Etaamb.openjustice.be
Arrest
gepubliceerd op 22 januari 2009

Uittreksel uit arrest nr. 186/2008 van 18 december 2008 Rolnummer 4393 In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 15 van de wet van 15 mei 2007 op de Algemene Inspectie en houdende diverse bepalingen betreffende de rechtspositie van Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechter(...)

bron
grondwettelijk hof
numac
2008204755
pub.
22/01/2009
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

GRONDWETTELIJK HOF


Uittreksel uit arrest nr. 186/2008 van 18 december 2008 Rolnummer 4393 In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 15 van de wet van 15 mei 2007 op de Algemene Inspectie en houdende diverse bepalingen betreffende de rechtspositie van sommige leden van de politiediensten, ingesteld door de vzw « Nationaal Syndicaat van het Politie- en Veiligheidspersoneel » en anderen.

Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechters P. Martens, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 14 december 2007 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 17 december 2007, is beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 15 van de wet van 15 mei 2007 op de Algemene Inspectie en houdende diverse bepalingen betreffende de rechtspositie van sommige leden van de politiediensten (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 15 juni 2007, derde editie) door de vzw « Nationaal Syndicaat van het Politie- en Veiligheidspersoneel », met zetel te 1040 Brussel, Generaal Bernheimlaan 18-20, Michel Brasseur, wonende te 4500 Hoei, chaussée de Waremme 54, Marc Claerhout, wonende te 8500 Kortrijk, Condédreef 127, Philip Van Hamme, wonende te 8310 Brugge, Astridlaan 112, en Jérôme Aoust, wonende te 7021 Havré, rue Salvador Allende 126. (...) II. In rechte (...) Ten aanzien van het belang B.1. Wat de eerste verzoekende partij betreft, werpt de Ministerraad op dat haar belang beperkt zou zijn tot de belangen van haar individuele leden. Wat de tweede verzoeker betreft, voert de Ministerraad aan dat deze deel uitmaakt van de « Algemene Inspectie van de federale politie en van de lokale politie » (hierna : de Algemene Inspectie). Wat de derde, de vierde en de vijfde verzoekende partij betreft, voert de Ministerraad aan dat zij momenteel met vakbondsverlof zijn, zodat hun bevoegdheden van agent van gerechtelijke politie of officier van gerechtelijke politie zijn opgeschort.

B.2.1. De tweede verzoeker werd door middel van een voorlopige maatregel op grond van artikel 22 van de wet van 15 mei 2007 op de Algemene Inspectie en houdende diverse bepalingen betreffende de rechtspositie van sommige leden van de politiediensten (hierna : de Wet op de Algemene Inspectie) vanuit de Algemene Inspectie teruggezonden naar de federale politie, waar hij hoofdcommissaris is.

Hij kan bijkomend het voorwerp uitmaken van een voorafgaand onderzoek.

Bijgevolg doet de tweede verzoeker blijken van het rechtens vereiste belang.

B.2.2. Aangezien het beroep ontvankelijk is wat de tweede verzoekende partij betreft is het niet nodig het belang van de eerste, de derde, de vierde en de vijfde verzoekende partij te onderzoeken.

Ten gronde B.3.1. De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van artikel 15 van de Wet op de Algemene Inspectie, dat bepaalt : « De personeelsleden van de Algemene Inspectie dragen de titel van ' Lid van de Algemene Inspectie ' wat hen de bevoegdheid verleent tot het uitvoeren van alle plichten die voortvloeien uit het vervullen van hun opdrachten ten aanzien van de personen bepaald in artikel 5, hierin begrepen de opdrachten die kunnen voortvloeien uit de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten, wat ook hun graad en functie weze ».

B.3.2. In de parlementaire voorbereiding wordt betreffende de bestreden bepaling het volgende uiteengezet : « Deze wet heeft tot doel de onafhankelijkheid van de Algemene Inspectie te garanderen. Er dient overigens vermeden te worden dat er discrepanties zouden optreden in de teksten die de onafhankelijkheid van de diverse controleorganen verzekeren.

Het toewijzen van de titel van ' Lid van de Algemene Inspectie ' is een middel om de functies binnen de inspectie te valoriseren en dit vooral ten opzichte van de lokale en federale politiebeambten evenals van de administratieve en gerechtelijke overheden waarmee de leden van de inspectie in contact treden.

