Etaamb.openjustice.be
Arrest Van Het Grondwettelijk Hof
gepubliceerd op 22 april 1998

Bericht voorgeschreven bij artikel 74 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof Bij arrest nr. 70.640 van 13 januari 1998 in zake D. Christiaens tegen de Erasmushogeschool Brussel, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbi « Schendt artikel 2, 28°, van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse(...)

bron
arbitragehof
numac
1998021170
pub.
22/04/1998
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

ARBITRAGEHOF


Bericht voorgeschreven bij artikel 74 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof Bij arrest nr. 70.640 van 13 januari 1998 in zake D. Christiaens tegen de Erasmushogeschool Brussel, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 23 januari 1998, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 2, 28°, van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap artikel 24, § 5, van de Grondwet doordat het het hogeschoolbestuur de bevoegdheid verleent te bepalen welke onderwijsactiviteiten artistiekgebonden onderwijsactiviteiten zijn ? » Die zaak is ingeschreven onder nummer 1281 van de rol van het Hof.

De griffier, L. Potoms.

Bericht voorgeschreven bij artikel 74 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof Bij arrest van 11 maart 1998 in zake G. Delvaux tegen de v.z.w. A.Z. Sint-Camillus Sint-Augustinus, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 19 maart 1998, heeft het Arbeidshof te Antwerpen de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Is de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, en zijn meer in het bijzonder de artikelen 82, §§ 2 en 3, juncto 131 van deze wet, die de loonbedragen bepalen die als criterium dienen voor het onderscheid tussen ' lagere bedienden ' en ' hogere bedienden ' in de zin van de wet en haar regels inzake ontslag en inzake de bepaling van de door de werkgever bij ontslag na te leven opzeggingstermijnen, verenigbaar met het gelijkheidsbeginsel en het discriminatieverbod zoals gewaarborgd door de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet, in zoverre het bedoelde loonbedrag dat als criterium dient voor het onderscheid tussen zogenaamde ' lagere bedienden ' en ' hogere bedienden ', identiek is, ongeacht de vraag of de bediende werkzaam is in een voltijds uurrooster, dan wel in een deeltijds uurrooster ? » Die zaak is ingeschreven onder nummer 1310 van de rol van het Hof.

De griffier, L. Potoms.

^