Etaamb.openjustice.be
Arrest
gepubliceerd op 13 maart 2014

Uittreksel uit arrest nr. 147/2013 van 7 november 2013 Rolnummer : 5508 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 318 van het Burgerlijk Wetboek, zoals vervangen bij artikel 7 van de wet van 1 juli 2006 tot wijziging van de bepalin Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en J. Spreutels, en de rechte(...)

bron
grondwettelijk hof
numac
2013206977
pub.
13/03/2014
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

GRONDWETTELIJK HOF


Uittreksel uit arrest nr. 147/2013 van 7 november 2013 Rolnummer : 5508 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 318 van het Burgerlijk Wetboek, zoals vervangen bij artikel 7 van de wet van 1 juli 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 01/07/2006 pub. 29/12/2006 numac 2006009998 bron federale overheidsdienst justitie Wet tot wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het vaststellen van de afstamming en de gevolgen ervan sluiten tot wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het vaststellen van de afstamming en de gevolgen ervan, en gewijzigd bij artikel 368 van de wet van 27 december 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 27/12/2006 pub. 28/12/2006 numac 2006021363 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet houdende diverse bepalingen (1) type wet prom. 27/12/2006 pub. 28/12/2006 numac 2006021365 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet houdende diverse bepalingen (1) sluiten houdende diverse bepalingen (I), gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Brugge.

Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en J. Spreutels, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, E. Derycke, P. Nihoul, F. Daoût en T. Giet, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij vonnis van 22 oktober 2012 in zake K.S. en A.S. tegen C.H. en anderen, en K.S. en A.S. tegen M.H. en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 31 oktober 2012, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Brugge de volgende prejudiciële vragen gesteld : « 1. Houdt artikel 318 BW zoals vervangen door art. 7 van de wet van 1 juli 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 01/07/2006 pub. 29/12/2006 numac 2006009998 bron federale overheidsdienst justitie Wet tot wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het vaststellen van de afstamming en de gevolgen ervan sluiten en gewijzigd door art. 368 van de wet van 27 december 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 27/12/2006 pub. 28/12/2006 numac 2006021363 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet houdende diverse bepalingen (1) type wet prom. 27/12/2006 pub. 28/12/2006 numac 2006021365 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet houdende diverse bepalingen (1) sluiten, houdende diverse bepalingen (I), in samenlezing met art. 25 van de wet van 1 juli 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 01/07/2006 pub. 29/12/2006 numac 2006009998 bron federale overheidsdienst justitie Wet tot wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het vaststellen van de afstamming en de gevolgen ervan sluiten, een schending in van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre art. 25, § 4, van de wet van 1 juli 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 01/07/2006 pub. 29/12/2006 numac 2006009998 bron federale overheidsdienst justitie Wet tot wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het vaststellen van de afstamming en de gevolgen ervan sluiten voorziet dat : ' De erkenning en het vermoeden van vaderschap van de echtgenoot betreffende een kind dat geboren werd voor de inwerkingtreding van deze wet (met name de wet van 1 juli 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 01/07/2006 pub. 29/12/2006 numac 2006009998 bron federale overheidsdienst justitie Wet tot wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het vaststellen van de afstamming en de gevolgen ervan sluiten), kunnen worden betwist door de echtgenoot of door degene die het kind erkent, binnen een termijn van één jaar vanaf de datum van de ontdekking van het feit dat hij niet de vader van het kind is, zelfs indien er meer dan een jaar zou zijn verstreken sedert de geboorte of het ontdekken van de geboorte van het kind ' terwijl een dergelijke overgangsbepaling niet voorzien is voor het kind dat op grond van art. 318, § 2, in fine van het Burgerlijk Wetboek, het vaderschap van de echtgenoot wenst te betwisten, binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat de echtgenoot van zijn moeder, zijn vader niet is ? 2. Schendt art.318, § 1, BW, artikel 22 van de Grondwet, eventueel samen gelezen met art. 8 EVRM, doordat de vordering tot betwisting van vaderschap niet kan worden toegelaten als het kind bezit van staat heeft ten aanzien van de echtgenoot [van zijn] moeder, in zoverre de kinderen reeds minderjarig [lees : meerderjarig] zijn, de wettelijke vader overleden is, de biologisch beweerde vader overleden is, de nalatenschap van de wettelijke vader reeds werd vereffend en de kinderen hun aandeel hebben genomen in de nalatenschap van hun wettelijke vader ? ». (...) III. In rechte (...) Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag B.1. Om de eerste prejudiciële vraag te beantwoorden, moet het Hof zich uitspreken over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van artikel 318 van het Burgerlijk Wetboek, zoals vervangen bij artikel 7 van de wet van 1 juli 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 01/07/2006 pub. 29/12/2006 numac 2006009998 bron federale overheidsdienst justitie Wet tot wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het vaststellen van de afstamming en de gevolgen ervan sluiten « tot wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het vaststellen van de afstamming en de gevolgen ervan » en gewijzigd bij artikel 368 van de wet van 27 december 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 27/12/2006 pub. 28/12/2006 numac 2006021363 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet houdende diverse bepalingen (1) type wet prom. 27/12/2006 pub. 28/12/2006 numac 2006021365 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet houdende diverse bepalingen (1) sluiten houdende diverse bepalingen (I), in samenhang gelezen met artikel 25 van de wet van 1 juli 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 01/07/2006 pub. 29/12/2006 numac 2006009998 bron federale overheidsdienst justitie Wet tot wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het vaststellen van de afstamming en de gevolgen ervan sluiten, in zoverre niet is voorzien in een overgangsbepaling voor het kind dat vóór de inwerkingtreding van de wet van 1 juli 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 01/07/2006 pub. 29/12/2006 numac 2006009998 bron federale overheidsdienst justitie Wet tot wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het vaststellen van de afstamming en de gevolgen ervan sluiten is geboren en het vaderschap van de echtgenoot van zijn moeder wenst te betwisten binnen een termijn van één jaar na de ontdekking van het feit dat de echtgenoot niet zijn vader is.

