbiedigen waarbinnen haar memorie van wederantwoord aan de griffie moet worden toegestuurd, in die memorie te antwoorden op de argumenten die de tussenkomende partij in haar memorie heeft voorgesteld. Indien de verzoekende partij daarentegen wacht op de kennisgeving van de memorie van de tussenkomende partij om daarop in haar memorie van wederantwoord te kunnen antwoorden, loopt zij het risico dat de afdeling bestuursrechtspraak met toepassing van de in het geding zijnde bepaling een gebrek aan belang te haren aanzien vaststelt.

B.1.4. Aldus zou bij het voormelde artikel 21, tweede lid, met betrekking tot de uitoefening van de rechten van de verdediging een verschil in behandeling worden teweeggebracht tussen de verzoekende partijen voor de Raad van State, enerzijds, naargelang zij enkel tegenover een tegenpartij staan of naargelang zij tegelijkertijd tegenover een tegenpartij en een tussenkomende partij staan en, anderzijds, volgens het ogenblik waarop zij kennis nemen van de memorie van de tussenkomende partij ten opzichte van de datum die hun wordt opgelegd voor het toesturen van hun memorie van wederantwoord.

B.2. De termijn waarover de verzoekende partij beschikt om haar memorie van wederantwoord aan de Raad van State te doen toekomen, wordt vastgesteld bij artikel 7 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, dat bepaalt : « Een afschrift van de memorie van antwoord wordt aan de verzoekende partij overgemaakt door de griffier, die haar tevens van de neerlegging van het dossier ter griffie in kennis stelt. De verzoekende partij beschikt over zestig dagen om aan de griffie een memorie van wederantwoord te laten geworden.

Een afschrift ervan wordt door de griffier aan de verwerende partij overgemaakt ».

Artikel 8 van hetzelfde besluit bepaalt : « Zo de verwerende partij verzuimt, binnen de bepaalde termijn een memorie van antwoord te laten geworden, wordt de verzoekende partij hiervan door de griffier in kennis gesteld en mag zij de memorie van wederantwoord door een toelichtende memorie vervangen ».

B.3. De in het geding zijnde bepaling is bij artikel 1 van de wet van 17 oktober 1990 ingevoegd in de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Zij maakt deel uit van een reeks maatregelen waarmee de wetgever beoogde de duur van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te beperken en de ontstane achterstand weg te werken (Parl. St., Senaat, 1989-1990, nr. 984-1, p. 1, en nr. 984-2, p. 2, en Hand., Senaat, 12 juli 1990, pp. 2640 en volgende).

De parlementaire voorbereiding omtrent die bepaling preciseerde dat « het [...] de bedoeling [is] te verhelpen aan de al dan niet door sommige gedingvoerende partijen gewilde langdurigheid van de procedures die voor de Raad van State worden aangespannen. Het niet respecteren van de termijnen voor het toesturen van de memories zal van rechtswege geacht worden gelijk te staan met het niet meer doen blijken van het in artikel 19 vereiste belang » (Parl. St., Senaat, 1989-1990, nr. 984-1, p. 3).

Uit de parlementaire voorbereiding blijkt bovendien dat de wetgever de bedoeling had strenge gevolgen te verbinden aan het niet respecteren van de termijnen en dat hij ervan uitging dat de Raad van State, bij de kennisgevingen van de griffier, de verzoekende partij zou herinneren aan de wettelijke gevolgen van de afwezigheid of de laattijdigheid van antwoord (ibid., pp. 4 en 43).

B.4.1. Zoals de Ministerraad opmerkt, vinden de in de prejudiciële vraag vermelde verschillen in behandeling niet hun oorsprong in de in het geding zijnde bepaling, die zich ertoe beperkt te preciseren welk gevolg is verbonden aan het niet toesturen van een memorie van wederantwoord of van een aanvullende memorie door de verzoekende partij binnen de termijn waarover zij beschikt.

Die verschillen in behandeling vloeien in werkelijkheid voort uit het feit dat de aan de verzoekende partij toegekende termijn om haar memorie van wederantwoord aan de griffie te doen toekomen, loopt vanaf de dag die volgt op de dag waarop zij kennisgeving krijgt van de memorie van antwoord van de tegenpartij, krachtens artikel 7 van het voormelde besluit van de Regent van 23 augustus 1948, terwijl die bepaling niet voorziet in de mogelijkheid dat een memorie wordt neergelegd door een tussenkomende partij die na de kennisgeving van de memorie van antwoord van de tegenpartij de verwerping van het verzoekschrift vordert. Krachtens artikel 159 van de Grondwet staat het aan de Raad van State de grondwettigheid van het voormelde artikel 7 te beoordelen dat, in voorkomend geval, in dat bijzondere geval wordt toegepast.

B.4.2. Het komt eveneens de Raad van State toe te onderzoeken of de procedure die werd gevolgd, te dezen in overeenstemming is met de vereisten van een eerlijk proces. In dat verband oordeelt de Raad van State dat de niet-tijdige tussenkomst, hoewel zij krachtens artikel 21bis, § 1, vijfde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan worden aanvaard voor zover zij de procedure « op generlei wijze vertraagt », « evenmin [de rechten] van verdediging [mag] aantasten » (RvSt, arrest Coomans, 17 november 2008, nr. 187.998). Het komt de Raad van State toe te onderzoeken of de onmogelijkheid voor de verzoekende partij om in haar memorie van wederantwoord te antwoorden op de argumenten van de tussenkomende partij, de rechten van de verdediging te dezen al dan niet aantast.

Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 21, tweede lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/01/1989 pub. 18/02/2008 numac 2008000108 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet op het Arbitragehof sluiten op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 21 november 2013.

De griffier, P.-Y. Dutilleux De voorzitter, J. Spreutels

^