Etaamb.openjustice.be
Arrest Van Het Grondwettelijk Hof
gepubliceerd op 20 december 2001

Arrest nr. 138/2001 van 30 oktober 2001 Rolnummer 2242 In zake : de vordering tot gehele of gedeeltelijke schorsing van de wet van 10 augustus 2001 betreffende Belgacom, ingesteld door P. Richard. Het Arbitragehof, samengesteld uit de v wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de vordering Bij verzoekschrift dat aa(...)

bron
arbitragehof
numac
2001021636
pub.
20/12/2001
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

ARBITRAGEHOF


Arrest nr. 138/2001 van 30 oktober 2001 Rolnummer 2242 In zake : de vordering tot gehele of gedeeltelijke schorsing van de wet van 10 augustus 2001 betreffende Belgacom, ingesteld door P. Richard.

Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters L. François, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman en E. Derycke, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de vordering Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 19 september 2001 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 20 september 2001, heeft P. Richard, die keuze van woonplaats doet te 1000 Brussel, Fontainasplein 9-11, een vordering tot gehele of gedeeltelijke schorsing ingesteld van de wet van 10 augustus 2001 betreffende Belgacom (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 25 augustus 2001, tweede editie).

De verzoeker vordert eveneens de vernietiging van dezelfde wettelijke bepalingen.

II. De rechtspleging Bij beschikking van 20 september 2001 heeft de voorzitter in functie de rechters van de zetel aangewezen overeenkomstig de artikelen 58 en 59 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof.

Bij beschikking van 26 september 2001 heeft het Hof de zetel aangevuld met rechter E. Derycke.

De rechters-verslaggevers hebben geoordeeld dat er geen aanleiding was om artikel 71 of 72 van de organieke wet toe te passen.

Bij beschikking van 3 oktober 2001 heeft het Hof de dag van de terechtzitting bepaald op 23 oktober 2001.

Van die beschikking is kennisgegeven aan de in artikel 76 van de organieke wet vermelde autoriteiten alsmede aan de verzoekende partij bij op 4 oktober 2001 ter post aangetekende brieven.

Op de openbare terechtzitting van 23 oktober 2001 : - zijn verschenen : . Mr. M. Detry, advocaat bij de balie te Brussel, voor de verzoeker; . Mr. J. Meyers, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; . hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Snappe en A. Alen verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen.

De rechtspleging is gevoerd overeenkomstig de artikelen 62 en volgende van de organieke wet, die betrekking hebben op het gebruik van de talen voor het Hof.

III. In rechte - A - Ten aanzien van het belang van de verzoeker A.1. De verzoeker is lid van het statutair personeel van Belgacom.

Bovendien is hij voorzitter van de sector « Telecom-Luchtvaart » van de Algemene Centrale der Openbare Diensten (A.C.O.D.), een representatieve vakorganisatie in de zin van artikel 30, § 5, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, en vast vakbondsafgevaardigde in de zin van de artikelen 70 en 71 van het vakbondsstatuut van Belgacom.

De bestreden wet machtigt de Koning het juridisch statuut van Belgacom te wijzigen en, vervolgens, de situatie van het personeel op individueel gebied, op het gebied van de sociale zekerheid en ten slotte op het gebied van de collectieve arbeidsverhoudingen aan dat nieuwe statuut aan te passen. Bovendien kan de wet, die de Koning de mogelijkheid biedt de onderneming te privatiseren, voor de verzoeker ernstige gevolgen hebben, omdat een einde kan worden gemaakt aan zijn betrekking van statutair ambtenaar van een overheidsbedrijf en hij ertoe zou kunnen worden gedwongen zich in te passen in de collectieve arbeidsverhoudingen binnen de privé-sector, die totaal verschillen van de verhoudingen waarin hij betrokken is.

Uit die verschillende overwegingen blijkt het belang van de verzoeker om in rechte te treden.

Ten aanzien van het enige middel A.2.1. Een enig middel is afgeleid uit de schending door de bestreden wet van 10 augustus 2001 betreffende Belgacom van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, afzonderlijk genomen en in samenhang met artikel 23 van de Grondwet.

Immers, de bestreden wet verleent de Koning de absolute bevoegdheid de maatregelen te nemen die ertoe strekken Belgacom te privatiseren en de regels betreffende het arbeidsrecht, de socialezekerheidsregeling en de collectieve arbeidsverhoudingen die op het personeel ervan van toepassing zijn, te wijzigen en vast te leggen, terwijl het vastleggen van die regels voor het geheel van de burgers op basis van de aangehaalde grondwetsartikelen aan de wetgever is voorbehouden.

A.2.2. Artikel 23 van de Grondwet behoudt aan de wetgever het recht voor om, rekening houdend met de overeenkomstige plichten, de economische, sociale en culturele rechten die aan iedere burger worden gewaarborgd, te verzekeren en om de voorwaarden voor de uitoefening ervan te bepalen.