B.2. Uit de motieven van de verwijzingsbeslissing vloeit voort dat de kinderen die de vordering tot betwisting van het vaderschap voor de verwijzende rechter hebben ingesteld, zijn geboren in 1980, dat hun wettelijke vader is overleden in 1999 en dat zij in 2010 hebben vernomen dat een andere man, in 2010 overleden, hun biologische vader is.

B.3.1. Zoals vervangen bij artikel 7 van de wet van 1 juli 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 01/07/2006 pub. 29/12/2006 numac 2006009998 bron federale overheidsdienst justitie Wet tot wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het vaststellen van de afstamming en de gevolgen ervan sluiten en gewijzigd bij artikel 368 van de wet van 27 december 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 27/12/2006 pub. 28/12/2006 numac 2006021363 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet houdende diverse bepalingen (1) type wet prom. 27/12/2006 pub. 28/12/2006 numac 2006021365 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet houdende diverse bepalingen (1) sluiten houdende diverse bepalingen (I) luidt artikel 318, §§ 1 en 2, van het Burgerlijk Wetboek : « § 1. Tenzij het kind bezit van staat heeft ten aanzien van de echtgenoot, kan het vermoeden van vaderschap worden betwist door de moeder, het kind, de man ten aanzien van wie de afstamming vaststaat en de persoon die het vaderschap van het kind opeist. § 2. De vordering van de moeder moet worden ingesteld binnen een jaar na de geboorte. De vordering van de echtgenoot moet worden ingesteld binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat hij niet de vader van het kind is, die van de man die het vaderschap van het kind opeist moet worden ingesteld binnen het jaar na de ontdekking van het feit dat hij de vader van het kind is en die van het kind moet worden ingesteld op zijn vroegst op de dag waarop het de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt en uiterlijk op de dag waarop het de leeftijd van tweeëntwintig jaar heeft bereikt of binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat de echtgenoot zijn vader niet is.

Indien de echtgenoot overleden is zonder in rechte te zijn opgetreden, terwijl de termijn om zulks te doen nog niet verstreken is, kan zijn vaderschap binnen een jaar na zijn overlijden of na de geboorte, worden betwist door zijn bloedverwanten in de opgaande en in de neerdalende lijn.

Het vaderschap dat vaststaat krachtens artikel 317 kan daarenboven worden betwist door de vorige echtgenoot ».

B.3.2. Artikel 25 van de wet van 1 juli 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 01/07/2006 pub. 29/12/2006 numac 2006009998 bron federale overheidsdienst justitie Wet tot wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het vaststellen van de afstamming en de gevolgen ervan sluiten « tot wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het vaststellen van de afstamming en de gevolgen ervan » bepaalt : « § 1. In afwijking van artikel 330, § 1, vierde lid, zoals gewijzigd bij deze wet, en van artikel 318, § 1, tweede lid, zoals ingevoegd bij deze wet, kunnen de erkenning en het vermoeden van vaderschap van de echtgenoot worden betwist door de persoon die het moederschap of vaderschap van het kind opeist gedurende een termijn van één jaar vanaf de inwerkingtreding van deze wet, zelfs indien er meer dan een jaar verstreken zou zijn sedert de geboorte of het ontdekken van de geboorte van het kind. § 2. Gedurende een termijn van één jaar vanaf de inwerkingtreding van deze wet, behoudt elke belanghebbende derde, in de zin van artikel 330, § 1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek in zijn vorige lezing, de mogelijkheid een erkenning te betwisten, volgens de voorwaarden voorgeschreven door de vroegere wetgeving. § 3. De verjaringstermijn van de vordering tot betwisting van de erkenning ingesteld door artikel 330, § 1, vierde lid, zoals gewijzigd bij deze wet, begint te lopen de dag waarop deze wet in werking treedt, tenzij de vordering reeds was verjaard, en zonder dat de totale duur van de verjaringstermijn dertig jaar kan overschrijden. § 4. De erkenning en het vermoeden van vaderschap van de echtgenoot betreffende een kind dat geboren werd voor de inwerkingtreding van deze wet, kunnen worden betwist door de echtgenoot of door degene die het kind erkent, binnen een termijn van één jaar vanaf de datum van de ontdekking van het feit dat hij niet de vader van het kind is, zelfs indien er meer dan een jaar zou zijn verstreken sedert de geboorte of het ontdekken van de geboorte van het kind. [...] ».