Het artikel 10 van het Koninklijk Besluit van 26 november 2001 ter uitvoering van de Wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut bepaalt dat het onderzoek voorafgaandelijk aan een tuchtprocedure toevertrouwd moet worden aan een personeelslid dat tenminste bekleed is met een gelijkwaardige graad waarmee het personeelslid dat het voorwerp van de procedure uitmaakt, is bekleed. Teneinde aan deze vereiste te kunnen voldoen en gezien het geringe aantal effectieven waarover de inspectie beschikt, is het noodzakelijk om aan de leden van de Algemene Inspectie deze titel die gelijkwaardig is aan de graad van hoofdcommissaris te verlenen » (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2947/002, p. 29).

B.4. De verzoekende partijen voeren aan dat de bestreden bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, doordat zij toelaat dat een aan een tuchtonderzoek voorafgaand onderzoek kan worden gevoerd door een onderzoeker die met een lagere graad is bekleed dan de politieambtenaar die het voorwerp van dat voorafgaand onderzoek uitmaakt.

Volgens de verzoekende partijen schendt die gang van zaken het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie op twee manieren : enerzijds zou een personeelslid naar wie een voorafgaand onderzoek wordt gevoerd door de Algemene Inspectie, het risico lopen te worden geconfronteerd met een onderzoeker met een lagere anciënniteit, minder ervaring en een geringere opleiding, terwijl een personeelslid naar wie een voorafgaand onderzoek wordt gevoerd door een lid van de lokale of de federale politie, dat risico niet zou lopen; anderzijds zou een onderzoeker verbonden aan de lokale of de federale politie, die met minder delicate onderzoeken wordt belast, steeds minstens dezelfde graad dienen te bekleden als de persoon die het voorwerp van het voorafgaand onderzoek uitmaakt, terwijl een onderzoeker binnen de Algemene Inspectie, die doorgaans met delicatere onderzoeken wordt belast, van die vereiste zou zijn vrijgesteld.

B.5.1. De Ministerraad werpt op dat de personeelsleden van de federale en de lokale politie onvoldoende vergelijkbaar zijn met de personeelsleden van de Algemene Inspectie, aangezien de Algemene Inspectie een orgaan extern aan de politiediensten is.

B.5.2. Zoals ook blijkt uit artikel 2 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten (hierna : de Tuchtwet), betrof één van de uitgangspunten van de politiehervorming de vereiste dat het statuut van alle ambtenaren van het operationeel kader en van het administratief en logistiek kader van de politiediensten en de algemene inspectie zoveel mogelijk diende te worden gelijkgeschakeld.

Bijgevolg zijn de personeelsleden van de lokale en de federale politie, enerzijds, en de personeelsleden van de Algemene Inspectie, anderzijds, voldoende vergelijkbaar.

B.6.1. Krachtens artikel 10 van het koninklijk besluit van 26 november 2001 tot uitvoering van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten wordt het aan de tuchtprocedure voorafgaand onderzoek naar een politieambtenaar in beginsel toevertrouwd aan een personeelslid dat is bekleed met ten minste dezelfde graad als de graad waarmee het personeelslid dat het voorwerp van de procedure uitmaakt, is bekleed.

B.6.2. Artikel 27 van de Tuchtwet bepaalt evenwel : « Indien de tuchtoverheid of de tuchtraad van oordeel is dat er ernstige redenen zijn om een onderzoek, onder andere in het raam van de procedures bedoeld in de artikelen 26, 32, 38 en 49, derde lid, niet toe te vertrouwen aan de hiërarchische overheid, kan zij daarvoor een beroep doen op de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie. Elk geschil betreffende de grondslag van de ernstige redenen opgeroepen om de algemene inspectie te vorderen, wordt voorgelegd, voor definitieve beslissing, aan de minister van Binnenlandse Zaken ».

B.7. De wetgever vermocht redelijkerwijze te oordelen dat het in bepaalde omstandigheden verkieslijk is het voorafgaand onderzoek te laten voeren door een instantie die organiek niet tot de politiediensten behoort, en die zich zodoende met de nodige afstand van die opdracht kan kwijten.