In artikel 3 van de wet van 10 augustus 2001 verleent de wetgever de Koning, op een absolute wijze en zonder de beperkingen of de grondbeginselen ervan vast te leggen, bevoegdheden die zonder enige twijfel door artikel 23, derde lid, 1° en 2°, van de Grondwet aan de wetgever zijn voorbehouden. Die bevoegdheidsoverdracht vormt een schending van het voormelde artikel 23, waardoor een discriminatie ontstaat tussen de personeelsleden van Belgacom en die van de andere overheidsbedrijven. Ter ondersteuning van die beweringen wordt verwezen naar het advies van de Raad van State over het voorontwerp van wet, dat later de wet van 10 augustus 2001 is geworden.

Het gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel is in het bijzonder geschonden, in zoverre de bestreden wet een discriminatie in het leven roept tussen Belgacom en alle andere autonome overheidsbedrijven die aan de wet van 21 maart 1991 zijn onderworpen. Die wet bepaalt op zeer nauwkeurige wijze welke regels binnen elk autonoom overheidsbedrijf op het vlak van de individuele en collectieve verhoudingen moeten worden nageleefd.

Ten aanzien van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel A.3.1. De tenuitvoerlegging van de bestreden wet plaatst de verzoeker in een toestand van rechteloosheid, die hem op onherstelbare wijze verhindert de aan zijn functie van vast vakbondsafgevaardigde verbonden prerogatieven uit te oefenen en, in het bijzonder, te onderhandelen over de regels die de Koning krachtens de wet wordt geacht aan te nemen. Immers, de Koning kan tot aan de sociale verkiezingen van 2008 een overgangsregeling op het gebied van de collectieve arbeidsverhoudingen uitwerken. Bijgevolg wordt Belgacom onttrokken aan het toepassingsgebied van de artikelen 29 tot 35 van de wet van 21 maart 1991, waarbij Belgacom tijdelijk uit de werkingssfeer van de wettelijke bepalingen betreffende de collectieve arbeidsverhoudingen in de privé-sector wordt gehouden. Zodoende bepaalt de wet niet welke organen en procedures de Koning in werking moet stellen om binnen Belgacom de regels betreffende de arbeidsvoorwaarden, het socialezekerheidsstelsel en de collectieve arbeidsverhoudingen aan te nemen.

Die toestand is in flagrante tegenspraak met artikel 23 van de Grondwet, dat meer bepaald ertoe strekt de internationale verbintenissen van België ten aanzien van diverse internationaalrechtelijke bepalingen te bekrachtigen, ingevolge welke de ondertekenende Staten verplicht zijn het recht van de vakorganisaties op collectief onderhandelen over de arbeidsvoorwaarden te bevorderen.

A.3.2. Uit de lezing van de memorie van toelichting bij de wet blijkt dat de Regering snel wil handelen, zodat onverwijld over de grondwettigheid van de wet uitspraak moet worden gedaan.

Zo de schorsing van de wet niet wordt bevolen, zal de Koning, zonder onderhandelingen, alle in artikel 3, 2°, 3° en 4°, van de bestreden wet bedoelde regels kunnen aannemen. De verzoeker zal alsdan verplicht zijn voor de Raad van State de vernietiging van alle koninklijke besluiten te vorderen en dus een groot aantal rechtsgedingen aan te spannen, die de onderneming enkel in een onstabiele rechtstoestand kunnen plaatsen, wat de verzoeker geenszins wenst. Bovendien kan de verzoeker, die in die oncomfortabele situatie geplaatst wordt, in een delicate persoonlijke toestand terechtkomen, omdat geen enkele bepaling nog zijn ontslagbescherming zal regelen.

De verzoeker heeft een persoonlijk belang bij de schorsing van de wet, in zoverre sommige aspecten van die wet juridisch onuitvoerbaar zijn en met name in zoverre de wet bepaalt dat de Koning de individuele arbeidsverhoudingen van de vroegere statutaire personeelsleden van Belgacom moet regelen op zodanige wijze dat de continuïteit van hun rechten inzake pensioen wordt gewaarborgd. - B - B.1. Naar luid van artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof dient aan twee grondvoorwaarden te zijn voldaan opdat tot schorsing kan worden besloten : - de middelen die worden aangevoerd moeten ernstig zijn; - de onmiddellijke uitvoering van de bestreden maatregel moet een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kunnen berokkenen.

Daar de twee voorwaarden cumulatief zijn, leidt de vaststelling dat één van die voorwaarden niet is vervuld tot verwerping van de vordering tot schorsing.

Ten aanzien van de draagwijdte van het beroep B.2. De verzoeker vordert de gehele of gedeeltelijke vernietiging van de wet van 10 augustus 2001 betreffende Belgacom. Het Hof stelt vast dat het aangevoerde middel en de aangevoerde grieven uitsluitend gericht zijn tegen artikel 3, 2°, 3° en 4°, van die wet. Bijgevolg moet het beroep aldus worden beperkt.