B.3.3. Het is artikel 368 van de wet van 27 december 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 27/12/2006 pub. 28/12/2006 numac 2006021363 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet houdende diverse bepalingen (1) type wet prom. 27/12/2006 pub. 28/12/2006 numac 2006021365 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet houdende diverse bepalingen (1) sluiten houdende diverse bepalingen (I) dat in artikel 318, § 2, voor het kind de mogelijkheid heeft ingevoerd om een vordering tot betwisting van het vaderschap in te stellen binnen het jaar na de ontdekking van het feit dat de echtgenoot van zijn moeder niet zijn vader is, aangezien de wet van 1 juli 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 01/07/2006 pub. 29/12/2006 numac 2006009998 bron federale overheidsdienst justitie Wet tot wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het vaststellen van de afstamming en de gevolgen ervan sluiten de echtgenoot en de man die het vaderschap van het kind opeist, toestaat om op dezelfde grond en binnen dezelfde termijn een vordering tot betwisting van het vaderschap in te stellen.

De memorie van toelichting bij het wetsontwerp dat heeft geleid tot de wet van 27 december 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 27/12/2006 pub. 28/12/2006 numac 2006021363 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet houdende diverse bepalingen (1) type wet prom. 27/12/2006 pub. 28/12/2006 numac 2006021365 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet houdende diverse bepalingen (1) sluiten vermeldt : « De wet van 1 juli 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 01/07/2006 pub. 29/12/2006 numac 2006009998 bron federale overheidsdienst justitie Wet tot wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het vaststellen van de afstamming en de gevolgen ervan sluiten legt vooraf bepaalde termijnen op voor de vaderschapsbetwistingen. Voor de diverse betrokkenen kan het startpunt van de termijn worden uitgesteld, aangezien de datum die in aanmerking moet worden genomen die is van de kennisname van het onjuiste karakter van de band van afstamming. Alleen de vordering van het kind genoot niet van deze mogelijkheid. Deze beperking moet verbeterd worden, want men zou die als discriminerend kunnen beschouwen » (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2760/001, p. 239; Parl. St., Senaat, 2006-2007, nr. 3-1988/4, pp. 3 en 4).

De wet van 27 december 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 27/12/2006 pub. 28/12/2006 numac 2006021363 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet houdende diverse bepalingen (1) type wet prom. 27/12/2006 pub. 28/12/2006 numac 2006021365 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet houdende diverse bepalingen (1) sluiten heeft evenwel voor het kind niet voorzien in een overgangsbepaling die vergelijkbaar is met de bepalingen vervat in artikel 25 van de wet van 1 juli 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 01/07/2006 pub. 29/12/2006 numac 2006009998 bron federale overheidsdienst justitie Wet tot wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het vaststellen van de afstamming en de gevolgen ervan sluiten, die het de man die het vaderschap opeist mogelijk maken om een vordering tot betwisting in te stellen gedurende een termijn van één jaar vanaf de inwerkingtreding van de wet, zelfs indien er meer dan een jaar zou zijn verstreken sedert de geboorte of het ontdekken van de geboorte van het kind ( § 1), en de echtgenoot om een vordering tot betwisting in te stellen binnen een termijn van één jaar vanaf de datum van de ontdekking van het feit dat hij niet de vader van het kind is, zelfs indien er meer dan een jaar zou zijn verstreken sedert de geboorte of het ontdekken van de geboorte van het kind ( § 4).

B.4.1. Bij de totstandkoming van de wet van 1 juli 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 01/07/2006 pub. 29/12/2006 numac 2006009998 bron federale overheidsdienst justitie Wet tot wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het vaststellen van de afstamming en de gevolgen ervan sluiten heeft de wetgever gesteld dat verschillende nieuwe regels van het afstammingsrecht nood hadden aan overgangsbepalingen « ofwel om af te wijken van de algemene regels van het overgangsrecht, ofwel om één van die regels te verduidelijken wanneer ze onvoldoende gekend zijn of er een controverse over bestaat » (Parl. St., Senaat, 2005-2006, nr. 3-1402/5, p. 5).