Eveneens vermocht de wetgever redelijkerwijze te oordelen dat de Algemene Inspectie het meest geschikte orgaan is om dat voorafgaand onderzoek te voeren. Luidens artikel 5 van de Wet op de Algemene Inspectie heeft die instantie immers tot taak te waken over « het optimaliseren van het functioneren van de federale politie en de lokale politie evenals van hun componenten ». De Algemene Inspectie kan bijgevolg een werkelijke materiële steun bieden aan de tuchtoverheid, met name inzake het voeren van het voorafgaand onderzoek of het opstellen van een inleidend verslag (Parl. St., Kamer, 1998-1999, nr. 1965/1, p. 14).

B.8. De maatregel staat bovendien in verband met de door de wetgever nagestreefde doelstelling. De Algemene Inspectie kan immers niet ambtshalve een onderzoek uitvoeren, maar treedt slechts op indien zij daartoe wordt verzocht door de tuchtoverheid, die daartoe bovendien ernstige redenen dient te hebben. Indien hieromtrent een geschil ontstaat, neemt de minister van Binnenlandse Zaken de definitieve beslissing.

Daarnaast dient elke kandidaat voor de functie van lid van de Algemene Inspectie krachtens artikel 10, § 1, van de Wet op de Algemene Inspectie aan strenge criteria te voldoen om te kunnen worden benoemd.

De kandidaat dient met name van onberispelijk gedrag te zijn, te beantwoorden aan het opgelegde profiel, te slagen voor de voorgeschreven selectieproeven en nuttig te zijn gerangschikt. Die strenge selectiecriteria waarborgen de kwaliteit van het voorafgaand onderzoek.

Bovendien oefent de Algemene Inspectie, indien toepassing wordt gemaakt van artikel 27 van de Tuchtwet, zelf geen tuchtbevoegdheid uit. De in de artikelen 19 en 20 van de Tuchtwet bedoelde organen behouden hun tuchtbevoegdheid, terwijl de rol van de Algemene Inspectie zich beperkt tot het bieden van een materiële hulp bij het onderzoek.

B.9. In zoverre het middel een ongelijkheid van behandeling aanvoert tussen, enerzijds, de personeelsleden van de federale en de lokale politie en, anderzijds, de personeelsleden van de Algemene Inspectie, is het ongegrond.

B.10. Daarnaast verwijten de verzoekende partijen de bestreden bepaling dat zij elk lid van de Algemene Inspectie de bevoegdheid geeft alle opdrachten uit te voeren die zijn omschreven in artikel 5 van de Wet op de Algemene Inspectie, waardoor het volgens de verzoekende partijen de facto de bevoegdheden van een « officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings » zou hebben.

Zodoende zouden de personeelsleden van de geïntegreerde politie die niet tot de Algemene Inspectie behoren, worden gediscrimineerd, aangezien zij minstens tot het middenkader of het officierskader dienen te behoren om die hoedanigheid te hebben, terwijl leden van de Algemene Inspectie die hoedanigheid zouden bezitten ongeacht de graad die ze bij de geïntegreerde politie bekleden.

B.11. Artikel 5 van de Wet op de Algemene Inspectie bepaalt : « De Algemene Inspectie, als van de politiediensten onafhankelijk controleorgaan dat ressorteert onder de uitvoerende macht, waakt over het optimaliseren van het functioneren van de federale politie en de lokale politie evenals van hun componenten, en dit met respect voor de democratie en de bescherming van de fundamentele rechten en vrijheden.

De personeelsleden zijn, onder het gezag en de leiding van de Inspecteur-generaal en de adjuncten-Inspecteur-generaal, belast met taken met betrekking tot de bevoegdheden die aan de Algemene Inspectie zijn toegekend.

De Algemene Inspectie onderzoekt de werking, activiteiten en de werkwijzen van de politiediensten.

Zij gaat in het bijzonder de toepassing na van de wetten, verordeningen, bevelen, onderrichtingen en richtlijnen, alsook van de normen en standaarden. Zij neemt deel aan de definiëring, het naleven en de actualisering van de politionele deontologie. Zij onderzoekt regelmatig de efficiëntie en de doeltreffendheid van de federale politie en van de korpsen van de lokale politie, onverminderd de interne procedures van die diensten.

De Algemene Inspectie oefent haar bevoegdheden uit betreffende de evaluatie en de opleiding van het personeel ».

B.12. In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen beweren, kent die bepaling de leden van de Algemene Inspectie niet de bevoegdheden van een « officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings » toe. In zoverre het middel op die bewering steunt, is het bijgevolg niet gegrond.

Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep.

Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 18 december 2008.

De griffier, P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter, M. Bossuyt.

^