Etaamb.openjustice.be
Arrest
gepubliceerd op 12 juli 2006

Uittreksel uit arrest nr. 113/2006 van 28 juni 2006 Rolnummers 3961 en 3963 In zake : de beroepen tot vernietiging van artikel 5 van de wet van 20 december 2005 houdende de Rijksmiddelenbegroting voor het begrotingsjaar 2006, ingesteld doo Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters P. Mart(...)

bron
arbitragehof
numac
2006202128
pub.
12/07/2006
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

ARBITRAGEHOF


Uittreksel uit arrest nr. 113/2006 van 28 juni 2006 Rolnummers 3961 en 3963 In zake : de beroepen tot vernietiging van artikel 5 van de wet van 20 december 2005 houdende de Rijksmiddelenbegroting voor het begrotingsjaar 2006, ingesteld door L. Lamine en A. Mariën.

Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters P. Martens, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Moerman en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Arts, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 7 april 2006 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 10 april 2006, heeft L.Lamine, wonende te 3110 Rotselaar, Steenweg op Wezemaal 90, beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 5 van de wet van 20 december 2005 houdende de Rijksmiddelenbegroting voor het begrotingsjaar 2006 (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 29 december 2005). b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 14 april 2006 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 18 april 2006, heeft A.Mariën, wonende te 2840 Rumst, Lazarusstraat 7, beroep tot vernietiging ingesteld van dezelfde norm.

Die zaken, ingeschreven onder de nummers 3961 en 3963 van de rol van het Hof, werden samengevoegd.

Op 27 april 2006 hebben de rechters-verslaggevers A. Alen en J. Spreutels, met toepassing van artikel 72, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, het Hof ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht aan het Hof voor te stellen een arrest te wijzen waarin wordt vastgesteld dat de beroepen tot vernietiging klaarblijkelijk niet gegrond zijn. (...) II. In rechte (...) B.1. De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van artikel 5 van de wet van 20 december 2005 houdende de Rijksmiddelenbegroting voor het begrotingsjaar 2006 (Belgisch Staatsblad , 29 december 2005).

De bestreden bepaling luidt : « De op 31 december 2005 bestaande directe en indirecte belastingen, in hoofdsom en opdeciemen ten behoeve van de Staat, worden tijdens het jaar 2006 ingevorderd volgens de wetten, besluiten en tarieven waarbij de zetting en invordering ervan worden geregeld, met inbegrip van de wetten, besluiten en tarieven die slechts een tijdelijk of voorlopig karakter hebben ».

B.2. Het enige middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 16 en 170, § 1, van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en met artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Die bepalingen zijn volgens de verzoekende partij geschonden, « doordat de federale uitvoerende macht besloten heeft een onwettige belasting te heffen, en met name door fiscaalrechtelijke bepalingen toe te passen die werden vernietigd door het arrest nr. 186/2005 van 14 december 2005 van het Arbitragehof, terwijl geen belasting ten behoeve van de federale Staat kan worden ingevoerd dan door een wet en de federale uitvoerende macht de wet moet eerbiedigen op voet van gelijkheid met de burgers, zodat de burgers, in het kader van het maatschappelijk contract waarop een parlementaire democratie berust, de niet-uitvoering door de uitvoerende macht van deze overeenkomst, zeker op fiscaal gebied, kunnen beantwoorden met de opschorting van de uitvoering van hun fiscale verplichtingen, hetgeen in het geval van een indirecte belasting zoals de ecotaks alleen mogelijk is door aan het Arbitragehof de vernietiging te vragen van de wetsbepaling die de federale uitvoerende macht toelaat belastingen te heffen ».

B.3. In het arrest nr. 186/2005 van 14 december 2005 heeft het Hof de artikelen 358, b), c) en d), en 359 van de programmawet van 22 december 2003 vernietigd, de gevolgen van het vernietigde artikel 358, b), c) en d), tot en met 24 juli 2004 gehandhaafd en de gevolgen van het vernietigde artikel 359 tot en met 30 juni 2006 gehandhaafd.

In B.15.5 en in B.16 van dat arrest overwoog het Hof in het bijzonder : « B.15.5. Weliswaar wijzen diverse studies uit dat niet-herbruikbare verpakkingen, gesteld dat zij in hoge mate selectief worden ingezameld en gerecycleerd, tot een gelijkwaardig resultaat inzake de beperking van productie van restafval zouden kunnen leiden en dat, afhankelijk van de onderzochte hypothesen, de algemene milieubalans, waarbij met alle milieueffecten tijdens de gehele levensduur van de drankverpakking rekening wordt gehouden, onder bepaalde strikte voorwaarden positief zou kunnen uitvallen voor bepaalde niet-herbruikbare verpakkingen.

Nu dat resultaat maar bereikt zou kunnen worden onder nader te bepalen voorwaarden, die door hun aard verschillen van die welke gelden voor herbruikbare verpakkingen, komt het de wetgever, rekening houdend met de beschikbare wetenschappelijke gegevens in dit verband, toe te bepalen onder welke voorwaarden de niet-herbruikbare verpakkingen voor vrijstelling van de verpakkingsheffing in aanmerking komen.