Aansluitend op het in de Senaat ingediend amendement nr. 45 van de Regering (Parl. St., Senaat, 2005-2006, nr. 3-1402/5, pp. 3-5) is in de wet van 1 juli 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 01/07/2006 pub. 29/12/2006 numac 2006009998 bron federale overheidsdienst justitie Wet tot wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het vaststellen van de afstamming en de gevolgen ervan sluiten een bepaling van overgangsrecht ingevoegd om het, in de eerste plaats, de man die het vaderschap van het kind opeist en vóór de inwerkingtreding van de wet van 1 juli 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 01/07/2006 pub. 29/12/2006 numac 2006009998 bron federale overheidsdienst justitie Wet tot wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het vaststellen van de afstamming en de gevolgen ervan sluiten geen vordering tot betwisting van het vaderschap kon instellen, mogelijk te maken de bij artikel 318, § 2, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek bepaalde vordering in te stellen gedurende een termijn van één jaar vanaf de inwerkingtreding van de wet (artikel 25, § 1, van de wet van 1 juli 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 01/07/2006 pub. 29/12/2006 numac 2006009998 bron federale overheidsdienst justitie Wet tot wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het vaststellen van de afstamming en de gevolgen ervan sluiten) : « Ontwerpartikel 330, § 1, eerste lid, verleent de biologische vader het recht het wettelijke vaderschap of de erkenning van het vaderschap te betwisten. Het is niet wenselijk dat de toepassing van het nieuwe recht inzake betwisting van het vaderschap van de echtgenoot dat verleend wordt aan de biologische vader, beperkt wordt tot alleen maar de kinderen die geboren zijn na de inwerkingtreding van de wet, evenals tot die welke kort daarvoor zijn geboren (voor zover de vordering ingesteld wordt in het jaar van de geboorte of van het ontdekken ervan).

Om elk interpretatieprobleem te vermijden, wordt voorgesteld dat voor deze kinderen de termijn zal ingaan vanaf de dag waarop de nieuwe wet in werking treedt.

Deze overgangsbepaling verwijst naar het adagium ' actioni non natae non praescribitur ' (de vorderingen die niet bestaan, kunnen niet verjaren), dat voorkomt in zowel het gemeen recht als het overgangsrecht. Teneinde elke controverse te voorkomen, heeft de regering het nuttig geacht de overgangssituatie te verhelderen » (Parl. St., Senaat, 2005-2006, nr. 3-1402/7, p. 57).

B.4.2. Het voormelde amendement nr. 45 van de Regering heeft vervolgens in een overgangsbepaling voorzien teneinde de echtgenoot toe te staan zijn vordering tot betwisting in te stellen binnen een termijn van één jaar vanaf de ontdekking van het feit dat hij niet de vader van het kind is, zelfs indien er meer dan een jaar zou zijn verstreken sedert de geboorte of het ontdekken van de geboorte van het kind (artikel 25, § 4, van de wet van 1 juli 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 01/07/2006 pub. 29/12/2006 numac 2006009998 bron federale overheidsdienst justitie Wet tot wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het vaststellen van de afstamming en de gevolgen ervan sluiten) : « Krachtens de algemene regels van het overgangsrecht blijven de verjaringen die geschied zijn op het moment dat de nieuwe wet van kracht wordt, behouden. Indien daarentegen de verjaring nog geen feit is op het moment van het van kracht worden van de nieuwe wet, wordt het startpunt van de verjaringstermijn verschoven. Uit de combinatie van deze regels resulteert dat, vanaf het van kracht worden van de nieuwe wet, de vorderingstermijn van de echtgenoot moet lopen vanaf het ontdekken van het feit dat hij niet de vader is van het kind, voor zover de verjaring niet vaststaat middels de vroegere wetgeving. Dat zal echter vaak het geval zijn voor kinderen die meer dan een jaar voordien werden geboren [...].

Om aan deze situatie te verhelpen en aan de echtgenoot een kans te geven die neerkomt op het instellen van een nieuwe vordering [...], moet men afwijken van deze algemene regels via een overgangsbepaling.

Deze bepaling heft het beletsel op van de verjaring die volgens de voorwaarden van de oude wet een feit is, met name door het aflopen van een termijn van één kaar die begint te lopen bij de geboorte, of bij het ontdekken ervan (art. 20, § 4). [...] » (Parl. St., Senaat, 2005-2006, nr. 3-1402/5, p. 6). « Thans kan de echtgenoot zijn vaderschap slechts betwisten binnen het jaar van de ontdekking van de geboorte. Het wetsontwerp bepaalt dat de termijn ingaat vanaf de dag dat hij ontdekt dat hij de vader van het kind niet is.

Aangezien het gaat om een nieuw recht dat deze nieuwe wet invoert, zal men op grond van deze wet kunnen optreden, ook al is de termijn van één jaar ruimschoots verstreken bij de inwerkingtreding van de nieuwe wet.