Ten aanzien van de bestreden bepaling B.3. Artikel 3 van de wet van 10 augustus 2001 betreffende Belgacom luidt : « Om de verwezenlijking van een fusie of samenwerkingsverband zoals bedoeld in artikel 2 mogelijk te maken, kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, alle nuttige maatregelen nemen teneinde : [...] 2° de individuele arbeidsverhoudingen te regelen tussen Belgacom en haar personeelsleden die vóór de in het 1° bedoelde omzetting arbeidsprestaties leveren onder het gezag van Belgacom krachtens het personeelsstatuut vastgesteld in uitvoering van de artikelen 34 en 35 van voornoemde wet van 21 maart 1991, op zodanige wijze dat de continuïteit van de rechten van deze personeelsleden wordt gewaarborgd inzonderheid inzake vastheid van betrekking, bezoldiging en pensioen;3° de toepassing te regelen van de wetten inzake de maatschappelijk zekerheid der arbeiders op de personeelsleden bedoeld in het 2°;4° een overgangsregeling uit te werken op het gebied van de collectieve arbeidsverhoudingen bij Belgacom tot aan de sociale verkiezingen die in het jaar 2008 worden gehouden.» Ten aanzien van het belang van de verzoeker B.4.1. Aangezien de vordering tot schorsing ondergeschikt is aan het beroep tot vernietiging, moet de ontvankelijkheid van het beroep - met name het bestaan van het rechtens vereiste belang om het beroep in te dienen - reeds bij het onderzoek van de vordering tot schorsing worden betrokken.

B.4.2. De verzoeker is lid van het statutair personeel van Belgacom en vast vakbondsafgevaardigde in de zin van de artikelen 70 en 71 van het vakbondsstatuut van de voornoemde onderneming.

Het beperkte onderzoek naar de ontvankelijkheid van het beroep tot vernietiging waartoe het Hof in het kader van de vordering tot schorsing is kunnen overgaan, geeft aan dat de verzoeker van het vereiste belang blijk geeft om de vernietiging van artikel 3, 2°, 3° en 4°, van de wet van 10 augustus 2001 te vorderen, dat de Koning ertoe machtigt bij in Ministerraad overlegd koninklijk besluit de individuele arbeidsverhoudingen tussen Belgacom en de personeelsleden en de toepassing van de socialezekerheidswetten te regelen en een overgangsregeling op het gebied van de collectieve arbeidsverhoudingen uit te werken.

Ten aanzien van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel B.5.1. Teneinde het werkelijke bestaan van een voor hem moeilijk te herstellen ernstig nadeel aan te tonen, houdt de verzoeker voornamelijk staande dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden wet hem in een onomkeerbare toestand plaatst, waarin hij wordt verhinderd de aan zijn functie van vast vakbondsafgevaardigde verbonden prerogatieven uit te oefenen en, in het bijzonder, te onderhandelen over de regels die de Koning krachtens de wet wordt geacht aan te nemen. Immers, hij stelt vast dat de Koning, alleen, tot aan de sociale verkiezingen van 2008 een overgangsregeling op het gebied van de collectieve arbeidsverhoudingen zou kunnen uitwerken.

Bovendien zou de machtigingswet niet bepalen met welke organen en procedures de Koning rekening moet houden bij het aannemen van de regels betreffende de arbeidsvoorwaarden, het socialezekerheidsstelsel en de collectieve arbeidsverhoudingen.

B.5.2. Volgens de parlementaire voorbereiding van het bestreden artikel 3 van de wet van 10 augustus 2001 « is het belangrijk om het behoud van de rechten van het personeel van Belgacom te garanderen.

Daartoe moeten koninklijke besluiten worden uitgevaardigd waarvan de inhoud voorafgaandelijk met de vakbonden zal worden onderhandeld. Eens voorliggend ontwerp is goedgekeurd, zal het management met de vakbonden een kader vastleggen dat als conditio sine qua non in alle scenario's van samenwerking zal worden gehanteerd » (Parl. St., Senaat, 2000-2001, nr. 2-825/3, p. 4).

Voor de Commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden van de Senaat heeft de Minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties herhaald « dat de rechten van het personeel voor 100 % gevrijwaard zijn, daar de continuïteit ervan in dit ontwerp is vastgelegd. De nodige uitvoeringsbesluiten zullen in samenwerking met de vakbonden worden opgesteld ». Hij voegde daaraan toe dat « op een bepaalde aanbeveling [van de Raad van State] niet is ingegaan om een bepaalde flexibiliteit in de onderhandelingen met de vakbonden te kunnen behouden » (Parl. St., op. cit., p. 10).

B.5.3. Uit hetgeen voorafgaat volgt dat het door de verzoeker aangevoerde risico op een ernstig nadeel niet is aangetoond, omdat het geheel van koninklijke besluiten die de Koning krachtens het bestreden artikel 3 van de wet van 10 augustus 2001 gemachtigd is te nemen, moet worden aangenomen met inachtneming van de rechten van het personeel, enerzijds, en van de regels inzake de vakbondsonderhandelingen, anderzijds. Voor het overige staat het aan de gewone rechter of aan de administratieve rechter, naar gelang van het geval, na te gaan of de Koning correct gebruik zal hebben gemaakt van de machtiging.

B.6. Aangezien niet is voldaan aan een van de bij artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof vereiste voorwaarden, moet de vordering tot schorsing worden verworpen.

Om die redenen, het Hof verwerpt de vordering tot schorsing.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 30 oktober 2001.

De griffier, P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter, M. Melchior.

^