B.16. Uit de bestreden bepaling [artikel 358, b), van de programmawet van 22 december 2003, en de daarmee onlosmakelijk verbonden litterae c) en d) ervan] en de vernietiging van artikel 359 van de programmawet van 22 december 2003 (eerste middel) [de machtiging aan de Koning om bij een in Ministerraad overlegd besluit te voorzien in een vrijstelling van de verpakkingsheffing voor de drankverpakkingen voor eenmalig gebruik die een hoeveelheid gerecycleerde grondstoffen bevatten waarvan Hij het minimumpercentage vaststelt] vloeit voort dat voor de niet-herbruikbare drankverpakkingen niet langer is voorzien in een vrijstellingsmogelijkheid. Gelet op hetgeen voorafgaat is het niet objectief en redelijk verantwoord dat de niet-herbruikbare drankverpakkingen onder geen enkele voorwaarde, zelfs niet wanneer bijzonder hoge recyclagepercentages zouden worden bereikt, vrijgesteld kunnen worden van de verpakkingsheffing ».

De gevolgen van het vernietigde artikel 359 van de programmawet van 22 december 2003 werden gehandhaafd tot en met 30 juni 2006 « teneinde de wetgever in staat te stellen een nieuwe regeling aan te nemen, na afweging van alle hierbij betrokken belangen » (B.25).

B.4. De bestreden bepaling machtigt de uitvoerende macht tot invordering van de op 31 december 2005 bestaande belastingen, in hoofdsom en opdeciemen ten behoeve van de Staat. Het gaat om een jaarlijks weerkerende bepaling in de Rijksmiddelenbegroting om de toepassing van de geldende fiscale wetgeving in het begrotingsjaar mogelijk te maken. Zij verleent aldus uitvoering aan artikel 171 van de Grondwet op grond waarvan de uitvoerende macht tot het innen van de door of krachtens een wet geregelde belastingen niet kan overgaan dan nadat zij daartoe van de wetgevende macht, in de begrotingswet of de financiewet, machtiging heeft verkregen.

B.5. De verzoekers schrijven aan de wetgevende macht de bedoeling toe de Grondwet bewust te schenden in zoverre de bestreden bepaling de uitvoerende macht de toestemming zou verlenen om de ongrondwettige wetten en onwettige besluiten waarbij de zetting en invordering van de belastingen wordt geregeld, toe te passen, en zij haar in het bijzonder zou machtigen de verpakkingsheffing in te vorderen met miskenning van het arrest nr. 186/2005.

B.6. De veronderstelling van de verzoekers is niet verenigbaar met het beginsel dat, behoudens andersluidende aanwijzing, die te dezen noch uit de duidelijke tekst van de bestreden bepaling noch uit de parlementaire voorbereiding ervan kan worden afgeleid, een met de Grondwet overeenstemmende interpretatie moet worden verkozen. Er kan derhalve niet worden besloten dat de bestreden bepaling de machtiging zou inhouden een ongrondwettige heffing in te vorderen.

Overigens moet worden opgemerkt dat, zelfs indien de bestreden bepaling de betekenis zou hebben die de verzoekende partijen eraan toeschrijven, de wetgever het gezag van gewijsde van het voorvermelde arrest van het Hof niet zou miskennen - en bijgevolg de Grondwet niet zou schenden - in zoverre de bestreden bepaling de invordering van de verpakkingsheffing in het begrotingsjaar 2006 mogelijk maakt. Door de handhaving van de gevolgen, sluit dat arrest immers tot en met 30 juni 2006 geenszins die invordering uit.

B.7. Het Hof merkt verder op dat, indien de uitvoerende macht na 30 juni 2006 zou overgaan tot invordering van de verpakkingsheffing, zonder dat de wetgevende macht zou hebben voorzien in een vrijstelling van de verpakkingsheffing voor de recycleerbare drankverpakkingen onder de door haar te bepalen voorwaarden, de heffingsplichtige niet beroofd zou zijn van de rechtsmiddelen om de - wegens ontstentenis van vrijstellingsgrond - voor sommige verpakkingen ongrondwettig bevonden heffing te bestrijden. De miskenning van het gezag van gewijsde van het voormelde arrest zou dan gelegen zijn in de beslissing van de federale uitvoerende macht « een onwettige belasting te heffen » - zoals de verzoekers het zelf omschrijven -, waartegen beroep bij de hoven en rechtbanken openstaat, in voorkomend geval in de weigering van de wetgevende macht om te voorzien in een noodzakelijke vrijstelling van de verpakkingsheffing, doch geenszins in de bestreden algemene bepaling van de wet van 20 december 2005.

B.8. Daaruit volgt dat de beroepen tot vernietiging niet gegrond zijn.

Om die redenen, het Hof verwerpt de beroepen.

Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 28 juni 2006.

De griffier, P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter, A. Arts.

^