Men mag echter niet vergeten dat het bezit van staat hier zal gelden, zodat het belang van het kind in aanmerking kan komen, indien het gaat om een lang verworven staat » (Parl. St., Senaat, 2005-2006, nr. 3-1402/7, p. 58).

B.5. In de aan de toetsing van het Hof voorgelegde hypothese, zoals gepreciseerd in B.2, van kinderen die zijn geboren vóór de inwerkingtreding van de wet van 1 juli 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 01/07/2006 pub. 29/12/2006 numac 2006009998 bron federale overheidsdienst justitie Wet tot wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het vaststellen van de afstamming en de gevolgen ervan sluiten en van de ontdekking, meer dan één jaar na de inwerkingtreding van die wet, van het biologische vaderschap van een derde, heeft de echtgenoot het recht zijn vaderschap te betwisten op grond van de overgangsbepaling waarin artikel 25, § 4, van de wet van 1 juli 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 01/07/2006 pub. 29/12/2006 numac 2006009998 bron federale overheidsdienst justitie Wet tot wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het vaststellen van de afstamming en de gevolgen ervan sluiten voorziet, en heeft de man die het vaderschap opeist, eveneens het recht het vaderschap van de echtgenoot te betwisten, niet op grond van de in artikel 25, § 1, van die wet opgenomen overgangsbepaling, maar door de onmiddellijke toepassing van artikel 318, § 2, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek.

B.6. Volgens de verwijzende rechter zou te dezen een verschil in behandeling bestaan tussen het vorderingsrecht van de echtgenoot of de persoon die het kind wenst te erkennen, enerzijds, en het vorderingsrecht van het kind, anderzijds, omdat daarvoor in geen enkele overgangsbepaling is voorzien.

Vóór de inwerkingtreding van de wetten van 1 juli 2006 en van 27 december 2006 moest het kind zijn vordering tot betwisting van het vaderschap instellen « uiterlijk vier jaar nadat het de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt » (artikel 332, vijfde lid, van het Burgerlijk Wetboek). Sinds de inwerkingtreding van de twee voormelde wetten moet de vordering van het kind op zijn vroegst worden ingesteld op de dag waarop het de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt en uiterlijk op de dag waarop het de leeftijd van tweeëntwintig jaar heeft bereikt of binnen een jaar na het ontdekken van het feit dat de echtgenoot niet zijn vader is (artikel 318, § 2, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek).

Volgens de verwijzende rechter maakt artikel 318, § 2, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, bij ontstentenis van een overgangsbepaling, het een vóór de inwerkingtreding van de wetten van 1 juli 2006 en van 27 december 2006 geboren kind wiens recht om het vaderschap te betwisten is verjaard op het ogenblik van de inwerkingtreding van de wetten van 1 juli 2006 en van 27 december 2006 omdat het op dat ogenblik ouder is dan tweeëntwintig jaar, niet mogelijk een vordering tot betwisting van het vaderschap in te stellen wanneer het na de inwerkingtreding van de wetten van 1 juli 2006 en van 27 december 2006 ontdekt dat de echtgenoot van zijn moeder niet zijn vader is. Het is in die interpretatie dat het Hof de prejudiciële vraag beantwoordt.

B.7. Door het een kind dat vóór de inwerkingtreding van de wetten van 1 juli 2006 en van 27 december 2006 geboren is en wiens recht om het vaderschap te betwisten is verjaard op het ogenblik van de inwerkingtreding van die wetten, niet mogelijk te maken een vordering tot betwisting van het vaderschap in te stellen wanneer het na de inwerkingtreding van die wetten ontdekt dat de echtgenoot van zijn moeder niet zijn vader is, terwijl die echtgenoot in dat geval het recht heeft zijn vaderschap te betwisten op grond van de in artikel 25, § 4, van de wet van 1 juli 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 01/07/2006 pub. 29/12/2006 numac 2006009998 bron federale overheidsdienst justitie Wet tot wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het vaststellen van de afstamming en de gevolgen ervan sluiten opgenomen overgangsbepaling, en terwijl de man die het vaderschap opeist eveneens in dat geval het recht heeft het vaderschap van de echtgenoot te betwisten, niet op grond van de in artikel 25, § 1, van die wet opgenomen overgangsbepaling, maar door de onmiddellijke toepassing van artikel 318, § 2, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, heeft de wetgever een verschil in behandeling ingevoerd tussen die drie houders van de vordering tot betwisting van het vaderschap, verschil dat niet op redelijke wijze kan worden verantwoord. In die interpretatie is artikel 318, § 2, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

B.8. Het Hof merkt evenwel op dat artikel 318, § 2, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek in die zin kan worden geïnterpreteerd dat het een kind dat vóór de inwerkingtreding van de wetten van 1 juli 2006 en van 27 december 2006 is geboren en wiens recht om het vaderschap te betwisten is verjaard op het ogenblik van de inwerkingtreding van die wetten, mogelijk maakt een vordering tot betwisting van het vaderschap in te stellen wanneer het na de inwerkingtreding van die wetten ontdekt dat de echtgenoot van zijn moeder niet zijn vader is. Dat kind beschikte immers vóór de inwerkingtreding van de wet van 27 december 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 27/12/2006 pub. 28/12/2006 numac 2006021363 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet houdende diverse bepalingen (1) type wet prom. 27/12/2006 pub. 28/12/2006 numac 2006021365 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet houdende diverse bepalingen (1) sluiten niet over het recht om een vordering tot betwisting van het vaderschap in te stellen binnen het jaar na het ontdekken van het feit dat de echtgenoot van zijn moeder niet zijn vader is. Zijn recht om op die grond op te treden, kan dus niet zijn verjaard. Het bevindt zich bijgevolg in dezelfde situatie als de man die het vaderschap opeist en kan het vaderschap betwisten door de onmiddellijke toepassing van artikel 318, § 2, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek. In die interpretatie voert artikel 318, § 2, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek geen verschil in behandeling in onder de houders van de vordering tot betwisting van het vaderschap en schendt het de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag B.9. Om de tweede prejudiciële vraag te beantwoorden moet het Hof zich uitspreken over de bestaanbaarheid, met artikel 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, van artikel 318, § 1, van het Burgerlijk Wetboek, in zoverre de vordering tot betwisting van het vaderschap niet kan worden toegestaan als het kind bezit van staat heeft ten aanzien van de echtgenoot van zijn moeder, « in zoverre de kinderen reeds [meerderjarig] zijn, de wettelijke vader overleden is, de biologisch beweerde vader overleden is, de nalatenschap van de wettelijke vader reeds werd vereffend en de kinderen hun aandeel hebben genomen in de nalatenschap van hun wettelijke vader ».

B.10. Artikel 318, § 1, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt : « Tenzij het kind bezit van staat heeft ten aanzien van de echtgenoot, kan het vermoeden van vaderschap worden betwist door de moeder, het kind, de man ten aanzien van wie de afstamming vaststaat en de persoon die het vaderschap van het kind opeist ».

Met betrekking tot het bezit van staat bepaalt artikel 331nonies van het Burgerlijk Wetboek : « Het bezit van staat moet voortdurend zijn.

Het wordt bewezen door feiten die te samen of afzonderlijk de betrekking van afstamming aantonen.

Die feiten zijn onder meer : - dat het kind altijd de naam heeft gedragen van degene van wie wordt gezegd dat het afstamt; - dat laatstgenoemde het als zijn kind heeft behandeld; - dat die persoon als vader of moeder in zijn onderhoud en opvoeding heeft voorzien; - dat het kind die persoon heeft behandeld als zijn vader of moeder; - dat het als zijn kind wordt erkend door de familie en in de maatschappij; - dat de openbare overheid het als zodanig beschouwt ».

B.11.1. Artikel 318 van het Burgerlijk Wetboek regelt de mogelijkheid tot betwisting van het vermoeden van het vaderschap van de echtgenoot van de moeder van het kind. Het vermoeden van vaderschap is ingesteld in artikel 315 van het Burgerlijk Wetboek. Binnen de in paragraaf 2 van artikel 318 bepaalde termijnen - die verschillen naar gelang van de vorderingsgerechtigden - staat de vordering enkel open voor de moeder, het kind, de man ten aanzien van wie de afstamming vaststaat en de persoon die het vaderschap van het kind opeist.

De mogelijkheid tot betwisting van het vermoeden van vaderschap is evenwel onderworpen aan een beperking : de vordering is - voor alle vorderingsgerechtigden - onontvankelijk wanneer het kind bezit van staat heeft ten aanzien van de echtgenoot.

B.11.2. Uit de parlementaire voorbereiding van artikel 318 van het Burgerlijk Wetboek blijkt dat aanvankelijk geen eensgezindheid leek te bestaan over de vraag of het bezit van staat elke betwisting van de afstamming onmogelijk diende te maken, onder meer omdat dit begrip niet noodzakelijk samenvalt met het begrip « belang van het kind », en omdat de opvattingen over de familievrede, die het wil beschermen, snel evolueren (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-0597/024, pp. 60-62). Na uitvoerig overleg binnen de subcommissie Familierecht van de Commissie voor de Justitie van de Kamer van volksvertegenwoordigers heeft de wetgever gemeend het « bezit van staat » als grond van niet-ontvankelijkheid van de vordering tot betwisting van het vermoeden van vaderschap te moeten invoeren. Het daartoe strekkende amendement, dat aan de basis ligt van de in het geding zijnde bepaling, werd als volgt verantwoord : « Ten eerste beoogt het voorgestelde amendement degenen die een vordering mogen instellen te beperken tot de personen die daadwerkelijk belanghebbenden zijn, namelijk de echtgenoot, de moeder, het kind en de persoon die het vaderschap of het moederschap van het kind opeist.

Vervolgens lijkt het ons nodig de gezinscel van het kind zoveel mogelijk te beschermen door eensdeels het bezit van staat te behouden die overeenstemt met de situatie van een kind dat door iedereen werkelijk als het kind van zijn ouders wordt beschouwd, ook al strookt dat niet met de biologische afstamming, en anderdeels door termijnen te bepalen voor het instellen van de vordering » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-0597/026, p. 6, en DOC 51-0597/032, p. 31).

Het was derhalve de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever om de afstammingsband beter te beschermen, enerzijds, door het bezit van staat te behouden en anderzijds, andere derden, zoals grootouders, te beletten om op te treden (Parl. St., Senaat, 2005-2006, nr. 3-1402/7, p. 4).Nadat binnen de Senaatscommissie voor de Justitie bij die uitgangspunten vraagtekens werden geplaatst, onder meer met betrekking tot de interpretatieproblemen waartoe het begrip « bezit van staat » aanleiding kon geven, bevestigde de minister van Justitie dat de Kamer niet heeft overwogen de regels inzake het « bezit van staat » te wijzigen : « Het ontwerp wijzigt reeds een groot aantal regels, en ook al rijzen er bij de toepassing van het begrip soms problemen, toch hoeft dit niet te worden aangepast. De wetgever heeft er in 1987 voor gekozen het begrip te behouden om ervoor te zorgen dat de biologische waarheid het niet altijd wint van de sociaal-affectieve realiteit. Deze keuze moet behouden blijven en het bezit van staat hoeft dus niet te worden aangepast » (Parl. St., Senaat, 2005-2006, nr. 3-1402/7, p. 9).

B.12. Het Hof moet artikel 318, § 1, van het Burgerlijk Wetboek toetsen aan artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

Artikel 22 van de Grondwet bepaalt : « Ieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven en zijn gezinsleven, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald.

De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen de bescherming van dat recht ».

Artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt : « 1. Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé leven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling. 2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van 's lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen ». Uit de parlementaire voorbereiding van artikel 22 van de Grondwet blijkt dat de Grondwetgever « een zo groot mogelijke concordantie [heeft willen nastreven] met artikel 8 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), teneinde betwistingen over de inhoud van dit Grondwetsartikel respectievelijk art. 8 van het EVRM te vermijden » (Parl. St., Kamer, 1992-1993, nr. 997/5, p. 2).

B.13. De in het geding zijnde regeling van betwisting van het vermoeden van vaderschap valt onder de toepassing van artikel 22 van de Grondwet en van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

B.14. Het recht op de eerbiediging van het privéleven en het gezinsleven, zoals het door de voormelde bepalingen wordt gewaarborgd, heeft als essentieel doel de personen te beschermen tegen inmengingen in hun privéleven en hun gezinsleven.

Artikel 22, eerste lid, van de Grondwet sluit, evenmin als artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, een overheidsinmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven niet uit, maar vereist dat erin is voorzien in een voldoende precieze wettelijke bepaling, dat zij beantwoordt aan een dwingende maatschappelijke behoefte en dat zij evenredig is met de daarmee nagestreefde wettige doelstelling. Die bepalingen houden bovendien de positieve verplichting in voor de overheid om maatregelen te nemen die een daadwerkelijke eerbiediging van het privéleven en het gezinsleven verzekeren, zelfs in de sfeer van de onderlinge verhoudingen van individuen (EHRM, 27 oktober 1994, Kroon e.a. t. Nederland, § 31).

B.15. De procedures met betrekking tot het vaststellen of betwisten van de vaderlijke afstamming, raken het privéleven, omdat de materie van de afstamming belangrijke aspecten van iemands persoonlijke identiteit omvat (EHRM, 28 november 1984, Rasmussen t. Denemarken, § 33; 24 november 2005, Shofman t. Rusland, § 30; 12 januari 2006, Mizzi t. Malta, § 102;16 juni 2011, Pascaud t. Frankrijk, §§ 48-49; 21 juni 2011, Kruskovic t. Kroatië, § 20; 22 maart 2012, Ahrens t. Duitsland, § 60; 12 februari 2013, Krisztissn Barnabsss Tóth t. Hongarije, § 28).

B.16. De wetgever beschikt over een appreciatiemarge om bij de uitwerking van een wettelijke regeling die een overheidsinmenging in het privéleven inhoudt, rekening te houden met een billijk evenwicht tussen de tegenstrijdige belangen van het individu en de samenleving in haar geheel (EHRM, 26 mei 1994, Keegan t. Ierland, § 49; 27 oktober 1994, Kroon e.a. t. Nederland, § 31; 2 juni 2005, Znamenskaya t.

Rusland, § 28; 24 november 2005, Shofman t. Rusland, § 34).

Die appreciatiemarge van de wetgever is evenwel niet onbegrensd : opdat een wettelijke regeling verenigbaar is met het recht op eerbiediging van het privéleven, moet worden nagegaan of de wetgever een billijk evenwicht heeft gevonden tussen alle rechten en belangen die in het geding zijn. Zulks vereist dat de wetgever niet alleen een afweging maakt tussen de belangen van het individu tegenover de samenleving in haar geheel, maar tevens tussen de tegenstrijdige belangen van de betrokken personen (EHRM, 6 juli 2010, Backlund t.

Finland, § 46), op gevaar af anders een maatregel te nemen die niet evenredig is met de nagestreefde wettige doelstellingen.

B.17. De rust der families en de rechtszekerheid van de familiale banden, enerzijds, en het belang van het kind, anderzijds, zijn legitieme doelstellingen waarvan de wetgever kan uitgaan om een onbeperkte mogelijkheid tot betwisting van het vermoeden van vaderschap te verhinderen. In dat opzicht is het pertinent om de biologische werkelijkheid niet a priori te laten prevaleren op de socioaffectieve werkelijkheid van het vaderschap.

B.18. Door het « bezit van staat » als absolute grond van niet-ontvankelijkheid van de vordering tot betwisting van het vermoeden van vaderschap in te stellen, heeft de wetgever de socioaffectieve werkelijkheid van het vaderschap evenwel steeds laten prevaleren op de biologische werkelijkheid. Door die absolute grond van niet-ontvankelijkheid wordt het kind volledig de mogelijkheid ontnomen om het vermoeden van vaderschap te betwisten.

Aldus bestaat voor de rechter geen enkele mogelijkheid om rekening te houden met de belangen van alle betrokken partijen.

Een dergelijke maatregel is onevenredig met de door de wetgever nagestreefde, legitieme doelstellingen, en derhalve niet bestaanbaar met artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

B.19. Aan het voorgaande wordt geen afbreuk gedaan door het gegeven dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft geoordeeld dat een rechterlijke beslissing waarbij een regeling werd toegepast die vergelijkbaar is met de in het geding zijnde maatregel, geen schending van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens inhield (EHRM, 22 maart 2012, Ahrens t. Duitsland; 22 maart 2012, Kautzor t. Duitsland). Het Europees Hof wees erop dat binnen de lidstaten van de Raad van Europa geen eensgezindheid over de in het geding zijnde aangelegenheid bestaat, zodat de lidstaten over een ruime appreciatiebevoegdheid beschikken wat de regelgeving inzake het vaststellen van het juridisch statuut van het kind betreft (Ahrens, voormeld, §§ 69-70 en 89; Kautzor, voormeld, §§ 70-71 en 91).

Overigens onderzocht het Europees Hof eveneens of de concrete toepassing van de desbetreffende regeling, rekening houdend met alle concrete omstandigheden van de zaak, voldeed aan de vereisten van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (Ahrens, voormeld, §§ 75-77; Kautzor, voormeld, §§ 62, 78 en 80).

B.20. De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord.

Om die redenen, het Hof zegt voor recht : - In die zin geïnterpreteerd dat het een kind dat is geboren vóór de inwerkingtreding van de wetten van 1 juli 2006 « tot wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het vaststellen van de afstamming en de gevolgen ervan » en van 27 december 2006 « houdende diverse bepalingen (I) » en wiens recht op de betwisting van het vaderschap is verjaard op het ogenblik van de inwerkingtreding van die wetten, niet toestaat een vordering tot betwisting van het vaderschap in te stellen wanneer het na de inwerkingtreding van die wetten ontdekt dat de echtgenoot van zijn moeder niet zijn vader is, schendt artikel 318, § 2, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. - In die zin geïnterpreteerd dat het een kind dat is geboren vóór de inwerkingtreding van de voormelde wetten van 1 juli 2006 en van 27 december 2006 en wiens recht op de betwisting van het vaderschap is verjaard op het ogenblik van de inwerkingtreding van die wetten, toestaat een vordering tot betwisting van het vaderschap in te stellen wanneer het na de inwerkingtreding van die wetten ontdekt dat de echtgenoot van zijn moeder niet zijn vader is, schendt artikel 318, § 2, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. - Artikel 318, § 1, van het Burgerlijk Wetboek schendt artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre de door het kind ingestelde vordering tot betwisting van het vaderschap niet ontvankelijk is wanneer het kind bezit van staat heeft ten aanzien van de echtgenoot van zijn moeder.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/01/1989 pub. 18/02/2008 numac 2008000108 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet op het Arbitragehof sluiten op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 7 november 2013.

De griffier, P.-Y. Dutilleux De voorzitter, M. Bossuyt

^